Category Archives: Jaargang 41 – Nummer 2

  • 0

Verlenging van de omstreden Uruzgan missie… wie beslist dat eigenlijk?

“Oké, het zit zo, zei de jonge Nederlandse legerkapitein die ik korte tijd later off the record mocht ondervragen. ‘We komen op patrouille in een klein dorpje. We zien een boel volk op de been en denken: goede zaak, men voelt zich kennelijk veilig genoeg om buiten te zijn. We komen dichterbij en zien wat er gaande is: ze zijn een vrouw aan het stenigen. Wij zien die vrouw, die vrouw ziet ons. We doen navraag en ze blijkt te worden beschuldigd van overspel. De mensen in dat gehucht zijn onze bondgenoten, die vrouw heeft een proces gehad dat daar geldt als eerlijk, en als wij onze culturele normen daar opleggen, kunnen we het helemaal wel vergeten. Dus we groeten iedereen beleefd en vervolgen onze patrouille.’”
Joris Luyendijk, journalist

In augustus 2008 loopt de huidige missie voor uitgezonden Nederlandse militairen in NAVO-verband af. De totstandkoming van het besluit om Nederlandse militairen uit te zenden is zeer omstreden geweest. Het heeft er in februari 2006 zelfs toe geleid dat de toenmalige D66 fractievoorzitter Boris Dittrich, mede door eigen toedoen in de totstandkoming van het besluit, heeft besloten af te treden. Bij het ter perse gaan van dit nummer staat het besluit voor verlenging van de missie nog voor de deur. Het besluit is al diverse malen uitgesteld. Naar verwachting zal de missie worden verlengd, maar is dit wel logisch? Gezien de toezeggingen die zijn gedaan door de regering bij het besluit tot deelname in 2006 en gezien het toetsingskader van artikel 100 van de Grondwet. Ik vroeg Kamerfracties waarop zij het besluit om eventueel te verlengen op baseren. Er bestaat veel verdeeldheid onder de fracties die hierop hebben gereageerd.

Inleidende recente geschiedenis
Na de aanslagen van 11 september hebben de Verenigde Staten de regering van Afghanistan gevraagd om uitlevering van Osama Bin Laden. De Taliban was in 2001 heerser over Afghanistan. Osama Bin Laden wordt gezien als leider van al Qaida (dat letterlijk de basis of het fundament betekent). In de westerse wereld wordt al Qaida een islamitische terroristische organisatie genoemd die de vernietiging van de westerse wereld tot doel heeft. Een andere opvatting is dat al Qaida voornamelijk strijdt tegen aanwezigheid van westerse militairen in islamitische landen .
De Afghaanse regering wilde Osama Bin Laden uitleveren onder de voorwaarden dat de rechtszaak openbaar zou zijn en in een neutraal land zou worden gehouden. In de westerse wereld klinkt een dergelijke eis vanzelfsprekend, voor de Taliban waren deze eisen echter toch ietwat typisch. Een regime dat doodvonnissen voltrekt onder verplichte aanwezigheid van haar bevolking in grote stadions, handelt op zijn minst merkwaardig met een dergelijke eis. De dag na de aanslagen op onder andere de WTC en het Pentagon, werd al gewezen in de richting van Afghanistan. Niet op zijn minst omdat Osama Bin Laden zich daar zou bevinden. De Afghaanse minister van buitenlandse zaken veroordeelde -op 11 september 2001 in een reactie op de aanslagen eerder die dag- elke vorm van terrorisme. Op de dag na de aanslagen in Amerika liet een Afghaanse ambassadeur in Pakistan weten Bin Laden te willen uitleveren als Amerika met overtuigend bewijs komt dat hij achter de aanslagen zat . Over dit bewijs bestaat tot op de dag van vandaag discussie. Amerika verklaart Afghanistan de oorlog en al in november 2001 wordt de Taliban uit de hoofdstad Kabul verjaagd. Niet dat hiermee de Taliban is verslagen, de strijders van de Taliban trokken zich terug in de bergen en gedragen zich als een onverslaanbare guerrillabeweging. Osama Bin Laden lijkt ook nog steeds niet gepakt.
In 2002 zond Nederland 250 militairen die onder leiding van en samen met Duitse militairen de NAVO operatie ISAF (International Security Assistance Force) uitvoerden vanuit het Noorden naar het Westen, het Zuiden en uiteindelijk het Oosten van Afghanistan .
Is ingrijpen door het westen gewenst?
Als westerlingen willen wij democratie komen brengen. Wil de bevolking die democratie wel? Schrijver van onder andere het huis van de Moskee, Kader Abdolah, heeft tijdens de van der Leeuw-lezing in Groningen een vurig pleidooi gehouden waarom democratie in landen waar de Islam domineert, niet werkt. Kort samengevat komt het er volgens Abdolah op neer dat de basis van het verschil van denken ligt in de verschillende ‘heilige boeken’. “De Bijbel is niet heilig, de Koran wel”, aldus Abdolah, deze stelling onderbouwt hij als volgt: “De Bijbel is geschreven door diverse mensen, en heeft allerlei onderwerpen, maar het geheel is een roman”. De Koran is volgens Abdolah het woord dat rechtstreeks van Allah komt. Gezien Allah het licht is, kan hij moeilijk een pen ter hand nemen en de teksten zelf opschrijven, voor dit praktische probleem zegt Abdolah dat de schrijvers van de teksten van de Koran deze verhalen van Allah hebben gehoord terwijl hij achter een gordijn zat. De schrijvers hebben dit rechtstreeks zo opgeschreven. Of je het er mee eens bent of niet is niet zozeer relevant, het gaat er om dat het verschil tussen democratie en dictatuur hierdoor enigszins te verklaren is.
Volgens Abdolah heeft de westerse beschaving altijd al meerdere versies van een verhaal gekend, en zijn daardoor meer pluriform. In het Midden-Oosten waar de Koran domineert kent men maar één smaak; de mening van Allah, en wel opgeschreven in het heilige boek. Met dit verschil onderbouwt Abdolah zijn standpunt, dat een parlementaire democratie in zijn land niet werkt. Dat een parlementaire democratie alleen werkt in westerse landen, of landen waar de Bijbel grote invloed heeft. Over de drang om parlementaire democratie in verschillende landen in het Midden-Oosten in te voeren:

“In dit soort landen is een ander soort democratie nodig, een systeem dat uit de grond van de landen voortkomt, uit het hart van de Koran. De westerse parlementaire democratie is te doorzichtig, te dun, te licht en te naïef voor de ingewikkelde mens uit de historische landen. De mens in die landen heeft door de eeuwen heen duizenden oorlogen, vernietigingen, geloofsveranderingen, verbrandingen en onderdrukkingen meegemaakt. De mens is daar gecompliceerd van geworden, heeft een doolhof gemaakt in zijn hersenen om zichzelf te beschermen. Deze landen zijn allemaal corrupt, failliet en erg moeilijk bestuurbaar. En de mensen moeten leren zichzelf te redden in die onstabiele omstandigheden.”

Volgens Abdolah is het dus een illusie om te denken dat landen als Iran en Afghanistan gebaat zijn bij een parlementaire democratie. Hij bevestigd hiermee het

Politieke geschiedenis in Nederland omtrent de besluitvorming.
In februari 2006 is door de tweede kamer het besluit goedgekeurd om 1200 tot 1400 militairen uit te zenden naar Uruzgan. Aan de missie werden verschillende voorwaarden gesteld, zoals: (1) de missie duurt niet langer dan twee jaar, (2) Er is een strikte scheiding tussen deze ISAF-missie van de NAVO en de Amerikaanse operatie Enduring Freedom, (3) Gevangenen worden volgens het humanitaire recht behandeld en worden niet mishandeld of opgesloten in geheime gevangenissen, en (4) de missie moet zich wijden aan wederopbouw.

Uruzgan is een onrustige provincie van Afghanistan waar de Taliban een grote invloed heeft en haar macht ook toont. Bij het besluit tot uitzenden in februari 2006 heeft vooral D66 een opvallende rol gespeeld, de partij gaf eerder aan niet voor de militaire missie te stemmen. De gegevens waarop de Kamerleden hun stem voor of tegen moesten baseren, waren volgens de partij onvoldoende. De documenten die inzichten gaven in de veiligheid en de zin van de missie waren militair geheim. Toenmalig minster van Defensie Henk Kamp gaf na lang gesteggel alle fractievoorzitters in de tweede kamer inzage in deze militair geheime stukken. Hoe besluitvorming van uitzending van militairen voor vredesmissies moet plaatsvinden, staat sinds 2000 in de Grondwet. D66 gaf aan dat deze manier van besluitvormen in strijd is met art. 100 van de Grondwet.

Artikel 100
1.    De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.
2.    Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

In 1995 is door de toenmalige ministers Van Mierlo en Voorhoeve een toetsingskader opgesteld voor besluitvorming over uitzending van Nederlandse militairen. Het toetsingskader bestaat uit 14 punten, waarvan de eerste vijf betrekking hebben op de politieke wenselijkheid en de overige op de militaire haalbaarheid:

1    Uitzending geschiedt op grond van Nederlandse belangen, waaronder de bescherming van internationale vrede en veiligheid en/of bevordering van de internationale rechtsorde.
2    Uitzending dient in overeenstemming te zijn met het volkenrechten gebeurt bij voorkeur op grond van een duidelijk mandaat van de Verenigde Naties.
3    Factoren als solidariteit, geloofwaardigheid en spreiding van verantwoordelijkheden spelen een rol.
4    Een multinationale benadering verdient de voorkeur.
5    Uitzending is geen automatisme. De Nederlandse regering beslist per geval. Een besluit wordt, behoudens uitzonderingen, pas uitgevoerd nadat het parlement erover is ingelicht. Er moet voor uitzending voldoende draagvlak in de samenleving zijn.

6    Er moet sprake zijn van een concrete militaire opdracht.
7    De regering moet beoordelen of de gestelde politieke en militaire doelstellingen van de missie redelijkerwijs haalbaar zijn.
8    Voorkomen moet worden dat de last van internationale operaties gedragen wordt door een kleine groep landen. Afspraken over aflossing en financiering zijn wenselijk.
9    Er moeten eenheden beschikbaar zijn.
10    Er moet een duidelijke commandostructuur zijn.
11    De risico’s voor het uit te zenden personeel dienen zo goed mogelijk te worden beoordeeld.
12    Er moeten goede internationale afspraken over de missie zijn en de taken moeten uitvoerbaar zijn.
13    De financiering moet gewaarborgd zijn.
14    Uitzending moet aan een termijn worden gebonden. Na afloop wordt de deelname beëindigd. Bij voortzetting is een nieuw besluit nodig.

Op dit toetsingskader is een uitbreiding gemaakt door de commissie Besluitvorming Uitzendingen die door de Tweede Kamer zijn overgenomen:

15    De regering moet de motieven voor deelname aan vredesoperaties zo volledig mogelijk opsommen. Dat geldt ook bij voortzetting en afronding.
16    Alle aspecten van de missie moeten in één document worden vermeld.
17    Bij de haalbaarheid moet zowel de operatie als geheel als de militaire haalbaarheid worden beoordeeld.
18    Niet de vraag welke eenheden aan de beurt zijn voor inzet, maar welke eenheden het beste in staat zijn de opdracht uit te voeren, moet centraal staan.
19    Er moet een goede exitstrategie zijn.

Kamerfracties over het besluit tot verlenging van de missie
Besluitvorming omtrent verlenging van een militaire missie is (dus) een complexe handeling. Naast alle formaliteiten als het toetsingskader en andere wettelijke bepalingen speelt bovendien nog iets anders mee dat de besluitvorming niet makkelijker maakt. Militairen die uitgezonden worden en daarmee een groot risico nemen, én lopen, hebben het dubbel zo zwaar wanneer zij dit doen zonder dat zij zich gesteund voelen door een brede steun van de volksvertegenwoordiging. Wanneer deze brede steun ontbreekt, kunnen zeer pijnlijke situaties ontstaan zoals in de recente geschiedenis zijn gebeurd met onder andere de ´Dutchbatters’. Dit levert dus een groot spanningsveld bij het stellen van een standpunt. Eind oktober was het draagvlak onder de bevolking volgens opiniepeiler Maurice de Hond ook nog eens vrij laag. De Hond mat eind oktober slechts 40% van de bevolking die voor verlenging van de missie waren.  5 november jl. stuurde ik alle fracties en hun voorzitters een mail met daarin centraal de volgende vraag: “Op basis van welke informatie komt u tot het besluit voor verlenging van de militaire missie in Uruzgan?”.

Hoewel niet alle fracties hebben gereageerd of hebben kunnen reageren stuurden veel partijen een reactie. De meningen zijn zeer verdeeld. In volgorde van beantwoording van mijn vraag per partij:
–    SP: tegen verlenging: “De missie is gevaarlijk en is geen opbouwmissie. We hebben gepleit voor troepenterugtrekking uit Uruzgan”, aldus de persoonlijk medewerker van fractievoorzitter Marijnissen. De SP zelf geeft niet aan waarop de partij dit standpunt baseert, maar verwijst naar een uitgave van comité ‘Troepen terug uit Afghanistan’, waarin diverse Kamerleden, adviseurs en hulporganisaties feiten en stellingen opsommen waarom er geen verlenging van de (Nederlandse) missie in Uruzgan zou moeten komen. SP is ook aangesloten bij dit comité.
–    SGP: voor verlenging. De onderbouwing van dit standpunt is een nieuw verschenen boek van Reformatorisch Dagbladjournalist Riekelt Pasterkamp “met een warme belangstelling voor het strakke en gedisciplineerde Defensieapparaat” , welke aansluit bij het standpunt van de partij: noodzakelijke opbouw van het land én de strijd tegen het internationaal terrorisme moeten doorgaan. Informatie ontvangen zij van diverse defensiespecialisten en het ministerie.
–    ChristenUnie: nog geen standpunt (7 november 2007): “Ik wil best een keer antwoord geven op de door jou gestelde vragen, maar zou dat graag doen nadat er een besluit is gevallen. Nu zitten we nog midden in dat proces”, aldus fractievoorzitter Slob. Informatie is tot op heden afkomstig van een interne notitie van de woordvoerder Defensie van CU en van ‘externen’ die naar de fractie zijn gehaald. Verder is het wachten op de standpuntbepaling van het kabinet om tot een beoordeling te komen.
–    D66: nog geen standpunt (8 november 2007): “Niet alleen het uiteindelijke antwoord op de hamvraag is van belang, maar ook de manier waarop je tot dit antwoord komt speelt een rol”, aldus de persoonlijk medewerkster van fractievoorzitter Pechtold. D66 baseert haar standpuntbepaling op informatie van de regering, daarbuiten ook van onafhankelijke bronnen (NGO’s, hoogleraren, militaire deskundigen etc.), werkbezoeken en hoorzittingen.
–    Partij voor de dieren: tegen verlenging van de missie: “President Karzai ziet de Taliban als “een verslagen strijdgroep” en onderhandelt met de Taliban om ze op te nemen in zijn regering en ondertussen zetten Nederlandse mannen en vrouwen hun leven op het spel in een oorlog met de Taliban”, aldus Jongens, namens Fractie Partij voor de Dieren. Waar de PvdD haar standpunten op baseert is niet duidelijk.
–    GroenLinks: lijkt tegen de verlenging: “De regering is volgens de wet verplicht om zogenaamde artikel 100 brieven aan de Kamer te zenden met daarin informatie over de missie die zij voornemens is te starten”, aldus van der Heijden van de publiekdienst van de Kamerfractie van GroenLinks. Standpuntbepaling is gebaseerd op gesprekken met lokale bevolking, hulporganisaties, militairen en Afghaanse autoriteiten in Afghanistan door middel van werkbezoeken. Ook worden rapporten en onderzoeken die informatie geven over de huidige situatie gebruikt naast de informatie van de Nederlandse regering en de NAVO. GroenLinks is eveneens aangesloten bij het comité Troepen terug uit Afghanistan.
De grotere partijen CDA, PvdA en VVD achtten twee weken niet voldoende om te reageren, ook van de PVV en Trots op Nederland heb ik geen reactie gevonden. Het CDA neemt op haar site geen standpunt in over verlenging, maar concludeert dat wederopbouw pas mogelijk is als er veiligheid is.  PvdA heeft geen expliciet standpunt ingenomen op haar site, maar op 14 november 2006 concludeert woordvoerder buitenland van Dam nog: “Zolang het mogelijk blijkt om de Afghanen, hoe moeilijk ook, te helpen, vinden wij dat we dat dan ook moeten doen voor de maximale periode van 2 jaar, waartoe wij ons internationaal verplicht hebben”.  De VVD geeft op haar site aan dat voor het instemmen met de missie aan drie voorwaarden moet worden voldaan: (1) het grootste deel van de kosten van de missie moet van buiten de defensiebegroting komen, (2) er moet een derde, solide land, Nederland bijstaan in Uruzgan en (3) er dient een deugdelijke exit-strategie overeengekomen te worden.  De PVV neemt in een partijpamflet op haar site het standpunt in minder Nederlandse bijdrage aan internationale (vredes-)missie te willen, maar wel steun voor strijd tegen internationaal terrorisme zoals Al-Qaida, Hezbollah en Hamas.  Hoewel mij onbekend of dit een officiële site is van Trots op Nederland geeft Verdonk geen standpunt over Uruzgan.  Opvallend bij alle partijen is dat enkel de VVD aangeeft dat er duidelijk een solide partner moet komen die naast Nederland en Australië opereert in Uruzgan.
Zoals de titel van dit artikel al aangeeft, wie beslist er nu eigenlijk? Partijen zijn momenteel bang om stelling te nemen, het debat wordt telkens uitgesteld. In de media duiken gonzen de geruchten, op 14 november jl. meldt nu.nl dat de Afghaanse minister van buitenlandse zaken verklaart dat Nederland de missie verlengt.  De kamer heeft op dat moment nog geen besluit genomen. Bij het ter perse gaan van dit nummer is nog geen besluit genomen. Het nemen van het besluit is al enige malen uitgesteld, en meest recent voor het ter perse gaan van dit nummer gaf premier Balkenende vrijdag 16 november jl. aan dat het nemen van het besluit wederom uitgesteld wordt.

Wat het uiteindelijke besluit ook zal zijn, het is zeer de vraag of de procedure zoals artikel 100 van de grondwet, inclusief het toetsingskader voorschrijft, volledig kan worden gevolgd. NAVO kan een blik argumenten opentrekken waarom Nederlandse militairen moeten blijven, een willekeurige NGO kan al die argumenten weerleggen. Politieke partijen wachten op informatie van de regering, de regering stelt besluitvorming telkens uit. Burgers hebben een mening, media berichten dat wat kijkers, lezers of luisteraars trekt. Wie beslist?… heeft vast een heel lastige beslissing te maken.


  • 0

Het Ontslagrecht

Nieuw ontslagrecht?
De afgelopen maanden is er veel te doen geweest over nieuw op te zetten ontslagrecht. Onze minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de heer J.P.H. Donner, heeft daarvoor een nieuwe regeling willen voorstellen. Doel van de nieuwe regeling is het vergroten van de werkgelegenheid. VNO-NCW (de grootste ondernemingsorganisatie van Nederland), MKB Nederland en LTO Nederland hebben zich bereid verklaard 200.000 arbeidsplaatsen (extra) te creëren als het ontslagrecht wordt versoepeld. De regeringspartijen zochten al bij het opstellen van het regeerakkoord de oplossing van het werkloosheidsprobleem bij de sociale partners. Zij wilden iedereen ‘een eerlijke kans op werk bieden’ Hier, meenden de regeringsfracties, lag ‘een opgave voor kabinet en sociale partners gezamenlijk’.

Blaren op de tong
Het werkgeversdeel van de sociale partners heeft op maandag 25 juni 2007 bekend gemaakt dat zij in ruil voor een soepeler ontslagrecht voor die 200.000 banen wil zorgen. Dat nieuwe ontslagrecht zou onder andere betekenen dat een werkgever maximaal een maandsalaris per gewerkt jaar zou hoeven te betalen. Dit met een maximum van één jaar. Tenzij het jaarsalaris lager ligt dan € 75.000,-, dan is dat het maximum. Bernard Wientjes, voorzitter van VNO-NCW heeft naar eigen zeggen zich de ‘blaren op de tong moeten praten’ om zijn achterban warm te laten lopen voor dit plan.  Dit lijkt mij wel voorstelbaar. Immers, werkgevers zijn nu eenmaal moeilijk te porren als het gaat om versoepeling van het ontslagrecht. De verplichting voor werkgevers om de komende drie jaar jaarlijks 70.000 banen te creëren kan niet anders worden uitgelegd dan als een inspanningsverplichting. En dus geen resultaatsverplichting. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat de huidige coalitie de wetswijziging zou terugdraaien indien het bedoelde resultaat niet wordt bereikt. Dat de werkgevers verder vragen dat de staat via de bijstand voor de helft bijdraagt aan het loon en dat de overheid verder in de bres moet springen tijdens ziekte maakt het aanbod tot minder dan de ‘gigantische participatie-inspanning’ waarover Bernard Wientjes spreekt.

Commissie
Echter ik probeer hier geen politiek pamflet te schrijven. Verder is op dit moment moeilijk in te gaan op enig kabinetsvoorstel. Dat is er namelijk niet. Er is op dinsdag 20 november besloten tot oprichting van een commissie die voor 1 juni 2008 een voorstel moet doen voor het in leven roepen van 200.000 nieuwe banen. Hierbij hoeft de commissie niet alleen naar de versoepeling van het ontslagrecht te kijken.  Daarmee is de versoepeling voorlopig van de baan. Of van dit uitstel, afstel komt zoals Rutte meent moet nog blijken.

Beschrijving van het huidige recht
Mijn doel is veeleer een beschrijving te geven van het huidige ontslagrecht voor arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur, buiten faillissement. Om later of nu als de feiten mij bij het ter perse gaan hebben ingehaald, een vergelijking tussen heden en toekomst te kunnen maken.

De verschillende wegen
Op dit moment liggen er voor de werkgever en werknemer die al of niet in samenwerking van elkaar af willen verschillende wegen open. Men kan uit elkaar gaan met wederzijds goedvinden, er kan door één der partijen worden opgezegd en er kan worden gekozen voor ontbinding bij de rechter. Ook kan in voorkomende gevallen de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigen. Deze routes zal ik in de komende paragraven proberen te duiden.

Wederzijds goedvinden
Uit elkaar gaan van werkgever en werknemer met wederzijds goedvinden is het makkelijkst en kan het snelst worden gerealiseerd. Op het uit elkaar gaan met wederzijds goedvinden is de werknemersbescherming van titel 7.10 BW niet van toepassing. Deze overeenkomst komt tot stand op de gebruikelijke wijze van aanbod en aanvaarding (6:217 BW). De vorm wordt in  verschillende omstandigheden gebruikt. Het kan voorkomen dat het initiatief bij de werknemer ligt, bij bijvoorbeeld aanvaarding van een andere baan door de werknemer.

Pro-forma ontbindingsverzoek
Ook wordt de vorm gebruikt in gevallen waarin een werkgever anders voor ontslag op staande voet of ontbinding wegens gewichtige redenen zou kunnen kiezen. Dit geldt zeker zo sinds de aanpassing van het verwijtbaar werkloosheidsbegrip op 1 oktober 2006. Voor deze tijd zorgde instemming met een voorstel tot uit elkaar gaan er voor dat de werknemer als verwijtbaar werkloos werd gezien. Dit zorgde er voor dat werknemers voor oktober vorig jaar ook in bezwaar gingen bij opzegging door de werkgever terwijl zij zelf ook van de baan af wilden. Meestal gingen de partijen dan over tot een pro-forma ontbindingsverzoek voor de kantonrechter. Hiermee konden zij hun aanspraak op de WW veilig stellen ten koste van de (waardevolle) tijd van de rechtbank. Partijen gingen dan met een overeenstemmend verzoek naar de kantonrechter.

Nieuw verwijtbaarheidsbegrip
Sinds het nieuwe verwijtbaar werkloosheidsbegrip bestaat,  zijn deze pro-forma uitspraken minder nodig. De werknemer is nu alleen verwijtbaar werkloos indien er a) aan zijn werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt als bedoelt in art. 7:678 BW of b) ‘de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.’ (respectievelijk sub a en b van artikel 24 lid 2 WW).
Als partijen met wederzijds goedvinden uit elkaar gaan zal de werknemer wel duidelijk controleerbaar zijn rechten moeten doen gelden op de voor de werkgever geldende opzegtermijn. Anders zal de werknemer alsnog zijn uitkering kunnen verliezen op grond van artikel 24 lid 2 sub b WW voor de maanden welke binnen de dan fictieve opzegtermijn vallen.

Veiligstellen WW
Tijdens mijn werkzaamheden bij de Rechtswinkel, waar toegegeven veelal slechts probleemgevallen aan de orde kwamen, bleek de nieuwe mogelijkheid tevens vaak te worden gebruikt bij volgens de wet (anders) verwijtbare werkloosheid. Door in een vaststellingsovereenkomst (art. 7:900 BW en verder) duidelijk te maken dat initiatief van het scheiden bij de werkgever lag, kon dan de WW-uitkering worden veilig gesteld.  Dan bleef de werknemer tevens het smet op het blazoen dat CV heet bespaard. Het is immers weinig constructief op een sollicitatiegesprek te moeten verhalen over het ontslag op staande voet of de ontbinding wegens gewichtige reden.

Opzegging door werknemer
Voor opzegging door de werknemer geldt net als voor opzegging door de werkgever dat de werknemer zich aan de wettelijke, of in geval van afwijking aan de bij overeenkomst of CAO bepaalde opzegtermijn, dient te houden. Voor de werknemer is de opzegtermijn wettelijk één maand (art. 7:672 lid 3 BW). Hiervan kan worden afgeweken tot maximaal zes maanden, waarbij de termijn voor de werkgever minimaal het dubbele dient te bedragen (art. 7:672 lid 6 BW) tenzij deze bij CAO is verkort tot minimaal de termijn van de werknemer (art. 7:672 lid 8 BW). Opzegging geschiedt tegen het einde van de maand tenzij hiervan schriftelijk of bij gebruik van afgeweken is (art. 7:672 lid 1 BW). Als de werknemer bij kortere termijn opzegt, dan zegt hij onrechtmatig op en zal hij schadeplichtig kunnen zijn voor een gefixeerde schadevergoeding. Deze zal dan zijn normale bruto maandloon bedragen. In de meeste gevallen zal de werkgever echter voor de optie van uit elkaar gaan met wederzijds goedvinden kiezen. Dit is immers een minder problematische wijze van uit elkaar gaan.

Ontbindingsverzoek van werknemer
De werknemer kan er ook voor kiezen een ontbindingsverzoek te doen bij de kantonrechter, ex art. 7:685 lid 1 BW op grond van dringende reden. Deze dringende reden kan er één zijn als bedoeld in art. 7:677 lid 1 jo art. 7:679 BW of bestaan uit veranderde omstandigheden. Bij de eerste grond moet men denken aan redenen die voor een werknemer ook aanleiding hadden kunnen geven voor ontslagneming op staande voet. Artikel 7:678 lid 2 noemt onder andere grove belediging en ernstige bedreiging (sub a) en redenen die gelegen zijn in een gebrek aan loonbetaling (sub c, d, e en f). De hier onvolledig opgenomen lijst is overigens niet uitputtend. De omstandigheden moeten zodanig zijn dat van de werknemer redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
Veranderde omstandigheden kunnen uit van alles bestaan. Men denke bijvoorbeeld aan verstoorde verhoudingen tussen werknemer en werkgever, of de slechte financieel-economische omstandigheden van het bedrijf,  met als gevolg een gebrek aan promotiekansen.

Het voordeel
Voordeel van het ontbindingsverzoek voor de werknemer ten opzichte van opzeggen is de mogelijkheid een ontbindingsvergoeding toebedeeld te krijgen (art. 7:685 lid 8 BW). Onder het kopje Kantonrechtersformule zal ik verder ingaan op de opbouw van zo een vergoeding. Een ander voordeel kan zijn dat, indien de kantonrechter een dringende reden als bedoeld in art. 7:677 lid 1 BW aanneemt, de werknemer vermoedelijk nog in aanmerking komt voor een WW-uitkering indien aan de overige eisen is voldaan. Verder zal de werknemer zich niet aan een eventueel lange opzegtermijn hoeven te houden. Naar ik mij heb laten vertellen door Funke duurt een ontbindingsverzoek meestal zo een 8-10 weken.

Het nadeel
Nadeel van een ontbindingsverzoek door de werknemer kan zijn dat de kantonrechter de schuld of oorzaak voornamelijk bij de werknemer zou kunnen leggen. Dan verspeelt de werknemer waarschijnlijk zijn WW-rechten. Verder zou de werknemer in de kosten van het geding kunnen worden veroordeeld, alsmede worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding. Dit laatste gebeurt overigens zelden. En mocht dat voorkomen dan kan de werknemer het verzoek dan weer intrekken (7:685 lid 9 BW).

Opzegging door de werkgever
Ook de werkgever is bij opzegging (tegen het einde van de maand) aan een opzegtermijn gehouden. Deze bedraagt minimaal één maand bij een arbeidsduur van minder van vijf jaar en kan oplopen tot vier maanden bij een arbeidsrelatie die langer dan vijftien jaar heeft geduurd, tenzij hiervan bij CAO is afgeweken. Verder zijn natuurlijk de leden 6 en 8 van artikel 7:672 BW van toepassing. De werkgever mag te allen tijde opzeggen.

Toestemming CWI
Op grond van artikel 6 BBA ‘behoeft’ de werkgever toestemming van het CWI. Dit hoeft niet indien de werknemer ontslagen wordt op staande voet, of binnen zijn proeftijd of als gevolg van faillissement. Het CWI beoordeelt zo een verzoek op redelijkheid. Daarbij neemt het de belangen van zowel werknemer als werkgever in aanmerking (art. 3:1 Ontslagbesluit).  Toestemming wordt door het CWI verleend op grond van a) ‘bedrijfseconomische redenen’ (art. 4:1 en verder Ontslagbesluit), en ‘ontslag wegens andere dan bedrijfseconomische omstandigheden’ (art. 5:1 en verder Ontslagbesluit). De andere omstandigheid kan gebleken ongeschiktheid voor de functie zijn (art. 5:1 lid 1 Ontslagbesluit) en het niet verrichten van de bedongen arbeid wegens een ernstig gewetensbezwaar (art. 5:1 lid 3 Ontslagbesluit). Verder kan dit zijn verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer (art. 5:1 lid 4 Ontslagbesluit). En als laatste de duurzame en ernstige verstoring van de arbeidsverhouding (art. 5:1 lid 5 Ontslagbesluit). Als laatste kan de werkgever toestemming vragen voor ontslag van de werknemer die al twee jaar door ziekte niet aan zijn functie-eisen heeft kunnen voldoen en waar ook geen uitzicht is op herstel binnen 26 weken wordt verwacht. (art. 5:2 Ontslagbesluit jo 7:670 lid 1 BW) . Indien het CWI toestemming verleend dan zal de opzegtermijn voor de werkgever met een maand worden bekort, met dien verstande dat de termijn niet onder één maand kan komen (7:672 lid 4 BW). Idee is dat het CWI een zekere termijn over het behandelen van het ontslagverzoek doet. Verder kwam er door instelling van de BBA een grote toename van ontbindingsverzoeken, wegens de lange BBA-procedure. Dit wilde de wetgever voorkomen. De BBA-procedure moest de meest gebruikte ontslagprocedure worden.  Dit is overigens niet gelukt. Tussen 1996 en 2006 wordt er ongeveer even vaak een beroep gedaan op de art. 7:685 BW-procedure als de BBA-procedure. In de meeste jaren was er een lichte voorkeur voor de BBA-procedure, maar in 2006 was er voor het eerst (sinds jaren) een voorkeur voor de ontbindingsprocedure.  Er waren dat jaar 54.213 uitspraken in de ontbindingsverzoekprocedures en 48.610 ontslagvergunningsprocedures.

Vernietiging
De werkgever zal de stellingen van het een of ander aannemelijk dienen te maken. In dit artikel ga ik verder niet in op de verdere procedure. Een gebrek aan toestemming van het CWI doet niets af aan de rechtmatigheid van de opzegging. Echter indien geen toestemming is aangevraagd, kan de werknemer de opzegging binnen 6 maanden vernietigen op grond van artikel 9 BBA. Mocht dit voorkomen, dan zal de situatie bestaan als ware er niet opgezegd. Hierdoor zullen alle verplichtingen over en weer zijn blijven bestaan.

Ontslag op staande voet
Zoals gezegd is voor ontslag op staande voet op grond van een dringende reden onder gelijktijdige mededeling van die reden aan de werknemer geen toestemming van het CWI vereist (art. 6 lid 2 sub a BBA). Voor onverwijlde opzegging (ontslag op staande voet) is ieder der partijen gelijkelijk bevoegd onder gelijktijdige opgave van reden aan de andere partij (7:677 BW). Een gedeelte van de redenen die voor de werknemer kunnen gelden zijn al genoemd onder het kopje ‘Ontbindingsverzoek van werknemer’.

Dringende redenen werkgever
Voor de werkgever geldt dat de daden, gedragingen of eigenschappen van de werknemer zodanig moeten zijn dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (art. 7:678 lid 1). Dringende redenen die onverwijlde opzegging rechtvaardigen zijn onder andere misleiding met valse getuigenschriften of inlichtingen door de werknemer (lid 2 sub a), het in ernstige mate missen van bekwaamheid of geschiktheid (sub b), diefstal, verduistering bedrog (sub c) en verder zaken als bedreiging, diefstal en het weigeren zijn taken uit te voeren. Ook deze onvolledige opsomming is niet uitputtend.

Procedure OSV
Bij onverwijlde opzegging is het van het grootste belang dat de werkgever zich aan de juiste procedure houdt. Er moet a) een dringende reden bestaan die zodanig is dat van de werkgever niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst langer voort te laten duren. b) Het ontslag dient onverwijld te zijn, c) onder gelijktijdige mededeling van het ontslag.  Het gaat voor het doel van dit artikel te ver om in te gaan op de over de uit verschillende elementen bestaande jurisprudentie. Ik wil volstaan te zeggen dat bij beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval moeten worden meegenomen. Men kan daarbij denken aan de ernst van de overtreding, maar ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer zoals arbeidsduur en leeftijd. Voor het onverwijldheidsbegrip begint de klok te lopen als een tot ontslag bevoegde meerdere van de feiten op de hoogte is. Dus niet op moment van de overtreding. De meerdere heeft dan enige tijd om de feiten te onderzoeken. Het is verstandig om van de werknemer te horen over de feiten. Eventueel kan de werkgever zich dan terugtrekken voor overleg of bedenktijd. Als de werknemer dan wordt ontslagen dient de reden meteen gemeld worden. OSV kan zowel mondeling als schriftelijk worden gegeven. Tijdens een eventuele volgende procedure zal echter de redelijkheid van het gegeven ontslag worden beoordeeld op grond van de op dat moment gegeven reden. De werkgever zal voor terecht gegeven OSV alle elementen van zijn gegeven reden dienen te bewijzen. Mocht hij er bijvoorbeeld voor kiezen de werknemer diefstal voor de voeten te werpen dan zal hij ook de opzet dienen te bewijzen. Als een deel van de gegeven reden(en) niet wordt bewezen, dan is het gegeven ontslag ongeldig.

Kennelijk onredelijk ontslag
Voor zowel werknemer als werkgever gelden dat genomen of gegeven ontslag op staande voet op onjuiste gronden kan worden gebaseerd. De benadeelde partij kan dan een schadevergoeding eisen bij de kantonrechter op grond van kennelijk onredelijke opzegging (art. 7:681 BW). Ook bij normale opzegging al of niet met toestemming van het CWI en al of niet met in achtneming van de betreffende opzegtermijnen, kan een kennelijk onredelijk ontslag-procedure gestart worden. De rechter zal de opzegging door werkgever onder andere kennelijk onredelijk achten indien de opzegging zonder of onder opgave van een valse reden geschiedt. Of indien de belangen van de werknemer in verhouding tot die van de werkgever te veel in de knel komen. Of bij overtreding van enkele ontslagverboden (art. 7:681 lid 2 BW).
Voor de werknemer geldt dat zijn ontslagneming als kennelijk onredelijk kan worden beoordeeld indien hij bijvoorbeeld opzegt zonder opgave van reden of onder opgave van een valse reden. Ook kan de ontslagneming kennelijk onredelijk zijn indien de belangen van de werkgever dienen te prevaleren boven die van de werknemer.

Risico’s  aan de opzeggingsprocedure
De (onverwijlde) opzeggingsprocedure brengt een zeker risico met zich mee. Indien door de werkgever zonder toestemming van het CWI wordt opgezegd, kan de opzegging door de werknemer worden vernietigd. En ondanks dat aan de procedurele vereisten is voldaan, kan zowel werkgever als werknemer een kennelijk onredelijk ontslag-procedure beginnen. Zo een procedure kan soms jarenlang duren. Dit brengt met zich mee dat mocht uiteindelijk door de Hoge Raad in cassatie worden besloten dat indien bijvoorbeeld het ontslag van de werknemer door de werkgever kennelijk onredelijk is, de werkgever een ontslagvergoeding dient te betalen van ten minste het misgelopen loon tot het arrest van de HR. Daarnaast kan de rechter een vergoeding die hem redelijk lijkt toekennen. Inmiddels kan de kantonrechtersformule hierbij in sommige gevallen reflexwerking hebben.

Ontbindingsverzoek voor zover nodig
Om dit te vermijden wordt bij dreiging van zo een procedure en bij gegeven ontslag op staande voet vaak een ontbindingsverzoek voor zover nodig gedaan bij de kantonrechter. Dan wordt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht voor zover nodig. Deze procedure heeft als bijkomend voordeel dat appél niet of nauwelijks is toegestaan.  Eventuele schade kan zo beperkt worden tot enkele maanden loon. De verzoekschriftprocedure tot ontbinding kan ook zonder opzegging (op staande voet) worden gevolgd. De werkgever zal de gewichtige reden aannemelijk dienen te maken. Deze zijn dezelfde als die welke een dringende reden voor een OSV zouden opleveren alsmede veranderde omstandigheden (7:685 lid 2 BW). Op grond van lid 8 van dat artikel kan de rechter een ontbindingsvergoeding toekennen. De hoogte hiervan zal de rechter over het algemeen bepalen aan de hand van de kantonrechtersformule.

Kantonrechtersformule
De kantonrechtersformule is opgenomen in de Aanbeveling Kring van Kantonrechters. Zij is een niet verplichte rekenmethode om tot een schadevergoedingsbedrag te komen in de ontbindingsprocedure. Zij bestaat uit de factoren a * b * c = het schadevergoedingsbedrag.

Factor a    De factor a bestaat uit het aantal gewogen dienstjaren. Daarbij worden de jaren voor de 40e verjaardag van de werknemer als  1 geteld. De jaren tussen de 40 en de 50 gaan keer 1 ½  en de jaren dat de werknemer boven de 50 is keer 2. Als de werkgever een ontbindingsverzoek doet als een werknemer 56 is en de werknemer 28 jaar bij de werkgever heeft gewerkt zal de a-factor bedragen: 6 * 2 + 10 * 1 ½ + 12 * 1= 39.

Factor b    De b-factor bestaat het bruto maandloon, in ieder geval vermeerderd met vaste en overeengekomen looncomponenten, zoals vakantietoeslag, dertiende maand en een structurele overwerkvergoeding en ploegendiensttoeslag. Ook zal een structurele bonus kunnen meetellen.

Factor c    De c-factor is een correctiefactor. Deze zal bij gewone, kleurloze ontbinding 1 bedragen, maar kan ook 0 bedragen indien de verantwoordelijkheid voor de ontbinding grotendeels bij de werknemer ligt. In gevallen waarin de werkgever vooral of bovenmatig schuld heeft of in andere gerede omstandigheden kan de kantonrechter de c factor op een hoger getal zetten. De c-factor lag in 2006 voor alle gepubliceerde uitspraken van ontbindingsverzoeken, inclusief uitspraken met een factor 0 op 1,42.  Als wij dit getal loslaten op het inkomen van Jan Modaal (€ 29.500,- per jaar ≈ € 2.460,-  per maand) , dan zal deze bij een arbeidsverleden als in het voorbeeld onder kopje ‘factor a’ een ontslagvergoeding krijgen van: 39 * € 2.460,- * 1.42 ≈ € 136.235,-.

Conclusie
Zoals gezegd wens ik geen conclusies te trekken. Mijn doel was slechts een overzicht te geven van de verschillende manieren om een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te laten eindigen. Dit kan nu via drie hoofdwegen. Uit elkaar gaan met wederzijds goedvinden, de BBA-procedure en de ontbindingsprocedure bij de kantonrechter. Van deze wegen is de eerste degene die de minste complicaties oplevert. Dit heeft zowel voordelen voor de werknemer als voor de werkgever. De werknemer kan direct van zijn baan af en kan als de overeenkomst juist is opgesteld tevens zijn WW en wellicht de maanden loon voor werkgevers opzegtermijn veilig stellen. De werkgever kan ook snel van zijn werknemer af en, wellicht belangrijker, hij  weet waar hij aan toe is. Er dreigen dan geen ontbindings- of onredelijke ontslagprocedures. Tevens zal hij geen toestemming bij het CWI hoeven te vragen. Deze laatste procedure is echter weer makkelijk bij ontslag wegens (makkelijk) aantoonbare bedrijfseconomische redenen. Mochten de plannen voor een nieuw ontslagstelsel werkelijkheid worden en mocht er dan een top aan de ontbindingsvergoeding komen dan zal Jan Modaal wellicht maar een half zo grote ontslagvergoeding krijgen. U mag zelf beoordelen of u dit een positieve ontwikkeling vindt.


  • 0

A no no voor Kosovo?

Het vraagstuk Kosovo is momenteel een onderwerp van controversie en conflict. Hoe is het eigenlijk zover gekomen? Hieronder volgt een uiteenzetting van een van de belangrijkste internationale kwesties van het moment, waarover veel internationaal-rechtelijke instellingen zoals de Verenigde Naties en de Europese Unie zich gebogen hebben, teneinde een mogelijke oplossing te bewerkstelligen. Het cruciale begin is het jaar 1389 en het einde is voorlopig nog niet in zicht. Is de onafhankelijkheid van Kosovo een illusie?
Kosovo is momenteel een provincie in het zuiden van Servië waarvan in 1999 het bestuur is overgenomen door de Verenigde Naties’ Interim Administratie Missie in Kosovo, ofwel UNMIK. De bevolking in Kosovo bestaat voornamelijk uit Albanezen en een aanzienlijk kleiner gedeelte bestaat uit onder andere Serven. Sinds acht jaar heerst er in Kosovo een strijd op territoriaal en politiek vlak tussen de twee belangrijkste actoren: de Albanese bevolking die het overgrote deel van Kosovo beslaat en de Serven die ondanks hun geringe aanwezigheid door hun regering een machtige positie binnen Kosovo bezitten. Twee volkeren die een gezamenlijke geschiedenis kennen, maar fundamenteel van elkaar verschillen. Het zijn misschien wel deze verschillen die een oplossing voor dit conflict in de weg staan.
De eerste bewoners van wat voorheen bekend stond als Joegoslavië waren de Illyriërs.
Zoals de Romeinen vele andere gebieden annexeerden, romaniseerden zij ook het gebied van de Illyriërs rond de eerste eeuw voor Christus. In de eeuwen die volgden, vestigden de eerste Slavische volken zich in dit gebied en rond 500 na Christus namen de Slavische Serven het land in dat nu nog steeds Servië heet. Er was toentertijd nog geen sprake van een eenheidsstaat; pas na vele oorlogen werd in de 12e eeuw na Christus het gebied omgedoopt in het Servische Koninkrijk. Het werd een sterke Balkanstaat voortgedreven door voorspoed en welvaart. Het idee dat deze staat ooit aan de rand van de afgrond zou komen of zelfs over de rand geduwd zou worden, zou op dat moment volstrekt belachelijk hebben geleken. Toch gebeurde het en wel in de vorm van de botsing tussen twee verschillende volkeren die in hetzelfde gebied zouden komen te leven, de Serven en de Albanezen.
De geschiedenis van de botsing tussen de Serven en Albanezen is onder andere bepaald door de mythe van Kosovo Polje, de slag op het Merelveld op 28 juni 1389. Het Servische leger leed hier een nederlaag tegen het leger van het Ottomaanse rijk. Deze slag meer dan 6 eeuwen geleden is nog steeds van invloed op het hedendaagse Balkanconflict. Er wordt gesproken over een mythe: ondanks de Servische nederlaag beschouwen de Serven het als een overwinning, want door hun onbaatzuchtige inzet op het Merelveld is de Turkse opmars naar West-Europa tot staan gebracht. 28 Juni is nog steeds een nationale gedenkdag in Servië en de mythevorming van de slag op het Merelveld is zo een voedingsbodem voor het Servische nationalisme geworden.
Een tweede oorzaak van de botsing in Kosovo is het nationalisme. In 1912 resulteerde het Albanese nationalisme in de nieuwe staat Albanië, terwijl Kosovo, dat in die tijd al een meerderheid van Albanese moslims kende, onderdeel van Servië bleef. Daarmee was het Kosovo-vraagstuk geboren. Sindsdien hebben de Albanezen gestreefd naar onafhankelijkheid om zo Kosovo te bevrijden uit de beklemmende omarming van Servië, waarbij geweld meer de regel was dan uitzondering.
Een volgende oorzaak van de clash kan toegeschreven worden aan Tito. De opvatting dat Kosovo onder Tito gouden tijden beleefde, is niet waar. De periode van Tito, 1945-1980, bracht hernieuwde Servische onderdrukking naar voren. De Albanezen vormden een bedreiging voor Servië, zo vonden de Serven. Kosovo werd een autonome regio in 1946 en de wens tot de status van een republiek nam toe onder de Albanezen. In 1969 kwam er een nieuwe constitutie voor Kosovo waarin een aantal Albanese vrijheden werden gewaarborgd. Onder de Servische inwoners groeide en broeide wantrouwen en velen verlieten Kosovo, terwijl het Albanese aandeel groeide. In 1974 maakte Tito een nieuwe constitutie voor Joegoslavië; Kosovo werd de facto een republiek. Echter, de constitutie maakte onderscheid tussen naties en nationaliteiten en volgens de constitutie hadden de Albanezen hun staat buiten Joegoslavië en de status van een de iure republiek werd zo onmogelijk: Kosovo bleef zo een de iure autonome provincie, wel met eigen instellingen. De nieuwe staatsstructuur leed tot onbevredigende gevoelens bij zowel de Albanezen omdat een autonome provincie niet was wat ze wilden en bij de Serven omdat ze de controle over Kosovo hadden verloren en zich steeds meer een minderheid voelden. Ze voelden zich gediscrimineerd, zonder bescherming van Servië. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de wortels van het uiteenvallen van Joegoslavië bij Tito’s magere, constitutionele constructie van de federatie liggen, die het nationalisme bevorderde.
Na het tijdperk van Tito, begon in 1980 het verval van Joegoslavië. Ook in Kosovo verslechterden de omstandigheden; grote werkloosheid en een treurige sociaal-economische situatie gingen hand in hand met het vertrek van vele Serven uit de regio. Het werkte het Servische nationalisme in de hand, wat je wel vaker ziet bij een kleine bevolking in een bepaald gebied die zich sterk verbonden voelt (zoals de Basken in Spanje). De Belgische academicus Raymond Detrez noemt het een paradoxale situatie: “De Kosovaren voelden zich in Servië als een minderheid behandeld, hoewel ze de meerderheid uitmaakten in Kosovo; en de Serven, die in Servië het talrijkste en constituerende volk waren, voelden zich in Kosovo als een minderheid behandeld.”
In de loop van de jaren 80 nemen de spanningen toe en de contacten af tussen de Albanezen en de Serven. De apartheid tussen de twee volken werd zo een feit. Het Servische nationalisme groeide uit tot het Servische verzet in Kosovo. Wat hierna gebeurde is algemeen bekend. De Servische nationalistische president Milošević komt aan de macht en in 1989 beperkte hij de autonomie van Kosovo tot een symbolisch niveau. Met de nationalistische machtsovername in Kosovo domineerde Servië de federale instellingen. Milošević had Joegoslavië nu over de afgrond geduwd. In de jaren 90 groeide de Albanese ontevredenheid door onder andere het Dayton-vredesakkoord waarin Kosovo niet werd genoemd. Het Kosovo Bevrijdingsleger, het UÇK, werd opgericht. Grootschalige aanslagen werden gepleegd en Milošević kon de Albanese bevolking niet langer negeren. In 1998 begon hij grootschalige zuiveringsacties met als doel het elimineren van de Albanese opstand. Een jaar later eindigde de oorlog met de NAVO-luchtaanvallen en de komst van de internationale vredesmacht, de KFOR. Op basis van resolutie 1244 werd vervolgens in juni 1999 het bestuur van Kosovo overgenomen door UNMIK. We zijn weer bij het begin.
Het antwoord op de vraag wat er nu met Kosovo moet gebeuren, is niet zomaar te geven. In februari 2006 zijn de onderhandelingsgesprekken begonnen en het blijkt dat consensus tussen de lidstaten in deze zaak moeilijk te bereiken is. Over de toekomstige status van Kosovo heerst verdeeldheid. Een schetsresolutie werd gemaakt betreffende Kosovaarse onafhankelijk, maar mét supervisie over de staat door de internationale gemeenschap. Rusland vond dat dit de soevereiniteit aantastte en gaat niet akkoord zolang de oplossing ongunstig uitvalt voor de Albanezen in Kosovo. De meeste staten vinden dat volledige onafhankelijkheid een utopie is. Één ding is zeker: een oplossing voor deze materie ligt niet in de nabije toekomst zolang de lidstaten geen overeenstemming bereiken.
Mijns inziens is momenteel volledige onafhankelijkheid een brug te ver. Kosovo is een gebied met fundamentele verschillen die niet tot staatsvorming kunnen leiden. Volgens de Weberiaanse opvatting is een staat pas een staat als er een monopolie bestaat met betrekking tot geweld, belasting en wetgeving. Op dit moment is de verdeeldheid in Kosovo echter te groot om hier aan te voldoen. Het nationalisme dat eeuwen geleden gekweekt is, draagt hier geen steentje aan bij. Toch heeft Kosovo wel een Europese toekomst, zeker gezien haar potentieel een stabiliserende rol te spelen in de regio middels haar tolerante en multi-etnische samenleving.
Een oplossing zou kunnen zijn om een algeheel beter leefklimaat te bewerkstelligen door beide partijen tegemoet te komen voor zover dat kan, zodat niemand zich meer tot een minderheid voelt behoren. Het is geven en nemen. Voorlopig is Kosovo nog te kwetsbaar om een geheel onafhankelijke republiek te zijn. Echter, het bestuur volledig in handen van UNMIK is zeker geen oplossing. Zo wordt ontevredenheid in de hand gewerkt; Kosovo bestaat tenslotte niet uit een infantiele bevolking. Een goed begin zou zijn om meer bevoegdheden terug te geven, als het ware onafhankelijkheid met voorlopige supervisie als beste oplossing. Speciale aandacht zal moeten gegeven worden aan de positie van de minderheden binnen Kosovo. Toch lijkt het erop dat Kosovo bezig is met haar reis richting Europese staatsvorming. Dankzij alle hulp die de EU de afgelopen jaren heeft geboden, is er een reformatie aan de gang binnen Kosovo en is er een Europees perspectief geïntroduceerd in de beleidsvorming binnen Kosovo. Stapsgewijs kan men nu werken aan een goede eenheidsstaatformatie. Kosovo als onafhankelijke staat lijkt meer te zijn dan slechts een illusie…


  • 0

Leugendetector?! Liegen is niet strafbaar

In Nederland mag in strafzaken een leugendetector gebruikt worden. De uitslag hiervan mag echter niet gebruikt worden als “doorslaggevend bewijs”. De uitslag vormt slechts een aanwijzing voor de rechter. Het onderstaande artikel geeft inzicht in waarom in Nederland de uitslag van een leugendetectortest slechts een aanwijzing is voor de rechter. Eerst zal er worden ingegaan op liegen in het algemeen, daarna wordt de werking van een leugendetector uitgelegd, hierbij komen onder andere de zwakke punten van het apparaat aan de orde. Tenslotte wordt er kort ingegaan op andere methoden die liegen aan proberen te tonen.

Liegen
Al vanaf zesjarige leeftijd kunnen mensen bewust liegen. Kinderen liegen vaak omdat ze bang zijn voor de straf die ze krijgen als ze eerlijk zeggen wat er gebeurd is, of omdat ze zich beter willen voordoen dan in werkelijkheid het geval is. Ook kan liegen een vorm van opscheppen zijn. Jongens liegen over het algemeen iets vaker dan meisjes.
Het is moeilijk aan te tonen wanneer een persoon een leugen vertelt. De neus van Pinocchio groeide als hij een leugen vertelde, bij de neus van de mens is dit niet het geval. Er zijn andere indicaties nodig om liegen aan te tonen. Een instrument dat als hulpmiddel gebruikt kan worden is een leugendetector.

Spanning
Een leugendetector, ook wel polygraaf genoemd, is een instrument dat allerlei lichamelijke reacties registreert. Er wordt bijvoorbeeld gelet op bloeddruk, hartslagfrequentie en ademhaling, de zweetproductie en spieractiviteit. Een leugendetector meet de spanning van een persoon. Spanning gaat gepaard met fysieke veranderingen: de bloeddruk wordt hoger, het hart klopt sneller, mensen gaan trillen en transpireren.
Het meten van spanning gebeurt op de volgende manier. Tijdens een leugendetectortest worden er aan de proefpersoon relevantievragen en controlevragen gesteld die beide met ja of nee beantwoord kunnen worden. De relevante vragen hebben betrekking op de feiten die men aan het licht wil brengen, terwijl de resterende controlevragen als vergelijkingsmateriaal dienen. Door het stellen van twee soorten vragen wordt er rekening gehouden met de spanning die iemand heeft vanwege de gestelde vragen en het onderzoek zelf.
Om er achter te komen of liegen de oorzaak is van deze spanning, wordt de spanningswaarde die gemeten wordt tijdens het geven van antwoord op een relevante vraag, vergeleken met de hoeveelheid spanning die een persoon tijdens het beantwoorden van controlevragen heeft. Controlevragen roepen bij onschuldige personen meer spanning op dan relevante vragen, die over daden gaan die ze naar waarheid kunnen ontkennen. Bij schuldige personen werkt dit net omgekeerd, hierbij roepen relevante vragen dus meer spanning op dan controlevragen. Hieruit kun je afleiden of een persoon liegt.

Gebruik
In Nederland werden in 1951 de eerste proefnemingen met een leugendetector gedaan. De proeven werden afgenomen door dr. Holtzer, hij was een neuroloog en psychiater uit Eindhoven. Het eerste experiment met een leugendetector vond echter veel eerder plaats. In 1935 toetste de Amerikaan Leonard Keeler in een politieonderzoek de verklaringen van twee mannen. Keeler deed dit met een apparaat die gelijktijdig iemands bloeddruk, hartslag, ademhalingsfrequentie en veranderingen in huidweerstand kon registreren. Zijn apparaat werd wereldwijd bekend en hij richtte het Keeler Polygraphic Institute op.  Tegenwoordig zijn er in de VS tientallen van zulke instituten waar men zich binnen een paar maanden tot polygrafist kan laten opleiden.
In de VS wordt de leugendetector op verschillende terreinen gebruikt. Een voorbeeld hiervan is dat bedrijven polygrafisten inhuren om sollicitanten door te lichten. Verder wordt er binnen de Amerikaanse overheid veel gebruik gemaakt van de leugendetector, in het bijzonder bij de CIA en de binnenlandse veiligheidsdienst. Ten slotte maakt ook de Amerikaanse politie regelmatig gebruik van de leugendetector om een onderzoek te bespoedigen.
Bij strafzaken wordt er echter zelden gebruikt gemaakt van testuitslagen van de Amerikaanse politie. In de meeste staten is dit tegenwoordig zelfs verboden. De voornaamste reden hiervoor is de vrees dat de jury te veel waarde aan de uitslag zal hechten.
In Nederland is de leugendetector niet in de wet opgenomen als toegestane onderzoeksmethode. De uitslag van een leugendetectortest kan eventueel wel als wettig bewijsmiddel dienst doen, bijvoorbeeld in de vorm van een deskundigenverslag hetzij een ander geschrift.   De Hoge raad heeft echter bepaald dat als de uitslag van een test voor de verdachte belastend is, in tegenstelling tot wat de verdediging veronderstelt, dan kan dit resultaat niet als bewijs dienen. Hieruit valt af te leiden dat de resultaten van de leugendetector in ons strafprocesrecht niet veel waarde hebben.
Op een ander terrein wordt er wél gebruikt gemaakt van de leugendetector, namelijk in de Nederlandse TBS Klinieken. In deze klinieken wordt er momenteel experimenteel onderzoek met een leugendetector gedaan.  Bij TBS patiënten worden periodiek leugendetectortesten afgenomen. Het doel van deze testen is niet puur de waarheid of leugen per gebeurtenis te achterhalen. Waar het wel om gaat is gedragsveranderingen van patiënten te ontdekken en te registreren. Door gedrag te registreren willen de klinieken voorkomen dat patiënten onopgemerkt nieuw delictgedrag kunnen ontwikkelen.

Betrouwbaarheid
Een zwak punt van een leugendetector is de te geringe betrouwbaarheid van het apparaat. Men kan namelijk niet met 100 procent zekerheid vaststellen of iemand de waarheid vertelt. De betrouwbaarheid van het apparaat wordt geschat tussen de 60 en 70 procent. Overigens verschilt dit erg per apparaat en per ondervraagde persoon. De betrouwbaarheid van een leugendetector is lastig te meten. De betrouwbaarheid van een leugendetector wordt op verschillende manieren onderzocht. Voorbeelden hiervan zijn laboratoriumexperimenten en veldstudies.
De resultaten van de laboratoriumexperimenten lopen echter sterk uiteen. Sommige onderzoekers boeken in bijna 90 procent van de experimenten succes, dit wil zeggen dat in 90 procent van de experimenten de juiste conclusie wordt getrokken, terwijl andere maar nauwelijks boven de kansverwachting scoren. Verder valt te betwijfelen of kunstmatige experimenten een goede weergave zijn van de dagelijkse praktijk. De proefpersonen staan aan minder grote bedreigingen bloot dan echte verdachten. Proefpersonen worden vaak gemotiveerd door een beloning in het vooruitzicht te stellen indien ze de polygrafist van hun onschuld kunnen overtuigen. Echte verdachten staan aan grotere bedreigingen bloot dan het mislopen van de beloning. De angst voor een positieve testuitslag zal bij echte verdachten ongetwijfeld veel groter zijn, en dat kan van invloed zijn op hun gedrag.
Een andere manier om betrouwbaarheid te onderzoeken is door gebruik te maken van veldstudies. Hierbij wordt er gebruikt gemaakt van polygrafische gegevens die in de praktijk door de politie zijn verzameld. Deze gegevens worden dan opnieuw beoordeeld door polygrafisten. Aan veldstudies kleven echter bezwaren. Het voornaamste bezwaar is, dat men alleen gegevens gebruikt van verdachten die later een bekentenis hebben afgelegd waarbij is komen vast te staan dat ze wel of niet schuldig waren. Dit kan een vertekend beeld van de werkelijkheid geven. Daders bekennen vaak als gevolg van een positief uitgevallen leugendetectortest. Schuldigen die niet door de mand vallen bij de test, hebben geen prikkel om hun daad te bekennen.  Zij ontlopen dus meestal hun straf en zijn daardoor nauwelijks terug te vinden in de statistieken.

Manipulatie
Er bestaan mogelijkheden voor de ondervraagde om de uitslag van de leugendetectortest te manipuleren. Zo kan de ondervraagde bijvoorbeeld hard op zijn tong bijten als hem een controlevraag wordt gesteld. Op die manier zorgt hij ervoor dat de relevante vragen relatief gezien niet méér spanning opleveren. Bij schuldige ondervraagden roepen relevante vragen immers meer spanning op dan controlevragen, waaruit af te leiden is of ondervraagde liegt. Door het gebruik van een tegenmaatregel ligt de spanning gemeten bij een controlevraag dus hoger dan de spanning gemeten bij een relevante vraag.
Andere tegenmaatregelen die hetzelfde effect hebben zijn het aanspannen van de buik en een persbeweging te maken, alsof je naar het toilet moet. Uit experimenteel onderzoek is gebleken dat tegenmaatregelen zo effectief zijn dat de meeste schuldigen niet meer kunnen worden betrapt.
Er zijn de afgelopen jaren andere technieken ontwikkeld om te beoordelen of een persoon liegt. Het voert te ver om hier uitgebreid op in te gaan maar ik zal ze toch even kort noemen. Een voorbeeld hiervan is de Voice Stress Analyzer, dit is een apparaat dat stemfrequenties meet. Verder heb je het elekro-encefalogram (EEG) welke de hersenactiviteit registreert. Het onderzoek naar de EEG lijkt vooralsnog veel belovend.

Conclusie
Uit het bovenstaande kan het volgende afgeleid worden. In Nederland vindt men de uitslag van een leugendetectortest op zich zelf onvoldoende bewijs in strafzaken. De voornaamste reden is dat met een leugendetector niet met 100 procent zekerheid vastgesteld kan worden of iemand de waarheid verteld. Met andere woorden de betrouwbaarheid van een leugendetector is te gering. Bovendien is uit onderzoek gebleken dat de uitslag van een leugendetectortest door de ondervraagde is te manipuleren. Dit komt de betrouwbaarheid van het apparaat niet ten goede. Wie weet verandert er in de nabije toekomst iets aan de zwakke betrouwbaarheid van de leugendetector. Het zou ook goed mogelijk zijn dat andere technieken, zoals de EEG, zich als zodanig ontwikkelen, maar dit blijft vooralsnog giswerk.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.