Category Archives: Jaargang 41 – Nummer 1

  • 0

De Nederlandse rechtsstaat; een kwestie van vertrouwen

Recent onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (hierna: SCP) heeft uigewezen dat 61 procent van de Nederlandse bevolking van vijftien jaar en ouder vertrouwen heeft in justitie en het nationale rechtssysteem. Hiermee staat Nederland op de vierde plek van alle EU-lidstaten. Wanneer bij verkiezingen iemand 61 procent van de stemmen behaalt, dan heeft diegene de verkiezingen glansrijk gewonnen; wordt bij een tentamen door 61 procent van de studenten een voldoende gehaald, dan wordt geconcludeerd dat het tentamen goed is gemaakt. Dat 61 procent van de bevolking vertrouwen heeft in het rechssysteem is mooi. Het spreekt mijns inziens echter vanzelf dat de rechtsstaat niet op haar lauweren mag gaan rusten, maar moet proberen het percentage te verhogen (immers: het hoogste plekje op het podium is veel mooier dan de vierde plek). Er zijn in Nederland mensen die stellen dat er de afgelopen jaren sprake is van een sterke daling in het vertrouwen in het hele systeem en dat deze daling door invoering van lekenrechtspraak is om te buigen in een stijging. De lekenrechtspraak bestaat hieruit, dat een aantal lekenrechters mee zal ‘raadkameren’ met de echte rechters.
Dit roept een aantal vragen op. Zo is er de vraag, of er daadwerkelijk sprake is van een daling van vertrouwen in de afgelopen jaren, en zo ja, waar daling dan aan ligt. Bovendien kun men zich afvragen of lekenrechtspraak, zoals gesteld, het vertrouwen in de rechtspraak zal verhogen. In dit artikel zal ik proberen op deze vragen af te geven.
Het simpele antwoord op deze vraag luidt: nee. In het SCP-rapport valt volgende het volgende te lezen: “Er valt in het verlengde van ons eerdere rapport (Dekker et al. 2004) goed vol te houden dat de afgelopen jaren geen substantiële daling is opgetreden in het vertrouwen in het rechtssysteem.” En ook: “Opvallend is ook dat er geen aanwijzing is voor een effect van de ophef rond de Schiedammer Parkmoordzaak in 2005.” Overigens had in de herfst van 2005, ten tijde van de Parkmoordhype dus, óók 61 procent van de bevolking vertrouwen in het Nederlandse rechtssysteem. Dit is naar mijn mening op zijn minst opvallend te noemen.
Er is blijkbaar dus helemaal geen daling van vertrouwen in de rechtsstaat en zeker niet na de Parkmoordzaak, hoewel dit door velen (Joost Eerdmans bijvoorbeeld) wel wordt gesteld. Uit het rapport blijkt, middels allerlei statistieken en grafieken, dat er geen sprake is van een trendmatige daling van vertrouwen, maar eerder een fluctuering daarvan, zoals de aandelen koersen ook stijgen en dalen. Gemeten over de periode van 1997 (toen 55 procent) tot 2006 (61 procent) schommelt het vertrouwen zo rond de 60 procent. Inderdaad daalde het vertrouwen in september 2005 – de berichtgeving rond de Parkmoord was toen op haar hoogtepunt en ook de problematiek met ontsnapte TBS’ers was ‘hot news’. Het vertrouwen was echter enige maanden later alweer op vrijwel hetzelfde niveau als vóór de Parkmoord.
Hieruit valt naar mijn mening én die van de SCP onderzoekers op te maken dat schandalen (of, in de woorden van Eerdmans, blunders) het vertrouwen in het justitiële apparaat niet langdurig, doch slechts tijdelijk, schade toebrengen.
Het Sociaal Cultureel Planbureau concludeert naar aanleiding van haar onderzoek, dat vertrouwen in de rechtstaat vooral is gerelateerd aan het vertrouwen in de samenleving op zich, en dan met name het vertrouwen in het politieke apparaat.
Zoals gezegd had 61 procent van het Nederlandse volk in 2006 vertrouwen in het Nederlandse rechtssysteem/justitie. De Verenigde Naties konden rekenen op 59 procent; de Tweede Kamer op 54 procent; de regering kon rekenen op 49 procent vertrouwen, terwijl de politieke partijen het moesten doen met slechts 38 procent van het volk dat op hen vertrouwt.
De rechtsprekende macht doet het dus van de klassieke Trias het beste en hoeft van als het gaat om maatschappelijke instituten slechts de politie (72 procent) en het leger (75 procent) voor zich te dulden.
Er is dus geen sprake van een dalend vertrouwen in het Nederlandse rechtsstelsel. Dat veel politici dit desondanks beweren, lijkt meer op een manier om ‘zieltjes’ te winnen (het is namelijk heel lekker en makkelijk om met het vingertje te wijzen en tegen het gezag te schoppen) en het wantrouwen in hun eigen functioneren te verbloemen.
Zoals ik in mijn inleiding al aangaf, moet het juridische systeem er alles aan doen het vertrouwen in het functioneren te vergroten. De vraag is, of rechtspraak met leken daarvoor het goede middel is.
De invoering van lekenrechtspraak lijkt mij geen goed idee. Minister Hirsch Balin vindt dat de invoering van lekenrechtspraak een breuk zou betekenen met de Nederlandse rechttraditie. Joost Eerdmans schrijft in dagblad Trouw van veertien augustus dat juist dát hem zorgen baart, omdat, volgens Eerdmans, ‘die traditie gekenmerkt wordt door enorme geslotenheid, zelfgenoegzaamheid en wantrouwen ten opzichte van het oordeel van burgers over de rechtspraak.’ Het tegendeel van het wantrouwen is in het bovenstaande al aan de orde gekomen. Of de Nederlandse rechtspraak zelfgenoegzaam is, is meer een kwestie van smaak dan een op feiten waardeerbaar iets. Bovendien is juist de Nederlandse rechtspraak enorm open. Arresten van de Hoge Raad worden gelijk gepubliceerd, alle rechtszaken van Rechtbank en Hof zijn vrijwel direct op internet te vinden en ook zien we vaak genoeg persberichten van Justitie. De invoering van lekenrechtspraak, zal die rechtspraak niet minder open maken.
Een ander argument is dat door de bemoeienis van leken met het vonnis, dat vonnis beter te begrijpen zal zijn door het volk. Ook hier durf ik mijn vraagtekens bij te zetten.
Het vak van rechter blijft, hoe je het ook wendt of keert, ook een vak van nuances. Lekenrechters zullen in hun vonnis niet beter, maar slechter, kunnen motiveren waarom een verdachte vrijgesproken wordt van moord, maar veroordeeld wordt voor doodslag, simpelweg omdat de scheidslijn tussen wel of niet met voorbedachten rade iemand opzettelijk van het leven beroven heel moeilijk is om uit te leggen.
Ik vermoed bovendien dat de professionele rechter, vanwege zijn opleiding, te gemakkelijk in staat is de leken te overtuigen van zijn gelijk, terwijl bij het raadkameren met louter professionele rechters er een evenwichtigere discussie zal zijn.
Vaak wordt ook als argument genoemd het feit dat Nederland het enige Westerse land met louter professionele rechtspraak is, en dat wij daarom mondiaal een buitenbeentje zijn. Om deze reden die louter professionele rechtspraak af te schaffen is onzin. Nederland is ook het enige land met een Euromast, maar die schaffen we daarom ook niet af, zoals advocaat Peter Plasman reageerde op Eerdmans’ voorstel.
Nee, juist omdat Nederland het enige Westerse land zonder vorm van lekenrechtspraak is, moet de professionele rechtspraak worden behouden. Met die louter professionele rechtspraak scoren wij in Europees verband een vierde plek. Dat betekent dat wij vele landen, waar wel lekenrechtspraak is, achter ons laten. Dat roept bij mij de vraag op, of lekenrechtspraak wel zo effectief is. Je zou namelijk zeggen dat Nederland qua waardering juist onder alle landen met lekenrechtspraak zou moeten eindigen. Het feit dat dat niet het geval is, lijkt mij er op duiden dat het prima is om van lekenrechtspraak verstoken te blijven.
Bovendien blijkt uit het CPB-rapport dat de waardering van het rechtssysteem ernstig samenhangt met de waardering van andere instituties in ons land. De afgelopen jaren zijn tamelijk woelig geweest, om het voorzichtig uit te drukken. Er was een terroristische aanslag, naar aanleiding waarvan de stabiliteit in het Midden-Oosten ernstige deuken heeft opgelopen. Nederland heeft te kampen gehad met twee politieke moorden in zeer korte tijd en Paars 1 is het enige kabinet in de laatste jaren dat de termijn heeft uitgediend. Woelige tijden, kortom, die verklaren waarom het rechtssysteem minder gewaardeerd wordt dan voorheen.
Bij deze weerleggingen wil ik het laten, alhoewel er nog tal van argumenten tegen invoering van lekenrechtspraak te noemen zijn (zoals bijvoorbeeld de extra druk op de algemene middelen die het met zich mee zal brengen.)
Alles kan, dus ook het vertrouwen in de rechtspraak kan worden verbeterd. De vraag is dan natuurlijk wel hoe dat moet.
Als eerste lijkt mij dat de ingeslagen weg door de rechterlijke macht moet worden blijven gevolgd. Open dagen van de rechtbank, waar hele rechtszaken (juridische, civiele en bestuursrechtelijke) worden nagespeeld en waar officieren, rechters én advocaten rondlopen om allerlei vragen zo goed en uitgebreid mogelijk te beantwoorden. Ook de open dagen van de politie zijn druk bezocht. Door beide soorten open dagen wordt er een kijkje in de keuken gegund en laat men zien wat er daadwerkelijk gebeurt.
Die open dagen zijn in feite niet veel meer dan een ‘goednieuws-show’, waarbij serieuze zaken op zij worden geschoven voor actie. Daarom ook is het goed dat het Openbaar Ministerie vaker met perscommuniqués naar buiten komt, waarin uitgelegd waarom men bepaalde lijnen volgt. Om dezelfde reden is het goed dat er met meer persrechters en -officieren gewerkt wordt, die in het journaal, in gewone mensentaal, kunnen uitleggen waarom gebeurt wat gebeurd is.
Ook de, sinds de Parkmoord, ingeslagen weg van zelfreflectie moet worden blijven behandeld. Bij het Openbaar Ministerie wordt steeds meer gebruik gemaakt van iemand, die naast de Officier of A-G het onderzoek begeleidt en dus met meer afstand kan kijken naar wat er gebeurt. Niet zelden stelt deze persoon zich als een soort advocaat van de duivel op, om maar te zorgen dat het onderzoek zo scherp mogelijk verloopt.
Echter, ik denk dat met name de media heel erg bij kunnen dragen aan het vergroten van het vertrouwen.
Vele juridisch getinte begrippen zijn geschreven door mensen die géén verstand hebben van de wereld van het recht. Vonnis, uitspraak en arrest worden vaak genoeg gebruikt voor het zelfde ‘ding’. Niet elke journalist snapt dat als iemand terechtstaat op verdenking van een strafbaar feit, diegene een verdachte is – en dus géén dader. Laatst stond, naar aanleiding van de invrijheidstelling van Mink K., in de krant dat laatstgenoemde van het Openbaar Ministerie een schadevergoeding van 50.000 euro zou ontvangen. Zulke berichtgeving schept ten eerste een beeld dat er van alles achter de schermen zou gebeuren, maar wat erger is, is dat er een verwachting wordt gewekt die helemaal niet waar gemaakt kan worden. Een journalist moet objectief berichten, dus vermelden dat het OM, waarschijnlijk, in hoger beroep zal gaan, én, dat als er al sprake zou zijn van een schadevergoeding, dit op initiatief van Mink K. via een civiele procedure zal verlopen.
Vaak wordt bij een artikel in een krant of een weekblad, of bij item in een actualiteitenrubriek op televisie vermeld dat het Openbaar Ministerie niet bereikbaar was voor commentaar. Het spreekt voor zich dat zo het beeld wordt opgeroepen als zou het Openbaar Ministerie (en daarmee, generaliserend, het hele rechtssysteem) een gesloten groep van elkaar beschermende magistraten zou zijn. Dat het Openbaar Ministerie niet bereikbaar is voor commentaar heeft niets te maken met bescherming van de magistraten. Een krant, tijdschrift of televisieprogramma gaat naar de betreffende instantie toe, maar stelt daarbij een deadline om te reageren. Dit in verband met het ter perse gaan, of de voorbereiding van het programma. Naar aanleiding van de Schiedammer Parkmoord is er ténminste in vier gevallen zeer kort voor de uitzending of het ter perse gaan contact gezocht met het Openbaar Ministerie, terwijl de betreffende journalistieke instantie veel meer tijd in het artikel heeft kunnen stoppen. Van een faire ‘hoor en wederhoor’ lijkt mij in dit soort gevallen dus absoluut geen sprake.
Wat ik met dit artikel hoop te hebben bereikt, is aan te geven dat er géén daling is van vertrouwen in de rechtsstaat. Het percentage van nu, 61 procent, is ongeveer het gemiddelde van de laatste jaren.
De roep om invoering van lekenrechtspraak, om het vertrouwen te vergroten, is niet meer dan een roep om aandacht en een lege huls. De rechtspraak wordt er niet meer open door, de vonnissen zullen niet begrijpelijker worden. Nederland is het enige Westerse land met geen enkele vorm van lekenrechtspraak, maar dit is geen reden om dat niet zo te houden. Zonder lekenrechtspraak, staan wij Europees gezien op de vierde plek.
Meer vertrouwen in de rechtspraak zal ontstaan als het systeem open blijft. Open dagen kunnen hieraan bijdragen. Ook onderzoeken naar het eigen functioneren van de instituten zal helpen het vertrouwen te vergroten en de roep om betere begeleiding tijdens het onderzoek in strafzaken heeft geleid tot de nodige maatregelen.
Een grote rol in de mate van vertrouwen, wordt door de journalistiek ingevoerd. Journalisten moeten op een juridisch juiste manier over rechtszaken verslag doen. Ook zal het journalistieke adagium van hoor en wederhoor beter moeten worden toegepast.
Zoals altijd is er hoop, dus ook in dit geval. Nederland heeft in de loop der jaren de Noormannen overleefd, de Spanjaarden hebben we naar huis gestuurd en ook de Fransen zijn hier nog even op bezoek geweest. Ook deze woelige tijd, kortom, zal Nederland en haar rechtssysteem overleven.


  • 0

De tilnorm: een gewichtige grens?

In april van dit jaar kreeg het woord ’tilnorm (of tilgrens)’, dat al enige tijd in onze taal circuleerde, arbeidsrechtelijk handen en voeten. De Hoge Raad heeft namelijk beslist dat werkgevers hun personeel niet meer dan 23 kilo handmatig mogen laten tillen. De maatregel is bedoeld om beroepsziekten tengevolge van fysieke overbelasting tegen te gaan. Met deze uitspraak stelt de Hoge Raad vast dat er wel degelijk een gezondheidskundige, wetenschappelijk verantwoorde tilnorm bestaat.
Het gewicht dat mensen thuis maximaal mogen optillen – kind, echtgenote of koelkast – wordt (voorlopig) niet bij wet geregeld.

De bal kwam bijna tien jaar geleden aan het rollen. Een medewerker in een restaurant werd gevraagd te helpen met het tillen van een zware oven die in het restaurant moest worden geïnstalleerd. Hij tilde de oven van 200 kilo met drie collega’s. Enige tijd later kreeg hij rugklachten (hernia, rugoperaties, volledige arbeidsongeschiktheid) en stelde de werkgever daarvoor aansprakelijk. Die weigerde de schade die de werknemer had geleden te vergoeden. Daarop legde de werknemer de zaak voor aan de kantonrechter. Deze gaf de werknemer gelijk en veroordeelde de werkgever tot vergoeding van de schade. De werkgever ging daarop in hoger beroep en kreeg gelijk van het gerechtshof. Dat vonnis is nu door de Hoge Raad vernietigd.

Het zware-oven arrest
Het hof wijst de vordering van de werknemer af. Het hof overweegt dat er in 1998, ten tijde van het incident, geen (wettelijke) norm gold voor de maximale belasting bij handmatig tillen. Uit artikel 5.2 en 5.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit  (Arbobesluit) vloeit volgens het hof geen verplichting voort om mechanische hulpmiddelen in te zetten om te voorkomen dat een werknemer risico’s loopt bij het handmatig tillen. Het hof was dan ook van oordeel dat de werkgever geen zorgplicht had geschonden nu er geen mechanische hulpmiddelen waren ingezet bij het tillen van de oven. Volgens het hof ging het om een eenmalige, niet tot de gebruikelijke werkzaamheden behorende inspanning. Dat leverde volgens het hof geen relevant gevaar voor letsel op.

“Voor de zorgplicht van de werkgever is niet bepalend wat (elders) gangbaar is, maar wat redelijkerwijs nodig is om in de omstandigheden van het geval gezondheidsschade te voorkomen.”
De Hoge Raad oordeelde op 27 april 2007 echter volledig anders dan het gerechtshof eerder had gedaan. De Hoge Raad oordeelde dat de werkgever ook naar de in 1998 gangbare normen en inzichten in een geval als dit de verplichting had om een werknemer die in het kader van zijn werk een zware last (omstreeks 50 kilo) te tillen krijgt, ter voorkoming van het ontstaan van letsel de beschikking heeft over mechanische hulpmiddelen of persoonlijke beschermingsmiddelen. Voor de zorgplicht van de werkgever is immers niet bepalend wat (elders) gangbaar is, maar wat redelijkerwijs nodig is om in de omstandigheden van het geval gezondheidsschade te voorkomen. Het is volgens de Hoge Raad immers van algemene bekendheid te achten dat het met de hand tillen van een zodanig gewicht door iemand tot wiens normale werkzaamheden dit niet behoort, een serieus te nemen gevaar oplevert voor het ontstaan van rugletsel. ‘Zowel art. 7:658 lid 1 BW  als artikel 5.2 Arbobesluit beschermt daartoe’, aldus de Hoge Raad.

De NIOSH-formule
De beslissing van de Hoge Raad, dat werknemers niet meer dan 23 kilo handmatig mogen tillen, steunt op de NIOSH-methode (National Institute for Occupational Health and Safety). Deze formule is in de VS is ontwikkeld, waarbij in een formule rekening wordt gehouden met tilhoogte, tilfrequentie, afstand van het object tot het lichaam en dergelijke.
Deze methode is volgens de Gezondheidsraad (het meest gezaghebbende orgaan in Nederland als het gaat om advisering inzake arbeidsrisico’s) de meest geschikte formule om tilbelasting te beoordelen en wordt gehanteerd door de Arbeidsinspectie.

“De rekenmethode komt uit op een tilnorm van maximaal 23 kilo.”

De NIOSH-formule is een uit de VS afkomstige en ook in Nederland reeds veelvuldig gebruikte rekenmethode om te kunnen beoordelen of bepaalde tilsituaties risico’s met zich brengen voor de veiligheid en gezondheid van werknemers. Deze rekenmethode kan worden gebruikt om in een gegeven tilsituatie uit te rekenen wat het toelaatbare tilgewicht is.
De rekenmethode komt uit op een tilnorm van maximaal 23 kilo.

Eerder beleid
Reeds in 1996 was er aandacht voor het handmatig tillen. De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft toen het advies van de Commissie Arbeidsomstandigheden van de Sociaal-Economische Raad gevraagd over nader beleid inzake handmatig tillen op het werk. Toen al was de commissie het met het kabinet eens dat er alle aanleiding is om meer aandacht te besteden aan het voorkomen en verminderen van de nadelige gevolgen van handmatig tillen.

Tegenstanders
De commissie was het echter niet unaniem eens over het invoeren van een wettelijke of beleidsmatige tilnorm. De tegenstanders hiervan geloofden niet dat de invoering van een wettelijke tilnorm, ook wanneer daarvan binnen zekere marges kan worden afgeweken, het mogelijk maakt om maatwerk te leveren. Daarvoor zijn volgens hen, de omstandigheden waaronder in ondernemingen wordt getild en de verschillen in objecten die moeten worden getild te groot. ‘Bovendien bevat de Europese richtlijn over het handmatig hanteren van lasten, die de basis vormt voor de Nederlandse wetgeving, geen enkele tilnorm en schrijft deze ook niet voor dat de lidstaten een wettelijke norm zouden moeten invoeren. Met de invoering in ons land van een uniforme tilnorm voor alle ondernemingen en werknemers zou ons land uit de pas lopen ten opzichte van andere lidstaten. Uit een oogpunt van internationale concurrentieverhoudingen is dat niet acceptabel, omdat het gevaar bestaat dat arbeid die gemakkelijk over de grens verplaatst kan worden (zoals het lossen in havens) uit ons land zal verdwijnen’, aldus de tegenstanders van het opnemen van een tilnorm in de wet.

“Met de invoering in ons land van een uniforme tilnorm voor alle ondernemingen en werknemers zou ons land uit de pas lopen ten opzichte van andere lidstaten.”

Voorstanders
Een ander deel van de commissie pleitte juist vóór invoering van een wettelijke normering voor tillen. Deze normering bestaat in de eerste plaats uit een medisch gefundeerde standaardnorm; de basis voor deze norm is de NIOSH-formule. Tevens wordt wettelijk de mogelijkheid vastgelegd om op basis van overleg en overeenstemming tussen werkgevers en werknemers(vertegenwoordigers) binnen een bepaalde bandbreedte af te wijken van de standaardnorm en aldus een overlegnorm tot stand te brengen. Deze overlegnorm maakt maatwerk voor ondernemingen en instellingen mogelijk, omdat hij kan worden gericht op de belastbaarheid van de populatie waarvoor de gezondheidsrisico’s gelden.
Wanneer een individuele werkgever van oordeel is dat het voor hem onmogelijk is de standaardnorm dan wel de overlegnorm na te leven, kan hem vrijstelling worden gegeven of een beroep doen op het redelijkerwijsbeginsel, zoals het Arbobesluit dat thans al kent.

Redelijkerwijsbeginsel
Artikel 5.2 en 5.3  van het Arbobesluit bevatten ‘open normen’, dat wil zeggen dat geen wettelijke grenswaarde is gegeven. In de artikelsgewijze toelichting wordt verwezen naar de Amerikaanse NIOSH-methode, een rekenmethode die kan worden gebruikt om in een gegeven tilsituatie uit te rekenen wat het toelaatbare tilgewicht is. In een advies van de Gezondheidsraad uit 1995 wordt vermeld dat de NIOSH-formule uitgaat van een maximaal tilgewicht van 23 kilo.
Een nadeel van de NIOSH-formule is dat geen rekening wordt gehouden met relevante kenmerken van specifieke groepen of individuen (zoals belastbaarheid en lichaamslengte). De Gezondheidsraad geeft ook aan dat zij een aantal elementen in de tilsituatie die zelf van belang kunnen zijn (zoals het tillen van relatief kleine lasten met een zeer hoge frequentie en het tillen van mensen) mist. Desalniettemin beoordeelt de Gezondheidsraad de NIOSH-
formule als een van de instrumenten die bij de preventie van gezondheidsschade door tillen kunnen worden ingezet.

In het kader van de arboregelgeving heeft de tilnorm van 23 kilo geen wettelijke status. Het is slechts een richtsnoer, een handreiking. Artikel 5.3 introduceert hier het redelijkerwijsbeginsel: voor zover de gevaren redelijkerwijs niet kunnen worden voorkomen, moeten maatregelen worden genomen waardoor de gevaren zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, worden beperkt. Bij de toepassing van het redelijkerwijsbeginsel spelen technische, organisatorische en economische overwegingen een rol. Wat redelijkerwijs wel en niet van de werkgever mag worden gevergd, hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval.

“In het kader van de arboregelgeving heeft de tilnorm van 23 kilo geen wettelijke status. Het is slechts een richtsnoer, een handreiking.”

Gevolgen van het arrest
Als in de toekomst blijkt dat de Hoge Raad van oordeel is dat deze tilnorm geldt voor alle werkgever-werknemer relaties, zal de impact van het arrest groot zijn. Naar schatting tillen zo’n 2,6 miljoen werknemers regelmatig zonder hulpstukken meer dan de NIOSH-norm van 23 kilo. Wetenschappelijk is vastgesteld dat de gezondheidskundige norm voor te zwaar tillen op 23 kilo ligt in een ideale tilsituatie. Aandoeningen van het bewegingsapparaat, waaronder rugklachten door zwaar tillen, zijn verantwoordelijk voor 39 procent van de kosten van arbeidsuitval en werkgerelateerde gezondheidszorg.

“Naar schatting tillen zo’n 2,6 miljoen werknemers regelmatig zonder hulpstukken meer dan de NIOSH-norm van 23 kilo.”

Theorie versus praktijk
Natuurlijk is de praktijk altijd weerbarstiger dan de theorie. Norm of geen norm, een fust bier moet tóch dat luik in. De luiken waarin ze moeten verdwijnen, liggen er lang niet altijd even ergonomisch bij. Een piano moet toch naar beneden. Een militair neemt zijn rugzak toch graag mee op patrouille. Kortom: wat is de zin en onzin van één algemene en van hogerhand opgelegde tilnorm van 23 kilo?
Het tillen vindt plaats onder heel verschillende omstandigheden en condities in de bouw, in de havens, in de kinderopvang, in de zorgsector of de detailhandel. De arbeidsinspectie bekijkt nog of het arrest van de Hoge Raad reden is om de richtlijnen aan te scherpen. “In de meest ideale situatie mag een werknemer nu maximaal 23 kilo zelfstandig tillen. Maar er zijn tal van factoren waardoor dat hoger of lager kan uitvallen,”aldus Sylvia Marmelstein woordvoerster van de Arbeidsinspectie.

Volgens de heer Vermeulen van MKB-Nederland zal de werkgever nog niet direct aansprakelijk kunnen worden gesteld. Volgens hem is het niet zo dat door de uitspraak van de Hoge Raad werknemers niet meer dan 23 kilo mogen tillen. De zaak ging immers om een specifiek geval. In het arrest van de Hoge Raad wordt nergens bepaald dat het advies over een maximaal tilgewicht van 23 kilo moet worden gezien als de (wettelijke) norm waar werkgevers zich ook altijd aan zouden moeten houden.
De FNV blijft voorstander van opname van een tilnorm in de wet. Dat schept volgens hen meer duidelijkheid en het voorkomt ook dat individuele werknemers naar de rechter moeten stappen. Die hebben nu wel het arrest van de Hoge Raad als wettelijk geldende ruggesteun.

Conclusie
Met de uitspraak van de Hoge Raad is er nog geen einde is gekomen aan de discussie over de tilnorm. Er zijn veel verschillende branches waarin gebruik van hulpmiddelen bij het tillen soms onmogelijk is. Of branches waarin het soms makkelijker is om zonder hulpmiddel te werken dan met hulpmiddel. En wat te denken van de concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van andere EU-landen. De investeringen die gedaan moeten worden, zullen er bij veel bedrijven flink inhakken. Aan de andere kant zal het ziekteverzuim teruglopen als men zich zal houden aan de tilnorm van 23 kilo.
Werkgever, werknemer, brancheorganisaties en nu dus ook de Hoge Raad zijn het wel eens dat een gewicht van 23 kilo het maximaal toelaatbare is bij handmatig tillen. Maar sommige zaken vragen om uitzonderingen omdat er anders niet gewerkt kan worden. Hoe de tilnorm van 23 kilo van de Hoge Raad in de praktijk zal worden uitgelegd, zal de toekomst nog moeten uitwijzen. Een goede start naar een gezondere werknemer is in ieder geval gemaakt.


  • 0

Het Weens Koopverdrag

Nederland is van oudsher een handelsnatie. Al sinds de VOC reizen Nederlanders de wereld over om handel te drijven. In de jaren tachtig besloten de Verenigde Naties een nieuw, uniform, Verdrag in het leven te roepen dat een vangnetfunctie vervult voor de internationale handelskoopcontracten. In dit artikel zal ik dit, voor Nederland belangrijke, Weens Koopverdrag (WKV) in grote lijnen schetsen. Daarbij zal in ieder geval aandacht besteed worden aan de vraag op welke type contracten het verdrag van toepassing is. Ook zal ik kort ingaan op de vraag wanneer het risico ingevolge het WKV op de koper over gaat.

De officiële benaming voor het Weens Koopverdrag (WKV) is de United Nations Convention on the International Sale of Goods, afgekort CISG. Het verdrag is in 1980 in Wenen tot stand gekomen en vandaar ook de naam Weens Koopverdrag (Vienna Convention). Voor Nederland is het verdrag in 1992 officieel in werking getreden. Op dit moment zijn er meer dan 60 landen partij bij het verdrag.

Het Verdrag bestaat uit 4 delen:
Deel I (art 1 -13): toepassingsgebied en algemene bepalingen
Deel II (art. 14- 24: totstandkoming van de internationale koop
Deel III (art. 25-88): de verbintenissen uit een tot stand gekomen koop
Deel IV (art. 89-101): volkenrechtelijke regels van, onder meer, toetreding, voorbehouden en verklaringen.

Het WKV is overigens van aanvullend recht, zodat daarvan bij contract of algemene voorwaarden kan worden afgeweken. De afwijzing van de toepasselijkheid van het WKV kan zelfs stilzwijgend geschieden. Daarnaast hebben verdragspartijen enkele voorbehouden gemaakt ten aanzien van de toepasselijkheid van enige bepalingen uit het verdrag.

De rangorde van toepasselijkheid is dus:
1.    de individuele bepalingen van de koopovereenkomst;
2.    overeengekomen algemene voorwaarden;
3.    de bepalingen van het WKV voor die aspecten die niet in (1) en (2) zijn geregeld, en
4.    de bepalingen van nationaal toepasselijk recht voor die onderwerpen die niet door 1,2 en 3 geregeld zijn.

Daarnaast zijn partijen gebonden aan gewoonten en gebruiken in de zin van art. 9 CISG.

Type koopcontracten
Het WKV is van toepassing op de zogenaamde ‘internationale koopcontracten’. Bij dergelijke contracten moeten roerende zaken het onderwerp van de overeenkomst zijn, wil het WKV van toepassing zijn.

Een aantal typen koopcontracten wordt uitdrukkelijk voor toepassing van het WKV uitgesloten. Art. 2 WKV bepaalt: “Dit verdrag is niet van toepassing op de koop van roerende zaken, gekocht voor persoonlijk gebruik of voor gebruik in gezin of huishouding , tenzij de verkoper te eniger tijd vóór of bij het sluiten van de overeenkomst niet wist of niet behoorde te weten dat de zaken voor zodanig gebruik werden gekocht; de koop van effecten, waardepapieren en betaalmiddelen; de koop op een openbare veiling; een executoriale of anderszins gerechtelijke verkoop; de koop van zeeschepen, binnenvaartschepen, luchtkussenvaartuigen of luchtvaartuigen en de koop van elektrische energie”.

Hoewel niet helemaal duidelijk is wat het WKV onder ‘koop’ verstaat, mag men aannemen dat de hoofdkenmerken van een wederkerige rechtshandeling aanwezig moeten zijn: enerzijds het afleveren van de zaak met het oog op zijn overdracht tussen de partijen en het anderzijds ontvangen van die zaak en het betalen van een prijs.

Dit roept de vraag op, welke type contracten nou concreet onder de werkingssfeer van het WKV vallen? In de literatuur worden voorbeelden genoemd als ruilhandel (countertrade); diverse vormen van leasing en exclusieve distributie- en franchiseovereenkomsten. Het hangt van de aard van de overeenkomst af of zij onder het WKV valt.
Bij huurkoop en operational- lease overheerst het koopelement en voldoen deze overeenkomsten aan de hierboven gegeven omschrijving van de wederkerige rechtshandeling.
Huurovereenkomsten en financial-lease overeenkomsten vallen daarentegen weer niet onder de definitieomschrijving omdat ze geen werkelijke overdracht en aflevering van het goed voor ogen hebben. Hetzelfde geldt voor bewaargevingsovereenkomsten. Overeenkomsten waarbij het ‘arbeidselement’ overheerst, vallen, ingevolge art. 3 WKV, evenmin onder de werkingssfeer van de WKV.

De internationale ruilovereenkomst lijkt op het eerste gezicht ook niet van toepassing, omdat het betalen van een prijs een wezenlijk onderdeel vormt van een koopovereenkomst. In de praktijk wordt een ruilovereenkomst echter wel onder het WKV gecatalogiseerd, omdat een concrete tegenprestatie voldoende is om het WKV van toepassing te laten zijn. Dat hoeft niet altijd in geld. Wel voldoet een enkele raamovereenkomst niet, zolang daarboven geen individuele koopovereenkomst ligt die de concrete wederzijdse verplichtingen vastlegt.

Overgang risico
De artikelen 66-70 WKV regelen de overgang van het risico. Indien de individuele overeenkomst of de algemene voorwaarden niet anders regelen, gaat het risico ingevolge art. 66 WKV bij afgifte van de goederen over op de koper. Ingevolge art. 67 lid 1 WKV gaat het risico over op het moment dat de verkoper de zaken afgeeft aan de eerste vervoerder ter verzending aan de koper. Als de goederen daarna nog verloren gaan of beschadigd raken, komt dit voor risico van de koper en moet hij dus gewoon de koopprijs betalen (art. 66,  eerste zin WKV); tenzij het verlies of de schade te wijten is aan een tekortkoming door de verkoper (art. 66 WKV, slot).


  • 0

Combinatie van religie en recht: de sharia

Op 2 november 2004 schoot de Nederlandse moslimextremist Mohammed Bouyeri Theo van Gogh dood. Tijdens de rechtszitting verklaarde hij dat hij niet uit haat gehandeld had, maar omdat zijn geloof hem dat bevolen had: “Ik heb me laten leiden door de wet die mij opdraagt om iedereen die Allah en de profeet beledigt zijn kop eraf te hakken.” (soera 8, aya 12 “Toen uw Heer aan de engelen openbaarde: ‘Ik ben met u; versterkt de gelovigen. Ik boezem ontzag in de harten der ongelovigen. Slaat daarom hun hoofd af en slaat alle toppen van hun vingers af.’”) Bouyeri erkent de Nederlandse rechtspraak niet omdat deze in strijd zou zijn met de islamitische wetgeving, de sharia.

Door: Iris Hermans

In november 2006 doet voormalig minister van Justitie Donner een uitspraak die veel stof doet opwaaien. Hij zegt in een interview met Vrij Nederland geen principiële bezwaren te koesteren tegen de invoering van de sharia: “Als tweederde van alle Nederlanders morgen de sharia zou willen invoeren, dan moet die mogelijkheid toch bestaan?” Donner noemt dit de essentie van een democratie, de meerderheid telt. Een paar dagen en veel kritiek later, sust hij de gemoederen door te verklaren dat het slechts hypothetisch bedoeld was. “Mensen proberen me nu in de mond te leggen dat ik voor invoering van de sharia ben. Dat is niet het geval.”
De CDA-minister benadrukt dat de sharia in strijd is met de Nederlandse grondwet. Als in het theoretische geval een meerderheid van de Nederlanders die wetgeving toch wil invoeren, moet de grondwet worden gewijzigd. Donner zegt dat hij dat altijd zal bestrijden om te voorkomen dat het zover komt.

(Catchphrase: “Als tweederde van alle Nederlanders morgen de sharia zou willen invoeren, dan moet die mogelijkheid toch bestaan?”)

De sharia is het Arabische woord voor de islamitische wet en betekent ‘weg naar de bron’. Het islamitische recht is niet te vergelijken met ons westerse recht. Niet alleen omdat er geen wetboeken bestaan in dit recht, maar ook omdat de sharia in de eerste plaats een religieuze plichtenleer is, wat in ons seculiere stelsel ondenkbaar is. De sharia is nooit gecodificeerd en in plaats van wetboeken wordt de fiqh in acht genomen. De fiqh wordt gezien als de jurisprudentie van de sharia en betekent letterlijk ‘het goede inzicht in iets hebben’. Het complexe aan de sharia is dat er niet één sharia bestaat, net zoals er niet één rechtssysteem bestaat in het overige deel van de wereld. Daarom wordt er gekeken naar de interpretaties van de leerscholen. De soennitische leerschool kent de meeste volgelingen onder de islam en heeft vier rechtsbronnen, te weten de koran, de soennah, qijas en idjma.
De koran is geen wetboek maar wordt door de meeste moslims beschouwd als eerste bron van het recht. Er staan slechts een aantal juridische elementen in. Met uitzondering van een aantal misdrijven, waaronder overspel en diefstal, die later toegelicht worden, zijn in de koran geen strafbare feiten vastgelegd en voor het formuleren van een rechtsstelsel was een tweede bron noodzakelijk.
De soennah levert het grootste deel van de jurisprudentie en bestaat uit voorbeelden en uitspraken van de profeet Mohammed. Mohammed wordt door moslims gezien als de perfecte mens en moslims hechten dan ook grote waarden aan zijn uitspraken en handelingen.
Qijas wordt toegepast op een analogische manier. Wanneer zich een situatie voordoet waarvoor geen regels bestaan in de koran of soennah, wordt naar analogie een regel toegepast van een vergelijkbare situatie die wel in de koran of soennah staat.
Idjma geldt als vierde bron maar slechts wanneer de andere drie bronnen niet in aanmerking komen. Een vraagstuk wordt bekeken door rechtsgeleerden en deze moeten een meerderheidsstandpunt bereiken over wat te doen. Na deze consensus geldt de conclusie voor altijd.
De koran bestaat uit 114 soera’s (hoofdstukken) die uit 6226 ayat (verzen) bestaan.
Enerzijds zijn er soera’s die vooral over de grootheid van Allah gaan, de Mekkaanse soera’s, en anderzijds zijn er soera’s die meer nadruk leggen op de regelgeving en bekering, de Medinaanse soera’s. Een aparte status hebben de direct uit de koran afgeleide verbodsbepalingen, de zogenaamde hadd-misdrijven. Het zijn deze soera’s die door niet-moslims als problematisch worden ervaren. Echter, in andere religies bestaan ook teksten die minstens net zo problematisch genoemd kunnen worden. Hieronder staan een paar soera’s uit de koran én een paar voorbeelden uit andere gebedsschriften, die sterk overeenkomen in hun extremiteit.

Soera 4, aya 34
“De mannen zijn opzichters over de vrouwen. Maar zij van wie gij opstandigheid vreest, vermaant haar en vermijdt haar op de rustplaatsen en slaat haar. Maar indien zij u gehoorzaam worden zoekt dan geen weg om haar te tuchtigen.”

Soera 24, aya 2
“Geselt iedere echtbreekster en echtbreker met honderd slagen. En laat medelijden met hen u van de gehoorzaamheid aan Allah niet afhouden indien gij in Allah en de Laatste Dag gelooft. En laat een groep gelovigen getuige zijn van hun bestraffing.”

Soera 5, aya 38
“En snijdt de dief en de dievegge de hand af, als straf voor wat zij misdeden, een voorbeeldige straf van Allah. Allah is Almachtig, Alwijs.”

Soera 24, aya 2
“Geselt iedere echtbreekster en echtbreker met honderd slagen. En laat medelijden met hen u van de gehoorzaamheid aan Allah niet afhouden indien gij in Allah en de Laatste Dag gelooft. En laat een groep gelovigen getuige zijn van hun bestraffing.”

Deze laatste soera gaat over overspel. Er wordt niet gesproken over steniging, terwijl dit in een paar landen helaas nog de straf is die op overspel staat. Meestal wordt de dood door steniging toegepast overeenkomstig de joodse wet.

Leviticus 20:10 (het derde boek van de Hebreeuwse bijbel)
“Wie overspel pleegt met een getrouwde vrouw, een vrouw die een ander toebehoort, moet ter dood gebracht worden. Beide echtbrekers moeten worden gedood.”

Deuteronomium 22:20-21 (het vijfde boek van de Hebreeuwse bijbel
“Maar als het wél waar is en de maagdelijkheid van het meisje niet kan worden aangetoond, moet zij naar haar ouderlijk huis worden teruggebracht en daar voor de deur door de andere inwoners van de stad worden gestenigd tot de dood erop volgt.”

Deuterononium 22:22
“Als een man wordt betrapt met een getrouwde vrouw moeten beiden ter dood gebracht worden, zowel de man als de vrouw met wie hij geslapen heeft.”

De sharia wordt gezien als een factor die bijdraagt aan de kloof tussen islam en het democratische westen. Zo hebben veel islamitische landen zowel het Universeel Verdrag van de Rechten voor de Mens getekend als de botsende Universele islamitische verklaring van mensenrechten, waarin ze de koran als een hogere norm beschouwen dan het UVRM.
In het arrest Refah versus Turkije had de politieke partij Refah als één van haar doelstellingen het vestigen van een Sharia rechtssysteem en een theocratisch regime. De Turkse staat wilde het partijprogramma van Refah verbieden, omdat haar doelstellingen absoluut niet verenigbaar waren met de doelstellingen van een democratische en seculiere staat. Het Hof van de Rechten voor de Mens oordeelde dat ondanks de rechten die een politieke partij geniet, voorrang gegeven wordt aan de normen van het EVRM en “dat de sharia niet verenigbaar is met de fundamentele principes van een democratie.”
De zaak Leyla Sahin tegen Turkije gaat over een klacht van een studente medicijnen die toegang ontzegd werd bij colleges omdat ze zich niet aan de kledingvoorschriften hield, die het verbod op een hoofddoek inhielden. Het Hof van de Rechten voor de Mens oordeelde unaniem dat een verbod op religieuze uitingen mag bestaan om het seculiere karakter van staatsinstellingen en het principe van scheiding van kerk en staat te bewaken. Niet-islamitische studenten worden zo beschermd tegen de druk van fundamentalistische bewegingen. Het vonnis heeft ook grote gevolgen gehad voor de discussie over het verbieden van de hoofddoek op scholen in andere Europese landen, zoals in Frankrijk, Duitsland en Nederland.

(Catchphrase: “Een verbod op religieuze uitingen mag bestaan om het seculiere karakter van staatsinstellingen en het principe van scheiding van kerk en staat te bewaken.”)

De sharia moet niet slechts als synoniem beschouwd worden van steniging en de praktijk van ‘handafhakking’. De sharia is het religieuze islamitische recht en de meeste landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika kennen een duaal rechtssysteem met religieuze en seculiere rechtbanken. De religieuze rechtbanken behandelen voornamelijk familie- en erfrechtzaken. De hadd-misdrijven vallen in de meeste gevallen onder het seculiere recht, maar in Iran en Saoedi-Arabië geldt wel integraal een vorm van sharia en worden hadd-straffen opgelegd. Turkije en Tunesië zijn bezig hun rechtssysteem te verwestersen en zo kan de kloof stapje voor stapje kleiner worden. Desondanks lijkt de gulden middenweg tussen recht en religie een steeds grotere utopie te worden in deze roerige tijden. Door uitspraken van Geert Wilders over het verbieden van de koran en bedreigingen aan het adres van Ehsan Jami van het comité voor ex-moslims zal het nog lang duren voor er wederzijds respect ontstaat en zal de kloof tussen moslims en niet-moslims moeilijk te dichten zijn.


  • 0

De uitleg van huwelijkse voorwaarden

Voor veel mensen liggen het maken en de inhoud van huwelijkse voorwaarden ver van hun bed en klinken huwelijkse voorwaarden zelfs vaak bijzonder negatief in de oren. Huwelijkse voorwaarden zien ten slotte op afwikkeling van de boedel na echtscheiding of na beëindiging van het huwelijk door het overlijden van een der partners. In dit volgende stuk zal ik ingaan op de uitleg van huwelijkse voorwaarden. Moeten de voorwaarden restrictief worden uitgelegd of zijn deze vatbaar voor wijzigingen door de rechter op grond van wijziging van omstandigheden of omdat de redelijkheid en billijkheid de rechter doet beslissen de huwelijkse voorwaarden anders uit te leggen?

Terminologie en wetgeving
Stelt men geen huwelijkse voorwaarden op, dan treedt van rechtswege het stelsel van gemeenschap van goederen in bij het voltrekken van het huwelijk, tenzij daarvan bij huwelijkse voorwaarden wordt afgeweken, art 1:93 Burgerlijk Wetboek (BW). Dit leidt tot veel problemen als het huwelijk uiteindelijk toch op de klippen loopt.
Onder huwelijkse voorwaarden wordt verstaan de overeenkomst tussen echtgenoten, waarbij de vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk worden geregeld, in afwijking van eventueel reeds eerder gemaakte huwelijkse voorwaarden of in afwijking van de algehele gemeenschap van goederen. Huwelijkse voorwaarden kunnen zowel voor als tijdens het huwelijk gemaakt worden, art 1:114 BW. Ex art 1:99 lid 1 sub d BW wordt de gemeenschap van rechtswege ontbonden door opheffing bij latere huwelijkse voorwaarden.
Onder huwelijkse voorwaarden worden slechts die overeenkomsten gerekend die afwijken van de daarvoor gegeven wettelijke regeling of van eerder gemaakte huwelijkse voorwaarden. Een echtscheidingsconvenant wordt niet aangemerkt als een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden , een echtscheidingsconvenant is een overeenkomst waarbij partijen de gevolgen van hun echtscheiding regelen.
Het maken van huwelijkse voorwaarden is aan vorm gebonden en moet op straffe van nietigheid bij notariële akte worden aangegaan, art 1:115 BW. Het bepalen van de inhoud van huwelijkse voorwaarden is in beginsel vormvrij, mits niet strijdig met:
– dwingende bepalingen van wet, goede zeden, openbare orde, art 1:121 lid 1 BW;
– overige door de wet gestelde beperkingen, met name de leden 2 en 3 van 1:121 BW.
Huwelijkse voorwaarden kunnen, voor wat betreft hun externe werking, niet onder voorwaarde of tijdsbepaling worden gemaakt, met uitzondering van hetgeen is bepaald in art.1:120 lid 1 BW.
Worden huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk gemaakt of gewijzigd, dan stelt de wet de eis van goedkeuring door de rechtbank. De echtgenoten moeten dan een verzoekschrift indienen vergezeld van een ontwerp van de notariële akte, art. 1:119 lid 1 BW. Het verzoekschrift kan zonder tussenkomst van de procureur worden ingediend. Sanctie op het niet vragen van rechterlijke goedkeuring is absolute nietigheid.

Jurisprudentie
Bij de uitleg van huwelijkse voorwaarden is het Haviltex criterium van toepassing. Hierbij komt het aan op de zin die de partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de huwelijkse voorwaarden mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Dit werd bepaald in de uitspraak van de Hoge Raad in het Haviltex arrest . Hieruit vloeit voort dat het voor de uitleg van de huwelijkse voorwaarden niet genoeg is om alleen naar de taalkundige betekenis van de tekst te kijken, maar dat ook de omstandigheden van het geval en de verwachtingen van de partijen daarbij een rol spelen.

De Hoge Raad deed in het arrest Kriek/Smit  een belangrijke uitspraak over de manier waarop met de uitleg van huwelijkse voorwaarden moet worden omgegaan. In dit arrest ging het om de vraag hoe men de huwelijkse voorwaarden uit moet leggen in het geval van vermogensverschuivingen tussen echtgenoten tijdens het huwelijk. Het is bij vermogensverschuivingen binnen het huwelijk vaak de vraag van wat voor soort rechtshandeling er sprake is. Gaat het om een schenking, om een verplichting uit moraal/fatsoen of bijvoorbeeld om een verplichting voortkomende uit de opgemaakte huwelijkse voorwaarden?   Over het algemeen mag worden aangenomen dat een vermogensverschuiving tussen echtgenoten leidt tot een vorderingsrecht. De vraag is echter hoe dit vorderingsrecht moet worden beoordeeld. Vooral indien het gaat om goederen die niet bestemd zijn om te verbruiken, kan er een probleem ontstaan. In het hierboven reeds genoemde arrest Kriek/Smit nuanceerde de Hoge Raad dit vorderingsrecht enigszins. De Hoge Raad bepaalde hier dat over de waardestijgingen van (in dit geval) het onroerend goed (waar ook geld van de vrouw in zat) bij echtscheiding, een correctievergoeding door de man moest worden betaald, bovenop de nominale waarde van de vordering.
In een nieuw wetsvoorstel inzake deze materie (nr. 28867) staat dat indien er geen afspraken gemaakt zijn over de vergoeding, deze evenredig is aan de opbrengst. De partner die vermogen verschaft participeert dus in economisch opzicht. Dit geldt alleen indien er geen afspraken zijn gemaakt; het gaat om regelend recht. Het is dus mogelijk om van deze wettelijke regeling af te wijken. We zien hier dat het wetsvoorstel de lijn van de Hoge Raad volgt, en zelfs nog iets verder gaat.

Literatuur
In de literatuur is veel gezegd en geschreven over de uitleg van huwelijkse voorwaarden. Hieronder volgt een korte samenvatting van enkele bespiegelingen hierover.
Van Mourik zegt over de uitleg van huwelijkse voorwaarden: “Vóór de echtscheiding (of het overlijden van één der echtgenoten) kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid leiden tot het ontstaan van vorderingen van de ene gewezen echtgenoot op de andere, indien de door overeenkomst van huwelijkse voorwaarden in het leven geroepen rechtsverhouding heeft geleid tot gevolgen, die naar dezelfde maatstaven van redelijkheid en billijkheid geacht moeten worden, door die ene echtgenoot niet te zijn gewild.”
Halverwege de 20e eeuw trouwden mensen vaak in koude uitsluiting, oftewel uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen. Er werd weinig gebruik gemaakt van verrekenbedingen. De vermogensrechtelijke positie van de vrouw stond maatschappelijk gezien erg zwak. De vrouw was handelingsonbekwaam en haar invloed op het maken van huwelijkse voorwaarden was ook erg beperkt. Echtscheiding kwam nog nauwelijks voor. Later werden echtscheidingen een steeds meer voorkomend verschijnsel. Wanneer het uiteindelijk toch tot echtscheiding kwam, was de vermogensrechtelijke positie van de vrouw zo zwak vanwege hun koude uitsluiting, dat het enige inkomen waar ze nog recht op had alimentatie was. Het gedurende het huwelijk opgebouwde vermogen kwam eigenlijk geheel ten goede aan de man .
Van belang is verder dat het stelsel van koude uitsluiting het perspectief opende om goederen op naam van de vrouw te zetten. Hiermee hoopte men te bereiken dat na bijvoorbeeld een faillissement van de man, de betrokken goederen buiten het bereik van diens schuldeisers bleef. Later is hier in de zaak modehuis Nolly  juridisch orde op zaken gesteld.
Redelijkheid en billijkheid vormen tegenwoordig een aanvullende bron voor verbintenissen. Een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien, art 6:248 BW. De redelijkheid en billijkheid kunnen invloed hebben op de uitleg van de huwelijkse voorwaarden maar ook op de rechtsverhouding tussen partners en hun huwelijksrechtelijk gekozen regime .

Redelijkheid & Billijkheid
Het aangaan van huwelijkse voorwaarden staande huwelijk werd mogelijk op 1 januari 1957 (lex van Oven). Dit viel samen met de opheffing van de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw. Hierdoor kon het regime dat van toepassing was op een boedel worden aangepast aan eventueel gewijzigde omstandigheden binnen een huwelijk.

Van Mourik schreef een artikel over de waarde van redelijkheid en billijkheid met betrekking tot huwelijkse voorwaarden. Voor het nieuwe – en mogelijk reeds voor het huidige – recht rijst de vraag of een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden vatbaar is voor wijziging door de rechter (al dan niet met terugwerkende kracht), op grond van wijziging van omstandheden welke van dien aard is dat één van de partijen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.
Er kan onderscheid worden gemaakt of de redelijkheid en billijkheid zich gedurende of na het huwelijk doen gelden. Bij echtscheiding is er sprake van een zeer gewichtige situatie zodat de redelijkheid en billijkheid zich sterk zullen doen gelden.
Pleysier is één van de personen die reageerde op het artikel van Van Mourik. Hij is het oneens met de stelling van Van Mourik.
Hij is het niet eens met van Mourik dat bij een zogenaamde koude uitsluiting de redelijkheid en de billijkheid de rechtsverhouding tussen (gewezen) echtelieden bepaalt.  Volgens hem is dit niet nodig, omdat hiervoor juist de alimentatieregeling van kracht is.
Pleysier is niet van mening dat de redelijkheid en billijkheid zijn weerslag moet vinden in de uitleg van de huwelijkse voorwaarden. Hij zegt dat mensen goed moeten weten wat ze tekenen, en dat ze hier ook aan gebonden zijn, ook na het huwelijk. Hij erkent wel dat de (voorlichtende) rol van de notaris hier erg belangrijk is. Volgens Pleysier geldt: ‘Augen auf, Kauf ist Kauf’, en dient deze stelling analoog te worden toegepast.
Pleysier erkent dat er soms gevallen zijn dat men de behoefte krijgt de scheidende huishoudelijke echtgenoot bij een koude uitsluiting te hulp te komen. Dit zou dan niet moeten gebeuren door (gedeeltelijke) ontbinding van de huwelijkse voorwaarden omdat dit technisch niet gewenst is. De uitleg van de akte en de bewijslastverdeling zijn wel instrumenten die gebruikt kunnen worden door de rechter.
Bij huwelijkse voorwaarden moet zoveel mogelijk geïnterpreteerd worden naar datgene wat in de huwelijkse voorwaarden staat, dit is namelijk het systeem waarvoor beide echtelieden hebben gekozen. Er is destijds niet voor niets voor gekozen om de wettelijke standaardbepalingen buiten toepassing te laten.
De taak voor de rechter wordt onmogelijk als hij moet beoordelen wat redelijk en billijk is voor beide echtgenoten. Het is moeilijk inschatbaar wat de ander voor vermogen gehad zou hebben als deze niet in het huwelijk was getreden onder deze voorwaarden. Van Mourik reageert hierop door te stellen dat mededogen met de rechter geen reden kan zijn de rechtvaardigheid op te heffen.

Conclusie
Kortom, de meningen zijn nogal verdeeld. Aan de ene kant zijn er mensen die vinden dat huwelijkse voorwaarden restrictief moeten worden uitgelegd. De huwelijkse voorwaarden zijn ten slotte met het oog op een bepaald rechtsgevolg opgesteld en dienen ook naar dit rechtsgevolg te worden uitgelegd. Aan de andere kant bestaat er een groep die van mening is dat huwelijkse voorwaarden ruimer moeten worden uitgelegd aan de hand van redelijkheid en billijkheid, omdat de omstandigheden tijdens een huwelijk ook kunnen veranderen of omdat er misschien sprake is van een onbillijke andere situatie. Het kan dan zijn dat er bepaalde onderdelen van de huwelijkse voorwaarden buiten toepassing gelaten zullen worden. De invoering van het nieuwe wetsvoorstel nr 28867 en de uitleg van de rechter in de jurisprudentie zullen uitwijzen welke weg bewandeld gaat worden. Wel lijkt er in het bijzonder een belangrijke taak aan de notaris te zijn weggelegd. Bij de notaris ligt de taak om de partijen die in het huwelijksbootje zullen stappen een goed systeem met elkaar te laten afspreken. Ze moeten zich terdege bewust zijn van de inhoud van hun huwelijkse voorwaarden. Naar mijn mening zouden meer mensen huwelijkse voorwaarden op moeten stellen bij het aangaan van een huwelijk. Vaak wordt er te luchtig over gedacht en worden er totaal geen afspraken gemaakt. Ook bij huwelijken in gemeenschap van goederen zal voor de rechter misschien een belangrijke taak zijn weggelegd om de boedel te verdelen. Voorlopig lijkt deze discussie nog wel voort te duren.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.