April 2017

  • -

April 2017

Category : 2017

April 2017

Door: Jordy Karperien

Wet financieel toezicht

Iedereen is afhankelijk van de financiële markten. Denk hierbij aan leningen, verzekeringen, pensioen, etc. Deze afhankelijkheid wordt pas echt zichtbaar als de financiële wereld onder druk komt te staan. De financiële crisis die in 2007 begon maakt duidelijk hoe cruciaal het toezicht op de financiële wereld is en welke gevolgen het heeft als dit toezicht wordt verwaarloosd. Het merendeel van de regels op het gebied van financieel toezicht is neergelegd in de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft).

De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) en de Autoriteit Financiële markten (hierna: AFM) houden toezicht op de financiële markten en de partijen die daarop actief zijn. Er zijn drie doelen die nauw met elkaar samenhangen:[1]

  • Stabiliteit van het systeem
  • Soliditeit van financiële instellingen
  • Goed gedrag/transparantie op de financiële markten

Soorten toezicht

Het financieel toezicht is gebaseerd op een functioneel toezichtmodel. Er zijn twee soorten toezicht: prudentieel toezicht en gedragstoezicht. Deze vormen van toezicht zijn te vinden in Deel 1 van de Wft. Artikel 1:24 Wft vormt de basis voor prudentieel toezicht. De DNB is hiervoor verantwoordelijk. Artikel 1:25 Wft vormt de basis voor het gedragstoezicht. De AFM is hiervoor de toezichthouder. Het onderscheid van deze verschillende vormen van toezicht is niet bepalend voor de vraag welke toezichthouder bevoegd is. Het bepaalt in zekere zin de houding van de toezichthouder bij het uitoefenen van het toezicht en de handhaving.

Waar DNB het gedrag van bestuurders en commissarissen van banken analyseert, voor zover dat consequenties heeft voor de bedrijfsvoering van een bank kan hebben, besteedt de AFM bij haar toezicht aandacht aan de soliditeit van een beleggingsinstelling, nu dat van belang kan zijn voor de bescherming van beleggers.

Voor een groot deel wordt de reikwijdte van de Wft bepaald door de verbodsbepalingen. Om te bezien of een entiteit onder de Wft valt, moet er worden gekeken naar deze verbodsbepalingen. Het meeste is te vinden in Deel 2 van de Wft. Het beschrijft welke handelingen verboden zijn, tenzij er sprake is van een uitzondering of een vrijstelling. Als een activiteit niet valt onder een verbodsbepaling, is er geen vergunning nodig. Onder het begrip ‘financiële onderneming’, zoals dat veelal wordt omschreven in de Wft, vallen vrijwel alle personen of entiteiten die op grond van de Wft gereguleerd zijn.

Veel bepalingen komen voort uit het Europees Recht. Bij vrijwel iedere financiële onderneming zijn één of meerdere Europese richtlijnen opgesteld. Denk hierbij aan bijvoorbeeld verschillende bankenrichtlijnen of de richtlijnen met betrekking tot levens- en schadeverzekeraars. Ook dankzij het Europees Recht kunnen lidstaten erop vertrouwen dat het financiële toezicht in andere lidstaten van adequaat niveau is. Ook kan bijvoorbeeld een bank die een vergunning heeft in Nederland dankzij de Europese Unie vrij eenvoudig bancaire activiteiten verrichten in een andere lidstaat. Dit geldt uiteraard ook andersom.

Rechtsbescherming

De Wft heeft ook impact tussen de marktpartijen en hun cliënten. Financiële ondernemingen zijn bijvoorbeeld verplicht hun cliënten goed te informeren over de financiële producten en diensten die zij aanbieden en moeten maatregelen nemen zodat de rechten van deze cliënten voldoende beschermd zijn. Indien deze regel niet in acht wordt genomen, is de rechtshandeling op grond van artikel 3:40 BW nietig. Vooral in de financiële wereld leidt dit tot problemen. Een nietige of vernietigde rechtshandeling dient het reeds gepresteerde ongedaan te maken. Dit is gecompliceerd, omdat je te maken hebt met fluctuerende waarden van financiële producten. Op dit punt is in de Wft meer duidelijkheid gecreëerd. Artikel 1:23 Wft bepaalt het volgende:

‘De rechtsgeldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling welke is verricht in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels is niet uit dien hoofde aantastbaar, behalve voor zover in deze wet anders is bepaald.’

Dit houdt in dat een rechtshandeling die in strijd is met de Wft in beginsel niet leidt tot nietigheid of vernietigbaarheid. Dit is alleen het geval als de Wft dit expliciet bepaalt. Het Burgerlijke Recht biedt wel mogelijkheden om rechtshandelingen in strijd met de Wft aan te tasten. Een overeenkomst kan worden vernietigd en ontbonden wegens tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst (artt. 3:49 – 3:58 en 6:265 – 6:279 BW). Daarnaast vormt dwaling ook een grond voor vernietiging (artt. 6:228 – 6:230 BW).

Er bestaat ook een zorgplicht voor financiële instellingen. De overeenkomst tussen de instelling en de cliënt valt onder artikel 7:400 BW. Artikel 7:401 BW geeft aan dat de opdrachtnemer de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen. De civiele rechter zal anders toetsen dan een toezichthouder of bestuursrechter. De civiele rechter heeft de mogelijkheid om de belangenafweging op basis van redelijkheid en billijkheid te maken. Een schending van de zorgplicht kan leiden tot schadevergoeding als gevolg van een wanprestatie of onrechtmatige daad.

[1] Kamerstukken II 2001/02, 28 122, nr. 2, p. 10.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.