Author Archives: redactie

  • -

Tijdelijkheid van het cameratoezicht; herbezinning gewenst?

Tijdelijkheid van het cameratoezicht; herbezinning gewenst?

Groningen kent net als veel andere steden in Nederland openbare plaatsen die in de gaten worden gehouden door camera’s. Deze camera’s worden steeds geplaatst voor een beperkte periode. Naast dat dit positieve effecten heeft begint het er steeds meer op te lijken dat de camera’s een vaste plek in de stad beginnen te veroveren. De tijdelijke periodes worden vaak verlengd en cameratoezicht wordt daardoor een meer permanente oplossing. En dat terwijl het een tijdelijke maatregel behoort te zijn. De privacy wijkt meer en meer voor de openbare orde. Men vindt veiligheid en zich veilig voelen steeds belangrijker, maar tegen welke prijs?

Het uitgaansgebied rond de Peper- en Poelestraat is in Groningen het meest bekende gebied waar camera’s hangen. Er zijn hier vaak veel mensen op de been, waarvan een groot deel student. Daarnaast is het ook een gebied waar veel geweldsincidenten plaatsvinden dus waar het cameratoezicht een belangrijke rol speelt. Maar toch, elk cafébezoek, elke beweging, zelfs elk dansje wordt vastgelegd. Dit gebeurt al sinds 2000 en het duurt tenminste nog tot 2016. Gezien de huidige trend, van steeds verlengen, zal ook dan het toezicht waarschijnlijk weer verlengd worden, terwijl de effecten van het cameratoezicht gestabiliseerd zijn. Het plafond is bereikt, dit bevestigt de burgemeester in zijn evaluatie aan de raad.[1] Moet het cameratoezicht dan nog wel voortgezet worden? Wordt de inbreuk op ieders privacy daarmee niet veel te groot?

Grondslag
Privacy valt onder het recht op eerbiediging van ieders persoonlijke levenssfeer.[2] Dit is een grondrecht en kan enkel beperkt worden bij of krachtens de wet.[3] Hierin zie je de waarborgfunctie terugkomen; grondrechten kunnen niet zonder wettelijke grondslag beperkt worden. Voor de overheid betekent dit dat voor het beperken van een grondrecht bepaalde doelen moeten worden nagestreefd en dat de bevoegdheid om dit te doen moet zijn vastgelegd in een wettelijke regeling.[4] Het cameratoezicht is een beperking van de privacy. In de Gemeentewet is deze beperking uitgewerkt in art. 151c. Dit artikel bepaalt dat de raad bij verordening de burgemeester de bevoegdheid kan verlenen om vaste camera’s voor een bepaalde periode te plaatsen. Het moet gaan om een openbare plaats in de zin van art. 1 Wet openbare manifestaties (hierna: WOM): “een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek”. Al lijkt dit niet een al te harde voorwaarde te zijn. De raad kan namelijk in de verordening ook een gebied dat voor iedereen toegankelijk is, maar niet valt onder art. 1 WOM, aanwijzen.[5] Het ophangen van de camera’s moet noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde. Ze mogen niet alleen opgehangen worden ter bevordering van de opsporing van strafbare feiten, het hoofddoel blijft altijd het handhaven van de openbare orde. Daarnaast moet het voor het publiek duidelijk zijn dat er gefilmd wordt. Borden die het cameratoezicht aangeven zijn al voldoende waarschuwing, de camera’s hoeven niet zichtbaar opgehangen te worden.[6]

Bovengenoemde voorwaarden heeft de raad verwerkt in de Verordening cameratoezicht gemeente Groningen waar de burgemeester mee kan werken. Hierbij is het belangrijk te bedenken dat de raad dit niet had hoeven doen. De burgemeester zou dan niet de bevoegdheid hebben om camera’s te plaatsen.

Aankomende wijziging van de Gemeentewet
Op het moment is er een wetsvoorstel aanhangig bij de Eerste Kamer, die het momenteel schriftelijk voorbereidt, ter aanpassing van art. 151c Gemeentewet. Dit voorstel bevat een verruiming van het artikel. De huidige wetgeving vereist dat de camera’s nagelvast en voor langere duur worden bevestigd om een aangewezen plek in de gaten te houden. In de praktijk is gebleken dat er behoefte is aan een meer flexibele inzet van de camera’s. De belangrijkste wijziging die het voorstel probeert te bereiken is dan ook dat er flexibel cameratoezicht mogelijk wordt.[7]

Flexibel cameratoezicht zorgt in principe voor een grotere inbreuk op de privacy. Dit cameratoezicht kan bijvoorbeeld ook uitgevoerd worden door een drone die over de stad vliegt. Er bestaat dan een grote kans dat er opnames van niet-openbare plaatsen worden gemaakt, hierbij kun je denken aan door schuttingen afgeschermde achtertuinen. Binnen de Eerste Kamer bestaan hierdoor nogal wat bedenkingen over het wetsvoorstel. De vraag die daar gesteld wordt is of er genoeg waarborgen ingebouwd zijn voor dit soort gevallen. En ook of er een goede balans is gevonden tussen het handhaven van de openbare orde en ieders recht op privacy.[8] Dit zijn vragen waar nog eens rustig over nagedacht kan worden.

Continue verlenging
Het cameratoezicht in het Groninger uitgaansgebied bestaat al sinds de eeuwwisseling. Ondanks dat het toezicht aan een termijn van vijf jaar is verbonden hangen de camera’s er nog steeds, er wordt telkens opnieuw verlengd. De burgemeester probeert met de verlengingen de volgende doelen te realiseren:
–           Afname van het aantal geweldsdelicten, afname van de verstoringen van de openbare    orde en toename van het aantal aanhoudingen;
–           Verbetering van de oplossing van strafbare feiten;
–           Voorkomen van belemmering van hulpverleners, verbetering van de hulpverlening aan    slachtoffers en voorkomen van escalatie;
–           Terugdringen van het onveiligheidsgevoel.[9]

In 2011 werd de termijn van het cameratoezicht verlengd tot 2016. Dit gebeurde na een verplichte evaluatie, waarin werd gekeken of de doelstellingen behaald werden.[10] Voor de verlenging werden uiteindelijk de volgende redenen aangedragen:
–           Het aantal geweldsdelicten in het uitgaansgebied is gedaald. Hierbij wel de                     kanttekening dat dit voor de hele stad geldt, maar er is wel een sterkere daling in het    gebied waar de camera’s hangen;
–           Het oplossingspercentage van geweldsdelicten ligt hoger dan in andere gebieden. De     beelden dragen bij aan de oplossing van strafbare feiten;
–           Hulpverlenende diensten worden minder gehinderd. Ook zorgt het toezicht ervoor dat   bedreigende situaties minder snel escaleren doordat ze eerder herkend en vervolgens      voorkomen worden;
–           Het onveiligheidsgevoel is sinds de start van het cameratoezicht gedaald en laag             gebleven. Daarna is het afgevlakt en nu al jaren gestabiliseerd op zo’n 30 procent. In   2001 voelde nog 40 procent van de Groningers zich onveilig in het uitgaansgebied.

De algemene conclusie die hieruit getrokken kan worden is dat het cameratoezicht positief effect heeft gehad. Aan de andere kant is te zien dat bovengenoemde effecten stabiliseren. Het afnameplafond van de maatregel lijkt bereikt te zijn, dit houdt in dat het cameratoezicht geen verder effect meer zal hebben. Dit komt ook naar voren in de evaluatie van de burgemeester.[11] Hoe het ook zij, er is weer verlengd en het zou niet gek zijn als aan het eind van deze termijn hetzelfde weer gebeurt. Is de tijdelijkheid van de maatregel dan niet een farce? In dit verband wordt soms zelfs gesproken van orwelliaanse taferelen.[12]

Het afnameplafond bereikt, of toch niet?
Het afnameplafond is zo goed als bereikt, er is geen verbetering meer mogelijk. Desalniettemin vindt de burgemeester van Groningen dat een verlenging van het cameratoezicht gerechtvaardigd is. Want zou daarmee gestopt worden dan is de verwachting dat het aantal geweldsdelicten weer toeneemt en het oplossen van geweldsdelicten juist terug zal lopen. Daarnaast wordt gevreesd dat hulpverleners meer gehinderd zullen worden. En de politiemacht verliest een belangrijk hulpmiddel bij het toezicht houden in het uitgaansgebied.[13]

Eerder is duidelijk geworden dat het hoofddoel van cameratoezicht het handhaven van de openbare orde is. Hoe belangrijk de andere doelstellingen ook zijn, dit is bijvoorbeeld te zien aan de publieke opinie over het mishandelen van hulpverleners, ze zijn ondergeschikt. Het plaatsen van de camera’s is niet gerechtvaardigd op grond van alleen de nevendoelen op zich.

Hierbovenop komt het feit dat voor de meeste doelen het plafond bereikt is. Beter dan het nu is gaat het niet worden. Dit komt naar voren uit de evaluaties en hier zou de burgemeester zorgvuldiger naar moeten kijken. De burgemeester is bang dat de incidenten weer de pan uit zullen rijzen wanneer er geen camera’s meer in het uitgaansgebied staan. Dit is enkel een verwachting, die overigens niet heel gek is. Dit neemt alleen niet weg dat de verlenging van de duur van het cameratoezicht steeds gestoeld wordt op deze angst. Kunnen grondrechten beperkt worden slechts op basis van verwachtingen?

De evaluatie en methodologie
In de literatuur bestaat er enige verdeeldheid over het verzamelen van informatie en de betekenis daarvan. Uit onderzoek komt bijvoorbeeld naar voren dat mensen zich niet veiliger voelen doordat er cameratoezicht is.[14] Dit terwijl in de evaluatie van de burgemeester van Groningen het tegenovergestelde naar voren komt. Hiernaast wordt door onderzoekers getwijfeld aan de gebruikte methodes om gegevens te verzamelen.[15] Daarbij wordt een onderzoek aangehaald waaruit blijkt dat steevast een te positief beeld van cameratoezicht wordt gegeven.[16] Als tekortkoming in dit onderzoek wordt aangevoerd dat de onderzoekers te streng en te veel op de resultaten gericht waren. In het onderzoek werden onder andere alle evaluaties waarbij geen controlegebied was onderzocht niet meegenomen.[17] Het grote probleem is dat eigenlijk alleen goed onderzoek mogelijk is door middel van randomised controlled trials: cameratoezicht wordt dan willekeurig toegewezen aan een experimenteel gebied. Dit wordt alleen nooit gedaan, simpelweg omdat dat erg veel geld zou kosten. Daarbij komt dat er nooit een vergelijkbaar controlegebied te vinden is. Hierdoor kom je altijd tot een vage conclusie met de uitkomst dat cameratoezicht soms wel, maar soms ook niet werkt.[18] De evaluaties komen dus enigszins op losse schroeven te staan. De politieke overwegingen en verantwoording worden op de evaluaties en de daaraan ten grondslag liggende gegevens gebaseerd. Dat er discussie bestaat over de effectiviteit van de evaluaties en de manier waarop gegevens worden verzameld is geen goede zaak. De feiten behoren onomstreden te zijn zodat een eventueel besluit dat hierop gebaseerd is in ieder geval op de feiten kan terugvallen.

Ten slotte
Zoals zo vaak wordt er op verschillende manieren tegen problemen aangekeken, in dit geval is er over de beginsituatie wel overeenstemming. Cameratoezicht op openbare plaatsen valt te kwalificeren als een inbreuk op het recht van privacy, maar de mogelijkheid tot cameratoezicht kan niettemin een toegevoegde waarde voor de huidige samenleving zijn. Vanaf dit punt gaan de meningen en opvattingen uiteenlopen. De regeling van het cameratoezicht is terecht omgeven door waarborgen. Er worden doelen gesteld die zich goed lenen om aan cameratoezicht ten grondslag te liggen. Ieder jaar wordt geëvalueerd of de doelen behaald zijn en in welke mate. Daaruit blijkt grotendeels dat cameratoezicht een positief effect heeft. Over de verzameling van deze gegevens bestaat enige controverse, wat niet in het belang van het cameratoezicht is. De evaluaties moeten op een meer wetenschappelijke manier uitgevoerd worden om een betrouwbaar beeld te krijgen. Zorgen hierover kun je bijvoorbeeld wegnemen door nationale voorschriften op te stellen die vastleggen hoe gegevens verzameld dienen te worden of nieuwe betrouwbaardere onderzoeksmethodes ontwikkelen. Zo wordt duidelijk dat de feiten die de burgemeester aan zijn beslissing ten grondslag zal leggen objectief zijn.

De flexibilisering van het cameratoezicht is ook een punt waar alvast rekening mee gehouden kan worden in het geval dat het wetsvoorstel aangenomen wordt. Zoals duidelijk is geworden is de nieuwe wetgeving erop gericht om cameratoezicht flexibeler te maken. Dit gecombineerd met de constatering dat de tijdelijkheid van de maatregel betrekkelijk is verdient enige overweging. De inbreuk op het recht van privacy wordt hierdoor wel erg groot.

Geconcludeerd kan worden dat het grootste pijnpunt in de tijdelijkheid van de maatregel zit. Om ieders recht op privacy ten volle te waarborgen wordt tot het cameratoezicht steeds voor een bepaalde periode besloten. Wanneer stop je met cameratoezicht? Als alle doelen zijn behaald? Of misschien als aangekomen wordt bij het afnameplafond? In 2011 hebben de positieve effecten hun toppunt zo goed als bereikt, toch werd er verlengd zoals dat doorgaans gebeurt. De verwachting en vooral de angst dat als het cameratoezicht gestopt wordt is dat het geweld en andere problemen weer zullen toenemen. Hiervoor zijn echter geen harde bewijzen. Maar door de populariteit van de maatregel en misschien door de huidige sfeer in de maatschappij wordt er steeds meer en langer van cameratoezicht gebruik gemaakt. De tijdelijkheid van de maatregel komt daardoor zwaar in de knel. De vergelijking met het orwelliaanse wereldbeeld is dan niet eens heel ver gezocht of gekunsteld.

Mocht je binnenkort richting de Peperstraat of Poelestraat gaan, bedenk dan goed dat je wordt gefilmd en dat elke beweging vier weken lang op band blijft staan, ook die ene dans voor de kroeg.[19] Maar daar staat dan weer tegenover dat de eventuele dader van een klap in je gezicht sneller gepakt kan worden.

[1] Voortzetting cameratoezicht gemeente Groningen, te vinden in de regelingenbank van de gemeente Groningen.

[2] Art. 10 GW; D.J. Elzinga & R. de Lange, Van der Pot. Handboek van het Nederlands staatsrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 388-389.

[3] Art. 10 GW, art. 8 EVRM.

[4] J. Vande Lanotte & Y. Haeck, Handboek EVRM. Deel 1: Algemene beginselen, Antwerpen: Intersentia 2005, p. 99 e.v.

[5] C.A.J.M. Kortmann, “Cameratoezicht in de Gemeente”, Gst. 2005, 190.

[6] Tekst & Commentaar, Gemeentewet artikel 151c.

[7] Kamerstukken II 2012/13, 33 582, nr.3, p. 1.

[8] Kamerstukken I 2013/14, 33 582, nr. A, p. 6.

[9] Art. 4 Verordening cameratoezicht gemeente Groningen.

[10] Art. 6 Verordening cameratoezicht gemeente Groningen.

[11] Voortzetting cameratoezicht gemeente Groningen, te vinden in de regelingenbank van de gemeente Groningen.

[12] Mortelé e.a., Cameratoezicht in de openbare ruimte. Ook wie weg is, is gezien?, Antwerpen/Apeldoorn: Maklu 2013, p. 21.

[13] Voortzetting cameratoezicht gemeente Groningen.

[14] J. Ditton, “Crime and the city. Public attitudes towards Open-Street CCTV in Glasgow”, British Journal of Criminology 2000, 40, p. 692-709.

[15] F. Geelhoed, “Verbeelde veiligheid: over effecten van cameratoezicht in het publieke domein”, TvV  2005, 4, p. 3-28; A. van Eijk e.a., “Cameratoezicht in de openbare ruimte. Weten mensen wel dat er camera’s zijn, en voelen zij zich er veiliger door?”, TvV 2006, 3, p. 38-40.

[16] B.C. Welsh & D.P. Farrington, “Effects of closed-circuit television on crime”, Annals of the American Academy of Political and Social Science 2003, 587, p. 110-135.

[17] S. Flight, “Cameratoezicht is ingewikkeld, effectevaluaties dus ook”, TvV 2005, 4, p. 30-31.

[18] S. Flight & B. Rovers, De verspilde moeite van evidence-based cameratoezicht (essay DSP-groep), Amsterdam 2012, p. 6-9.

[19] Art. 151c lid 6 Gemeentewet.


  • -

Vingerafdrukken in paspoorten – breekt EU-verordening met privacy?

Tinka Floor

Vingerafdrukken in paspoorten – breekt EU-Verordening met privacy?


Paspoortweigerende gemeentes, fouten bij vingerafdrukcontrole en misbruikrisico’s rondom persoonsgegevens

Mogen burgemeesters een paspoort – een klein boekje met grote invloed op de bewegingsvrijheid over de landsgrenzen – verstrekken aan iemand die vanwege gewetensbezwaren weigert vingerafdrukken af te staan? Is het terecht om om privacyredenen geen vingerafdrukken te willen afgeven? Waarom vormt het afstaan van vingerafdrukken volgens sommigen een inbreuk op de privacy? Waarom moeten paspoorten in de EU sinds 2009 eigenlijk vingerafdrukken bevatten, en wat gebeurt er naast verwerking in het paspoort met die vingerafdrukken?

Nationale rechters zetten vraagtekens bij Verordening 2252/2004
Naar aanleiding van vier zaken, waarin burgemeesters aanvragen van reisdocumenten niet in behandeling namen omdat de aanvragers hun vingerafdrukken niet afgaven, stelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) in 2012 prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie.[i]
Het is namelijk uiteraard niet een zuiver Nederlands probleem. EU-Verordening 2252/2004 verplicht lidstaten paspoorten te voorzien van ‘biometrische kenmerken’: de pasfoto en twee vingerafdrukken.[ii] In Nederland is dit uitgewerkt in de Paspoortwet (PPW) en de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland (PUN).[iii]
Ook in Duitsland deed deze Verordening stof opwaaien. Misschien niet toevallig, gezien het feit dat juist in Duitsland met zijn beladen historie de privacy scherper bewaakt wordt; zo kondigde Google daar in 2011 aan na aanhoudende protesten geen nieuwe Street View-camera’s meer te plaatsen en de bestaande beelden van twintig steden niet meer bij te werken.[iv]
Michael Schwarz verzocht vergeefs de Stadt Bochum om een paspoort zonder vingerafdrukken en vocht de Verordening aan bij het Verwaltungsgericht Gelsenkirchen, dat vragende ogen opzette naar het Hof van Justitie.[v]  Het Verwaltungsgericht wilde, net als de Afdeling, weten of art. 1 lid 2 van Verordening 2252/2004[vi] geldig is gelet op procedurele aspecten als de rechtsgrondslag, waarop hier verder niet wordt ingegaan, en materieel gezien in het licht van art. 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en art. 7 en 8 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Deze vraag heeft het Hof van Justitie inmiddels met ja beantwoord.[vii] De Afdeling trok daarom de geldigheidsvraag in, maar twijfelt nog of art. 4 lid 3 van de Verordening, gelet op art. 7 en 8 EU-Handvest, art. 8 lid 2 EVRM, en art. 7, aanhef en sub f en art. 6 lid 1 aanhef en sub b van de Privacyrichtlijn[viii], betekent dat lidstaten specifiek wettelijk moeten waarborgen dat de biometrische gegevens niet voor andere doelen worden gebruikt dan voor de afgifte van het document. Ook blijft onduidelijk of de Verordening tevens geldt voor de Nederlandse ID-kaart.[ix]

Veiligheid en fraudebestrijding
Waarom moeten paspoorten en reisdocumenten vingerafdrukken bevatten? Wat is het doel van deze Verordening en wat zijn de achterliggende argumenten? Uit art. 1 lid 2 van Verordening 2252/2004 blijkt dat deze ‘de illegale binnenkomst van personen op het grondgebied van de Unie’ wil voorkomen, door twee subdoelen na te streven: voorkoming van enerzijds ‘vervalsing’ en anderzijds ‘frauduleus gebruik van paspoorten, met name door anderen dan de wettelijke houder’.[x]
Vingerafdrukken moeten een ‘betrouwbaar verband’ aantonen tussen document en houder. Door vingerafdrukken zou ‘lookalike-fraude’ onmogelijk worden. Deze fraudevorm komt echter in de praktijk nauwelijks voor; achtereenvolgens 19, 12 en 21 gevallen in Nederland in 2011, 2012 en 2013. Daarom moesten tot nu toe 7,5 miljoen mensen hun vingerafdrukken afstaan. Belangenorganisatie Privacy First, een onafhankelijke stichting die zich, onder meer door juridische actie, inzet voor het behouden en bevorderen van het recht op privacy, noemt dit ‘disproportioneel’.[xi] Het Verwaltungsgericht Gelsenkirchen haalt verschillende Duitse rechtsgeleerden aan die stellen dat het probleem vooral bestaat uit het gebruik van echte paspoorten met een vals verkregen identiteit, en zich daarom afvragen hoe effectief de vingerafdrukkenmaatregelen zijn om deze fraude te bestrijden. In elk geval zijn de argumenten vóór vingerafdrukken in paspoorten samen te brengen onder de noemer van veiligheid.

Inbreuk op persoonlijke levenssfeer en bescherming van persoonsgegevens
Het belangrijkste bezwaar tegen de afname van vingerafdrukken is dat dit een inbreuk maakt op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer  zoals neergelegd in art. 7 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en art. 8 EVRM. Ook zijn vingerafdrukken persoonsgegevens die bescherming verdienen op grond van het op de Privacyrichtlijn gebaseerde art. 8 EU-Handvest; ze geven namelijk objectief gezien unieke informatie over natuurlijke personen, die daardoor precies identificeerbaar worden.[xii] Uit vingerafdrukken kunnen naast iemands identiteit medische en raciale kenmerken worden afgeleid.[xiii] Opvallend is daarom het oordeel van het Hof in de Schwarz-zaak (hierna: Schwarz) dat afname van vingerafdrukken geen ‘intieme’ handeling is, omdat dit geen fysieke of psychische ongemakken veroorzaakt en vingers normaal gesproken ook zijn blootgesteld aan andermans zicht. Discutabel is of een vinger gelijkgesteld kan worden met een vingerafdruk.
Het Hof stelt vast dat elke verwerking van persoonsgegevens een aantasting van bovenstaande grondrechten kan opleveren. Afname en opslag van vingerafdrukken zoals de Verordening (en de PPW) bedoelen is bewerking door een derde en dus verwerking.[xiv]
De inbreuk wordt in eerste instantie, bij de aanvraag, gemaakt door de overheid (de burgemeester, art. 26 lid 1 sub a jo art. 40 lid 1 sub a PPW jo art. 28a PUN), maar daarna kunnen onbevoegden door skimmen bij controles evengoed met de vingerafdrukken aan de haal gaan. Appellanten in de verschillende zaken ervaren dit als zeer problematisch. Door ze af te staan verliest men het zicht op wat er met de vingerafdrukken gebeurt.[xv] Dit probleem van controleverlies is dus tweeledig.

Verwerking van vingerafdrukken door de overheid: grondrechten en beperkingen
Allereerst de inbreuk gemaakt door de overheid. Grondrechten zijn niet absoluut, maar kunnen ingeperkt worden, door wrijving met grondrechten van anderen en door overheidsingrijpen. Het laatste kan alleen met het oog op strikt omschreven doelen.[xvi] De persoonlijke levenssfeer kan volgens art. 8 EVRM bijvoorbeeld alleen worden aangetast als dit is voorzien bij wet en ‘in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen’.[xvii] Art. 8 EU-Handvest staat de verwerking van persoonsgegevens alleen ‘eerlijk en voor bepaalde doeleinden’ toe en ‘met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet’. Verder is art. 52 EU-Handvest van belang.[xviii]
Het Hof merkt in Schwarz over het absolute karakter van art. 7 en 8 EU-Handvest op dat deze rechten ‘in relatie tot de functie ervan in de maatschappij moeten worden beschouwd’. Art. 6 lid 1 Privacyrichtlijn eist  dat de persoonsgegevens ‘eerlijk en rechtmatig’ worden verwerkt (sub a) en dat ze ‘voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verkregen en vervolgens niet worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met die doeleinden’ (sub b).
Duidelijk is, aldus het Hof, dat toestemming van de aanvrager voor het verwerken van vingerafdrukken in paspoorten niet aan de orde is. Wie naar een land buiten de EU wil reizen, kan niet zonder paspoort en daarin zitten onvermijdelijk vingerafdrukken. Dan moet er een andere gerechtvaardigde wettelijke basis zijn. Daarin voorziet, aldus het Hof, artikel 1 lid 2 van de Verordening, nu dit de eerder genoemde doelstelling van algemeen belang nastreeft: binnenkomst van illegalen op Uniegrond voorkomen door vervalsing en frauduleus gebruik van paspoorten tegen te gaan.
In dit soort redeneringen schuilt het gevaar van inperking van grondrechten door de overheid: een aan het algemeen belang ontleende rechtvaardigingsgrond is snel gevonden – de overheid is niet voor niets de overheid – , en is die eenmaal wettelijk verankerd, zoals in de Verordening en in Nederland in de PPW en de PUN,[xix] dan kan de overheid behoorlijk vrij opereren. Hoeveel betekent het algemeen belang-vereiste dus daadwerkelijk voor overheidsbevoegdheid tot ingrijpen in fundamentele rechten? Mag in het algemeen belang alles?

Verwerking van vingerafdrukken door de overheid: opslag en function creep
Verwant hiermee is function creep: bepaalde (digitale) processen of informatie die op den duur worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor ze ontworpen waren.[xx]
Heeft de overheid eenmaal vingerafdrukken afgenomen en opgeslagen, gebruikmakend van de bevoegdheid uit de Verordening, de PPW en de PUN, die deze verwerking strikt bindt aan het doel van controle op ‘de authenticiteit van het document en de identiteit van de houder’[xxi], dan kan de verleiding groot zijn om deze ook te gaan verstrekken aan bijvoorbeeld justitie voor strafrechtelijk opsporingsonderzoek. Vandaar de vraag van de Afdeling: moeten de lidstaten waarborgen dat de vingerafdrukken voor niets anders worden gebruikt dan voor afgifte van reisdocumenten? Het Hof overweegt in Schwarz dat de Verordening geen rechtsgrondslag biedt voor het opzetten van databanken waar vingerafdrukken en andere persoonsgegevens worden bewaard. In haar noot bij het arrest betoogt Overkleeft-Verburg echter dat dit absoluut geen verbod inhoudt op die databanken; eerder dat de keuze aan de nationale wetgever wordt gelaten.[xxii] Vooral dit punt maakt vingerafdrukkenregelingen bij particulieren en organisaties als Privacy First zo omstreden.[xxiii]
In Nederland werd in 2009 de paspoortwetgeving zo gewijzigd dat deze overeenkwam met de nieuwe Verordening en bovendien bepaalde dat een aantal gegevens uit het paspoort, waaronder vingerafdrukken, in een decentrale reisdocumentenadmistratie moesten worden bewaard.[xxiv] Daarnaast zou er een centraal reisdocumentenregister komen, waaruit ook derden, zoals de AIVD, gegevens zouden kunnen raadplegen.

Verwerking van vingerafdrukken door de overheid: technical difficulties
Dit is nog problematischer gezien de achterblijvende technologie. In 21% tot 25% van de gevallen leidt vingerafdrukcontrole bij paspoorten tot onterechte acceptaties van niet-rechtmatige houders en onterechte afwijzingen van rechtmatige houders.[xxv]
Voormalig minister Donner van Binnenlandse Zaken schreef daarom in 2011 aan de Tweede Kamer dat Nederland beter kan stoppen met het opslaan van vingerafdrukken in de decentrale reisdocumentenadministratie.[xxvi] In een tweede brief beloofde Donner een wijziging van de PPW, die de wettelijke grondslag voor het bewaren van vingerafdrukken in de centrale reisdocumentenadministratie wegnam.[xxvii] Inmiddels is de paspoortwetgeving aangepast en valt hierin slechts te lezen dat de vingerafdrukken, als uitzondering op andere persoonsgegevens, worden bewaard tot het moment van afgifte van het reisdocument. Ook bevat de Nederlandse Identiteitskaart geen vingerafdrukken meer.[xxviii] De al opgeslagen vingerafdrukken zouden volgens minister Plasterk van Binnenlandse Zaken sinds 2013 definitief moeten zijn verwijderd.[xxix]
De foutmarge is ook in art. 4 lid 3 van de Verordening verdisconteerd; ‘een negatief resultaat van de vergelijking doet op zichzelf geen afbreuk aan de geldigheid van het paspoort (…) voor overschrijding van de buitengrenzen.’ De Afdeling vraagt zich daarom af wat dan de meerwaarde van vingerafdrukken in paspoorten is. De Afdeling merkt verder op dat door de fouten juist het tegendeel wordt bereikt van het doel van de Verordening: een betrouwbaar verband leggen tussen document en houder. Volgens het Hof van Justitie is de mogelijke onbetrouwbaarheid van de methode niet doorslaggevend, vooral omdat met vingerafdrukcontrole minder onterechte acceptaties voorkomen dan zonder en andere middelen, zoals een irisscan, niet voorhanden of te duur zijn.

Uitlezing en verwerking van vingerafdrukken door derden
Dan kort de tweede categorie kapers op de kust: vingerafdrukken kunnen bij grenscontroles in handen van meekijkers vallen. Ook dit risico is meegenomen in de Verordening; art. 1 lid 2 bevat eisen voor de beveiliging van het opslagmedium om de ‘integriteit, authenticiteit en vertrouwelijkheid van de gegevens te garanderen’. Dit medium is in Nederland een Radio Frequency Identification Chip. De chip biedt meer bescherming dan op Europees niveau vereist is,[xxx] maar zendt signalen uit die van een afstand door onbevoegden kunnen worden opgevangen. Dit lijkt een reëel risico op identiteitsdiefstal met alle mogelijk ernstige gevolgen van dien, waarvoor de techniek nog geen oplossingen heeft, behalve het niet gebruiken van RFID-chips of het niet opslaan van privacygevoelige gegevens daarop.

Slotsom
Kort door de bocht gaat het in de vingerafdrukkenzaken om de rechten en vrijheden van individuen: het grondrecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, daarbij inbegrepen de vrijheid om te reizen, en persoonsgegevens, tegenover het algemene belang van een veilige samenleving. Uiteindelijk zijn alle argumenten tegen en voor vingerafdrukken in reisdocumenten hiertoe te herleiden.
Het is in ieders individuele belang dat verantwoord met vingerafdrukken, die iemand natrekbaar maken en informatie over medische en raciale identiteit geven, wordt omgesprongen. Onbevoegden mogen hier niet zomaar bij kunnen en het bevoegd gezag mag er geen misbruik van maken in het algemeen belang dat vervalsing en frauduleus gebruik van reisdocumenten wordt tegengegaan, om de kans op illegale binnenkomst op Uniegrondgebied en mogelijke gevolgen als terrorisme en georganiseerde misdaad te minimaliseren. Bij een dergelijke krachtmeting tussen overheid en burger is de eeuwige vraag wat zwaarder weegt. Kijkend naar de feiten nu, met misbruikrisico door onveilige RFID-chips en het zorgwekkende foutpercentage bij controles, ben ik, in tegenstelling tot het Hof, van mening dat vingerafdrukken in paspoorten het algemeen belang van waarborging van de veiligheid en fraudebestrijding niet effectief behartigen. Ik vind de inbreuk op de privacy die Verordening 2252/2004, de PPW en de PUN maken, niet gerechtvaardigd, niet geschikt en niet noodzakelijk ter bereiking van het (op zich nobele) doel – ze bereikt eerder het tegenovergestelde – en niet evenredig, omdat te weinig is gekeken naar minder ingrijpende middelen, en het aantal gevallen van lookalike-fraude en paspoortvervalsing die de overheid wil tegengaan, niet in verhouding staat tot het aantal mensen van wie de privacy wordt geschonden. In elk geval vind ik het een goede ontwikkeling om in afwachting van technologische vooruitgang of andere oplossingen de nog ingrijpender opslag van vingerafdrukken in databanken te bevriezen. Intussen kan het geen kwaad dat de discussie is opgelaaid; mensen mogen best eens stilstaan bij de gevolgen van gedachteloze handelingen als het laten lezen van vingers door een apparaat bij een loket.

[i]ABRvS 28 september 2012, AB 2013, 183 m.nt. A.M. Klingenberg en ABRvS 28 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8654, ECLI:NL:RVS:2012:BX8646, ECLI:NL:RVS:2012:BX8647. Bij het HvJ aanhangig als zaak C-448/12 (Roest) , C-446/12 (Willems), C-447/12 (Kooistra), en C-449/12 (Van Luijk). Appellante in de laatste, de 26-jarige Louise van Luijk, houdt de buitenwereld overigens van de voortgang van de zaak op de hoogte op haar website, met de strijdlustige URL: http://www.louisevspaspoortwet.nl/.

[ii] Verordening (EG) nr. 2252/2004 van de Raad van 13 december 2004 betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten (PbEG 2004, L 385/1), zoals gewijzigd door Verordening (EG) nr. 444/2009 van  het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2009 (PbEG 2009, L 142/1).

[iii] Art. 3 lid 2 PPW bepaalt dat reisdocumenten zijn voorzien van twee vingerafdrukken. Lid 9 regelt doel en wijze van opslag van vingerafdrukken. In art. 28a PUN is geregeld dat bij het indienen van een aanvraag voor een reisdocument vier vingerafdrukken van de aanvrager worden opgenomen. Art. 39 lid 1 PUN bepaalt dat een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in art. 9-38 niet in behandeling wordt genomen.

[iv] Matt McGee, ‘Google has stopped Street View photography in Germany’, 10 april 2011, http://searchengineland.com, zoek op Google Street View Germany.

[v] Verzoek om een prejudiciële beslissing, Verwaltungsgericht Gelsenkirchen 15 mei 2012, zaak C-291/12 (Schwarz).

[vi] Art. 1 lid 2 van Verordening 2252/2004 luidt: De paspoorten en reisdocumenten bevatten een opslagmedium dat aan de hoogste veiligheidseisen voldoet en een gezichtsopname bevat. De lidstaten nemen ook twee platte vingerafdrukken in een interoperabel formaat op. De gegevens worden beveiligd en het opslagmedium heeft voldoende capaciteit en is voldoende geschikt om de integriteit, de authenticiteit en de vertrouwelijkheid van de gegevens te garanderen.

[vii] HvJ EU 17 oktober 2013, zaak C-291/12, JB 2013, 235 (Schwarz).

[viii] Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG 1995, L 281/31).

[ix] In ABRvS 28 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8646 (Kooistra) stelt de Afdeling die vraag aan de orde.

[x] Punt 2 en 3 van de considerans van Verordening 2252/2004; HvJ EU 17 oktober 2013, zaak C-291/12, JB 2013, 235 (Schwarz); HvJ EG 18 december 2007,  zaak C-137/05,  Jur. I-11593 (Verenigd Koninkrijk/Raad).

[xi] Privacy First, ‘Onthullende cijfers over ‘lookalike-fraude’ met reisdocumenten, 20 maart 2012, www.privacyfirst.nl, zoek op onthullende cijfers lookalike-fraude; Expertisecentrum Identiteitsfraude en Documenten, Statistisch Jaaroverzicht Documentfraude, 2011: p. 52-53, 2012: p.55, 2013: p.55-56.

[xii] HvJ EG 9 november 2010, zaak C-92/09 en C-93/09, Jur. I-11063, 52 (Volker und Markus Schecke en Eifert); EHRM 4 december 2008, NJCM-Bulletin 2009, 391 (S. en Marper v. UK).

[xiii] De Afdeling noemt in haar verwijzingsuitspraak ook nog art. 6 Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, Tractatenblad 1988, 7.

[xiv] Art. 2 sub b Privacyrichtlijn.

[xv] ABRvS 28 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8654 (Willems).

[xvi] Zie o.a. D.J. Elzinga & R. de Lange, Van der Pot. Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 259 e.v.

[xvii] Waarbij ‘wet’ (law) volgens het EHRM ruim moet worden uitgelegd, zie o.a. EHRM 26 april 1979, NJ 1980, 146 (Sunday Times).

[xviii] Art. 52 lid 1 EU-Handvest luidt: 1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.
De leden daarop regelen onder meer de samenloop met het EVRM en andere verdragen.

[xix] De Paspoortwet bepaalde oorspronkelijk dat vier vingerafdrukken moesten worden afgenomen, twee meer dan de twee in art. 1 lid 2 van de Verordening. Dit verschijnsel, waarbij nationale wetgeving verder gaat dan de EU-regel vereist, wordt ‘gold-plating’ of ‘nationale koppen’ genoemd. Zie over gold-plating in het milieurecht bijvoorbeeld L. Squintani, Gold-plating of European environmental law, Groningen: Rijksuniversiteit Groningen 2013.

[xx] Zie bijvoorbeeld J.E.J. Prins, ‘Function creep: over het wegen van risico’s en kansen’, Justitiële verkenningen 2011, 8, p. 9-21.

[xxi] Art. 4 lid 3 Verordening 2252/2004.

[xxii] HvJ EU 17 oktober 2013, zaak C-291/12, JB 2013, 14 (Schwarz), m.nt. G. Overkleeft-Verburg.

[xxiii] Zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 18 februari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:412, waar het Hof in een zaak van Privacy First tegen de Staat de centrale opslag van vingerafdrukken uiteindelijk onrechtmatig verklaarde. Zie meer algemeen www.privacyfirst.nl.

[xxiv] Rijkswet van 11 juni 2009 tot wijziging van de Paspoortwet in verband met het herinrichten van de reisdocumentenadministratie, Stb. 2009, 252.

[xxv] Kamerstukken II 2010/11, 25764, 47, p.19. Staatssecretaris Fred Teeven noemde in 2013 zelfs 30%, zie Kamerstukken II 2012/13, 32317, 163, p. 15.

[xxvi] Kamerstukken II 2010/11, 25764, 46, p. 4.

[xxvii] Kamerstukken II 2010/11, 25764, 48.

[xxviii] Rijkswet van 18 december 2013 tot wijziging van de Paspoortwet in verband met een andere status van de Nederlandse identiteitskaart, het verlengen van de geldigheidsduur van reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaarten, een andere grondslag voor de heffing van rechten door burgemeesters en gezaghebbers en het niet langer opslaan van vingerafdrukken in de reisdocumentenadministratie (Wijziging van de Paspoortwet in verband met onder meer de status van de Nederlandse identiteitskaart), Stb. 2014, 10.

[xxix] Kamerstukken II 2012/13, 33440 (R 1990), 7, p. 13-14.

[xxx] Beschikkingen van de Europese Commissie van 28 februari 2005, C(2005), 409; 28 juni 2006, C(2006), 2909 en 22 december 2008, C(2008), 8657.


  • -

Column Rob Zijlstra: Eis tegen niemand

Column Rob Zijlstra
Eis tegen niemand

Juridisch bezien zou de prostitutie van vandaag de dag ook wel verkrachting kunnen heten.

Een nu 34-jarige man uit Tsjechië stond afgelopen donderdag terecht voor de rechtbank van Groningen wegens mensenhandel. Dat wil zeggen: hij stond op papier.

De aanpak van mensenhandel – met als doel die te bestrijden – heet een speerpunt te zijn. Dat betekent dat deze vorm van zware misdaad extra aandacht krijgt en als het even kan met grote voortvarendheid wordt aangepakt. Ook in Noord-Nederland.

Op 26 januari 2006 deed een jonge vrouw uit Tsjechië aangifte bij de politie in Groningen. Wat ze deed – de hoer spelen achter de ramen in de Groningen (en soms ook in benauwde kamertjes in Leeuwarden) – deed ze omdat ze daartoe werd gedwongen door een man die haar met een grote grijze Citroën naar Nederland had gebracht. Ze moest 450 euro per week voor haar peeskamertje betalen, het geld dat ze verdiende –soms wel 2.000 euro in de week – moest ze afdragen. Ze werkte vijftien, zestien uur per dag, ook wanneer ze ziek was of ongesteld. Ze werd gecontroleerd en regelmatig in elkaar  geslagen. Dat hoorde er gewoon bij.

De man die al dit naars op zijn geweten zou hebben, had haar gekocht van zigeuners in Tsjechië. Zij had zich op 18-jarige leeftijd bij hen aangesloten omdat ze te oud was geworden voor het kindertehuis waar ze haar rotjeugd had versleten. De zigeuners beloofden haar van alles, maar ze belandde in seksclubs. Toen was die man gekomen. Hij had duizend euro voor haar betaald. Daarmee was hij haar vriend geworden. Drie jaar had ze voor hem gewerkt in een bordeel. Op een dag zei haar ’vriend’ dat ze naar Nederland zouden gaan, naar Groningen waar ze bergen met geld zouden verdienen aan Groninger mannen. Op de dag van aankomst in Groningen moest ze direct aan de slag. Op de  eerste werkdag verdiende ze 800 euro, maar ze bleef met lege handen zitten. Ze moest alles afdragen.

Een ernstig verhaal, dat politiemensen die zich bezighouden met de  bestrijding van mensenhandel niet heel vreemd voorkomt. Zij kennen dit soort verhalen,  soms nog veel erger. Juridisch bezien zou prostitutie van vandaag de dag ook verkrachting kunnen heten. Legale verkrachting, want de burgemeester – de overheid – heeft er een vergunning voor verstrekt. Wie legaal een vrouw wil verkrachten, een vrouw seksueel binnen wil dringen, is vijftig tot zestig euro kwijt. Wie zoiets spotgoedkoop wil, kan zieke vrouwen verkrachten op de gemeentelijke tippelzone (Groningen, Bornholmstraat). Ook dat is daar door de overheid goed geregeld.
Dit terzijde.

Het verhaal van de jonge vrouw leidt in 2006 tot een onderzoek dat de codenaam ‘Vleugel’ krijgt. Vleugellam was misschien een betere benaming geweest. A ls gevolg van andere  onderzoeken in dezelfde sfeer wordt Vleugel in de loop van 2006 stilgelegd om in 2009 weer te worden opgepakt. En dan is het snel raak. De verdachte in dit verhaal heet Richard D., in 1979 geboren in Chomutov. De politie weet hem rap op te sporen: op 21 juni 2010 wordt hij op verzoek van de Nederlandse autoriteiten in Tsjechië aangehouden. Hij ontkent. Jawel, hij heeft in 2005 en ook in 2006 wel eens meisjes naar Nederland, naar Groningen gebracht, maar verder is zijn naam haas. Hij is geen mensenhandelaar, hij handelt in autobanden, dat is heel iets anders.

Hij zit een paar dagen vast voor verhoor en mag dan gaan. Op 25 januari 2012 is er de rechtszaak in Groningen. Richard D. komt niet opdagen. Hij is in Tsjechië waar hij altijd is. Naar Groningen kwam hij alleen om geld op te halen. De advocaat wil nieuwe getuigen horen wat tot vertraging leidt. Groninger politieagenten reizen af naar Tsjechië, horen
de getuigen en zetten alles op papier. Er wordt een nieuwe rechtszaak gepland op 27 juni 2013. Die gaat niet door omdat niemand weet waar de verdachte dan is. En hij moet wel weten dat er een rechtszaak tegen hem is, dat vereist de wet. Afgelopen donderdag ging de rechtszaak wel door. De vrouw die Richard D. als een slavin zou hebben uitgebuit zit met een tolk in de rechtszaal. Richard D. is er weer niet. Op de dagvaarding staat dat hij ‘zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland’ is.

De rechters zeggen ambtshalve te weten dat Richard D. in Tsjechië bij zijn moeder woont ‘op een bekend adres’. De officier van justitie reageert daar niet op, maar zegt dat het inderdaad allemaal veel te lang heeft geduurd, ze zegt dat de redelijke termijn is overschreden. Niet goed, dat moet een kleine consequentie hebben.

Ze zal daarom geen achttien maanden gevangenisstraf eisen, maar een jaar. Verdachte heeft recht op korting. Daarnaast moet verdachte, vindt de officier van justitie, nog wel 15.000 euro aan de vrouw betalen die hij heeft uitgebuit. De slavin zelf heeft een claim van 100.000 euro ingediend. De advocaat vindt dat het Openbaar Ministerie het recht op vervolging heeft verspeeld. Wanneer in januari 2006 aangifte wordt gedaan en de  verdachte vervolgens ruim vier jaar later, in juni 2010, wordt aangehouden kun je weer vier jaar later, juli 2014, niet nog eens een vrijheidsstraf van een jaar eisen tegen iemand die niet eens in Nederland woont. Dus…De rechters hebben twee weken nodig om uitspraak te doen.
Rob Zijlstra
.
naschrift voor het idee Deze veel te late strafzaak zonder verdachte duurde bijna drie uur. De zitting werd beroepsmatig bijgewoond door vijftien mensen, in de vorm van personen. Er was een officier van justitie [1], drie strafrechters [4], een griffier [5], een bode  (gerechtsdeurwaarder) [6], een advocaat (jan boone, toegevoegd) [7], een tolk (voor het slachtoffer) [8], een parketwachter (politie) [9], drie rechercheurs (politie) [12] en drie verslaggevers [15]. De drie verslaggevers zaten er op eigen kosten – zij het dat een [1] van hen werkt voor een door de overheid gesubsidieerde (regionale) omroep. De overige twaalf beroepsmatig aanwezigen zijn (of worden) betaald door de overheid.

UPDATE – 24 juli 2014 – uitspraak Richard D. is veroordeeld tot 18 maanden celstraf. Aan twee van zijn slachtoffers moet  hij opgeteld 30.985 euro betalen.


  • -

Implementatiewet richtlijn consumentenrechten

Madelon Zweep
Implementatiewet richtlijn consumentenrechten

Wijzigingen in het Burgerlijk Wetboek

Op het terrein van het consumentenrecht doen zich vanaf 13 juni 2014 een aantal wijzigingen voor. Aanleiding hiervoor is Richtlijn 2011/83, ook wel de Implementatiewet richtlijn consumentenrechten (hierna: de Richtlijn). Twee eerdere richtlijnen, de Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en de Richtlijn betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, worden samengevoegd.

De samentrekking beoogt een verbetering en vereenvoudiging van de bestaande Europese regels in het geval van overeenkomsten tussen handelaren en consumenten. Dit geldt op het terrein van roerende zaken – waaronder elektriciteit en gas begrepen – en diensten. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen overeenkomsten op afstand, buiten verkoopruimten of anders gesloten overeenkomsten.

Vernieuwingen
De vernieuwingen die worden doorgevoerd hebben betrekking op overeenkomsten tussen handelaren en consumenten. Het gaat om overeenkomsten op afstand, overeenkomsten buiten verkoopruimten gesloten, maar ook op andere wijze zoals overeenkomsten gesloten in een winkel. De nieuwe regeling geldt slechts voor overeenkomsten gesloten op of na 13 juni 2014. De wijzigingen zien we terug in boek 6 en boek 7 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Er komt een nieuwe afdeling die de artikelen 6:230g tot en met 6:230z BW  omvat. De afdeling van de overeenkomsten op afstand die nu staat geregeld in afdeling 7.1.9A vervalt, net zoals de Colportagewet. In art. 6:230h BW is opgenomen in welke gevallen het nieuwe consumentenrecht geen toepassing vindt. Het betreft onder andere overeenkomsten aangaande een prestatie met een waarde van minder dan vijftig euro, het verhuren van woonruimte en gezondheidsdiensten. De belangrijkste wijzigingen zijn de verruiming van de bedenktijd en de informatieverplichtingen voor de handelaar. Bovendien komt er een bepaling die betrekking heeft op oneerlijke handelspraktijken. Mocht een overeenkomst in strijd zijn met een oneerlijke handelspraktijk dan kan de consument deze vernietigen. De Richtlijn staat maximale harmonisatie voor en wil daarmee uniforme regels binnen de lidstaten creëren. Daarnaast zijn definities aangepast aan de huidige moderne tijd en vooruitdenkend, denk aan ontwikkelingen in de digitale wereld. Hierbij moeten we denken aan specifieke informatieplichten bij het aankopen van digitale producten.

Herroepingsrecht
Een belangrijke wijziging vormt de verruiming van het herroepingsrecht voor  consumenten. Deze is verlengd naar veertien kalenderdagen. Voorwaarde voor dit recht is dat het dient te gaan om een overeenkomst op afstand of een overeenkomst buiten de verkoopruimte. Door de inwerkingtreding van de implementatiewet komt het herroepingsrecht dat is neergelegd in art. 7:46d BW te vervallen. Het nieuwe herroepingsrecht wordt opgenomen in afdeling 6.5.2A BW en heeft betrekking op overeenkomsten op afstand tussen handelaren en consumenten. Het huidige herroepingsrecht uit art. 7:46d BW komt voort uit de Richtlijn overeenkomsten op afstand. Het regelt dat consumenten binnen zeven werkdagen de overeenkomst zonder opgave van redenen kunnen ontbinden; de wettelijke bedenktijd. Deze richtlijn wordt nu ingetrokken door de invoering van de Richtlijn consumentenrechten.(1) Met de vernieuwing wordt de wettelijke bedenktijd verruimd van zeven werkdagen naar veertien kalenderdagen ingevolge art. 6:230o BW. Het ontbinden zelf geschiedt door een ondubbelzinnige verklaring aan de verkoper. Dit is voor de consument vergemakkelijkt middels een  modelformulier, dat wordt teruggestuurd aan de verkoper. Het aanbieden van een modelformulier door de verkoper is overigens niet verplicht. Nadat de verkoper een bevestiging van de ontbinding kennisgeeft heeft de koper opnieuw veertien dagen de tijd om het product terug te sturen. Mocht het een product betreffen dat in verschillende delen wordt geleverd, dan gaat de bedenktijd pas in wanneer het laatste gedeelte van dit product  is ontvangen. De veertiendagentermijn kan op verschillende tijdstippen beginnen te lopen. Het meest voor de hand liggend is de mogelijkheid dat het bestelde product is ontvangen door de consument; het moment van het in bezit krijgen. Een andere mogelijkheid is dat een bestelling uit meerdere producten bestaat. Het moment van start van de termijn betreft dan de dag waarop het laatste onderdeel is ontvangen. Dit in fysiek ontvangst nemen van het product als startpunt is gekozen, omdat de consument vanaf dan het product kan testen.(2) Maar wat nu als je als student niet thuis bent omdat je in de vakantieperiode niet op je kamer bent? Het pakket wordt dan waarschijnlijk bij de buurvrouw afgeleverd. Dit brengt mee dat de veertiendagentermijn pas begint te lopen wanneer het pakket wordt opgehaald. Dit is ook het geval als het bij een afhaalpunt wordt opgehaald. Zoals voor te stellen kan het soms lastig zijn om aan te tonen wanneer de termijn is gaan lopen. Wanneer de overeenkomst is ontbonden is de consument verplicht om de producten onverwijld en binnen veertien dagen terug te sturen, zo bepaalt art. 6:230s lid 1 BW. De verkoper dient op zijn beurt het betaalde terug te betalen en heeft hier maximaal veertien dagen de tijd voor.De Richtlijn voorziet ons tevens van informatie met betrekking tot de reikwijdte van het herroepingsrecht. Een interessant punt betreft de vraag in hoeverre de consument het ontvangen product mag testen. Dit hangt natuurlijk af van het soort product. De bekende vraagstukken duiken op; mag van een fiets worden verwacht dat deze een persoon kan vervoeren op de pakjesdrager? De consument krijgt de gelegenheid om het product uit te proberen. Dit uitproberen reikt tot voor zover dit noodzakelijk is om de aard, de kenmerken en de werking van producten na te gaan. Nieuw is dat met de Richtlijn wordt bepaald dat, mocht een consument te ver zijn gegaan in dit uitproberen, een waardevermindering voor rekening van de koper komt. Dit dient van geval tot geval te worden beoordeeld. Het nieuwe herroepingsrecht doelt voornamelijk op voordelen voor de interne markt. Door de termijnen gelijk te trekken zal de grensoverschrijdende handel op dit punt verbeterd worden. Er wordt maximum harmonisatie bereikt, van waaruit niet meer of minder bescherming mag worden geboden. Het gaat hier te ver om inhoudelijk op de  regeling in te gaan, maar zij is zeker een kijkje waard. De nieuwe regeling betreft een verruiming en specificering van de oude regeling.(3)

Informatieverplichting
Bij het kopen van een product of het afnemen van een dienst wil de consument een zo goed mogelijke keuze maken die aansluit op zijn of haar wensen. De handelaar kan hierbij helpen door de juiste informatie te verstrekken, op hem rust de zogenaamde informatieplicht. Bij de verkoop in een winkel dient de ondernemer informatie te geven over de kenmerken van het product of de dienst die hij verkoopt, over de totale prijs die betaald dient te worden, over de garanties enzovoort. De ondernemer dient dit op een duidelijke en begrijpelijke wijze over te brengen voordat de overeenkomst is gesloten. Bij telemarketing of verkoop via het internet gelden nog enkele aanvullende informatieverplichtingen. Het gaat te ver om hier in deze bijdrage op in te gaan. Ook de bedenktijd en de duur van de overeenkomst zijn voorbeelden van informatieverplichtingen. Wanneer de consument niet wordt geïnformeerd over de bedenktijd, dan wordt de bedenktijd van veertien dagen verlengd naar maximaal twaalf maanden. De duur van deze verlening hangt af van het soort overeenkomst dat is gesloten. Wel heeft de verkoper een herstelmogelijkheid om  alsnog informatie over de bedenktijd te verstrekken. Wordt deze informatie inderdaad  alsnog verstrekt, dan geldt vanaf dat moment een nieuwe bedenktijd van veertien dagen. Na de koopovereenkomst dient er door de verkoper een bevestiging van de overeenkomst worden overlegd. Dit gebeurt uiterlijk bij het leveren van de gekochte producten. De bevestiging dient te worden verstrekt in een duidelijke begrijpelijke taal, waarvoor geen handeling van de consument nodig is. Bovendien dient deze bevestiging op een duurzame  gegevensdrager ontvangen te worden, die dezelfde waarborgen kan bieden als papier.(4) Wat nu als de informatieplicht niet wordt nageleefd door de verkoper? De consument kan in dat geval, wanneer sprake is van misleidende omstandigheden door het weglaten van belangrijke informatie de overeenkomst vernietigen.(5) Voorwaarde is dat er een causaal verband dient te bestaan tussen het ontbreken van informatie en het aangaan van de overeenkomst. Er is echter in Boek 7 BW geen expliciete mogelijkheid opgenomen voor de vernietigingsmogelijkheid. Daarom zal de consument een beroep moeten doen op de oneerlijke handelspraktijken. Als andere mogelijkheid blijft bestaan het eisen van schadevergoeding. Het weglaten van informatie ex art. 6:230m BW wordt immers reeds als onrechtmatig beschouwd.(6)

Slot
De Richtlijn is van toepassing op overeenkomsten met consumenten. Business 2 business overeenkomsten vallen hier buiten. De belangrijkste vernieuwing is de verruiming van de ontbindingstermijn naar veertien kalenderdagen. Deze verruiming hangt samen  met een informatieverplichting die op de handelaar rust. Zo dient deze onder andere een modelformulier ter ontbinding van de overeenkomst aan te bieden. Daarnaast dient er een bevestiging te worden aangeboden, op welke manier de consument uitdrukkelijk akkoord gaat met het aangaan van de overeenkomst. Ontbreken dergelijke informatieplichten dan kan de ontbindingstermijn verlengd worden tot maximaal een jaar. De belangrijkste ontwikkeling is dat de consument de gehele koopovereenkomst kan vernietigen als de verkoper niet voldoet aan de informatieplicht van art. 6:230m BW. Als we een aantal  regelingen uit de Richtlijn bekijken kunnen we constateren dat de ondernemer er niet veel op voor uit gaat. Deze moet er rekening mee houden dat er geen betalingsverplichting is voor de consument. Bovendien is de wettelijke bedenktermijn een stukje rechtsonzekerheid voor de ondernemer. Het lijkt alsof de consument bij het aankopen van een product op afstand meer ruimte wordt gegeven. Zo mag hij het product uit de verpakking halen om het uit te proberen, mits dit binnen de grenzen blijft van wat als redelijk uittesten beschouwd kan worden. Mocht de tablet bij het inschakelen ervan toch niet aan de eisen voldoen, dan mag deze retour gestuurd worden. Wanneer de consument echter in een winkel een paar schoenen aanschaft, zal deze ze alleen kunnen ruilen wanneer zij in de originele verpakking zit – lees; de schoenendoos. Aan de andere kant is ook het bewijzen van een causaal verband tussen het verzuim van de informatieplicht en het aangaan van de overeenkomst vrij lastig. Het is de vraag of de consument kennis heeft van deze mogelijkheid tot vernietiging, te meer nu dit niet expliciet staat opgenomen.

Noten
1 M.Y. Schaub: in NTBR 2014/23: Het herroepingsrecht bij overeenkomsten op
afstand, afl. 5, p. 185- 193.
2 Kamerstukken II 2012/13, 33 520, 3, p. 38.
3 M.Y. Schaub, in: NTBR 2014/23, Het herroepingsrecht bij overeenkomsten
op afstand, afl. 5, p. 185- 193.
4 C- 49/11, ECLI:EU:C:2012:419 (Content Services LTD vs.
Bundesarbeitskammer).
5 Artikel I onder C Implementatiewet richtlijn consumentenrechten.
6 L.B.A. Tigelaar, Sancties op schending van informatieplichten uit de
Richtlijn consumentenrechten, TvCH, 2013-4, p. 158.

 


  • -

De asielprocedure van Nederland onder de loep

Rob de Haan

De asielprocedure van Nederland onder de loep

Er is oorlog, er heerst woede, er heerst onrust. Je vreest voor je leven. Kortom: het is niet veilig in je eigen land. Je besluit te vluchten naar een ander land, naar een veilig land. Oorlog is slechts een van de vele redenen om asiel aan te vragen. De letterlijke betekenis van asiel is ‘toevluchtplaats’. Asielzoekers gaan vanwege hun benarde situatie in het land van herkomst naar een ander land om hun toevlucht te zoeken. Vandaag de dag zijn er meer asielaanvragen dan ooit in Nederland. Wanneer asielzoekers, vaak na een lange en zware reis, eenmaal in Nederland zijn aangekomen, vragen ze asiel aan. Maar hoe gaat het verder vanaf hier?

Sinds april van dit jaar komen er  maandelijks duizenden asielzoekers naar Nederland. In de maanden mei en juni 2014 was er een zeer hoge instroom van Eritrese vluchtelingen. Momenteel is de toestroom van Syriërs het hoogst. Dit is te verklaren door de toenemende onrust in het oorlogsgebied Syrië.

Wanneer asiel
Eenieder heeft het recht om asiel aan te vragen in Nederland. Een dergelijke aanvraag wordt in behandeling genomen door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND). De aanmeldcentra zitten in Ter Apel, Den Bosch en Zevenaar. Asielzoekers die met het vliegtuig zijn gekomen, dienen zich bij het aanmeldcentrum in Schiphol te melden.(1) In het aanmeldcentrum van Schiphol geldt een andere procedure. In dit artikel wordt alleen de  normale procedure besproken. De IND kijkt of een asielzoeker in aanmerking komt voor een vergunning. Dit is het geval wanneer er gegronde redenen zijn om in het land van herkomst te vrezen voor vervolging op grond van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of wanneer ze behoren tot een bepaalde sociale groep. Bij deze laatste  categorie valt bijvoorbeeld te denken aan homoseksuelen in Rusland. Vluchtelingen die op deze gronden ons land binnenkomen krijgen een A-status. Ook kan er asiel worden  aangevraagd als er wordt gevreesd dat de asielzoeker te maken krijgt met een onmenselijke behandeling in zijn land van herkomst. Hier is sprake van een vluchteling met een B-status. Tot slot kan er asiel worden aangevraagd als er een gezinslid van de persoon die asiel aanvraagt in het bezit is van een verblijfsvergunning en de asielzoeker gelijktijdig met hem of haar Nederland is binnen gekomen of binnen drie maanden  nadat  een gezinslid de verblijfsvergunning heeft gekregen Nederland is binnen gekomen.(2) Daarentegen kan een asielaanvraag worden afgewezen als de asielzoeker in een ander land is geweest waar asiel had kunnen worden aangevraagd of is aangevraagd.(3) Ook kan een aanvraag worden afgewezen als er een gevaar is voor de openbare orde, nationale veiligheid of als er onjuiste gegevens zijn verstrekt door de asielzoeker.(4)

De procedure
Zodra is besloten dat de aanvraag in behandeling wordt genomen door de IND, bestaat de procedure uit een aantal stappen. Allereerst moet een asielzoeker zich melden bij de vreemdelingenpolitie om zich aan te melden en te registreren voor de asielprocedure. Dit
gebeurt zodat de identiteit en gegevens van de asielzoeker kunnen worden vastgesteld en eventueel onderzoek naar de persoon kan worden gedaan. In deze fase worden er bijvoorbeeld ook vingerafdrukken afgenomen, een foto gemaakt en wordt bekeken of de vreemdeling geregistreerd is in overheidssystemen die worden gehanteerd binnen Europa. Dit proces duurt enkele dagen. Bij de volgende stap is er een rust – en voorbereidingstermijn van minimaal zes dagen. Er wordt informatie gegeven aan de persoon over de asielprocedure en diegene krijgt tijd om zich hierop voor te bereiden. Ook kan de vreemdeling in dit stadium ervoor kiezen om kennis te maken met een advocaat en om een medische keuring te ondergaan.(5)

De algemene procedure
Dan komen we toe aan de volgende stap: de algemene achtdaagse asielprocedure. Er  volgen normaliter twee gesprekken met medewerkers van de IND. Op basis van deze gesprekken wordt er een beslissing genomen op de asielaanvraag. In het algemeen duurt deze procedure acht dagen, maar in bijzondere gevallen kan de procedure langer duren. De algemene asielprocedure vangt aan met het eerste gehoor. Tijdens dit gesprek is er een tolk aanwezig. Een hoormedewerker van de IND vraagt naar de identiteit en  nationaliteit van de asielzoeker en probeert zoveel mogelijk te verifiëren. Ook wordt er gevraagd naar de reisroute, familie, opleiding en werkzaamheden van de asielzoeker. Na het eerste gehoor volgt er een nader gehoor. In het nader gehoor komt onder andere de reden van de asielaanvraag aan de orde. Er worden wederom vragen gesteld door een medewerker van de IND om een goed beeld te krijgen van de situatie. Als deze gesprekken zijn geweest wordt er gekeken of er genoeg duidelijke informatie is verkregen waarop de IND een beslissing kan nemen.(6) De IND kijkt daarnaast of het verhaal geloofwaardig en aannemelijk is.

De verlengde procedure
Mocht na het nader gehoor te weinig informatie beschikbaar zijn waardoor er meer onderzoek nodig is, dan wordt de algemene asielprocedure omgezet in een verlengde asielprocedure. Binnen zes maanden wordt er een beslissing genomen op de asielaanvraag. Deze beslissing wordt genomen op basis van de informatie die is verkregen in de eerste twee gesprekken met de INDmedewerkers. Ook kan er een extra
gesprek plaatsvinden voor eventuele overgebleven vragen. Deze periode kan eventueel verlengd worden met maximaal zes maanden.(7)

Inwilliging aanvraag
Als er wel genoeg informatie beschikbaar is, dan loopt de algemene asielprocedure door en wordt er geen verlengde asielprocedure gestart. De IND heeft inmiddels genoeg informatie verzameld om een beslissing te nemen. Voldoet de asielzoeker aan de voorwaarden van de IND die voortvloeien uit de Vreemdelingenwet, dan ontvangt hij een beslissing van de IND. De IND voert de asielaanvraag in en de asielzoeker krijgt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. In beginsel is dit vijf jaar. Een dergelijke verblijfsvergunning brengt wel de verplichting tot deelname aan een inburgeringcursus met zich. Daarnaast heeft een asielzoeker ook recht op huisvesting, scholing en een vluchtelingenpaspoort. Als de persoon na vijf jaar niet kan terugkeren naar het land van herkomst, dan kan de asielvergunning van bepaalde tijd worden omgezet naar een vergunning van onbepaalde tijd.(8)

Afwijzing aanvraag
Als niet aan alle voorwaarden is voldaan dan ontvangt de asielzoeker een schriftelijk stuk tot voornemen van afwijzing van de asielaanvraag. Hierop kan dan een reactie worden gegeven. De IND beslist dan of de afwijzing in stand blijft of dat er meer onderzoek nodig is. Mocht de IND nog steeds van mening zijn dat er niet wordt voldaan aan de voorwaarden dan volgt er een beslissing tot afwijzing. Zodra dit is gebeurd moet de asielzoeker Nederland verlaten. In de beslissing staat ook wanneer dit moet gebeuren. De verantwoordelijkheid ligt bij de asielzoeker. Wel kan de asielzoeker het land worden uitgezet als hij binnen de gestelde termijn het land niet verlaat. Ook kan hij dan een  inreisverbod krijgen voor de rest van Europa.(9)

In beroep
Tegen een beslissing van afwijzing kan eventueel beroep worden gesteld bij de Vreemdelingenkamer van de rechtbank. Dit dient binnen een week te gebeuren. De asielzoeker mag niet in Nederland blijven in afwachting van zijn beroep. De procedure heeft geen schorsende werking, tenzij er sprake is van een voorlopige voorziening. De rechter beoordeelt of de overheid zich formeel aan de regels heeft gehouden. Wordt het beroep echter door de rechter afgewezen, dan dient de asielzoeker Nederland te verlaten. Tot slot kan de asielzoeker nog in beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarnaast kan de asielzoeker nog een klacht indienen bij het Europese Hof van  de Rechten van de Mens als er sprake is van schending van de mensenrechten.(10)

Wettelijke grondslag
Wanneer asielzoekers asiel aanvragen in Nederland, geldt de hierboven beschreven procedure. Maar wat is nu eigenlijk de wettelijke basis van de algemene asielprocedure? De algemene asielprocedure is gebaseerd op diverse wettelijke regelingen. Deze regelingen vallen onder het vreemdelingenrecht. Het vreemdelingenrecht is een onderdeel van het bestuursrecht. Hierdoor is de Algemene wet bestuursrecht ook van toepassing op het vreemdelingenrecht. Daarnaast kent het vreemdelingenrecht een aantal eigen wettelijke regelingen. De belangrijkste regelingen zijn de Vreemdelingenwet, het Vreemdelingenbesluit, het Voorschrift Vreemdelingen en de Vreemdelingencirculaire. Daarnaast is het internationale recht, en met name het Europese recht, ook van invloed op het vreemdelingenrecht. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM ) heeft een grote invloed op de asielprocedure. Tijdens de achtdaagse  asielprocedure is een aantal juridische onderdelen van belang. (11) Allereerst kijkt de IND of er sprake is van een vreemdeling die valt onder de Dublinverordening. Sinds de jaren negentig heeft de Europese Unie gewerkt aan een gemeenschappelijk asielbeleid. Het doel van dit beleid is om ervoor te zorgen dat enerzijds ieder asielverzoek in behandeling wordt genomen en anderzijds om te voorkomen dat asielzoekers in meerdere lidstaten asiel indienen.(12) De aanvraag van een asielzoeker wordt afgewezen als een asielzoeker reeds is geregistreerd of asiel heeft aangevraagd in een ander Europees land.(13) Vervolgens kijkt de IND of er sprake is van toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Wanneer een vluchteling een gevaar oplevert voor de openbare orde of voor de nationale veiligheid wordt zijn asielaanvraag afgewezen. In dit artikel is bepaald  dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Personen die op basis van artikel 1F van  asiel zijn uitgesloten worden in principe ongewenst verklaard. Te denken valt aan mensen  die misdrijven tegen de vrede, oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid  hebben gepleegd.(14) Wanneer er geen redenen zijn om de aanvraag van de asielzoeker af te wijzen, wordt er gekeken naar de reden waarom de vluchteling zijn land van herkomst heeft verlaten. Dit is van belang voor de soort vergunning die de vluchteling zal krijgen. Er valt een onderscheid te maken tussen een A- en een B-status. Een A-status krijgt een vluchteling alleen als hij een verdragsvluchteling is.(15) Dit is het geval als hij op basis van  één van de genoemde gronden die in het verdrag staan is gevlucht. Een vluchteling die bij uitzetting een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling krijgt een B-status.(16) vanwege de illegale uitreis uit het land van herkomst.

Conclusie
Nadat de vreemdeling zich heeft gemeld doorloopt hij een aantal stappen. Na de rust en voorbereidingstijd gaat de asielzoeker de procedure in. Meestal duurt de asielprocedure acht dagen. De procedure bestaat onder meer uit twee gesprekken met een hoormedewerker van de IND. Na afronding van deze gesprekken wordt beslist of de procedure zal worden verlengd, of de asielzoeker een vergunning zal krijgen of dat zijn aanvraag wordt afgewezen. De asielprocedure valt onder het bestuursrecht, maar meer specifiek onder het vreemdelingenrecht. Met name het Europese recht is van belang. Er zijn allerlei specifieke wettelijke regels, zoals de Vreemdelingenwet, de Vreemdelingencirculaire en het Vreemdelingenbesluit. In deze regelingen zijn onder andere de Dublinverordening, het vluchtelingenverdrag en het EVRM verwerkt. Wanneer een asielzoeker in aanmerking komt voor een vergunning zal worden bekeken welke status hij zal krijgen. De asielzoeker zal een A-status ontvangen, wanneer hij een verdragsvluchteling is en een B-status wanneer hij bij uitzetting het risico loopt op een onmenselijke behandeling.

Noten
1 https://www.vluchtelingenwerk.nl/feiten-cijfers/procedures-wetten-beleid/ asielvergunning.
2 https://kdw.ind.nl/Dialog.aspx?knowledge_id=%2fdialoogvreemdeling%-3finit%3dtrue%26prefill%3dtrue%26knowledge_id%3d%252fdialoogvreemdelinginit%
253dtrue%26WensKlant%3dIkWilAsielAanvragen%26jse%3d13Dublinverordening, EG-verordening nr. 343/2003.
4 Artikel 1F vluchtelingenverdrag.
5 https://kdw.ind.nl/OverviewDetail.aspx?knowledge_id=Samenvattingscherm48Asiel&
maintab=2.
6 http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/asielbeleid/procedures-behandeling-
asielaanvragen.
7 https://kdw.ind.nl/OverviewDetail.aspx?knowledge_id=Samenvattingscherm48Asiel&
maintab=2.
8 https://kdw.ind.nl/OverviewDetail.aspx?knowledge_id=Samenvattingscherm48Asiel&
maintab=2.
9 http://www.judex.nl/rechtsgebied/vreemdelingenrecht_%26_asiel/bewaring-en-uitzetting
10 http://www.judex.nl/rechtsgebied/vreemdelingenrecht_%26_asiel/rechtsbescherming/
artike.len/976/bezwaar-en-beroep-in-het-vreemdelingenrecht.htm.
11 Deze onderdelen staan centraal geregeld in paragraaf C1/3 van de Vreemdelingencirculaire.
12 E.R. Brouwer, ‘Kaveh Puid, Abdullahi en de Dublin-Verordening: uitleg bij een haperend asielsysteem, gemiste kans wat betreft de rechtsbescherming’, NtER 2014-5, p. 133-138.
13 Artikel 30 Vreemdelingenwet 2000.
14 J. van Wijk en J. Reijven, ‘Verbanning en brandmerking in de 21ste eeuw?’, Tijdschrift over Cultuur & Criminaliteit (3) 1, p. 15-31.
15 Artikel 29 lid 1A Vreemdelingenwet 2000.
16 Artikel 29 lid 1B Vreemdelingenwet 2000.


  • -

Een strafrechtfilosofisch perspectief

Maaike Baan

Een strafrechtfilosofisch perspectief

Het wetsvoorstel TBO

Pieter steelt een paar dure schoenen uit de Bijenkorf. Voordat hij ‘veilig’ de winkel uit is, wordt hij in zijn kraag gegrepen door de beveiliging: op heterdaad betrapt. De politie wordt erbij gehaald en daar blijft het niet bij; enige tijd later moet Pieter voorkomen voor de politierechter. Tijdens de zitting vraagt de rechter naar eerder gepleegde kleine delicten en de persoonlijke omstandigheden. Een klein half uur later loopt Pieter ietwat verbouwereerd de zittingszaal uit. Hij moet van de rechter naar school.

Bovenstaande casus is een fictieve, maar wanneer het wetsvoorstel Terbeschikkingstelling aan het Onderwijs (hierna: TBO) tot wet wordt gemaakt, zou deze situatie zich in de praktijk kunnen voordoen. In maart 2014 stemde de ministerraad in met het wetsvoorstel TBO. Dit voorstel wil een bepaling aan het wetboek van Strafrecht toevoegen die het mogelijk maakt om jeugdige delinquenten te verplichten onderwijs te volgen. Het idee van de maatregel is dat het volgen van onderwijs de mogelijkheden voor jongeren vergroot om ‘aansluiting te vinden bij de samenleving en daarin een volwaardige en opbouwende rol te vervullen’.(1) Dit moet de kans op recidive verkleinen. Tegenover het niet naleven van de onderwijsverplichting staat een vervangende vrijheidsstraf die kan oplopen tot een jaar. De maatregel kan ook worden opgelegd voor relatief lichte delicten zoals winkeldiefstallen. De plannen van het kabinet hebben tot de nodige kritiek geleid. De Onderwijsraad (2) adviseerde staatssecretaris Dekker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) in juni om het wetsvoorstel te heroverwegen.(3) De raad geeft onder meer aan niet overtuigd te zijn van de noodzaak, effectiviteit en uitvoerbaarheid van de tbo-maatregel.

Doel artikel
In dit artikel wordt gekeken naar het doel en de strekking van de voorgestelde TBO-maatregel. Omdat het gaat om een strafrechtelijke regeling, is het in dit verband interessant om in te gaan op de eeuwenoude vraag: waarom straffen we eigenlijk? Het wetsvoorstel TBO wordt onder een strafrechtfilosofische loep gelegd om erachter te komen in hoeverre de gedachten achter het wetsvoorstel te verenigen zijn met de theorieën die aan ons Wetboek van Strafrecht ten grondslag liggen.

Elementen
De TBO-maatregel bestaat uit twee elementen: de onderwijsverplichting, die de  oorspronkelijke maatregel vormt als reactie op het gepleegde delict, en de vervangende vrijheidsstraf. Van beide elementen wordt onderzocht wat de achterliggende doelen zijn en in hoeverre zij zijn te rechtvaardigen als sancties. In het denken over strafrecht bestaan twee hoofdstromingen die het hebben over de zin en de rechtvaardiging van straffen: het retributivisme en het utilitarisme. Deze theorieën zullen kort worden uiteengezet om vervolgens in te gaan op de ratio achter het wetsvoorstel TBO.

Retributivisme
Volgens het retributivisme is een straf gerechtvaardigd wanneer die verdiend is. Vergelding staat in deze opvatting voorop. Vergelding heeft in deze context niet de betekenis van wraak, maar van vereffening. Het gepleegde delict moet op een bepaalde manier worden vereffend, de schade die de rechtsorde is toegebracht moet – voor zover dat mogelijk is – worden hersteld. De straf is dus gericht op het verleden, het is een reactie op het delict. De straf is op zichzelf goed en gerechtvaardigd en dient geen in de toekomst gelegen  doel. De straf is het doel, want het is juist om misdadigers leed toe te voegen. Dat een straf alleen gerechtvaardigd is wanneer zij verdiend is, veronderstelt dat de veroordeelde verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn daden. Het retributivisme hecht veel waarde aan de notie van de mens als redelijk wezen met de vrijheid om zelf te kiezen hoe hij handelt.

Utilitarisme
De tweede stroming is het utilitarisme. Het doel van straffen is volgens de theorieën van het utilitarisme gelegen in de toekomst: een straf dient ter voorkoming van toekomstige criminaliteit. De effectiviteit van de straf is daarom van groot belang: op welke manier kan het beoogde doel het beste worden bereikt? De straf is in deze visie instrumenteel: zij vindt haar rechtvaardiging in het toekomstige maatschappelijke nut.(4) Straf is geen gerechtvaardigd doel op zich, maar een middel.(5) Het utilitarisme ziet crimineel gedrag niet alleen als een keuze. Het kan ook het gevolg zijn van factoren die buiten de macht van de delinquent liggen, zoals omgevingsfactoren, opvoeding of neurologische afwijkingen.(6) Met het juiste inzicht in zulke factoren kan de meest effectieve straf worden gekozen, waardoor verder crimineel gedrag zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het Nederlandse strafrechtsysteem bevat zowel retributivistische als utilitaristische elementen. Een dergelijke combinatie noemt men een ‘verenigingstheorie’.

De onderwijsverplichting
Met de TBO-maatregel kan via het strafrecht een verplichting tot het volgen van onderwijs worden opgelegd. Met welk doel is voor een onderwijsverplichting onderwijsverplichting gekozen? ‘Het doel van de maatregel is niet gelegen in de bestraffing en de vergelding van het gedrag dat tot het opleggen van de maatregel heeft geleid’, aldus de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel.(7) De maatregel is geheel gericht op het ‘wegnemen van criminogene factoren’ en heeft daarmee een puur utilitaristisch karakter. De gedachte is dat bij de veroordeelde door het volgen van onderwijs een gedragsverandering optreedt die ervoor zorgt dat hij niet opnieuw in crimineel gedrag vervalt. Bij deze vorm van preventie zal ik verderop uitgebreider stilstaan. Het doel van het opleggen van de onderwijsverplichting is dus niet om het gedrag van de jeugdige delinquent te veroordelen. Eigenlijk wordt nauwelijks meer aandacht besteed aan het gepleegde delict; de ogen zijn slechts gericht op de toekomst. De focus ligt op de omstandigheden die er mogelijk voor zorgden dat de veroordeelde het delict pleegde. Het doel is om die omstandigheden te veranderen om verder crimineel gedrag te voorkomen. Een verplichting tot het volgen van onderwijs is niet aan elke winkeldief op te leggen; de maatregel heeft een specifieke doelgroep. ‘De TBO-maatregel richt zich op jeugdigen en jongvolwassenen die een problematisch onderwijsverleden hebben en die strafbare feiten hebben begaan.’(8) Het idee achter deze keuze is dat er een verband bestaat tussen recidive en ‘het niet waarnemen van onderwijskansen’. De maatregel wil dat verband verbreken. De oorzaak voor het criminele gedrag wordt dus niet zozeer gezocht in de persoon zelf, maar in de situatie waarin hij zich bevindt. Geprobeerd wordt om de veroordeelde uit die situatie te halen met de verwachting dat dit de kans op recidive verkleint. Verondersteld wordt dat het hebben van een problematisch onderwijsverleden crimineel gedrag in de hand werkt. Niet de persoon zelf, maar eerder de situatie waarin hij verkeert wordt gezien als ‘de schuldige’, de oorzaak van het criminele gedrag. Dit is een zuiver utilistische benadering: de reactie op het delict moet bestaan in het meest effectieve middel om het beoogde doel, het voorkomen van recidive, te bereiken. Deze benadering roept vragen op over de verantwoordelijkheid van de delinquent. Door de aandacht te vestigen op de situatie van de delinquent en niet op zijn persoon, wordt het lastig om hem ter verantwoording te roepen voor zijn gedrag. Zoals we hierboven hebben gezien is dat ook juist niet wat de TBOmaatregel beoogt te doen.

Vrijheidsstraf
Het niet naleven van de onderwijsverplichting heeft geen lichte consequenties. Een maand vervangende vrijheidsstraf kan worden opgelegd voor elke maand dat de onderwijsverplichting niet wordt nageleefd. De Memorie van Toelichting noemt de  vervangende vrijheidsstraf een ‘stok achter de deur’ en ‘de juiste motivatie’ voor het volgen van een vorm van onderwijs die geschikt is voor de veroordeelde en die ervoor zorgt dat hij  niet terugvalt in crimineel gedrag.(9) Waar de onderwijsverplichting zelf niet bedoeld is als straf, lijkt het erop dat niet-naleving daarvan wel degelijk bestraft wordt. Wat is het doel  van de vervangende vrijheidsbeneming? Het doel van de vervangende vrijheidsstraf is de veroordeelde ‘de juiste motivatie’ te geven voor het volgen van onderwijs, zo volgt uit de Memorie van Toelichting. Hoe moeten we dit doel precies begrijpen? De term ‘motivatie’ is in deze context een positieve verwoording van het begrip ‘afschrikking’. Afschrikking kan zowel een vorm van generale als speciale preventie zijn. Bij generale afschrikking weerhoudt de dreiging van de straf mensen ervan om delicten te plegen. Van Dijk zegt hierover: ‘Het effect wordt bereikt door de ogenschijnlijk op te leggen straf. Het daadwerkelijk opleggen van straf geschiedt slechts om de dreiging te onderstrepen’. (10) Speciale afschrikking werkt zo dat de onplezierige ervaring van de straf de veroordeelde afschrikt om nogmaals de fout in te gaan. Dit levert voor de gestrafte een extrinsieke  motivatie op om op het juiste pad te blijven.(11) Een andere vorm van speciale preventie is resocialisatie. Dit geeft de gestrafte een intrinsieke motivatie op om niet te recidiveren: hij voelt geen behoefte meer om het slechte pad op te gaan. Leeft de tot de TBO-maatregel veroordeelde zijn onderwijsverplichting na, dan zou hem dat een intrinsieke motivatie moeten geven om op het juiste pad te blijven. De Memorie van Toelichting zegt dat de onderwijsverplichting ervoor zorgt dat de jongere ‘zoveel mogelijk in de dagelijkse setting blijft van wonen en onderwijs volgen en dat hij terug kan vallen op het sociale netwerk dat daarbij hoort’. De behoefte tot recidive verdwijnt door het aanbrengen van een zekere  structuur.

Hoewel… vervangend?
De TBO-maatregel legt een verplichting tot het volgen van onderwijs op als reactie op het gepleegde delict. Wordt de onderwijsverlichting niet nageleefd, dan volgt een vrijheidsstraf. De vrijheidsbeneming vervangt de verplichting tot het volgen van onderwijs. Dat zou moeten betekenen dat de vrijheidsstraf een reactie is op het oorspronkelijke delict, een reactie die in de plaats treedt van de onderwijsverplichting die in eerste instantie werd opgelegd. De vervangende vrijheidsstraf is bedoeld als een ogenschijnlijk op te leggen straf die in de eerste plaats moet leiden tot het volgen van passend onderwijs. Het is een extrinsieke motivatie voor de veroordeelde om te voldoen aan zijn onderwijsverplichting. In het strafrecht worden soortgelijke extrinsieke motivaties vaker gebruikt, namelijk in de vorm van voorwaardelijke straffen. Het verschil is echter dat een voorwaardelijke straf ten uitvoer wordt gelegd wanneer de veroordeelde opom (gedeeltelijk) onbestraft verder te leven, maar zodra hij een gelijksoortig delict pleegt, treedt de voorwaardelijke straf alsnog  in werking. In het geval van de TBO-maatregel wordt de straf niet gekoppeld aan eventuele recidive, maar aan een middel dat bedacht is om recidive te voorkomen: de verplichting tot  het volgen van onderwijs. De onderwijsverplichting is het middel om het uiteindelijke doel – het voorkomen van recidive – te bereiken. Door de dreiging van de vervangende vrijheidsbeneming direct te koppelen aan de verplichting tot het volgen van onderwijs, wordt het onderwijs echter een doel op zichzelf. De vrijheidsstraf wordt niet opgelegd wanneer de veroordeelde recidiveert, maar wanneer hij niet naar school gaat. De onderwijsverplichting wordt op deze manier tot regel gemaakt, een regel die in geval van niet-naleving wordt bestraft. De straf vormt hier een reactie op die geïndividualiseerde regel en niet op het oorspronkelijke delict. Het is daarom feitelijk onjuist om te spreken van een vervangende vrijheidsstraf. De vrijheidsbeneming neemt niet de plaats in van de onderwijsverplichting als reactie op het gepleegde delict, maar vormt een zelfstandige sanctie voor het niet naleven van die onderwijsverplichting. Hoe het verdergaat met het wetsvoorstel TBO, zal nog moeten blijken. Het voorstel ligt nu voor advies bij de Raad van State.

Samenvattend
De vraag waarom wij straffen is eeuwenoud. Het blijft om verschillende redenen boeiend om over dit vraagstuk na te denken. Er bestaan verschillende opvattingen over de doelen en rechtvaardigingen van straf. Het retributivisme heeft als uitgangspunt dat straffen moeten vergelden, in het utilitarisme staan nut en effectiviteit voorop. Op het eerste  gezicht lijken de theorieën van deze twee stromingen lijnrecht tegenover elkaar te staan en  niet te verenigen. In de praktijk blijkt echter dat strafrechtsystemen een combinatie vormen van beide stromingen, zo ook het Nederlandse systeem. Een andere reden waarom de vraag naar de doelen en rechtvaardigingen van straffen interessant blijft is dat het strafrecht constant in beweging is; er worden regelmatig nieuwe straffen en  maatregelen bedacht. Het wetsvoorstel voor de TBO-maatregel geeft een bijzondere tweeledige constructie die erop gericht is om recidive bij jeugddelinquenten te voorkomen. De constructie bestaat uit een onderwijsverplichting als reactie op het gepleegde delict met een vervangende vrijheidsstraf als stok achter de deur om die verplichting daadwerkelijk na te leven. Het doel van de onderwijsverplichting is uitdrukkelijk niet om te vergelden en te bestraffen. Het is een voorbeeld van een zuiver utilitaristische visie op straf. De oorzaak voor het gepleegde delict wordt gezocht in het problematische onderwijsverleden van de delinquent. De straf is erop gericht om die problematische  onderwijssituatie te veranderen om recidive tegen te gaan. De straf is een middel om een  in de toekomst gelegen doel te bereiken. Met het gepleegde delict houdt de straf zich eigenlijk niet meer bezig. Het is niet de bedoeling het gedrag van de jeugdige delinquent te veroordelen. Het doel van de vervangende vrijheidsstraf is volgens de Memorie van Toelichting om de veroordeelde een stok achter de deur te bieden voor het naleven van zijn onderwijsverplichting. Het mechanisme van afschrikking wordt gebruikt, niet direct om recidive te voorkomen maar om af te dwingen dat het middel daartoe optimaal benut wordt. Door de manier waarop de vrijheidsstraf is gekoppeld aan de onderwijsverplichting is feitelijk gezien van een vervangende vrijheidsstraf geen sprake. De vrijheidsbeneming vormt immers geen reactie op het oorspronkelijke delict, maar op de opgelegde verplichting tot het volgen van onderwijs. Zou je willen betogen dat de vrijheidsstraf wél een echte vervangende reactie vormt op het oorspronkelijke delict, dan is evengoed sprake van een inconsistent gebruik van het strafrecht. De Memorie van Toelichting geeft uitdrukkelijk  aan dat het doel van de TBO- maatregel niet is gelegen in het bestraffen of vergelden van het gepleegde delict. De vrijheidsstraf als reactie op het delict is in deze context niet te rechtvaardigen. Een strafrechtfilosofische analyse van de TBO-maatregel illustreert hoe  belangrijk het is om te blijven stilstaan bij het waarom van het straffen en bij de aard van  het strafrecht. De handigste constructies kunnen worden bedacht om beoogde doelen te bereiken, maar wanneer die intern in strijd zijn met de grondgedachten van ons strafrechtelijk systeem, ontstaan scheve situaties.

Noten
1 Consultatieversie wetsvoorstel TBO-maatregel d.d. 15 september 2013, p. 8.
2 ‘De Onderwijsraad is een onafhankelijk adviescollege, opgericht in 1919. De raad adviseert de regering en de Kamer, gevraagd en ongevraagd, over hoofdlijnen van beleid en wetgeving op het gebied van het onderwijs’. Bron: Onderwijsraad.nl
3 Advies (concept)wetsvoorsel TBO-maatregel d.d. 19 juni 2014, Onderwijsraad.nl (zoek op: Advies TBO-maatregel).
4 G.P. Hoekendijk & M.M. Kommer, ‘Strafdoelen en tenuitvoerlegging: perspectief op een nieuwe verenigingstheorie?’ in: Sancties: Tijdschrift over straffen en maatregelen 2011, p. 212 e.v.
5 P. Westerman, Recht als raadsel: Een inleiding in de rechtsfilosofie, Zutphen: Uitgeverij Parijs 2013, p. 251.
6 Ibid, p. 263.
7 Consultatieversie wetsvoorstel TBO-maatregel d.d. 15 september 2013, p. 13.
8 Consultatieversie wetsvoorstel TBO-maatregel d.d. 15 september 2013, p. 9.
9 Consultatieversie wetsvoorstel TBO-maatregel d.d. 15 september 2013, p. 10 & 12.
10 A.A. Van Dijk, Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen, Apeldoorn: Maklu 2008, p. 90.
11 Ibid, p. 91.


  • -

Vrijbrief voor diplomaten?

Karen Lely

Vrijbrief voor diplomaten?

De diplomatieke onschendbaarheid

2013 had het jaar moeten zijn waarin de goede betrekkingen tussen Rusland en Nederland zouden worden gevierd. Helaas werd het vriendschapsjaar overschaduwd door enkele incidenten. Deze situatie riep tal van vragen op. Wat houdt diplomatieke onschendbaarheid in? Wat staat omschreven in het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer? Zijn er ook mogelijkheden om tegen misbruik van diplomatieke onschendbaarheid op te treden? En last but not least: is de diplomatieke onschendbaarheid nog wel van deze tijd?

In oktober 2013 arresteerde de Haagse politie een Russische diplomaat, Dmitry Borodin, nadat diens buren bij de politie hadden geklaagd over de wijze waarop hij met zijn kinderen omging. Ondanks het feit dat Borodin als diplomaat onschendbaar is, werd hij meegenomen naar het politiebureau. (1) Wat volgde was een rel in Rusland waar zelfs president Poetin zich mee bemoeide en de eis dat  Nederland excuses zou aanbieden. Aan de hand van de informatie van politie oordeelde minister Timmermans dat met de aanhouding en detentie van Borodin het Verdrag van Wenen was geschonden, waarop hij namens Nederland excuses  aanbood.(2)

Onschendbaarheid?
Diplomatieke onschendbaarheid zorgt ervoor dat diplomaten hun werkzaamheden in een gastland kunnen uitvoeren zonder daarbij belemmerd te worden. De gastlanden dienen deze bescherming aan zowel de diplomaten als diens  gezinsleden te waarborgen. De diplomatieke onschendbaarheid brengt met zich dat diplomaten niet aangehouden mogen worden en dat hun vrijheid mag worden ontnomen. De bepalingen omtrent diplomatieke onschendbaarheid zijn opgenomen in het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer. Hier zal later dieper op worden ingegaan.

Historie
De diplomatieke onschendbaarheid en immuniteit bestaat al talloze eeuwen. In de Oudheid werd namelijk al algemeen aanvaard dat de persoonlijke integriteit van een diplomaat te allen tijde beschermd en geaccepteerd diende te worden. Pas in de twaalfde eeuw werd door vondst van oud Romeins recht de diplomatieke onschendbaarheid in het toentertijd opkomende recht erkend.(3) Vanaf de zestiende eeuw is het gebruikelijk dat diplomaten zich voor langere tijd in een gastland vestigen. (4) Vooral door de Eerste en Tweede Wereldoorlog nam mondiaal de intensiteit van de internationale betrekkingen enorm toe. Hierdoor werd binnen de Verenigde Naties de behoefte gevoeld tot codificatie van de rechtsregels met betrekking tot het diplomatieke verkeer. Na plaatsing van dit  punt op de politieke agenda van de Verenigde Naties in 1949 werd in 1954 een begin gemaakt met het ontwerp van het verdrag. Begin 1961 vond een speciale  bijeenkomst in het kader van het verdrag plaats in Wenen. Dit leidde er uiteindelijk toe dat het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer officieel werd  vastgesteld en ondertekend door de lidstaten. Uiteindelijk trad het verdrag in april 1964 in werking.(5)

Verdrag van Wenen
In het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer zijn bepalingen opgenomen die destijds al het bestaande gewoonterecht vormde ten aanzien van diplomatiek verkeer. Het belang dat staten hechten aan duidelijke rechtsregels op dit gebied is af te leiden uit het aantal landen die het Verdrag steunen. Er zijn weinig andere verdragen waarbij dit het geval is.(6) Anno 2013 hebben 174 staten zich aangesloten bij het Verdrag van Wenen  inzake diplomatiek verkeer.(7) Het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer is tot stand gekomen omdat het bijdraagt aan de ontwikkeling van vriendschappelijke betrekkingen tussen verschillende volken (en daardoor dus de landen). Het geven van voorrecht en immuniteit inzake het diplomatiek verkeer dient niet gezien te worden als het bevoorrechten van personen, maar als verzekering dat diplomaten als vertegenwoordigers
van hun staat doelmatig kunnen functioneren. (8) Een diplomaat houdt zich bezig met onder andere het vertegenwoordigen van zijn eigen land (ook wel zendstaat genoemd) in de staat waarin hij gevestigd is. Daarnaast behartigt een diplomaat de belangen van de  onderdanen van zijn land binnen de staat waar hij gevestigd is. Een diplomaat heeft tevens de bevoegdheid om te onderhandelen met de regering van de staat waar hij werkzaam is. Verder houdt een diplomaat zich bezig met zaken en ontwikkelingen die zich in de gevestigde staat afspelen. De diplomaat brengt hierover namelijk verslag uit bij de regering van zijn eigen land. Tot slot houdt een diplomaat zich bezig met het bevorderen van de vriendschapsbanden en het tot ontwikkelingen brengen van economische, culturele en wetenschappelijk betrekkingen tussen het eigen land en de staat waar hij gevestigd is.(9)
Een diplomatiek ambtenaar (diplomaat) is op grond van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer onschendbaar. Daardoor is elke diplomaat gevrijwaard tegen enige vorm van aanhouding of vrijheidsbeneming. Om de onschendbaarheid te bewerkstelligen dient de ontvangende staat de diplomaat te eerbiedigen door maatregelen te nemen die voorkomen dat zijn of haar persoon, vrijheid of waardigheid in gevaar wordt gebracht.(10) Een diplomaat heeft tevens in beginsel immuniteit ten aanzien het strafrecht, bestuursrecht en burgerlijke recht in het ontvangende land. Het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer kent hier echter wel een aantal uitzonderingen op. Zo heeft een  diplomaat geen immuniteit indien deze als particulier is betrokken in een geding omtrent een uiterste wilsbeschikking.(11)

Vrijstelling
Een ander voorrecht dat een diplomaat kent en de gewone burger niet is de gedeeltelijke vrijstelling van belastingen en rechten.(12) Dit geldt eveneens voor voorschriften ten aanzien van sociale verzekeringen.(13) Daarnaast is persoonlijke bagage van een  diplomaat in beginsel vrijgesteld van onderzoek door de douane, tenzij er een ernstig vermoeden is dat er goederen worden vervoerd die niet in- of uitgevoerd mogen worden of aan quarantaine onderhevig zijn.(14) Ook inwonende gezinsleden van een diplomaat, die niet de nationaliteit van de ontvangende staat bezitten, krijgen voorrechten en immuniteit.(15) De voorrechten en immuniteiten die van toepassing zijn op het diplomaatverkeer, treden in werking op het moment dat de diplomaat de ontvangende staat betreedt om zijn functie te aanvaarden of wanneer hij of zij al in het land aanwezig is op het moment dat de aanstelling van de diplomaat bekend wordt gemaakt.(16) Het mag duidelijk zijn dat wanneer een diplomaat de functie beëindigt de voorrechten en immuniteit op houden te bestaan op het moment van het verlaten van het land. Er wordt een redelijke termijn gehanteerd waarbinnen het land verlaten moet zijn.(17)

Eerbied Nederlandse wet
Ondanks het feit dat diplomaten en de gezinsleden over voorrechten en immuniteit beschikken, houdt dat natuurlijk niet in dat ze een volledige vrijbrief hebben. De wetten en regels uit de ontvangen staat dienen door hen geëerbiedigd te worden. Diplomaten die zich in Nederland hebben gevestigd, dus ook de Russische, dienen de Nederlandse wet- en regelgeving dan ook te eerbiedigen. En ze horen zich al helemaal niet te bemoeien met binnenlandse aangelegenheden van de ontvangende staat.(18)

Nadeel
Doordat diplomaten onschendbaar zijn, ligt de verleiding om hier misbruik van te maken al snel op de loer. Een voorbeeld hiervan is het niet betalen van verkeersboetes. Doordat een staat geen mogelijkheden heeft om de betaling van de boetes wettelijk af te dwingen, lopen de ontvangende landen heel wat inkomsten mis. Zo blijkt dat in Nederland in 2012 meer dan de helft van de boetes die aan diplomaten zijn opgelegd niet zijn betaald. Neem bijvoorbeeld de Gemeente Den Haag. Hier werden in 2012 in totaal 1095 boetes opgelegd aan houders van auto’s met een diplomatiek kenteken. Daarvan werden er slechts 454 betaald, met als gevolg dat de Gemeente Den Haag meer dan € 40.000,- misliep.(19) Naast het opleggen van boetes heeft de overheid, in dit geval de Gemeente Den Haag, nog de mogelijkheid om de ambassades door middel van schriftelijke aanmaningen erop te wijzen dat er nog boetes open staan die betaald moeten worden. Gelet op de diplomatieke onschendbaarheid is het niet mogelijk om betaling af te dwingen. De afgelopen vijf jaar is 60 procent van de openstaande verkeersboetes van diplomaten niet betaald.(20) Dit levert dus een aanzienlijke inkomensderving voor de Nederlandse staat op. Verder leveren de door de diplomaten veroorzaakte wantoestanden steeds meer irritatie op bij de  samenleving. Diplomaten lijken overal ongestraft mee weg te komen, terwijl normale burgers zich aan de heersende wet- en regelgeving dienen te houden.

Mogelijkheden
Uit het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer volgt een aantal mogelijkheden om tegen misbruik van de onschendbaarheid van diplomaten op te treden. Dit betreffen echter enkel zware maatregelen, die over het algemeen niet snel worden toegepast. De ontvangende staat heeft de mogelijkheid om een diplomaat tot persona non grata of onaanvaardbaar te verklaren. Dit kan te allen tijde gebeuren. De ontvangende staat hoeft zijn beslissing niet nader te motiveren. Indien een diplomaat tot persona non grata of onaanvaardbaar is verklaard door de ontvangende staat, dan dient het thuisland de betrokken persoon terug te roepen of zijn werkzaamheden te beëindigen. Het is zelfs mogelijk dat iemand al tot persona non grata of onaanvaardbaar wordt verklaard, voordat hij of zij het grondgebied van de ontvangende staat überhaupt heeft bereikt.(21) Indien de
zendstaat weigert om hieraan mee te werken of binnen een redelijke termijn in gebreke blijft om aan zijn verplichtingen, zoals hier voor genoemd, te voldoen, dan heeft de ontvangende staat de mogelijkheid om de betrokken diplomaat erkenning te weigeren.(22) In dat geval dient de taak van de diplomaat beëindigd te worden.(23)

Van deze tijd?
Na het incident met de Russische diplomaat Dmitry Borodin, volgde in Nederland de discussie of de diplomatieke onschendbaarheid nog wel houdbaar is. Diplomaten die misbruik maken van hun onschendbaarheid kunnen hier momenteel op ongestoorde voet mee doorgaan, nu het niet mogelijk is om ze te bestraffen. SP-Kamerlid Harry van Bommel pleit voor  herziening van het Verdrag van Wenen, gelet op het misbruik van immuniteit. Het is volgens hem niet toelaatbaar dat diplomaten zich aan verschillende wantoestanden schuldig maken, omdat ze immuniteit hebben. Volgens Van Bommel heeft de SP al eerder, voor het incident met de Russische diplomaat, bij de minister van Buitenlandse Zaken aangedrongen om wat aan deze situatie van misbruik te doen omdat diplomaten er op dit moment steeds mee weg komen.(24) Tweede Kamerlid Pieter Omtzigt van het CDA vindt dat er opgetreden dient te worden tegen het feit dat diplomaten onder verkeersboetes uit kunnen komen. Hij pleit ervoor dat het speciale diplomaten kenteken (Corps Diplomatique kenteken, afgekort CD-kenteken) ingeleverd dient te worden door diplomaten die weigeren om hun bekeuringen te betalen.(25) Het probleem van misbruik door diplomaten speelt zich overigens niet enkel af in Nederland, maar in alle staten die zich hebben aangesloten bij het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.  Wil men verandering brengen in de wijze waarop dit moment misbruik mogelijk is, dan zal de kern van het probleem, de huidige tekst in het Verdrag van Wenen, gewijzigd dienen te worden.

Slotsom
Het Verdrag inzake van Wenen inzake diplomatiek verkeer is een belangrijk middel om de positie van diplomaten te waarborgen. Het misbruiken van de diplomatieke onschendbaarheid is een onbedoeld neveneffect. Door het incident waarbij de Russische diplomaat werd opgepakt, is de discussie rondom de diplomatieke onschendbaarheid weer in Nederland opgewaaid. Het politieke klimaat heeft zich na de totstandkoming van het Verdrag in 1961 verder ontwikkeld. Ditzelfde geldt voor de visie van burgers op het Verdrag en de wijze waarop diplomaten eraan gehoor geven. Hierdoor wordt het zo langzamerhand tijd om het Verdrag eens nader onder de loep te nemen en eventueel te herzien.

Noten
1 ’Russische diplomaat in NL opgepakt’, NOS 7 oktober 2013.
2 F. Huiskamp, ’Nederland biedt Rusland excuses aan voor arrestatie diplomaat’,
NRC 9 oktober 2013.
3 R. Lesaffer, ’De opkomst en ontwikkeling van de permanente diplomatie.
Diplomatieke onschendbaarheid en de opkomst van het moderne volkenrecht’
in: P. van Kemseke (red), Diplomatieke cultuur, Leuven: Universitaire Pers
Leuven: 2000, p. 38-47.
4 R. Lesaffer, ’De opkomst en ontwikkeling van de permanente diplomatie.
Diplomatieke onschendbaarheid en de opkomst van het moderne volkenrecht’
in: P. van Kemseke (red), Diplomatieke cultuur, Leuven: Universitaire Pers
Leuven: 2000, p. 38-47.
5 J. Melissen (red), Diplomatie. Radarwerk van de internationale politiek,
Assen: Van Gorcum 1999, p. 76.
6 J. Melissen (red), Diplomatie. Radarwerk van de internationale politiek,
Assen: Van Gorcum 1999, p. 76.
7 J. Wouters e.a., Vijftig jaar Weens Verdrag consulaire betrekkingen: actuele
ontwikkelingen (Working Paper, Institute for International Law, Katholieke
Universiteit Leuven), februari 2013, p. 1.
8 Premabule Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
9 Artikel 3 lid 1 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
10 Artikel 29 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
11 Artikel 31 lid 1 sub c Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
12 Artikel 34 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
13 Artikel 33 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
14 Artikel 36 lid 2 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
15 Artikel 37 lid 1 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
16 Artikel 39 lid 1 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
17 Artikel 39 lid 2 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
18 Artikel 41 lid 1 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
19 ’Geen middel voor innen boete diplomaat’, Telegraaf 13 september 2013.
20 W. Boonstra, ’Geen naming and shaming ambassades’, Binnenlands
Bestuur 2 augustus 2013.
21 Artikel 9 lid 1 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
22 Artikel 9 lid 2 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
23 Artikel 43 sub b Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
24 ’Van Bommel (SP): immuniteit voor diplomaten misbruikt’, Volkskrant 9
oktober 2013.
25 G. Hoevenaars, ’Diplomaten dwingen boetes te betalen’, Spits 27 juli 2013.


  • -

Een dag in het leven van Tweede Kamerlid Erik Ziengs

Karen Lely & Marjelle van ‘t Ende

Een dag in het leven van: Een liberale Drent in het parlement

Op 19 juni jl. togen redacteuren Marjelle en Karen speciaal voor Terecht Gesteld naar politiek Den Haag, om Tweede Kamerlid Erik Ziengs te ontmoeten. Voorafgaand aan de ontmoeting bezochten ze een plenaire vergadering in de Tweede Kamer, waar minister Schippers (Volkgezondheid, Welzijn en Sport) ondervraagd werd over de vrije artsenkeuze bij zorgverzekeringen. Halverwege de vergadering vertrokken ze vanaf de publieke tribune richting de fractievleugel van de VVD, waar het kantoor van Erik Ziengs en diens fractiemedewerker zich bevindt.

Erik Ziengs werd rond zijn 18e lid van de VVD. Toen hij op zijn 23e lid werd van de VVD-afdeling in Assen, was hij al vrij snel lid van de promotiecommissie. Hierna werd hij bestuurslid. Van 1993 tot 1995 was Erik Ziengs actief als gemeenteraadslid van de gemeente Assen. Na zijn functie als gemeenteraadslid werd hij afdelingsvoorzitter van de VVD-afdeling in Assen. Vervolgens was Ziengs zes jaar voorzitter van de Kamercentrale
van de provincie Drenthe. De Kamercentrale vormt een brug tussen de twaalf VVD-afdelingen uit Drenthe en Den Haag. Gedurende deze periode hield Erik Ziengs zich bezig met het samenstellen van de stemlijst voor de Provinciale Staten en adviseerde hij bij andere lijsten, zoals bijvoorbeeld die van de Tweede Kamer en het Europees Parlement. Door zijn werkzaamheden als voorzitter van de Kamercentrale was hij regelmatig in Den Haag te vinden. Dit heeft hem ertoe laten besluiten om een interne opleiding tot fractielid van de Tweede Kamer te volgen. Hiervoor liep hij destijds stage bij
(toen nog) Kamerlid Halbe Zijlstra. In juni 2010 werd hij beëdigd als lid van de Tweede Kamer.

Ondernemerschap
Inmiddels is Ziengs al vier jaar Kamerlid. Hij houdt zich als Kamerlid vooral bezig met het ondernemerschap. Zo is hij onder andere woordvoerder MKB, recreatie en toerisme en
ZZP’ers. Een ander onderwerp waar hij zich op richt is regeldruk.

Hoe ziet uw werkweek als Tweede Kamerlid eruit?
“Op maandag en vrijdag houd ik mij onder andere bezig met werkbezoeken. Op maandag vindt soms een wetgevingsoverleg plaats. Verder zijn op dinsdag, woensdag en donderdag de Kamerdagen. Dit zijn de dagen waarop er wordt vergaderd in de Kamercommissies en in de plenaire zaal, de zaal met de bekende blauwe stoelen.”

Fractievergadering
Elke dinsdag vindt er tot ongeveer 13.00 uur een fractievergadering van de VVD plaats.  Tijdens deze vergadering worden talloze fractienotities stuk voor stuk behandeld. Ziengs: “Als iedereen het eens is over de in te zetten lijn, kan een agendapunt snel afgerond worden. Voorzitter bij de fractievergadering is fractievoorzitter Halbe Zijlstra. Tijdens de vergadering heeft iedereen die wat wil zeggen de mogelijkheid om het woord te voeren,
vragen te stellen en kritische opmerkingen te plaatsen. Als na de discussie het VVD-standpunt is vastgesteld, kan de woordvoerder later die week het debat aangaan.”
“Om 14.00 uur vindt het wekelijkse vragenuurtje plaats. Kamerleden hebben tot 12.00 uur de tijd om vragen in te dienen bij de griffie van de Tweede Kamer. Vervolgens keurt de
Kamervoorzitter ongeveer vier à vijf vragen goed. De Kamerleden ontvangen hierover uiterlijk om 13.00 uur bericht. Na het vragenuurtje is het rond half vier, tijd voor de vaste wekelijkse stemmingen. Er wordt dan gestemd over moties en amendementen die de week ervoor zijn ingediend.”

Debat
“Op woensdag en donderdag vinden vanaf ongeveer 10.00 uur debatten, overleg en ronde
tafelgesprekken plaats. Ik start die dag altijd om 8.00 uur, zodat ik mij in alle rust op mijn
werkzaamheden kan richten.” “Gelet op het vroege tijdstip overnacht ik de tussenliggende
nachten in mijn appartement in Den Haag. De vrijdag kan door het ieder Kamerlid zelf  worden ingedeeld. Hierdoor vertrek ik altijd op donderdagavond weer richting mijn woonplaats Assen.” “Verder komen op vrijdag de stukken van mijn fractiegenoten binnen.  In het weekend neem ik deze stukken altijd door. Als ik vragen over de inhoud heb, neem ik telefonisch contact op met de collega die het stuk geschreven heeft. De stukken worden overigens eerst al door de fractiecommissie bekeken.” “Afgelopen maandag nam ik deel aan een politiek debat in Zoetermeer. Hierbij waren meerdere politici aanwezig. Het doel van het debat was dat er in de Tweede Kamer meer nagedacht wordt over zelfstandigen zonder personeel. Dinsdag had ik een plenair overleg over franchise. Morgen gaat een
notitie van dit overleg mee met de fractiestukken. Een notitie mag maximaal uit drie pagina’s bestaan.” Een keer per veertien dagen vindt er een procedurevergadering plaats.
Soms komt het voor dat er een extra vergadering is. Ziengs: “In de procedurevergadering
nemen commissies van de Tweede Kamer besluiten over brieven van bewindspersonen, procedures en de werkwijze die zij gaan volgen.1 Als een partij graag wil dat een onderwerp op de politieke agenda komt, dan is het belangrijk om ervoor te zorgen dat het stuk bij een vaste commissie komt. Wil het onderwerp daadwerkelijk op de politieke agenda komen, dan is vereist dat andere partijen met het stuk akkoord gaan, zodat er een meerderheid gevormd wordt. Tussendoor kunnen er spoeddebatten plaatsvinden.
Dergelijke debatten kunnen alleen plaatsvinden als ze worden verzocht door minimaal dertig Kamerleden.”

Wat zijn de leuke en minder leuke dingen aan uw werk?
“Ik vind de politiek erg leuk, omdat het dynamisch is. Hierdoor is het nooit saai. Doordat je dicht op de besluitvorming zit, zie je dat dingen die je doet soms direct uitwerking hebben. Som kan ik mij ergeren aan partijen, die ondanks de economische crisis, minder relevante punten naar voren brengen. Op dit moment is er veel te veel wet- en regelgeving, waardoor Nederlanders  vaak onbekend zijn met de inhoud daarvan. Personen kunnen zelf onderling wel dingen regelen, zonder dat daarvoor wet- en regelgeving vereist is.”

Hoe zet u zich in voor het Noorden van Nederland?
“Ik wil graag met mijn functie als Tweede Kamerlid een brug slaan tussen het Noorden van Nederland en de Randstad. Dit doe ik door werkbezoeken af te leggen bij ondernemingen
in het Noorden. Naar mijn mening is het Noorden te bescheiden, terwijl er een goede infrastructuur is en er prachtige bedrijven te vinden zijn. Dit heeft te maken met het verschil in mentaliteit tussen het Noorden en de Randstad. Ik hoop met mijn functie bedrijven binnen te kunnen loodsen bij politiek Den Haag, zodat er makkelijker deuren voor hen open gaan.” “Verder wil ik graag op de hoogte blijven van onder andere de  werkgelegenheid en investeringen. Zo heb ik bij de dreigende sluiting van de kazerne in Assen wegens bezuinigingen een rondetafelgesprek met noordelijke Kamerleden en de burgemeester en een wethouder van Assen geregeld.”

Wie is uw politieke voorbeeld?
“Mijn politieke held is Frits Bolkestein (VVD). Ik vind het knap dat Bolkestein altijd belangrijke zaken op de agenda wist te plaatsen. Voorbeelden hiervan zijn minderheden, het asielbeleid en integratie. Ondanks de politieke gevoeligheid van deze onderwerpen wist
hij dit op een nette manier te doen. Bolkestein had als kracht om goede argumenten naar voren te brengen en gebruik te maken van herhaling. Dit zorgde er uiteindelijk voor dat veel
Nederlanders op hem wilden stemmen.”

Burgers voelen zich vaak onbegrepen door politici. Staat ‘Den Haag’ te ver van de burger af?
“Dit is een discussie die je eindeloos kunt blijven voeren. Zelf denk ik dat als je je verdiept in de politiek, je al snel aansluiting kunt vinden. Mijn vader is 93 en leest de krantenartikelen
die over de politiek gaan. Deze knipt hij regelmatig uit en bewaart hij: dit is een manier om betrokken te zijn.”

Doe normaal man!
“Maar anderzijds begrijp ik ook goed dat de burger regelmatig denkt: ‘help, wat gebeurt daar allemaal in Den Haag?’ Neem bijvoorbeeld het geval dat Wilders in een discussie tegen premier Rutte zei: ‘Doe eens normaal man’, waarop Rutte antwoordde: ‘Doe zelf eens normaal man!’.2 Dat komt uitgebreid in de kranten en iedereen vormt er een mening over. Maar waar het debat nu werkelijk over ging, dat weet niemand meer. Dan bepaalt zo’n incident de beeldvorming en dat is jammer.”

Zichtbaar
“Er wordt ook een hoop onzin gezegd en geschreven, over wat er in de politiek gebeurt. Daarom is het ontzettend belangrijk dat politici laten zien wat ze doen. Het is niet voldoende om je werk alleen inhoudelijk goed te doen. Politici moeten hun verhaal ook overbrengen naar de mensen. Als mensen niets van je horen, vragen ze zich af wat je nu eigenlijk doet, daar in Den Haag. Het persoonlijke contact is daarin essentieel. Als mensen
mailen of bellen met een probleem, dan reageer ik daar altijd op en help ik als dat kan. Op meerdere sites en in tijdschriften schrijf ik columns, ik laat mijn gezicht zien op evenementen en ik neem deel aan debatten. Mijn plaats in het parlement heb ik verworven
door voorkeursstemmen. Die heb ik voornamelijk te danken aan het feit dat ik veel campagne heb gevoerd, met name in het Noorden. Ik heb hier veel tijd in gestoken. Ik ben allerlei activiteiten afgegaan, heb filmpjes gemaakt, ben met mensen in gesprek gegaan en
heb eigen campagneposters laten maken. Het is ontzettend belangrijk dat je zichtbaar bent als politicus.”

U houdt zich bezig met het verminderen van regeldruk. Over regels uit Den Haag en Europa wordt vaak geklaagd. Hoe gaat u daarmee om?
“Regelmatig kom ik met mensen in gesprek die negatief zijn over de Haagse politiek. Het is belangrijk om uit te leggen wat er gebeurt. Vaak wordt er over van alles geklaagd, bijvoorbeeld over de regeldruk. Dan vraag ik ook wel eens: ‘Kunt u mij een regel noemen die zou moeten worden afgeschaft?’ Daar kunnen mensen dan vaak geen antwoord op geven. Laatst sprak ik een aantal fabrikanten die mij wel een wet konden noemen. Hun fabrieken draaiden zeven dagen per week, en op zondag moesten ze het personeel dan dubbel betalen. Dat vonden ze nou een typisch geval van een regel die afgeschaft zou moeten worden. Dan vraag ik: ‘waar komt die regel dan vandaan?’ Want dat is helemaal geen wetgeving. Dit is gewoon een bepaling die in de CAO is neergelegd. Dat betekent dat de werkgevers hier dus zelf voor getekend hebben. Als je dat wilt veranderen, prima, maar dat is iets wat je zelf gecreëerd hebt en zelf kunt veranderen. Ga dan zelf aan de  onderhandelingstafel zitten met de werknemersverenigingen.”

Doorbetaling loon
“Een ander voorbeeld is het doorbetalen van loon bij ziekte. Werkgevers beklagen zich er wel eens over dat ze een zieke werknemer nog twee jaar lang 100% van zijn loon moeten doorbetalen. De wettelijke regeling schrijft in het tweede jaar 70% voor, maar in sommige CAO’s is dit opgehoogd naar 100%.3 Ook iets wat dus niet vanuit de politiek geregeld is.

Vrij verkeer
“Wat Europa betreft wil ik voorop stellen dat wij veel handel en werkgelegenheid te danken hebben aan de Europese samenwerking. Nederland is een handelsland. Vrij verkeer is heel belangrijk en daar moeten we optimaal van profiteren. Maar tegelijkertijd moeten we ook alert zijn op de regels die vanuit Europa komen. We willen een gelijk speelveld creëren
in de Europese Unie, maar meer ook niet. Aan belemmerende regels hebben we geen behoefte. Ook in dit verband ontstaan er misverstanden.”

Hoge hakken
“In 2012 kwam er in het nieuws dat Europa kapsters zou verbieden om hoge hakken te dragen, vanwege de veiligheid. Van alle kanten kreeg ik de vraag wat dat nou weer voor een belachelijke regel was. Ook mijn vrouw, die een kapperszaak runt in Assen, vroeg ernaar. Zelf heb ik contact opgenomen met Toine Manders (toenmalig Europarlementariër voor de VVD) die in eerste instantie ook nergens vanaf wist. Dat kwam omdat dit een afspraak was die door de brancheorganisaties zelf gemaakt was om de veiligheid in kapsalons te bevorderen. In de media was er een totaal verkeerde beeldvorming ontstaan. Mensen waren verontwaardigd omdat ‘Europa’ zich met van alles zou bemoeien.” “Ik  maak me hard voor een lagere regeldruk: dat is één van mijn speerpunten. Ik zeg altijd: gebruik ook je gezonde boerenverstand. Bedenk waar de regels vandaan komen en wat je zelf kunt veranderen zonder direct de politiek aan te kijken. En als ik dit dan uitleg, geeft het ook veel voldoening omdat er dan ook begrepen wordt wat er in de politiek gebeurt.”

Als rechtenstudenten associëren we de Tweede Kamer vooral met het maken van wetgeving. Hoewel Tweede Kamerleden natuurlijk ook veel andere dingen doen, is dit een belangrijk deel van het takenpakket. Is een juridische opleiding (dus) een pre?
Als ik iets zou willen veranderen in de wetgeving kan ik terecht bij Bureau Wetgeving. Een tijd geleden werd duidelijk dat de Aanbestedingswet niet goed werkte. Er werden bij aanbestedingen van grote projecten onredelijke eisen aan bouwbedrijven gesteld, zodat bijna geen enkel bedrijf aan de eisen kon voldoen. Als er een brandweerkazerne gebouwd moest worden, gold de eis dat de aannemer al tenminste drie andere kazernes had gebouwd. Ook als hij al andere grote projecten succesvol had afgerond, kon hij dan niet meedingen naar de opdracht. Veel ondernemers waren hier uiteraard niet blij mee. Terecht, dus deze wet wilde ik samen met enkele andere parlementariërs veranderen.
Voor de juridische ondersteuning om dit amendement te schrijven wordt je dan geholpen van medewerkers van het Bureau Wetgeving. Daar leg je uit waar je heen wilt en wat de bedoeling is. De juristen die daar werken zorgen dan voor een ‘vertaling’ in wetgeving om dat doel te bereiken. Ze zorgen ervoor dat de teksten juridisch juist zijn en controleren of je wensen goed zijn verwoord. Vanwege deze begeleiding is een juridische opleiding dus zeker niet nodig.”

We bedanken Erik Ziengs voor dit interessante inkijkje in zijn leven als politicus.Door de VVD-vleugel waar de andere fractieleden en –medewerkers hun kamers hebben lopen we naar buiten. Dan staan we weer op het Binnenhof, in de stromende regen. We verlaten het politieke centrum van Nederland en stappen in de trein terug naar Groningen, wetend dat ook de belangen van het Noorden in Den Haag behartigd worden.

Noten
1 ‘Procedurevergadering’, Parlement & Politiek, http://www.parlement.com/
id/vh8lnhrpmxv6/procedurevergadering.
2 Algemene Beschouwingen, 22 september 2011.
3 In artikel 7:629 BW is de hoofdregel opgenomen dat de werkgever verplicht
is 70% van het vastgestelde loon te betalen.


  • -

Column Karen Lely: Wetboek van Strafvordering is toe aan een nieuw jasje

Column Karen Lely

Wetboek van Strafvordering is toe aan een nieuw jasje

Ons huidige Wetboek van Strafvordering is volgens minister Opstelten (Veiligheid en
Justitie) nodig aan vernieuwing toe. Gelet op onze moderne, digitale samenleving zal er
een grondige modernisering dienen plaats te vinden. Verder zal het Wetboek toegankelijker
worden.

Aan de hand van in totaal 19 wetsvoorstellen zal het Wetboek van Strafvordering een update krijgen. Hiervan liggen inmiddels al twee wetsvoorstellen voor advies bij de Raad van State. De andere 17 wetsvoorstellen zullen volgens minister Opstelten in 2015 naar de Raad van State verzonden worden. De beginselen en uitgangspunten die wij op dit moment kennen binnen de Nederlandse strafvordering, zullen ondanks de modernisering, blijven bestaan.

In de rechtswetenschap en praktijk wordt al langer voorgesteld om het Wetboek van
Strafvordering te moderniseren. Het Wetboek van Strafvordering dient volgens hen inzichtelijker en beter toepasbaar te worden. Op dit moment wordt het Wetboek van Strafvordering namelijk gezien als een oerwoud, waarin het steeds moeilijker wordt om de juiste regelgeving te vinden. Dit komt andere door de maar liefst 323 wijzigingen die hebben plaatsgevonden sinds 1926.

Ook in Europa wordt niet stilgezeten. Er worden regelmatig Europese richtlijnen opgesteld,
die vervolgens weer in het Wetboek van Strafvordering verwerkt dienen te worden. Uit de
praktijk is gebleken dat het erg lastig is om de richtlijnen te verwerken in het Wetboek van
Strafvordering. Daarnaast wordt er momenteel gewerkt aan grote programma’s, zoals de
minimumrechten voor het slachtoffer en de verdachte. Ook dit zal zijn invloed hebben op
het Nederlandse Wetboek van Strafvordering.

Het uiteindelijk vernieuwde Wetboek van Strafvordering zal ervoor zorgen dat er minder
regels worden opgesomd en dat de regels beter uitvoerbaar worden. Zo zal in het moderne Wetboek van Strafvordering duidelijk omschreven worden wat de taken en bevoegdheden van onder andere de politie en het OM zullen zijn. Dit brengt met zich mee dat zowel de politie als het OM in de toekomst slagvaardiger kunnen optreden. Ook houdt het vernieuwde Wetboek van Strafvordering rekening met ontwikkelingen op nationaal en internationaal gebied.


  • -

De nieuwe Terecht Gesteld is uit!

Category : Nieuws

De nieuwe editie van Terecht Gesteld is uit!

Het blad staat weer boordevol interessante artikelen en interviews. Mis het niet! Je kunt Terecht Gesteld vinden in de bakken in de Turftoren, het Harmoniegebouw en de Universiteitsbibliotheek.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.