Category Archives: Jaargang 41 – Nummer 3

  • 0

Probiotica in ons voedsel, hoe gezond is dat?!

‘24 Doden bij Nederlands wetenschappelijk onderzoek’.  De afgelopen periode kwam dit bericht veelvuldig naar voren in de media. Het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMC) doet al geruime tijd onderzoek naar de werking van probiotica op het remmen van een alvleesklierontsteking. In januari 2008 maakte zij bekend dat er 24 patiënten bij dit onderzoek zijn omgekomen. Volgens het ziekenhuis had een aantal van de overledenen waarschijnlijk nog geleefd als ze de probiotica niet toegediend hadden gekregen. Dit was voor velen een schokkend bericht en voor mij vormde het de aanleiding een artikel over probiotica te schrijven.

Met dit artikel wil ik de lezer allereerst iets vertellen over probiotica, wat zijn probiotica en waar zijn ze goed voor? Vervolgens zal ik ingaan op gezondheidsclaims die op diverse producten vermeld staan, mogen producenten dit zo maar op hun producten zetten? Daarnaast zal ik wat vertellen over voedselregelgeving, hierbij komt ook de Voedsel en Waren Autoriteit aan bod.

Wat zijn probiotica?
Probiotica kun je omschrijven als goede darmbacteriën die de groei van schadelijke bacteriën tegengaan. Je hebt deze bacteriën nodig om ervoor te zorgen dat je darmen op de juiste manier werken. Probiotica helpen als het ware je darmen gezond te houden bijvoorbeeld door infecties te verdringen.

Probiotica zijn levende bacteriën, waarvan er veel verschillende soorten bestaan. Ze hebben veelal ingewikkelde namen maar de meeste bacteriën zijn zogenaamde lactobacillen of bifidobacteriën. Deze bacteriën komen voor in bepaalde voedingsproducten en kunnen helpen om darmklachten te verlichten. Hierbij valt te denken aan verstopping en diarree, dit onder andere door gebruik van antibiotica.

Het is mogelijk dat probiotica ook helpen bij vormen van eczeem of darmkanker. Dit moet echter nog verder worden onderzocht en is dus daarom nog niet met zekerheid te stellen. Momenteel vinden er onderzoeken plaats naar een eventueel gunstige werking van probiotica, denk bijvoorbeeld aan het eerdergenoemd onderzoek van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMC).

Behalve probiotica bestaan er ook prebiotica en synbiotica. Prebiotica bestaan meestal uit onverteerbare koolhydraten (voedingsvezel). Hierbij ontstaan stoffen die een gunstig effect hebben in ons lichaam. Ook stimuleren deze stoffen de groei van lactobacillen en bifidobacteriën, in de dikke darm. Ze zorgen dus net als probiotica voor de goede darmbacteriën. Synbiotica zijn producten waar probiotica én prebiotica in zitten. Hierover zal ik me verder maar niet uitwijden.

Gezondheidsclaims
Je komt in de supermarkt steeds meer producten tegen waar probiotica in verwerkt zitten. Danone Activia, Vifit en Yakult zijn hier voorbeelden van. Op deze producten zijn vaak gezondheidsclaims te vinden. Deze uitspraken vind je overigens niet alleen terug op producten waar probiotica in verwerkt zitten. Gezondheidsclaims zijn uitspraken over de relatie tussen het eten of drinken van een product en het effect daarvan op de gezondheid.
De producten claimen dus een gunstig effect op de gezondheid te hebben, maar mogen producenten dit zo maar doen?

Om de kwaliteit en veiligheid van voedsel te bewaken, hebben overheid, industrie en handel een groot aantal wetten en voorschriften ontwikkeld waaraan moet worden voldaan. De meeste Nederlandse wetten en regels zijn afgeleid van richtlijnen van de Europese Unie of geven uitvoering aan verordeningen van de Europese Unie. Veel besluiten en regelingen zijn opgenomen in de Warenwet. In de Warenwet zijn geen nadere regels opgenomen over gezondheidsclaims. Het is volgens deze wet echter niet toegestaan om levensmiddelen aan te prijzen met gebruikmaking van medische claims. Een voorbeeld van een medische claim is de tekst ‘helpt bij verkoudheid’ op hoesttabletten.

In Nederland is het nu nog zo dat producenten het geclaimde gezondheidseffect van hun product vrijwillig kunnen laten toetsen door een panel van onafhankelijke deskundigen. Ze zijn hiertoe dus niet verplicht. Het testen gebeurt op grond van de ‘Gedragscode voor wetenschappelijke onderbouwing ten behoeve van gezondheidsclaims voor eet en drinkwaren’. Deze gedragscode is opgesteld door het Voedingscentrum, samen met de Consumentenbond en vertegenwoordigers van de industrie. Hieronder vallen de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie en de levensmiddelenhandel.

Vanaf januari 2007 is er een EU-verordening (1924/2006/EG) in werking getreden zodat in de toekomst in alle lidstaten dezelfde regels gelden. De regels voor gezondheidsclaims gelden voor eten, drinken en voedingssupplementen, zoals vitaminepillen.
Met de nieuwe regels komen er bindende wetenschappelijke criteria voor claims. Tot nu toe wordt dit nog per geval bekeken op basis van de gedragscode.  Een ander punt dat verandert ten opzichte van de huidige regelgeving is dat medische claims in de EU-verordening onder bepaalde voorwaarden worden toegestaan.

Voedsel en Waren Autoriteit
Toezicht op een juiste uitvoering van de wet- en regelgeving ligt in handen van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (hierna: VWA).  De VWA is dus verantwoordelijk voor de uitvoering van het voedselveiligheidsbeleid. Ze heeft daarbij drie hoofdfuncties; het toezicht houden op de voedselveiligheid, risicobeoordeling & onderzoek en risicocommunicatie. Het werkterrein van de VWA is erg breed. Zo vallen bijvoorbeeld de Keuringsdienst van Waren en de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees ook onder deze autoriteit.

De VWA heeft dus als taak het toezicht houden op de voedselveiligheid.  Ze controleert op naleving van de Warenwet en andere levensmiddelenwetgeving. De VWA voert zijn taken uit door middel van toezicht, opsporing, onderzoek en gerichte voorlichting. Zo voert de autoriteit controleonderzoeken uit bij bedrijven en winkels. Komen bij deze controles onrechtmatigheden aan het licht dan treedt de VWA op met een mondelinge of schriftelijke waarschuwing of door middel van een proces-verbaal. Als er sprake is van direct gevaar voor de consument dan kan een bedrijf zelfs worden gesloten.

De VWA houdt zich verder bezig met het onderzoeken van gezondheidsbedreigende situaties, het adviseren van beleidsinstanties, het onderzoeken van klachten van consumenten en het ontwikkelen en publiceren van onderzoeksmethoden. Zo publiceerde de VWA op 24 januari 2008 het nieuwsbericht dat de ze geen reden ziet om normale consumptie van probiotische zuiveldrankjes af te raden.  Hieronder vallen Yakult en Vifit. Er zijn bij gezonde mensen geen nadelige effecten aangetoond bij het gebruik hiervan. Het bureau Risicobeoordeling van de VWA zal op basis van reeds uitgevoerd en lopend onderzoek een advies uitbrengen over de mogelijke gevolgen van het gebruik van probiotica in voedingsmiddelen bij met name kwetsbare groepen.

Conclusie
Uit bovenstaand artikel volgt dat het gebruik van probiotica een gunstige werking kan hebben op mensen. Tevens wordt duidelijk dat er nog verder onderzoek naar de effecten van probiotica gedaan moet worden. De Voedsel en Waren autoriteit publiceerde echter onlangs het nieuwsbericht dat probiotische drankjes geen kwaad kunnen, je kunt dus veilig je portie Yakult blijven nemen!
Met betrekking tot gezondheidsclaims kan gesteld worden dat producenten nu nog vrijwillig het geclaimde gezondheidseffect van hun product kunnen laten toetsen. Met de invoering van de Europese verordening  zal dit veranderen. Tot slot kan men concluderen dat de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit belast is met het toezicht op een juiste uitvoering van de wet- en regelgeving. Ze heeft hierbij verschillende taken.


  • 0

Het beroepsgeheim van een arts in een strafrechtelijke procedure

Soms heeft een arts of een andere hulpverlener informatie die als belangrijk strafechtelijk bewijs kan dienen. Maar mogen hulpverleners wegens hun beroepsgeheim wel getuigen in een strafprocedure? En als dit al mag, mogen ze dan alles wat ze weten vertellen? En wat is de consequentie als een arts handelt in strijd met de daarvoor geldende regels? In onderstaand artikel zal ik antwoord geven op bovenstaande vragen.

Op grond van artikel 7:457 BW heeft een hulpverlener in de zin van de wet geneeskundige behandelingsovereenkomst een beroepsgeheim en mag hij geen informatie over een patiënt aan derden verstrekken anders dan met toestemming van de patiënt zelf. De gedachte hierachter is dat mensen zonder vrees voor bekendmaking aan derden alles aan hulpverleners moeten kunnen vertellen. Onder de geheimhoudingsplicht vallen zowel vertrouwelijk (bewust) gedane mededelingen door de patiënt als hetgeen de hulpverlener te weten komt doordat de patiënt zich tot hem wendt. Ook niet-medische gegevens vallen onder het beroepsgeheim. Tenslotte strekt de geheimhoudingsplicht zich ook uit over wat een derde aan de hulpverlener over de patiënt vertelt. De geheimhoudingspicht geldt in beginsel tegenover iedereen. Er is een aantal uitzonderingen op, dat hier echter niet zal worden besproken.

Op grond van 218 SV wordt aan een hulpverlener met een beroepsgeheim een verschoningsrecht gegeven, wat inhoudt dat hij zich op grond van dit artikel kan verschonen van het geven van een getuigenverklaring of van het beantwoorden van bepaalde vragen. Dit kan een hulpverlener echter alleen doen betreffende zaken en onderwerpen die hij krachtens zijn hoedanigheid als hulpverlener te weten is gekomen. Hoewel dit verschoningsrecht een ‘recht’ is, is de arts wel verplicht zich te verschonen indien het gaat om informatie die onder 7:457 BW valt. Op grond van artikel 98 SV mogen bij mensen die een verschoningsrecht hebben in beginsel ook geen brieven of andere documenten, waarover de geheimhoudingsplicht zich uitstrekt, in beslag worden genomen.

Indien een hulpverlener toch een getuigenverklaring aflegt over informatie die onder de geheimhoudingsplicht valt, is hij strafbaar op grond van artikel 272 Sr. Er zijn geen gevolgen voor de strafrechtelijke bewijskracht van zijn getuigenis. De getuigenis kan dus gewoon gebruikt worden teneinde het bewijs tegen een verdachte rond te krijgen en de rechter mag er acht op slaan.

Toch is voor het strafrechtelijk bewijsrecht van belang om te weten wanneer een hulpverlener iets wel of niet mag vertellen. Een hulpverlener zal dit namelijk niet willen doen wanneer hij weet dat hij dan vervolgd kan worden, terwijl de informatie van een hulpverlener van doorslaggevend belang kan zijn. De Hoge Raad heeft een aantal aanknopingspunten gegeven voor omstandigheden waaronder een arts straffeloos kan getuigen in strijd met zijn geheimhoudingsplicht.

De Hoge Raad heeft bepaald dat het verschoningsrecht van een arts in zoverre niet absoluut is dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven het verschoningsrecht.  De Hoge Raad heeft hierbij aangegeven dat het niet in een algemene regel is samen te vatten welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk worden aangemerkt. Wel geeft de Hoge Raad in bovengenoemd arrest de regel dat indien wordt geoordeeld dat het belang van waarheidsvinding dient te prevaleren, de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk is.

In een later arrest noemt de Hoge Raad een aantal factoren dat van belang is bij het beantwoorden van bovengenoemde vraag. De belangrijkste factoren die de Hoge Raad daar noemt zijn: de aard van de gevraagde gegevens, de omstandigheid dat die gegevens niet op een andere manier verkregen konden worden en de ernst van het delict waarvoor wordt vervolgd.

Dat de Hoge Raad bij het beoordelen van deze uitzonderlijke omstandigheden wel streng blijft en hoge motivatie-eisen stelt, blijkt uit een recenter arrest uit 2006. De rechtbank had hier een uitzondering op het verschoningsrecht aangenomen omdat het om de vervolging van een zeer ernstig feit ging, waar grote ophef over was ontstaan en de gegevens uit het medische dossier van groot belang waren voor het aan het licht brengen van de waarheid.
De Hoge Raad casseerde omdat de beslissing van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd was. De eisen van proportionaliteit en subsidiariteit werden geschonden wegens de aard en omvang van de opgevraagde informatie en het feit dat onvoldoende was onderzocht of de benodigde gegevens niet op een andere manier konden worden verkregen.

Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat de Hoge Raad weliswaar erkent dat er gevallen bestaan waarin de belangen die met het verschoningsrecht beschermd worden dienen te wijken voor de belangen van waarheidsvinding in een strafrechtelijke procedure. Er gelden zware motivatie-eisen en ook de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit moeten strikt in acht genomen worden.

Afgezien van de kleine ruimte die de Hoge Raad dus heeft gegeven, mag een arts niet getuigen betreffende gegevens die onder zijn geheimhoudingsplicht vallen. Als hij dit toch doet, is hij strafbaar op grond van artikel 272 Sr, maar de gegevens mogen wel gewoon gebruikt worden voor de bewijsvoering en de rechter mag er dus acht op slaan. Als je dit vergelijkt met het leerstuk van onrechtmatig verkregen bewijs, is dit eigenlijk uiterst merkwaardig. Immers, indien door een onbevoegde huiszoeking bewijsmateriaal is vergaard, kan hier wél de sanctie op staan dat dit bewijsmateriaal buiten beschouwing gelaten wordt.

Als men kijkt naar de ratio achter beide regelingen valt op dat deze een overlap hebben, gelegen in de rechten van de verdachte. Bij onrechtmatig verkregen bewijs ligt de nadruk op het recht van de verdachte op een ‘fair trial’, waarbij justitie ook aan regels gebonden is. Toch is hier mijns inziens ook een deel van de rechtsgedachte gelegen in de privacy van de verdachte. Pas wanneer er een in de wet omschreven en voldoende zware verdenking tegen iemand is, mag diens privacy geschonden worden en kan er bijvoorbeeld een huiszoeking gedaan worden.

Bij schending van het verschoningsrecht door een arts ten nadele van een van zijn patiënten, die in een strafzaak verdachte is, is ook de privacy in het geding. De ratio van het verschoningsrecht is dat iedereen vrijelijk tegen een arts moet kunnen spreken zonder de vrees te hebben dat dit op wat voor manier dan ook tegen hem gebruikt kan worden. Ik vind dat de schending van dit (in mijn ogen fundamentele) recht van een ieder, uitgezonderd de uitzonderlijke omstandigheden waaronder volgens de Hoge Raad een uitzondering hierop kan worden gemaakt, meer consequenties zou moeten hebben dan enkel het strafbaar stellen van de hulpverlener. De patiënt, wiens recht op geheimhouding geschonden is, heeft hier immers niets aan.
Mijns inziens zou hier een regeling moeten gelden die parallel loopt aan de regeling van onrechtmatig verkregen bewijs. Bij geringe schendingen kan dan gedacht worden aan een eventuele strafverlaging voor de verdachte en bij grove schendingen zou uitsluiting van het bewijs moeten gelden. Dit geldt uiteraard alleen als de verdachte tevens de patiënt is wiens privacy is geschonden.

Door het schenden van een verschoningsrecht door een hulpverlener te vergelijken met onrechtmatig verkregen bewijs, is ook een belangrijke taak voor het OM weggelegd. Het OM wordt hierdoor gedwongen om kritischer te gaan kijken naar de getuigenverklaringen van hulpverleners en de regels die hiervoor gelden. Indien het OM dit niet doet, bestaat immers de kans dat het OM het deksel op haar neus krijgt en dat het bewijs wordt uitgesloten.
Het OM moet mijns inziens dus een ex ante toetsing uitvoeren betreffende de vraag of een arts mag verklaren over bepaalde gegevens, in plaats van ex post te bekijken of het eigenlijk wel was toegestaan en of de arts dus stafbaar is. Bij deze ex post toetsing is het kwaad al geschied en zijn de rechten van de patiënt al geschonden. Ik denk dat deze door mij voorgestane benadering zeker in het belang van een ‘fair trial’ is.


  • 2

Verboden uiterste wilsbeschikkingen, waar moet de grens gelegd worden?

Zoals iedereen wel eens heeft gelezen, gezien in films of wellicht zelf heeft ondervonden kunnen zich met uiterste wilsbeschikkingen nogal wat gevoelige situaties voordoen. Hele breuken binnen families ontstaan bij het verdelen van de nalatenschap of het uitleggen van de uiterste wilsbeschikking. Dat kan tot jaloezie, hebzucht en veel bijkomend verdriet leiden. Er zijn kaders nodig bij de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen. De mogelijk beïnvloedbare persoon die de uiterste wilsbeschikking opstelt zal beschermd moeten worden tegen potentiële ‘golddiggers’ in zijn naaste omgeving. Daarom zijn er door de wetgever een aantal waarborgen gemaakt door middel van verboden uiterste wilsbeschikkingen. Ik zal deze verboden uiterste wilsbeschikkingen in het volgende stuk onder de loep nemen.
‘Een uiterste wilsbeschikking is een eenzijdige rechtshandeling, waarbij een erflater een beschikking maakt, die eerst werkt na zijn overlijden en die in dit Boek is geregeld of in de wet als zodanig wordt aangemerkt’,  aldus art 4:42 BW. Het document bepaalt dus waar de nalatenschap terecht zal komen. Het geschrift houdt de laatste wens in van de persoon die de uiterste wilsbeschikking opstelt en deze laatste wens kan een enorme invloed hebben. De laatste wens van de erflater moet zo duidelijk mogelijk zijn opgesteld en moet bovendien met grootst mogelijke waarborgen op een zo  zorgvuldig mogelijke wijze worden behandeld bij het openvallen van de nalatenschap. Voor de notaris is een belangrijke taak weggelegd bij zowel de begeleiding bij het opstellen van het testament als bij de uitleg van de uiterste wilsbeschikking.
Eerst moet er gekeken worden wat precies uit art 4:42 BW af te leiden valt. In art 4:42 BW zijn direct al een aantal belangrijke wetenswaardigheden over uiterste wilsbeschikkingen te ontdekken. Een uiterste wilsbeschikking is eenzijdig en het is ook duidelijk dat er een gesloten stelsel bestaat van uiterste wilsbeschikkingen omdat alleen Boek 4 van het burgerlijk wetboek van toepassing is. Ook is een uiterste wilsbeschikking herroepelijk, hetgeen soms tot bijzonder interessante situaties kan leiden. Met de afschaffing van contractuele erfstellingen en legaten van art 1:146 (oud) BW is het contractuele erfrecht verdwenen. Typerend aan het huidige stelsel is dat er geen enkele rechtsbinding bestaat tussen de testateur en de bevoordeelde tijdens het leven van de eerste. Slechts na het overlijden van de testateur zal er een rechtsbetrekking ontstaan. Bovendien is in tegenstelling tot het oude erfrecht slechts vernietigbaarheid mogelijk in plaats van nietigheid.
De wetgever heeft zich de kwetsbare positie van de erflater gerealiseerd. Er zijn om de erflater te beschermen een aantal artikelen opgesteld tegen bepaalde personen. Deze verboden uiterste wilsbeschikkingen staan omschreven in art 4:57-4:61 BW. De wetgever vond het nodig om de personen die in nauwe familierechtelijke betrekking met de erflater staan te beschermen en feitelijk ook de erflater zelf. Het gaat hier om personen die een grote invloed uit kunnen oefenen op de erflater die soms in een bijzonder kwetsbare en beïnvloedbare positie staat. Het belang van bescherming is met de jaren steeds groter geworden vanwege de grotere vermogens en ook de vergrijzing van de samenleving. De achterliggende gedachte van de wetgever bestaat uit de vrees van de wetgever dat de beschikking een voortvloeisel kan zijn uit ongeoorloofde beïnvloeding van de testateur.
Uiterste wilsbeschikkingen zijn dan vernietigbaar ondanks dat er geen onbekwaamheid is om de uiterste wilsbeschikking vast te stellen en er geen sprake is van onwaardigheid van de beoogde erfgenamen of bevoordeelden. Dit alles om de testateur zo weinig mogelijk negatieve prikkels te geven die het mogelijk maken dat de (toekomstige) erflater een testament maakt waar hij zelf niet achter staat, of welke onder druk tot stand is gekomen. De groep van personen is bewust niet te groot gemaakt. In de nota naar aanleiding van het verslag betreffende Vaststelling van artikel 7.3 van het nieuwe burgerlijk wetboek is een vraag beantwoord door de minister naar aanleiding van een vraag van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie. Volgens de minister behoort de thuiszorg niet tot de groep uitgesloten personen, omdat deze mensen niet of in mindere mate een vertrouwenspositie hebben met de testateur. De minister is van mening dat bijvoorbeeld de behandelend arts of geestelijk verzorger een grotere vertrouwensband met de erflater opbouwt. De zorgactiviteiten, dus ook de thuiszorg vallen hier niet onder. De minister bakent hier duidelijk de groep af die behoren tot de in artikel 4:59 BW genoemde personen. De wetgever heeft mantelzorgers daarom niet aangemerkt als personen die geen voordeel uit een uiterste wilsbeschikking mogen genieten. De beroepsbeoefenaren op het gebied van de individuele gezondheidszorg en de geestelijk verzorgers die de erflater behandelden of bijstonden tijdens de ziekte waaraan de erflater overleden is, zijn onbevoegd voordeel te trekken uit diens uiterste wil indien de volgende drie omstandigheden samenlopen:
–    Gedurende de ziekte moet de uiterste wil zijn opgesteld.
–    De erflater moet aan deze ziekte zijn overleden. Heeft een arts de erflater behandeld aan een ziekte, die vreemd is voor de doodsoorzaak dan is hij niet onbevoegd tot verkrijging van de uiterste wil.
–    De betrokkene moet hem gedurende die ziekte hebben bijgestaan en wel vóór de uiterste wil gemaakt is.

Door de leden van de Vaste Commissie voor Justitie is in het verleden geopperd om art 4:59 BW te schrappen wegens het willekeurige karakter van de bepaling. Volgens deze commissie zou daar de rol bij de notaris liggen voor het waarborgen van de belangen van de erflater. Van regeringszijde werd handhaving van het verbod bepleit. Volgens F.W.J.M Schols wordt door de commissie echter over het hoofd gezien dat de notaris niet bij elke uiterste wil betrokken is.   De bepaling is dus nog wel degelijk van belang. De notaris zal niet altijd in de positie zijn om de erflater op de gevaren te wijzen en eventueel te waarschuwen voor te invloeden van buitenaf. Bovendien kan het zo zijn dat de erflater ongevoelig is voor deze advisering. Er is dus niet volkomen willekeurig gekozen voor de groep personen die nu in artikel 4:59 BW staan.

De notaris heeft een belangrijke functie in het erfrecht en dus zijn ook deze bepalingen van toepassing, maar er is helaas niet altijd een testament gemaakt door de erflater. Indien de notaris wel een testament heeft gemaakt moeten wij er van uitgaan dat de erflater dit zo heeft gewild. Het legaat moet zo veel mogelijk uitgelegd worden naar de bedoeling van de erflater. De notaris is hiervoor opgeleid en heeft hiervoor hulpmiddelen beschikbaar (Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening). Hij is hiervoor ook tuchtrechterlijk aansprakelijk.   In zoverre heeft de notaris dus een doorslaggevende rol in de uitleg en de uiteindelijke toedeling van de boedel.De notaris die de erflater bij heeft gestaan bij het opmaken van de uiterste wilsbeschikking zal de erflater moeten behoeden voor feitelijk overwicht en misbruik van omstandigheden. Dit vloeit voort uit het arrest

Groningse Huwelijksvoorwaarden.

In de regel zal de notaris het testament passeren enkel in het bijzijn van de testateur en eventuele getuigen. Dat brengt meteen het belang van art 4:61 BW naar voren. Bij het opmaken van de uiterste wilsbeschikking zal de notaris een invloedrijke positie kunnen hebben ten aanzien van de erflater. Dat leidt ook tot het gevaar van zodanige beïnvloeding dat de notaris zelf bevoordeeld zou kunnen worden. Daarom is het van belang dat de notaris ook onder de groep valt van verboden personen.
Het probleem is echter veel groter als er geen testament, maar bijvoorbeeld een handgeschreven codicil is gemaakt. Het is moeilijk om achteraf te bepalen of de erflater op het moment van het opstelen van het codicil nog compos mentis was en het is daarom goed dat er een artikel is dat bepaalde personen uitsluit om te erven. Bij een codicil zal de veronderstelde professionaliteit en onpartijdigheid met de daarmee samenhangende adviserende en begeleidende rol van de notaris geen rol hebben gespeeld. Het codicil is daarmee ook een kwetsbare en minder betrouwbare vorm van het bepalen van de uiterste wil.
In tijden waarin mantelzorg, mede door de duurdere ziektekosten en de vergrijzing, steeds belangrijker wordt is het niet verstandig om een grote groep makkelijk uit te sluiten van een testamentaire bevoordeling. Een buurvrouw of man die jarenlang belangeloos gezorgd heeft voor de aftakelende buurman, kan dan in de hoek worden gezet door de onbekende neef die honderden kilometers verderop hoort van het overlijden van zijn tante. De kans bestaat dat de neef dan alles in het werk stelt om aan te tonen dat de buurvrouw mantelzorgster is in de ruimste zin van het woord. Het lijkt van maatschappelijk belang om de grenzen voor verboden uiterste wilsbeschikkingen niet al te ruim te leggen. Indien uiterste wilsbeschikkingen in al deze gevallen niet meer geldig zouden zijn, zou de zorg in Nederland wel eens een flinke optater kunnen krijgen.
Ruime uitleg van het begrip mantelzorgers is daarmee een onterechte beperking van de vrijheid van de erflater om te testateren. Het idee van het testament is dat de nalatenschap verdeeld wordt naar eigen inzicht van de erflater. Uitleg van het legaat moet dan ook zo veel mogelijk naar bedoeling van de erflater plaatsvinden mits onder een zekere mate van wettelijke bescherming. Inperkingen op deze vrijheid zijn nodig om beïnvloeding door invloedrijke, professionele dienstverleners die dicht op de erflater staan te voorkomen. Tevens biedt inperking bescherming aan de personen die anders erfgenaam zouden kunnen zijn. Indien de beperking van de testeervrijheid ook het terrein van de mantelzorg zou gaan beslaan, zou dit wel eens nadelige gevolgen kunnen hebben voor deze toch zeer belangrijke maatschappelijke sector. Het lijkt beter om in die gevallen op het gezonde verstand van de erflater te vertrouwen.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.