Author Archives: Terecht Gesteld

  • -

April 2018

Category : 2018


Door: Brigitte Hafkenscheid


Fiscale gevolgen van verhuur via Airbnb: leuker kunnen we het niet maken, helaas ook niet makkelijker

Hoewel Airbnb slechts tien jaar geleden is opgericht, is het bedrijf tegenwoordig niet meer weg te denken uit het dagelijks leven van velen. Het online platform geeft particulieren de mogelijkheid een woning voor kortere tijd te verhuren aan andere particulieren. De verhuur via Airbnb is redelijk gemakkelijk, de fiscale behandeling van deze verhuur is een stuk ingewikkelder. Bij particuliere verhuurders bestaat daarom vaak onduidelijkheid over hoe de inkomsten uit deze verhuur belast moeten worden. Vallen deze inkomsten in Box 1 als belastbaar inkomsten uit werk en woning, of is sprake van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, waardoor het in Box 3 (fictief rendement) valt, hetgeen over het algemeen aantrekkelijker is? Omdat er verschillende tarieven en aftrekmogelijkheden voor deze boxen gelden, is het voor de verhuurders van belang te weten hoe en wat belast wordt. In dit artikel zal ik daarom antwoord proberen te geven op de vraag hoe de inkomsten uit verhuur via Airbnb belast behoren te worden. De btw-gevolgen zijn nog ingewikkelder en zal ik daarom in dit artikel achterwege laten.

Om te kunnen beoordelen in welke box verhuur in aanmerking genomen moet worden, moet men eerst de vraag stellen of bij de verhuurde woning sprake is van een eigen woning, een huurwoning of een tweede woning. Deze worden namelijk op verschillende manieren behandeld binnen de inkomstenbelasting. Eerst zal ik daarbij ingaan op de eigen woning en de huurwoning. Daarna zal ik de behandeling van de tweede woning toelichten.

Eigen woning
Inkomsten uit eigen woning vallen in Box 1. Op grond van art. 3.113 van de Wet IB worden de inkomsten van de tijdelijke verhuur van de eigen woning voor 70% in aanmerking genomen als inkomsten uit eigen woning. Dit betekent dat iemand die zijn eigen woning tijdelijk via Airbnb verhuurt, bijvoorbeeld omdat hij zelf op vakantie is, 70% van die huurinkomsten moet aangeven als inkomsten uit zijn eigen woning. Daarmee is het belast in Box 1, waardoor een progressief tarief, oplopend tot 52% van toepassing is.

Van een eigen woning is sprake wanneer voldaan wordt aan de vereisten van art. 3.111 van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB). In beginsel moet het hierbij gaan om een woning die eigendom is van de belastingplichtige, in dit geval dus de verhuurder, en moet deze woning als hoofdverblijf van de belastingplichtige gelden.[1] Indien de belastingplichtige de woning niet in eigendom heeft, maar de woning huurt, is geen sprake van een eigen woning maar van een huurwoning. Ook is de woning geen eigen woning, wanneer de woning wel eigendom is van de belastingplichtige, maar niet als hoofdverblijf aan hem ter beschikking staat. In dit geval is namelijk sprake van een tweede woning. De huurwoning en de tweede woning worden hierna behandeld.

Huurwoning
Degene die een woning huurt en deze geregeld via Airbnb verhuurt wordt belast voor de genoten inkomsten. De inkomsten worden dan belast als “resultaat uit overige werkzaamheden”.  Het onderscheidend criterium is hier dat de verhuur meer dan incidenteel plaatsvindt. Incidentele verhuur zal niet leiden tot heffing. Zo zal iemand die een of tweemaal per jaar zijn woning aanbiedt op Airbnb, bijvoorbeeld tijdens de eigen vakantie, niet voor de huurinkomsten worden belast. Als de woning echter permanent wordt aangeboden is al snel sprake van resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: ROW) en zullen de opbrengsten belast zijn. Of sprake is van ROW is niet altijd helemaal duidelijk en afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Als vuistregel is een regelmatige verhuur aan verschillende huurders belast.

Bij uitzondering kan het regelmatig verhuren via Airbnb ook een onderneming vormen, bijvoorbeeld als meerdere huurhuizen worden aangeboden via Airbnb. Dan is de opbrengst als “winst uit onderneming” belast in Box 1. Dat kan voordelig zijn, omdat de inkomstenbelasting bijzondere aftrekposten voor ondernemers kent, die niet gelden voor ROW-genieters.

Tweede woning
Tot slot is er de tweede woning. Daarvoor ligt de zaak iets ingewikkelder. Indien men een tweede woning in eigendom heeft en die passief verhuurt, valt deze huur in principe in box 3, waar sprake is van een forfaitair voordeel, belast tegen een tarief van 30%. Passieve verhuur van de woning is de verhuur waarbij niet meer dan normale activiteiten worden verricht die nodig zijn om de woning te verhuren. Onder deze normale activiteiten wordt onder andere verstaan het aannemen van een makelaar die de huurder zoekt, het opmaken van een huurcontract met de huurder en de reparatie van onderdelen van de woning. Het zal in dat geval dus vaak gaan om verhuur voor een langere periode. Voor ‘short stay verhuur’, zoals verhuur via Airbnb, is de situatie vaak anders. Gebeurt dit incidenteel, dan valt de huuropbrengst onder het hierboven genoemde forfait en wordt de ontvangen niet apart belast. Bij meer dan incidentele verhuur is weer sprake van ROW en is de huuropbrengst belast in Box 1.  Echter, niet alleen de huuropbrengst is belast, ook waardeveranderingen van de tweede woning vanaf het moment dat de verhuur als ROW kwalificeert, worden als ROW in aanmerking genomen. Voor de tweede woning geldt ook dat als meerdere woningen via Airbnb worden aangeboden dit winst uit onderneming kan vormen.

De gevolgen van het verhuren van een woning via Airbnb zijn dus zeer afhankelijk van de fiscale kwalificatie van de woning (eigen woning, huurwoning of tweede woning),  de regelmaat waarmee woningen worden aangeboden en de arbeid die met de verhuur gepaard gaat. Het verdient dus aanbeveling de fiscale gevolgen van verhuur via Airbnb goed te onderzoeken.

[1] Hiervoor geldt een aantal uitzonderingen en aanvullingen, die voor de globale behandeling van het onderwerp binnen dit artikel niet van belang is.


  • -

Februari 2018

Category : 2018

Door: Laurie Hamer
Paniek in de digitale wereld: de DDoS-aanval

De zogenaamde DDoS-aanvallen komen steeds vaker voor en worden ook steeds zwaarder. Tegelijkertijd wordt het ook steeds gemakkelijker om ze uit te voeren. Vooral banken en overheidsinstanties zijn populaire doelwitten de afgelopen tijd. Dit lijkt op een toenemend probleem voor de maatschappij, maar wat is een DDoS-aanval nou eigenlijk precies en waarom worden ze uitgevoerd? En kunnen ze effectief worden voorkomen nu de aanvallen ook steeds geavanceerder worden?

Distributed Denial-of-Service
DDoS staat voor Distributed Denial-of-Service. Een DDoS-aanval houdt in dat heel veel verschillende netwerken van computers tegelijkertijd verbinding maken met één server. Dit gebeurt meestal door een groep computers dat een botnet wordt genoemd. Een botnet bevat gehackte computers van onwetende gebruikers. Een botnet samenstellen wordt steeds gemakkelijker door het ‘internet der dingen’: dit zijn apparaten die zijn aangesloten op internet en die makkelijk kunnen worden misbruikt omdat ze niet goed beveiligd zijn. Denk aan babyfoons en camera’s. Al deze computers of apparaten sturen data naar dezelfde server. Doordat dit met zoveel netwerken tegelijk gebeurt, raakt de server overbelast waardoor websites, internetdiensten of netwerken ontzettend traag of zelfs onbruikbaar worden. Denk bijvoorbeeld aan het inschrijven van werkgroepen op ProgressWWW wanneer de website zo sloom wordt dat het inschrijven een uur duurt in plaats van vijf minuutjes. Eigenlijk een soort van onbedoelde DDoS-aanval!

Een DDoS-aanval uitvoeren wordt steeds gemakkelijker; tegenwoordig kan iedereen een aanval uitvoeren. Je hebt er geen speciale kennis meer voor nodig. Dit komt doordat je DDoS-aanvallen zelfs kunt kopen op het internet waardoor het een fluitje van een cent wordt. Je hoeft zelf niets meer te doen; een druk op de knop is voldoende. Het bedrag dat je moet betalen, hangt af van hoe sterk je de DDoS-aanval wilt hebben. Hoe krachtiger de DDoS-aanval, hoe meer je moet betalen. DDoS-aanvallen worden ook weer versterkt door de legitieme gebruikers van websites of internetdiensten die keer op keer refreshen en daardoor eigenlijk meewerken aan de DDoS-aanval.

Het motief en de gevolgen
De afgelopen tijd zijn een aantal banken en overheidsinstanties doelwit geweest van DDoS-aanvallen. Het directe doel van een DDoS-aanval is dat websites en apps (tijdelijk) onbruikbaar worden voor de gebruikers. Het doel van een DDoS-aanval is niet het verkrijgen van persoonlijke gegevens van de gebruikers. Eigenlijk leveren de aanvallen voor de uitvoerders geen enkel voordeel op. Het kan dienen als een soort van afleiding van een grotere aanval, maar meestal gebeuren de aanvallen om simpelweg te pesten. Het kan zijn dat de uitvoerder van een DDoS-aanval het niet eens is met de bedrijfsvoering of het beleid van een bedrijf. Toen de ING, ABN Amro en de Rabobank getroffen werden, konden de klanten van de banken voor een aantal uren geen gebruik maken van internetbankieren. Dit was geen ramp, maar wel uitermate irritant voor de gebruikers en frustrerend voor de banken. Ook kan er tijdens een DDoS-aanval niet veel meer gedaan worden dan proberen de aanval af te weren en geduldig af te wachten tot de aanval voorbij is.

Ondanks dat de daadwerkelijke motieven van de uitvoerders van DDoS-aanvallen onduidelijk blijven, kunnen de aanvallen wel grote gevolgen hebben voor de slachtoffers. DDoS-aanvallen kunnen enige tijd duren waardoor bezoekers of klanten ontevreden worden. Dit zorgt voor een afname in bezoekers en klanten wat weer leidt tot verlies voor een bedrijf. Ook lijdt een bedrijf verlies doordat webwinkels vaak uren uit de lucht zijn. Bovendien kunnen persoonlijke gegevens van klanten bekend worden, ook al is dit niet het directe doel van een DDoS-aanval. Dit is voor klanten zeer onprettig en kan voor hun weer grote gevolgen hebben. Dit alles kan leiden tot zeer hoge kosten. Verder kan een DDoS-aanval negatieve publiciteit en wantrouwen van de consument veroorzaken. Hier bovenop komt nog reputatieschade, wat volgens bedrijven de grootste schadepost is na een DDoS-aanval.

DDoS-aanvallen voorkomen?
Een goed opgezette DDoS-aanval kan eigenlijk niet of nauwelijks worden voorkomen. Vooral het herkennen van een DDoS-aanval is in eerste instantie zeer belangrijk. Dit is ook meteen waar het lastig wordt, want er gebeurt eigenlijk niet iets wat direct verkeerd is. Bovendien doet een professionele DDoS-aanval menselijk gedrag na waardoor het lastig is om legitieme aanvragen te onderscheiden van de aanvragen van de botnet. Waar het fout gaat is dat servers de aanvragen niet meer aankunnen. Een DDoS-aanval kun je herkennen aan het patroon van het netwerkverkeer, veel DDoS-aanvallen die je kunt kopen vertonen namelijk de dezelfde patronen. Als je het patroon en daarmee het soort DDoS-aanval herkent, kunnen de juiste maatregelen getroffen worden. Dit gaat echter over het stoppen of tegengaan van een DDoS-aanval; het voorkomen van een aanval is helaas zeer lastig. Er is speciale software te downloaden die bescherming biedt, maar je kunt ook gespecialiseerde bedrijven inschakelen die jouw netwerk beschermen. Zo zijn er nog meerdere opties. Dit soort maatregelen zijn echter vaak zeer prijzig en voor kleinere bedrijfjes en ondernemers dus niet te betalen.

Voor nu blijven DDoS-aanvallen dus een groot probleem en kun je er eigenlijk vrij weinig aan doen. Een DDoS-aanval is in principe namelijk al geslaagd zodra een botnet zoveel data naar een server stuurt dat deze server ontzettend traag wordt. Bovendien gebeuren de aanvallen veel vaker dan mensen denken; de meesten hiervan gaan onopgemerkt voorbij. Alleen het netwerk zal trager worden. Als gewone internetgebruiker is het vooral verstandig om je computer regelmatig te updaten en te scannen op virussen. De meeste mensen hebben namelijk niet eens door dat hun computer voor een DDoS-aanval wordt gebruikt!

 

 

 

 


  • -

December 2015

Category : 2015

December 2015
Dynamische verkeerscontroles om criminelen te spotten
Door Hennie Haarsma

Het Hof van Amsterdam heeft de afgelopen maand een opvallende uitspraak gedaan. Dynamische verkeerscontroles, waar de politie regelmatig gebruik van maakt, zijn verboden.

Bij een zogenaamde ‘dynamische verkeerscontrole’ is in feite sprake van een gericht rechercheonderzoek. De methode houdt in dat de politie een verkeerscontrole organiseert, waarbij ze eigenlijk concreet op zoek zijn naar criminelen. Burgerauto’s staan op plaatsen waarvan bekend is dat criminelen zich daar ophouden. Wanneer er een verdachte auto gespot wordt, wordt deze gevolgd door de burgerauto’s tot ze bij een plaats zijn waar een surveillanceauto klaar staat voor de zogenaamde verkeerscontrole.

De criminelen waarnaar de recherche op zoek is, denken dat ze in een reguliere verkeerscontrole zijn beland en zullen vrijwillig toestemming geven voor fouillering van henzelf en doorzoeking van de auto. Op deze manier is er volgens de politie sprake van een rechtmatig onderzoek.

In de onderhavige zaak zag de politie op 3 juni 2013 een BMW X6 rijden met daarin twee personen. Een van de agenten deed navraag bij zijn collega’s over het kenteken. De auto bleek afkomstig te zijn van een firma waarvan de politie wist dat veel criminelen daar auto’s huren. De bestuurder van de BMW X6 kreeg een stopteken. De agenten vertelden hem dat hij staande was gehouden voor een verkeerscontrole. Een van de agenten deelde de betreffende personen mede dat er in Amsterdam West een groot aantal geweldsdelicten plaats vond en dat daarbij de laatste tijd ook vaak was geschoten. Hij vroeg om toestemming om de personen te fouilleren en de auto te doorzoeken. Zo geschiedde. Bij het openen van de achterklep, viel gelijk op dat er een sterke geur naar buiten kwam. Er werd een tas vol met wiet gevonden.

Het Hof oordeelt als volgt over een dergelijke controle. Het gaat bij dynamische verkeerscontroles om strafvorderlijke ‘fishing expeditios’: opsporingsactiviteiten op basis van vage risicokenmerken zonder enige verdenking ter zake van enig strafbaar feit, waardoor informatie kan worden vergaard die bij een reguliere verkeerscontrole niet toegankelijk zou zijn, aldus het Hof. Daarop volgt dat het Hof  van oordeel is dat de politie haar toekomende controle bevoegdheden van de Wegenverkeerswet uitsluitend heeft aangewend voor een ander doel dan waarvoor de bevoegdheden zijn gegeven. Dit levert strijd op met het beginsel van détournement de pouvoir. Er is met andere woorden sprake van misbruik van het recht.

Het Hof maakt duidelijk dat het van groot belang is dat men er op kan vertrouwen dat overheidsorganen de hun toegekende bevoegdheden gebruiken voor de doeleinden waarvoor zij zijn gegeven. Dynamische verkeerscontroles maken inbreuk op dat vertrouwen, beperken de vrijheid van beweging en schenden de persoonlijke levenssfeer. De kilo wiet die is gevonden ten gevolge van de dynamische verkeerscontrole wordt aldus uitgesloten van het bewijs. Dit met als gevolg dat de verdachte werd vrijgesproken.


  • -

December 2017

Category : 2017

December 2017

Door: Sabina Sodkhan

Cryptovaluta; Bitcoin blockchain

Bitcoin in het nieuws, Bitcoin in de kranten, gesprekken over Bitcoin op het schoolplein; je ontkomt er niet aan! Bitcoin is het gesprek van de dag. Maar wat weten wij er nou eigenlijk van?

Vroeger en nu

Hoewel men zou denken dat cryptovaluta helemaal van deze tijd is, is dit niet zo. Cryptovaluta bestond namelijk al in de vroege jaren ’80 van de vorige eeuw. In 1983 stelde David Chaum de eCash voor als betaalmiddel. Bij eCash ging het om cryptografisch elektronisch geld, oftewel een elektronisch geldsysteem (virtueel geld). Uiteraard is de eCash niet te vergelijken met de cryptovaluta van deze tijd, maar het idee komt enigszins overeen. Eén van de verschillen is dat de bank toen nog een rol speelde bij de transacties: de software van eCash bewaarde het geld in een digitaal format op de computer en werd ondertekend met behulp van cryptografie door de bank.

Betaalsystemen die wij tegenwoordig kennen, zoals internetbankieren of PayPal, bestaat uit onder andere een rekening, saldo en transacties. Hierbij wordt er gebruikgemaakt van een centrale autoriteit die alles bijhoudt, zoals een bank. Met andere woorden: je bent altijd afhankelijk van een derde partij als het om transacties gaat (bank, overheid, brief- en muntgeld). Deze derde partijen worden ook wel ‘third trust parties’ genoemd.

Daartegenover staat cryptovaluta, dat een decentraal netwerk kent, waarbij er geen tussenkomst is van een derde partij. De transacties vinden openbaar plaats en worden niet gecontroleerd door een bank of een andere instantie. Ieder onderdeel van het netwerk dient de transacties zelf bij te houden en iedere nieuwe transactie te verifiëren. Echter, dienen alle onderdelen van het netwerk over dezelfde informatie te beschikken om dit te kunnen bereiken en dat kon in het verleden weleens lastig zijn. Om die reden dacht men dat het bijna onmogelijk zou zijn om een decentraal digitaal betaalsysteem te ontwikkelen.

Blockchain

Satoshi Nakamoto (pseudoniem) heeft daar in 2008 verandering in gebracht door het op blockchain gebaseerde Bitcoin op de markt te brengen, die over alle onderdelen van het netwerk altijd dezelfde informatie beschikt. De blockchain kent een gedistribueerd of peer-to-peer netwerk waarbij iedereen vrij is om met elkaar verbinding te maken. Bezittingen worden dan niet op één centraal punt bewaard, maar juist gedistribueerd in een soort collectief grootboek en beveiligd met behulp van cryptografie.

Een transactie wordt wereldwijd geplaatst op computers die verbonden zijn aan dit netwerk. Voor het bevestigen van transacties, zijn er ‘miners’ nodig. Wereldwijd zijn er ‘miners’ die om de tien minuten (of sneller) een nieuw block creëren door transacties te bevestigen. De informatie van de voorgaande transacties wordt tevens in de block opgeslagen. De ‘miners’ concurreren onder elkaar om bepaalde vraagstukken op te lossen. Deze vraagstukken hebben betrekking op het valideren en vastleggen van transacties om deze vervolgens door te sturen naar het netwerk. Na deze bevestiging, dient elke ‘node’ (verbonden computer in het netwerk) deze transactie toe te voegen in het systeem met behulp van een encryptie. Na de toevoeging wordt de transactie onderdeel van de blockchain. Hieronder wordt globaal weergegeven hoe zo’n blockchain-proces verloopt.

Kortom: cryptovaluta, zoals de Bitcoin, kent een peer-to-peer netwerk waarbij transacties kunnen worden verricht met behulp van virtueel geld. De op de blockchain gebaseerde Bitcoin heeft ervoor gezorgd dat er geen derde partij aan te pas hoeft te komen en richt een soort collectief grootboek op dat beveiligd is met behulp van cryptografie. Het is aan de ‘miners’ om de transacties te valideren, vast te leggen en door te sturen naar het netwerk om deze vervolgens in een block toe te voegen aan de blockchain. Een nieuw block wordt ongeveer om de tien minuten gecreëerd, waarin tevens alle voorgaande transacties opgenomen zijn en beveiligd worden middels cryptografie.

Cryptovaluta en recht

Zoals eerder is vermeld, is cryptovaluta elektronisch geld dat uitbesteed kan worden zonder tussenkomst van een derde partij. Wat betekent dit in de wereld van het recht? Kan cryptovaluta aangemerkt worden als geld in juridische zin of is het juridisch gezien een goed? Prikkelt dit je interesse? Houd dan vooral de weblogs in de gaten!


  • -

Augustus 2017

Category : 2017

Augustus 2017

Door: Willem Beerda

Besluitvorming over kinderen in migratieprocedures

Kinderen hebben een belangrijke positie in de migratieprocedure. Op grond van artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, hebben de belangen van het kind een belangrijke plek ingenomen. Dit artikel luidt als volgt: ‘Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind een eerste overweging.’ Dit artikel is niet geïmplementeerd in het Nederlandse Vreemdelingenrecht. De Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000, het Vreemdelingenvoorschrift 2000 en de Vreemdelingencirculaire 2000 bevatten allen geen bepaling waarin dit artikel tot uiting komt. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) brengt daarom ook niet zelf het belang van het kind in kaart en laat dit ook niet doen door externe deskundigen, want er is geen nationale regel die ze daartoe verplicht. Hierdoor wordt artikel 4:2 van de AWB strikt toegepast. Het is aan de aanvrager om alle feiten en omstandigheden in de aanvraagprocedure te overleggen. De bestuursrechter heeft over deze kwestie de volgende uitspraak gedaan: ‘Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is’. Hieruit kan worden afgeleid dat de rechter vindt dat er bij elk besluit en maatregel kenbaar rekening moet worden gehouden met ‘het belang van het kind’. Kenbaar houdt in dat dit moet blijken uit de motivering van het besluit (de redenen die ten grondslag liggen aan het besluit) of uit de motivering van de maatregel (de redenen die ten grondslag liggen aan de maatregel). De rechter kan echter niet beoordelen of de IND het juiste gewicht hecht aan de belangen van het kind omdat de rechter uit de Nederlandse regelgeving niet kan afleiden hoe dat moet worden gedaan. De IND neemt – na aanleiding van deze jurisprudentie – een overweging op in haar besluit over het belang van het kind. Indien concrete informatie over het belang van het kind door de advocaat wordt ingediend in de procedure neemt de IND daar als het goed is een standpunt over in. Als je naar de praktijk kijkt, is het kind afhankelijk van een goede advocaat, die alle betrokken feiten en (bijzondere) omstandigheden naar voren brengt en dus ook de belangen van het kind. De advocaat is echter geen deskundige, daar waar het gaat om het onderzoek naar de belangen van het kind. In de huidige vreemdelingenrechtpraktijk wordt er geen deskundigenorganisatie zoals de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld. De consequentie van de huidige situatie is dat de belangen van kinderen onvoldoende worden betrokken in de besluitvorming en dit leidt tot Kinderrechtenschending in Nederland.


  • -

Juli 2017

Category : 2017

Juli 2017

Door: Jordy Karperien

Aandeelhoudersgeschillen

Veel ondernemingen hebben te maken met meerdere aandeelhouders. Soms verschillen aandeelhouders van mening over de te volgen koers, wat kan leiden tot een geschil.  Dit kan grote schade voor de onderneming tot gevolg hebben.  Dit geldt natuurlijk ook voor de werknemers en de eventuele schuldeisers. Hoe kan dit worden opgelost?

Enquêteprocedure

Als eerste kan er een aandeelhoudersvergadering plaatsvinden, waarbij de problemen worden besproken. Dit kan mogelijk een uitkomst bieden, waardoor het probleem wordt opgelost. Als dit niet heeft geholpen, dan kan een zogenaamde enquêteprocedure worden opgestart. De aandeelhouder die dit verzoek indient, moet minimaal 10% van de aandelen bezitten. Bij een enquêteprocedure wordt er een onderzoeker benoemd, die het beleid binnen de onderneming onderzoekt. De onderzoeker stelt een rapport op, waar de Ondernemingskamer zich over zal buigen. De Ondernemingskamer kan vervolgens tot een conclusie komen dat er sprake is van een wanbeleid binnen de onderneming.

Ondernemingskamer

Een verzoek om een enquêteprocedure op te starten, moet via de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. De Ondernemingskamer gaat alleen een onderzoek instellen wanneer is gebleken van goede redenen om aan een juist beleid te twijfelen. De Ondernemingskamer heeft veel bevoegdheden. Ze hebben onder andere de bevoegdheid om een besluit van een orgaan van de vennootschap ongedaan te maken. Daarnaast kan de Ondernemingskamer een bestuurder te schorsen en zelfs te ontslaan. Ze kunnen ter vervanging een nieuwe, tijdelijke, bestuurder aanstellen. Ook kunnen ze de statuten van de B.V. of N.V. veranderen.

Naar de rechter stappen?

Wanneer de aandeelhouders er onderling niet uitkomen, kunt u als laatste redmiddel naar de rechter stappen. Dit biedt zeker uitkomst wanneer er twee aandeelhouders zijn, die elk 50% van de aandelen bezit, de zogenaamde ‘deadlock-situatie’ en beide zelfstandig bestuurder zijn. Ook wanneer er meerdere aandeelhouders zijn, kan de rechter uitkomst bieden. Een deadlock-situatie wordt uiteindelijk vaak opgelost door een aandeelhouder uit te kopen. De uitgekochte aandeelhouder heeft hierna weinig meer te maken met de vennootschap.


  • -

Juni 2017

Category : 2017

Juni 2017

Door: Ellen de Vries

“Aso-wet”: geen keihard “Law and Order-beleid”

Bij  brief van 7 maart jongstleden verzekerde minister Plasterk de inwerkingtreding van de Wet aanpak woonoverlast (beter bekend als de “Aso-wet”) per 1 juli 2017. De initiatiefwet, op  voorstel van Tweede Kamerlid Tellegen (VVD), heeft ten doel om het instrumentarium van de burgemeester uit te breiden zodat deze kan ingrijpen bij verschillende vormen van woonoverlast. Dat behoefte bestaat aan de inhoud van de nieuwe wet moge duidelijk zijn. Gemeenten sorteren al sinds een jaar voor op de inwerkingtreding van de wet, zo blijkt uit een artikel van Trouw.[i] In deze weblog wordt kort stil gestaan bij de inhoud en het doel van desbetreffende wet. Besloten wordt met een verwijzing naar een informatieve animatie.

Inhoud

Voor inwerkingtreding van de huidige wet had de burgemeester slechts de mogelijkheid tot het geven van een waarschuwing of de discretionaire bevoegdheid om een woning te sluiten bij (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde, ex artikel 174a Gemeentewet. Artikel 174a Gemeentewet is beter bekend als de Wet Victoria. Uit de beleidsregels voor toepassing van de Wet Victoria blijkt dat zij slechts in zeer uitzonderlijk gevallen wordt ingezet. Niet gauw is voldaan aan het vereiste van “verstoring van de openbare orde”. “Verstoring van de openbare orde kan alleen aanwezig worden geacht bij overlast waardoor de veiligheid en gezondheid van mensen in de omgeving van de woning in ernstige mate worden bedreigd.”[ii]

De Wet aanpak woonoverlast biedt een “verfijnder” middel dan de Wet Victoria.[iii] Desbetreffende wet voegt artikel 151d Gemeentewet in. Dit wetsartikel biedt een grond voor de burgemeester om een bestuurlijke gedragsaanwijzing te geven bij verschillende vormen van woonoverlast. “De gedragsaanwijzing krijgt de vorm van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom.”[iv] De aanwijzing kan zowel bestaan in een ge- als een verbod. Mocht de gedragsaanwijzing niet worden opgevolgd, dan kan de burgemeester een burger de toegang tot de woning ontzeggen voor een bepaalde periode. De bevoegdheid van de burgemeester is niet onbegrensd: een basis voor het ingrijpen dient te bestaan in een algemeen plaatselijke verordening. Daarbij dient de woonoverlast “ernstig” te zijn en moet zij “herhaaldelijk” voorkomen.[v]

Doel

Professor M. Vols heeft een belangrijke bijdrage aan de totstandkoming van de wet geleverd. Volgens hem kent de wet een drietal voordelen: met de wet kan eerder worden opgetreden tegen woonoverlast, kan worden gewerkt aan onderliggende problematiek en leidt het ingrijpen van de burgemeester niet direct tot dakloosheid. “De wet probeert veel meer te werken aan een meer duurzaam sociale samenleving waarin je niet een keihard “Law and Order-beleid”, een repressief beleid voert, maar aan de andere kant ook niet helemaal niks doet en alleen maar achterover zitten als overheid en mensen maar in hun sop gaar laat koken”, aldus professor M. Vols.[vi]

Voor een stappenplan inzake implementatie, veel gestelde vragen en nadere informatie verwijs ik graag naar de volgende website. Op deze website is eveneens een informatieve animatie opgenomen

[i] H. Marijnissen, Gemeenten beginnen al met Aso-wet voordat de Kamer zich uitspreekt’, Trouw 13 juli 2016, www.trouw.nl (zoek op: aso-wet).

[ii] F.J.M. Crone, Gemeenteblad 2015 nr. 124718, 21 december 2015

[iii] A.E. Schilder, ‘De Wet aanpak woonoverlast – een hamerstuk?’, Gst. 2017/88.

[iv] ‘Aanpak woonoverlast’, NJB 2017/653.

[v] Idem.

[vi] ‘Een nieuwe wet tegen overlast’, 28 juni 2017, www.openbareorderecht.nl (zoek op: woonoverlast).


  • -

Mei 2017

Category : 2017

Mei 2017

Door: Willem Beerda

Verkorting levenslange gevangenisstraf

De civiele procedure

De levenslange gevangenisstraf kan wettelijk gezien op twee manieren worden verkort. De meest bekendste weg is middels de gratieprocedure. Een tweede mogelijkheid om de straf te verkorten is de civiele procedure. Deze procedure kan enkel worden gezien als een theoretische mogelijkheid, de procedure heeft tot nu toe nog geen enkele keer tot een positief resultaat geleid voor een gedetineerde.

De civiele procedure is een kort geding, waarin de veroordeelde een gebod tot invrijheidstelling vraagt aan de rechter. De veroordeelde beroept zich op artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek en stelt dat de voortzetting van de gevangenisstraf een onrechtmatige daad oplevert aan de kant van de overheid. Voor toewijzing van de vordering moet zijn voldaan aan het volgende: ‘indien de rechter vaststelt dat bij de veroordeling tot levenslange gevangenisstraf dan wel bij de tenuitvoerlegging daarvan dermate fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden dat de voortzetting van de tenuitvoerlegging niet langer als rechtmatig kan worden beschouwd.’[1] Een ernstige schending van de waarborgen van het EVRM is hier een voorbeeld van.

Zoals in de inleiding al is aangegeven, is er tot de dag van vandaag geen levenslanggestrafte door middel van deze procedure in vrijheid gesteld. Een zaak waar via deze weg wel geprobeerd is de straf te beëindigen, is de zaak betreffende de wegens oorlogsmisdrijven ter dood veroordeelde Duitser Kotälla.[2] Door middel van gratie werd zijn straf destijds omgezet naar een levenslange gevangenisstraf. In 1973 kreeg hij een hersenbloeding, waardoor zijn gezondheid ernstig verslechterde. Hij diende een klacht in wegens schending van artikel 3 en/of 5 EVRM. Er kon volgens hem geen enkel doel worden bereikt met de voortzetting van zijn detentie. De Hoge Raad vond uiteindelijk dat het gevangen blijven houden van Kotälla geen blijk geeft van een onrechtmatige daad.

Niettemin heeft de Hoge Raad bepaalt dat een veroordeelde altijd het oordeel van de burgerlijke rechter moet kunnen inroepen omtrent de rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van de straf.[3] Dat de civiele procedure theoretisch gezien wel een mogelijkheid is wordt in 2004 bevestigd door de toenmalige Minister van Justitie Donner. Echter spreekt hij van een ‘louter theoretische’ mogelijkheid.[4] Daarbovenop ziet voormalig Staatssecretaris van Justitie Albayrak de gratieprocedure als ‘de enige weg.’[5] Hieruit valt op te maken dat deze mogelijkheid er theoretisch gezien wel is, maar in de praktijk enkel de gratieprocedure kan leiden tot verkorting van de straf.

[1] Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 1972, p.41.

[2] HR 11 februari 1977, NJ 1977, 255.

[3] HR 16 juni 2009, LJN BF3741, r.o. 2.10.

[4] Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 1972, p.41.

[5] Kamerstukken II 2009/10, 24 587, nr. 377, p. 32.


  • -

April 2017

Category : 2017

April 2017

Door: Jordy Karperien

Wet financieel toezicht

Iedereen is afhankelijk van de financiële markten. Denk hierbij aan leningen, verzekeringen, pensioen, etc. Deze afhankelijkheid wordt pas echt zichtbaar als de financiële wereld onder druk komt te staan. De financiële crisis die in 2007 begon maakt duidelijk hoe cruciaal het toezicht op de financiële wereld is en welke gevolgen het heeft als dit toezicht wordt verwaarloosd. Het merendeel van de regels op het gebied van financieel toezicht is neergelegd in de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft).

De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) en de Autoriteit Financiële markten (hierna: AFM) houden toezicht op de financiële markten en de partijen die daarop actief zijn. Er zijn drie doelen die nauw met elkaar samenhangen:[1]

  • Stabiliteit van het systeem
  • Soliditeit van financiële instellingen
  • Goed gedrag/transparantie op de financiële markten

Soorten toezicht

Het financieel toezicht is gebaseerd op een functioneel toezichtmodel. Er zijn twee soorten toezicht: prudentieel toezicht en gedragstoezicht. Deze vormen van toezicht zijn te vinden in Deel 1 van de Wft. Artikel 1:24 Wft vormt de basis voor prudentieel toezicht. De DNB is hiervoor verantwoordelijk. Artikel 1:25 Wft vormt de basis voor het gedragstoezicht. De AFM is hiervoor de toezichthouder. Het onderscheid van deze verschillende vormen van toezicht is niet bepalend voor de vraag welke toezichthouder bevoegd is. Het bepaalt in zekere zin de houding van de toezichthouder bij het uitoefenen van het toezicht en de handhaving.

Waar DNB het gedrag van bestuurders en commissarissen van banken analyseert, voor zover dat consequenties heeft voor de bedrijfsvoering van een bank kan hebben, besteedt de AFM bij haar toezicht aandacht aan de soliditeit van een beleggingsinstelling, nu dat van belang kan zijn voor de bescherming van beleggers.

Voor een groot deel wordt de reikwijdte van de Wft bepaald door de verbodsbepalingen. Om te bezien of een entiteit onder de Wft valt, moet er worden gekeken naar deze verbodsbepalingen. Het meeste is te vinden in Deel 2 van de Wft. Het beschrijft welke handelingen verboden zijn, tenzij er sprake is van een uitzondering of een vrijstelling. Als een activiteit niet valt onder een verbodsbepaling, is er geen vergunning nodig. Onder het begrip ‘financiële onderneming’, zoals dat veelal wordt omschreven in de Wft, vallen vrijwel alle personen of entiteiten die op grond van de Wft gereguleerd zijn.

Veel bepalingen komen voort uit het Europees Recht. Bij vrijwel iedere financiële onderneming zijn één of meerdere Europese richtlijnen opgesteld. Denk hierbij aan bijvoorbeeld verschillende bankenrichtlijnen of de richtlijnen met betrekking tot levens- en schadeverzekeraars. Ook dankzij het Europees Recht kunnen lidstaten erop vertrouwen dat het financiële toezicht in andere lidstaten van adequaat niveau is. Ook kan bijvoorbeeld een bank die een vergunning heeft in Nederland dankzij de Europese Unie vrij eenvoudig bancaire activiteiten verrichten in een andere lidstaat. Dit geldt uiteraard ook andersom.

Rechtsbescherming

De Wft heeft ook impact tussen de marktpartijen en hun cliënten. Financiële ondernemingen zijn bijvoorbeeld verplicht hun cliënten goed te informeren over de financiële producten en diensten die zij aanbieden en moeten maatregelen nemen zodat de rechten van deze cliënten voldoende beschermd zijn. Indien deze regel niet in acht wordt genomen, is de rechtshandeling op grond van artikel 3:40 BW nietig. Vooral in de financiële wereld leidt dit tot problemen. Een nietige of vernietigde rechtshandeling dient het reeds gepresteerde ongedaan te maken. Dit is gecompliceerd, omdat je te maken hebt met fluctuerende waarden van financiële producten. Op dit punt is in de Wft meer duidelijkheid gecreëerd. Artikel 1:23 Wft bepaalt het volgende:

‘De rechtsgeldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling welke is verricht in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels is niet uit dien hoofde aantastbaar, behalve voor zover in deze wet anders is bepaald.’

Dit houdt in dat een rechtshandeling die in strijd is met de Wft in beginsel niet leidt tot nietigheid of vernietigbaarheid. Dit is alleen het geval als de Wft dit expliciet bepaalt. Het Burgerlijke Recht biedt wel mogelijkheden om rechtshandelingen in strijd met de Wft aan te tasten. Een overeenkomst kan worden vernietigd en ontbonden wegens tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst (artt. 3:49 – 3:58 en 6:265 – 6:279 BW). Daarnaast vormt dwaling ook een grond voor vernietiging (artt. 6:228 – 6:230 BW).

Er bestaat ook een zorgplicht voor financiële instellingen. De overeenkomst tussen de instelling en de cliënt valt onder artikel 7:400 BW. Artikel 7:401 BW geeft aan dat de opdrachtnemer de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen. De civiele rechter zal anders toetsen dan een toezichthouder of bestuursrechter. De civiele rechter heeft de mogelijkheid om de belangenafweging op basis van redelijkheid en billijkheid te maken. Een schending van de zorgplicht kan leiden tot schadevergoeding als gevolg van een wanprestatie of onrechtmatige daad.

[1] Kamerstukken II 2001/02, 28 122, nr. 2, p. 10.


  • -

Maart 2017

Category : 2017

Maart 2017

Huurprijsverhoging en liberalisatie

Door: mr. J.R. Kanhai

Verhuurders kijken uit naar de zomermaanden vanwege het mooie weer en de vakantie, maar vooral omdat zij vaak per 1 juli een huurverhoging voorstellen. Dit komt voor veel huurders als een onaangename verassing. Wat zijn de regels en in welke mate moet u rekening houden met een eventuele huurprijsverhoging van uw huurwoning?

Van belang is het type woning (of woonruimte) dat u huurt. Daarbij moet onderscheid gemaakt worden tussen een zelfstandige en een onzelfstandige woning. Een zelfstandige woning heeft een eigen toegang, een eigen keuken en een toilet. Daaronder kunnen verschillende woningen vallen zoals bijvoorbeeld eengezinswoningen, portiekwoningen, appartementen en vrijstaande woningen. Van een onzelfstandige woning is sprake indien de keuken en/of het toilet gedeeld worden of u geen eigen toegang heeft van de woning. Een mooi voorbeeld van een onzelfstandige woning is een kamer in een studentenhuis. Wel kan sprake zijn van zelfstandige woonruimte. Dat betekent dat de woonruimte een eigen keuken, douche en toilet heeft, maar geen eigen toegang.

Voor sociale-huurwoning gelden maximale huurprijzen en een maximale huurverhoging. De grens ligt op € 710,68.[1] Bovendien is het mogelijk om huurtoeslag te krijgen als huurder van een sociale huurwoning.[2] Het puntensysteem is leidend voor de maximum huurprijs van de sociale huurwoning. De huurprijs mag jaarlijks maximaal tussen 2,1% en 4,6% worden verhoogd. Welk percentage in het concrete geval wordt gehanteerd is onder meer afhankelijk van uw inkomen.[3] Bij onenigheid kunnen de huurder en de verhuurder terecht bij de Huurcommissie.

Indien de huurwoning is geliberaliseerd gelden deze regels niet. Met andere woorden: de huurprijs van de woning ligt boven het bedrag van € 710,68 en het gaat om een zelfstandige woning. Dit bedrag wordt ook wel de liberalisatiegrens genoemd. De verhuurder heeft dan meer vrijheid om de huurprijs en de huurverhoging te bepalen. De verhuurder kan op 2 manieren de huur verhogen: via een indexeringsclausule in het huurcontract of via een aanbod van een nieuw huurcontract. De verhoging van de huurprijs mag eenmaal per 12 maanden plaatsvinden. Tussentijds mag ook een huurverhoging plaatsvinden, indien de verhuurder de woning heeft verbeterd. Regulier onderhoud valt hier niet onder. Bij onenigheid tussen de huurder en verhuurder moet de gang naar de rechter worden gemaakt. Wel heeft de huurcommissie de bevoegdheid om na te gaan of de huurprijs van de geliberaliseerde woning terecht is, mits het huurcontract de afgelopen 6 maanden is ingegaan.[4] Veel commerciële verhuurders zullen namelijk de huurprijs (net) boven de liberalisatiegrens vaststellen, om zo aan de werking van de huurprijsbescherming te ontkomen.

Hoe weet u of uw huurwoning, of beter gezegd uw huurcontract, geliberaliseerd is?[5] Daarvoor moet de volgende vraag beantwoord worden: Was de huurprijs bij aanvang van de huurovereenkomst hoger of lager dan de toen geldende liberalisatiegrens?

Voorbeeld:

In 2013 was de liberalisatiegrens € 681,02. De verhuurder en huurder komen in dat jaar overeen dat de maandelijkse huurprijs € 700,68 zal bedragen. In 2017 komt de huurder erachter dat de liberalisatiegrens van 2017 € 710,68 is. Wat is nu rechtens? De huurder woont vanaf 2013 al in een geliberaliseerde woning (want de huurprijs was bij aanvang hoger dan de toen geldende liberalisatiegrens) en de verhuurder is niet gebonden aan de regels die gelden voor sociale huurwoningen.

NB: huurliberalisatie geldt niet voor huurovereenkomsten waarbij een all-in prijs wordt gehanteerd. De kale huurprijs is namelijk niet bekend en kan daardoor ook niet getoetst worden aan de liberalisatiegrens.

[1] De huurliberalisatiegrens van € 710,68 is sinds 1 januari 2016 voor 3 jaar bevroren. Zie ook: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/huurverhoging/vraag-en-antwoord/huurliberalisatiegrens

[2] Zie voor de voorwaarden voor huurtoeslag:

https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/prive/toeslagen/huurtoeslag/huurtoeslag-2017/voorwaarden-2017/zelfstandige-woonruimte

[3] Zie voor een uitgebreid overzicht https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/huurverhoging/vraag-en-antwoord/maximale-huurverhoging

[4] 7:249 BW

[5] A.M. Kloosterman e.a., Hoofdlijnen in het huurrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 159-160.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.