Category Archives: Jaargang 41 – Nummer 4

  • 0

Wetsvoorstel 28867, waar wachten we op?

Wie nu in het huwelijksbootje stapt, trouwt in gemeenschap van goederen, tenzij anders overeen wordt gekomen bij huwelijkse voorwaarden. Als één van de partners een schenking of erfenis ontvangt dan deelt de partner voor 50% mee in de ontvangsten. Indien wetsvoorstel 28867 wordt ingevoerd zal dit veranderen. Dan zullen erfenissen en schenkingen gaan behoren tot het privé vermogen van de echtgenoot. Er zullen dus in ieder geval dan 3 vermogens ontstaan. Er zijn dan de 2 privé vermogens van de gehuwden, en daarnaast een 3e gemeenschappelijk vermogen. Het systeem zal er dus wat gecompliceerder van worden. De afweging in de politiek lijkt ook te zijn of het niet nodeloos ingewikkeld wordt door de invoering van het nieuwe systeem en of de maatschappij geen baat heeft bij de instandhouding van het huidige systeem wat eenvoudiger doet ogen. Echter, reeds 2 jaren ligt het wetsvoorstel 28867 inzake de aanpassing van de wettelijke gemeenschap van goederen op behandeling van de Tweede Kamer te wachten. Nadat de ChristenUnie te kennen gaf de behandeling van dit wetsvoorstel wederom uit te willen stellen, riepen 14 hoogleraren de Tweede Kamer op om de invoering van de beperkte gemeenschap snel te aanvaarden. Nu lijkt het toch eindelijk doorgevoerd te gaan worden. maar wat houdt het wetsvoorstel precies in? En de belangrijkste vraag is eigenlijk of de modale burger bij de invoering gebaat is?
Wetsvoorstel 28867 en huidige problemen
Indien er tussen echtgenoten geen huwelijkse voorwaarden overeen zijn gekomen, regelt dit wetsvoorstel op welk huwelijksvermogensstelsel het huwelijk gebaseerd is. Dit betekent een grote verandering ten opzichte van het huidige systeem waar men onder algehele gemeenschap van goederen huwt indien men hiervan niet afwijkt bij huwelijkse voorwaarden. De huwelijkse voorwaarden kunnen voor en tijdens het huwelijk worden afgesloten. Maar indien men het uitstelt bestaat er het risico dat de gemeenschap verdeeld moet worden naar rato van de gemeenschap van goederen. Zo ondervond men in het geval van het Zweedse Schone arrest. In dit arrest wilden een rijke Nederlandse man met een Zweedse vrouw gaan trouwen. Echter er was geen tijd om huwelijkse voorwaarden overeen te komen maar er werd onderling afgesproken om dit later te regelen. Nu deed zich de ongelukkige omstandigheid voor de man voor, dat het huwelijk al strandde voor de huwelijkse voorwaarden overeengekomen waren. Zouden de onderhandelingen die wel degelijk voor het huwelijk plaats gevonden hadden nog enige invloed kunnen hebben op de verdeling van de boedel? Nee, was de resolute conclusie van de Hoge Raad. De gemeenschap van goederen was geldig omdat er geen huwelijkse voorwaarden opgesteld waren en een voorovereenkomst tot het aangaan van huwelijkse voorwaarden op een later moment is niet geldig.  Hier was het slechts voor de man ongewenst dat huwelijkse voorwaarden overeen zouden zijn gekomen. Uit deze zaak is de kracht van de gemeenschap van goederen op dit moment af te leiden. Indien in het thans geldende stelsel een erfenis of schenking wordt verkregen valt dit ook in de gemeenschap tenzij er een uitsluitingsclausule op rust. Dit wordt ook vaak als hoogst onwenselijk ervaren.
Indien het huwelijk zoals in de bovenstaande zaak al vroeg op de klippen loopt, valt de helft van de erfenis of schenking toe aan de echtgenoot voor wie het niet bedoeld is. Naar huidig recht valt een erfenis of schenking dus ook aan de aangetrouwde kant. Slechts de inkomsten uit arbeid zouden wel in de gemeenschap moeten vallen omdat dit als rechtvaardig wordt beschouwd.
Volgens het nieuwe wetsvoorstel zouden op die manier geen schenkingen en erfenissen meer in de gemeenschap vallen. Dit zou een rechtvaardiger systeem zijn dan het huidige systeem. Een voorbeeld van een casus waarin een erfenis zonder uitsluitingsclausule aan de orde kwam, werd in een arrest  van de Hoge Raad van 17 november 2000 duidelijk. , NJ 2001, 349. In deze zaak kwam er tijdens de echtscheidingsprocedure een erfenis in de boedel. Als de persoon die de erfenis had nagelaten had geweten van de echtscheiding, zou er met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een uitsluitingsclausule op zijn gevestigd. De HR wilde in dit geval ook geen uitsluitingsclausule inlezen.  Ook in deze casus is het hoogst ongewenst om een erfenis of schenking in de gemeenschap te laten vallen. Vaak wordt het als onwenselijk ervaren dat schenkingen en erfenissen van rechtswege gemeenschappelijk worden als ze in de gemeenschap vallen. In verschillende landen is al eerder overgestapt naar een beperkte gemeenschap. Zo is bijvoorbeeld Portugal in 1966 overgestapt en Brazilië in 1977.
Het blijkt in de praktijk vaak zo te zijn dat partners zich niet of nauwelijks bewust zijn van de gevolgen die intreden indien in een huwelijk wordt getreden. Men ervaart het vaak als een mooie symbolische mijlpaal in een mensenleven. Soms komen dan de financiële consequenties later aan het licht. Vaak is het zo als er knelpunten ontstaan, bijvoorbeeld indien van de echt gescheiden wordt. Pas als er problemen ontstaan wordt men geconfronteerd met de harde feiten.
Maatschappelijke ontwikkelingen
Na de Tweede Wereldoorlog zijn er 2 ontwikkelingen in het huwelijksvermogensrecht te constateren. Allereerst dat in vrijwel ieder testament dat wordt afgesloten tegenwoordig een uitsluitingsclausule wordt opgenomen. En ten tweede dat het aantal huwelijkse voorwaarden sterk is toegenomen terwijl het aantal huwelijken is gedaald. Vanuit beide ontwikkelingen bezien, is het opmerkelijk waarom erfenissen en schenkingen volgens het huidige systeem nog immer in de gemeenschap vallen. De tijd lijkt rijp om er verandering in te brengen door het wetsvoorstel.
In vrijwel ieder testament dat wordt afgesloten wordt tegenwoordig een uitsluitingsclausule opgenomen. In zoverre moeten constant door de schenker of erflater handelingen worden verricht om de schenking of het legaat terecht te doen komen op de plek waarvoor het bestemd is. Die handeling bestaat uit het opnemen van de uitsluitingsclausule. Weinig erflaters of schenkers zullen zich zonder gedegen voorlichting realiseren wat de consequentie is als ze geen uitsluitingsclausule opnemen. Daarmee valt het in de gemeenschap voor de helft toe aan de aangetrouwde persoon indien de erfenis of schenking gedurende het huwelijk aan de boedel toekomt. Rechtvaardiger zou het zijn, en naar de praktijk bekeken ook voor het gros van de gevallen, om het om te draaien en te zorgen dat de schenking of de erfenis wel in de gemeenschap kan vallen, alleen dat via een notariële akte zou moeten worden geregeld. Naar de praktijk gekeken is het daarom ook van groot belang om wetsvoorstel 28867 door te voeren.
In de loop van de jaren is er een daling te zien in het aantal huwelijken dat jaarlijks worden aangegaan. Daarbij is een sterke stijging te zien van het aantal huwelijken dat daarbij wordt aangegaan onder huwelijkse voorwaarden. in 2002-2003 bedroeg dit aantal meet dan 25% ten opzichte van ongeveer 10% rond 1970. In ongeveer 50 jaar tijd is het aantal huwelijkse voorwaarden ongeveer verviervoudigd.

Bezwaren
Op dit moment is het belangrijkste bezwaar tegen het wetsvoorstel dat er consequent drie vermogens zouden ontstaan. Namelijk het vermogen van partner A, het vermogen van partner B en het gemeenschappelijk vermogen. Het bezwaar dat er een nodeloos ingewikkeld systeem door zou worden gemaakt, begint ook sterk in kracht af te nemen. Er zijn in de praktijk in de meeste gevallen aan een testament of schenking al uitsluitingsclausules verbonden. Dus in de praktijk zijn er al vaak drie vermogens. Als er wordt gekeken naar het buitenland, dan is in geen enkel land te merken dat er noemenswaardige afwikkelingsproblemen ontstaan. Er is gedurende 10 jaar uitgebreid onderzoek uitgevoerd en veel gediscussieerd in de literatuur en de rechtswetenschap. In een uitgebreide enquête  gehouden door de KNB is naar voren gekomen dat 90 % van de beroepsgroep die er dagelijks mee werken vóór de invoering van een beperkte gemeenschap is.
Conclusie
Het meest redelijke systeem is dat degene die een huwelijk beschouwt als een leefgemeenschap tussen twee personen, aanvaardt dat de inspanningen die deze personen leveren gedurende het huwelijk vermogen genereert, dat in beginsel aan beide echtgenoten toekomt. Beide partners participeren gedurende het huwelijk in gelijke mate aan vermogensvorming. Daarnaast wordt er in de meerderheid van de gevallen ervaren dat het onwenselijk is dat erfenissen en legaten in de gemeenschap vallen. Gezien de maatschappelijke ontwikkelingen van de afgelopen vijftig jaren lijkt het huidige stelsel een gedateerd stelsel te zijn en toe aan vervanging. De signalen vanuit de wetenschap en de praktijk geven eveneens aan dat er een sterke behoefte bestaat tot de invoering van het wetsvoorstel 28867. De bezwaren zijn eigenlijk deels ontkracht door de thans werkende praktijk en de ervaringen in verschillende landen. De Tweede Kamer is nu aan zet en we zullen zien wanneer de knoop wordt doorgehakt.


  • 0

Olieprijzen; is er een plafond?

Vorig jaar had ik nog een auto, een simpel Peugeotje 205, een dieselmotor op advies van mijn oude buurjongen. Hij had al jaren in deze ijzersterke autootjes rondgereden. Een diesel was onverwoestbaar en daarbij lekker goedkoop. Ik tankte bij aanschaf in mei 2007 voor 93 eurocent per liter. Bij verkoop in oktober was dat 1,12 euro bij dezelfde benzinepomp. Het lijkt een redelijk onschuldige prijsstijging, maar feitelijk heb je het over een inflatie van meer dan 20% in vijf maanden tijd. Ten tijde van het schrijven van dit artikel is de landelijke adviesprijs voor een liter diesel 1,48 euro (28 mei 2008).  In een jaar tijd betekent dit een prijsstijging van ruim 59% voor een liter diesel.

Wereldwijd stijgen de prijzen van olie en voeding. Maar de prijsstijging van brandstof in de laatste jaren lijkt te duiden op een crisis. In de jaren ’70 is ook sprake geweest van een oliecrisis, toen steeg de prijs van een vat ruwe olie van 12,80 dollar in 1973 naar 40,50 dollar in 1974, een prijsstijging van meer dan 300%. In 1978 steeg de prijs wederom van 36 dollar naar 71,30 in 1979, wederom een fikse stijging van bijna 200%. De prijs is daarna echter wel weer gezakt. In 2004 was de prijs van een vat ruwe olie namelijk 34,80 dollar.   Op dit moment ligt de prijs van een vat ruwe olie op 130,79 dollar. In vier jaar tijd is de prijs dus gestegen met 376%. Sceptici en andere analisten verwachten dat de olieprijs in 2008 nog wel door de 150/175/200+ dollargrens zal breken.  Of dit terecht is valt, gezien de ontwikkeling van de olieprijs in de afgelopen 40 jaar, nog te bezien.

Tot op heden lijkt de consument de stijging wel te slikken. Automobilisten leken er niet minder om te rijden, en ook de transportsector bleef verrassend rustig. Consumenten merken van de prijsstijging behalve aan de pomp ook niet heel veel. De klap komt meestal wat later. Transporteurs berekenen de hogere prijzen van de brandstof door aan de opdrachtgevers. Zij berekenen deze prijsstijging ook weer door aan de kopers en zodoende wordt alles langzamerhand duurder. Pas na een jaar sturen energiebedrijven een nieuw voorschotvoorstel voor energie. In de tussentijd zijn de prijzen riant gestegen en dan merkt de consument ineens dat het bedrag van de energierekening met rasse schreden omhoog gaat. Studenten zullen in de regel mazzel hebben, tegen de tijd dat de huisbaas dergelijke prijsstijgingen een keer in de huurprijs heeft verwerkt zijn de meesten onder ons goed en wel afgestudeerd.

In Nederland is een aantal organisaties verenigd om het welbekende ‘Kwartje van Kok’ , de accijns van f 0,183 (dus € 0.083) per liter benzine per die op 1 juli 1991 is ingevoerd om het tekort in de begroting terug te doen dringen, af te laten schaffen.  Destijds is niet gesuggereerd (zoals nu wel wordt beweerd) dat deze maatregel van tijdelijke duur zou zijn. Nog altijd is het doel van de regering om het hiermee verdiende geld te investeren in (water)wegen en openbaar vervoer.  Het kwartje van Kok terugvragen of eisen lijkt geen reële optie. Een andere vorm van compensatie door de nationale overheid vanwege de hoge brandstofprijs lijkt al snel op staatssteun.

Op Europees niveau ontstaat er wel wat stress. Want inmiddels beginnen de protesten tegen de achteroverleunende overheid her en der te ontstaan. Spaanse en Franse vissers, Britse vrachtwagenchauffeurs en ook de Nederlandse vervoerssector beginnen met acties.  Het doel van de acties is vrij helder, de prijs van brandstof moet naar beneden, en wel door de overheid.

Staatssteun, altijd ongewenst?
Hoewel staatssteun klinkt als iets dat door het EG-verdrag verboden wordt, is dit vooral in Europees verband niet helemaal waar. Wat de precieze betekenis van het begrip staatssteun inhoudt valt niet terug te vinden in het EG-verdrag. Het Europese Hof heeft door verloop van tijd in de jurisprudentie een invulling aan het begrip staatssteun weten te geven wat neerkomt op de meeste handelingen door de overheid die een onderneming begunstigen ten opzichte van zijn concurrent. Impulsen van de overheid in een open markt economie kunnen de mededinging ernstig verstoren. Staatssteun heeft vaak een concurrentievervalsende werking want soortgenoten in een branche die de steun niet krijgen moeten op eigen kracht hetzelfde bereiken. Het is dan ook zaak om de ten onrechte uitgekeerde staatssteun terug te laten vorderen door de staat. Hoe de staatssteun dient te worden terug gevorderd is weer niet terug te vinden in het EG-verdrag, dit leidt tot onduidelijkheid. De Europese commissie staat voor een impasse, want overheden die de brandstofprijzen kunstmatig laag houden doen aan staatssteun. Deze vorm van staatssteun is echter niet mededingingsstorend in eigen land omdat een accijnsverlaging invloed heeft op alle burgers van dat land, echter internationaal gezien kan wel sprake zijn van concurrentievervalsing.

Geschiedenis
In Europa is sinds het verdrag van Maastricht, begin jaren negentig, sprake van een open en vrije markt. Goederen, kapitaal en diensten moeten met zo min mogelijk beperkingen kunnen worden verhandeld. Om deze reden is vanaf begin jaren negentig een grote tendens ontstaan in Europa om allerlei staatsbedrijven te privatiseren en de voormalige staatsbedrijven nauwlettend in de gaten te houden. Zo is in Nederland de PTT in 1989 opgesplitst en geprivatiseerd naar KPN en het huidige TNT. Aanvankelijk was de Staat ongeveer de enige aandeelhouder in de geprivatiseerde Koninklijke PTT Nederland (KPN), momenteel is dat belang zo ongeveer nihil.  De telecom- en postmarkt wordt in Nederland uiterst scherp in de gaten gehouden door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) en de Onafhankelijke Post en Telecom Autoriteit (OPTA).

Naast de telecom- en postmarkt zijn ook de sectoren energie, zorg, media, landbouw en visserij en verzekeringen in het verleden vaak afhankelijk of in eigendom geweest van de staat. Momenteel is nog altijd een gedeelte hiervan (deels) in handen van de overheid. Hoewel de Europese regelgeving vaak vrij helder is en de doelen duidelijk zijn, is het nog niet altijd even makkelijk om deze doelen allemaal te realiseren. Verschillende elementen spelen hierbij een rol. Zo werken de Fransen bijvoorbeeld maar mondjesmaat mee met het liberaliseren van de energiemarkt, wat deels als een emotionele reactie kan worden gezien.  Een andere reden waarom de vrij heldere Europese doelen geen uitvoer lijken te vinden zit hem ook in het feit dat sommige doelen van een onderneming of instelling commercieel niet gerealiseerd kunnen worden. Al snel komt men dan terecht bij ondernemingen en instellingen die hun kernactiviteiten verrichten in sectoren als de zorg, sport en cultuur. Juist voor deze sectoren bestaan voor overheden mogelijkheden om toch staatssteun te bieden zonder dat deze verboden is.

Wettelijk kader
Staatssteun kan worden verleend indien een lidstaat zijn voornemen tot het verlenen van staatssteun vooraf meldt bij de Europese Commissie. De Europese Commissie toetst het voornemen en kan dit goedkeuren. Wanneer de Europese Commissie het voornemen afkeurt dan zal de procedure van artikel 88 lid 2 EG worden gevolgd.

De uitzondering dat staatssteun niet terug betaald hoeft te worden is in twee gevallen van toepassing:
1.    Terugvorderen van steun terwijl steunontvangers zich beroepen op een gerechtvaardigde verwachting.
2.    Terugvordering van steun die door de commissie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.

Het begrip ‘verenigbaar met de gemeenschappelijke markt’ wordt nader uitgelegd in artikel 87 lid 3 van het EG-verdrag. Hieronder vallen ondermeer sociaaleconomische en culturele doelen. Met name de laatste, maatregelen om de cultuur en de instandhouding van het cultureel erfgoed te bevorderen (artikel 87 lid 3 sub d EG-verdrag), wordt vaak door lidstaten toegepast om de financiële steun in het openbare omroep systeem te waarborgen. Of deze vorm van staatssteun nu wel altijd kan is niet eenvoudig te beantwoorden.

De praktijk
Naar aanleiding van klachten van SBS Nederland en RTL Nederland medio 2002 heeft de Europese Commissie in 2004 een onderzoek ingesteld of sprake was van staatssteun van de Nederlandse overheid richting de Nederlandse publieke omroep. In juni 2006 besloot de Europese Commissie dat de Nederlandse overheid een bedrag van 86,5 miljoen euro (inclusief rente) terug diende te vorderen van de Publieke Omroep wegens strijdig handelen met de regels omtrent staatssteun.  Het is niet eenvoudig om een eenduidig antwoord te geven op de vraag of de overdracht van staatsmiddelen leidt tot verstoring van de mededinging.

Aanvankelijk beginnen procedures over terugvorderen van ‘onrechtmatig’ verkregen of vergeven staatssteun bij de nationale rechter. Om het EG-verdrag van toepassing te laten verklaren moet voldaan worden aan de eis dat de handel tussen lidstaten ongunstig wordt beïnvloedt door de gedraging. Dergelijke ongunstige beïnvloeding wordt echter snel aangenomen.  Het Europese Hof van Justitie hanteert de regel dat iedere vorm van overdragen van overheidsmiddelen aan een bepaalde onderneming, mits voldaan aan artikel 87 lid 1 EG, als staatssteun wordt beschouwd.  Dit wil niet zeggen dat deze staatssteun onrechtmatig is, de steun kan na toetsing aan artikel 87 lid 2 of lid 3 van hetzelfde EG-artikel verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden verklaard. Het zijn echter wel uitzonderlijke omstandigheden waarin een beroep van begunstigden op gerechtvaardigde verwachtingen in de rechtmatigheid van door hen ontvangen steun nog door de nationale rechter wordt toegewezen. Hiervoor is echter als zeer strikte voorwaarde van belang dat de onderneming de procedurevoorschriften op correcte wijze heeft nageleefd. Ondernemingen hebben namelijk geen schijn van kans om aanneembaar te maken dat er sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen, in wat voor geval ook, als niet aan de procedurevoorschriften van artikel 87 is voldaan.  Dit uitgangspunt wordt zo strikt gehanteerd vanwege het communautaire belang bij dit ‘herstel in de vroegere toestand’.

Volgens een conclusie van Adriaanse worden nationale rechters onder invloed van het gemeenschapsrecht feitelijk gedwongen de belangen van de begunstigden ondergeschikt te maken aan het algemene belang van effectieve handhaving in de zin van artikel 88 lid 3 laatste zin EG, en in het bijzonder de belangen van door onrechtmatige staatssteun gedupeerde particulieren.  Terugvordering door de commissie kan niet louter op basis van artikel 88 lid 3 EG-verdrag plaatsvinden, hiervoor is namelijk tevens vereist dat vastgesteld kan worden dat de steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.

Ook lidstaten dienen op grond van de gemeenschapstrouw die verankerd ligt in artikel 10 van het EG-verdrag constructief mee te werken met de Europese Commissie. Dit betekent dat een door de Europese Commissie opgelegde terugvorderingsplicht in bijna alle gevallen uitgevoerd dient te worden. Lidstaten hebben hierin geen beoordelingsvrijheid. Slechts in het geval van volstrekte onmogelijkheid om de terugvorderingsbeschikking correct uit te voeren kan terugvordering door een lidstaat achterwege blijven.  Het enkele feit dat een begunstigde failliet is, blijkt hiervoor niet voldoende aanleiding te zijn. Het Europese Hof heeft tot op heden nog geen van de verzoeken van lidstaten ingewilligd.

Ontwikkeling in de aanpak
Pas sinds 1985 heeft de Europese Commissie zelf bevoegdheid om onrechtmatig verleende staatssteun terug te vorderen. In juni 2005 heeft de Europese commissie een actieplan gepresenteerd waardoor handhaving en toezicht op staatssteun een impuls moet krijgen. Tenuitvoerlegging naar aanleiding van een bevel van terugvorderingen van staatssteun moet korter worden dan de huidige gemiddelde termijn van vijf jaar.  Daarbij moet een aantal onzekerheden worden weggenomen. Zo bestaan er onduidelijkheden over de manier waarop een lidstaat aan de terugvorderingsplicht dient te voldoen. Wat moet worden verstaan onder het begrip onverwijld, en wanneer is terug betaald? Dergelijke vragen zijn niet in regelgeving vastgelegd en lijken lidstaten dan toch beoordelingsruimte te geven in de wijze waarop zij met behulp van nationale rechtsregels dienen te voldoen aan de terugvorderingsplicht. Jurisprudentie dient hier uit te wijzen of dit rechtens juist is.
Ook in Nederland lijkt de Nationale regelgeving in gebreke te blijven om het Europese beleid op juiste wijze uit te voeren. De Nederlandse rechter blijkt snel geneigd te zijn een schorsing van een terugvorderingsmaatregel uit te spreken op basis van nationale toetsing terwijl hij anderzijds zeer terughoudend is in het herstellen van de lacunes in de Nederlandse wetgeving door gemeenschapsconforme toepassing van de toepasselijke voorschriften.  De Nederlandse overheid is al enige tijd bezig met aanpassingsvoorstellen om tot een meer gemeenschapsconform nationaal recht te komen. In het Burgerlijk Wetboek zal zelfs een zelfstandige titel voor terugvordering en ongedaanmaking van steunmaatregelen worden toegevoegd om op een zo adequaat mogelijke wijze op te kunnen treden.
Hoeveel wetgeving ook zal worden gewijzigd, de rol van de (nationale) rechter blijft van belang. Ook de (lagere) overheid heeft een vinger in de pap. Terugvorderen en vervolgens (eenmalig) meer subsidie verlenen compenseert weer en zorgt dat de mededinging uiteindelijk nog steeds verstoord blijft.

Conclusie
Dat onrechtmatig verleende staatssteun moet kunnen worden teruggevorderd behoeft geen betoog. De wijze waarop dit dient te geschieden blijkt tot onduidelijkheden te leiden en zorgt voor een stroom jurisprudentie en een tot nu toe hakkelend beleid op dit terrein. Het Actieplan Staatssteun van Nelie Kroes lijkt hierin een positieve bijdrage te leveren, echter resultaten kunnen pas na verloop van jaren worden vernomen. Lidstaten zullen nationale wetgeving aan moeten passen om tot een meer gemeenschapsconforme interpretatie te komen. Hierdoor bestaat voor nationale rechters ook minder onzekerheid met betrekking tot de houding die zij aan dienen te nemen.

Wel moet men de mogelijkheid tot het verlenen van staatssteun open blijven houden, deze mogelijkheid moet niet te veel worden beperkt door lange trajecten en zware procedures voordat de commissie uiteindelijk toestemming verleent. Voor de economisch onrendabele sectoren als sport en cultuur moet het voor de overheid mogelijk blijven om steun te verlenen. Het kan namelijk nooit de bedoeling zijn geweest van de Europese Gemeenschap om omwille van een onverstoorde markt te zorgen dat er geen publieke omroep meer kan bestaan of voetbalveld kan worden aangelegd in een probleemwijk.
Of de compensatie van de hoge brandstofprijzen moet worden gerealiseerd door nationale overheden is de vraag. Misschien is een structurele oplossing, zoals een Europees prijsniveau voor brandstof, het beste. De Europese Commissie kan dan ingrijpen wanneer de prijzen uit de hand dreigen te lopen. Bij te hoge prijzen hoeft geen sprake van staatssteun meer te zijn en bij lage prijzen kan de commissie door middel van prijsbeleid de brandstofconsumptie ietwat reguleren.

Vooralsnog is het alleen maar hopen dat sociaaleconomische en politieke omstandigheden in olieproducerende landen stabiliseren en voorraden stabiel blijven zodat de wereldwijde prijs van ruwe olie weer wat zakt.


  • 0

Alternatieve geneeskunde: Wat vindt Nederland en wat vinden rechters?

Er is een hevige maatschappelijke discussie gaande met betrekking tot alternatieve genezers. Moeten deze aangepakt worden als er wat mis gaat? Of juist niet? Hebben ze een zorgplicht? Of gaat het zelfbeschikkingsrecht van een patiënt voor? Op 20 augustus 2001 overlijdt Sylvia Millecam aan de gevolgen van onbehandelde borstkanker. De Vereniging tegen de Kwakzalverij en Stichting Skepsis waren het niet eens met de beslissing van het Openbaar Ministerie om de alternatieve genezers bij wie Millecam onder behandeling was, niet te vervolgen. De vereniging en de stichting begonnen een procedure tegen het OM, en niet zonder resultaat: op 9 april j.l. besloot het Hof in Amsterdam dat er alsnog een onderzoek moet worden ingesteld tegen Jomanda en twee alternatieve genezers.

De feiten

In 1999 gaat Sylvia Millecam  met een knobbeltje in de borst niet naar een chirurg, maar naar een alternatieve arts. Deze zou geconstateerd hebben dat er niets aan de hand is. Vervolgens gaat ze in 2000 naar een reguliere arts. Deze constateert borstkanker. Millecam gaat naar Jomanda – het genezend medium – en een paragnost. In 2001, in de nacht van 19 op 20 augustus overlijdt Sylvia Millecam. In 2004 doet de Inspectie voor de Gezondheidszorg aangifte tegen Jomanda en alternatieve genezers. Bij het Medisch Tuchtcollege wordt een procedure gestart. Op 7 februari 2006 verzoekt de Inspectie voor de Gezondheidszorg in hoger beroep om de behandelende artsen uit hun functie te zetten. In april van datzelfde jaar worden drie artsen, waarvan twee permanent, uit hun ambt gezet. Op 3 oktober besluit het Openbaar Ministerie artsen en alternatieve genezers, onder wie Jomanda, niet te vervolgen. Begin 2007 begint de Vereniging tegen de Kwakzalverij en Stichting Skepsis een procedure tegen het Openbaar Ministerie om alsnog vervolging af te dwingen. Dit via een zogenoemde ‘artikel 12-procedure’ . De vereniging en de stichting zijn er naar eigen zeggen niet op uit om nou per sé Jomanda c.s. te laten veroordelen, maar willen zorgen dat er een algemeen signaal wordt afgegeven richting de alternatieve genezers. Op 9 april 2008 komt de uitspraak van het Gerechtshof in Amsterdam: het Openbaar Ministerie moet Jomanda en twee alternatieve artsen alsnog vervolgen. Ter onderbouwing van deze beslissing stelt het hof dat het OM in eerste instantie als gronden voor het sepot had gegeven de eigen schuld van Millecam en haar zelfbeschikkingsrecht. Millecam zou een voortdurende afkeer hebben getoond van het behandelplan dat haar door de reguliere artsen werd aangeboden. Daarbij zou zij telkens te kennen hebben gegeven de voorkeur te hebben voor alternatieve geneeswijzen. Echter, het hof acht dit niet doorslaggevend voor de vraag of Jomanda en de andere twee hun zorgplicht hebben geschonden. Nog altijd zijn de drie verantwoordelijk voor deugdelijkheid van de te bieden zorg. Daarbij komt nog dat patiënten met een levensbedreigende ziekte nogal eens geneigd zijn open te staan voor al hetgeen hoop biedt en te vertrouwen op diegene die hun genezing in het vooruitzicht stelt.

Fouten in de reguliere geneeskunst en vertrouwen in alternatieve geneeswijzen

Er is veel kritiek op de alternatieve geneeswijzen. Wat er met Millecam is gebeurd, is natuurlijk vreselijk en daarom wordt ook nagedacht over ruimere sancties tegen alternatieven. Echter, de reguliere praktijk kent ook excessen die het daglicht eigenlijk niet kunnen verdragen. Prof. mr. Sluijters  stipt aan :

•    De affaire in Boxtel: beweerde dood drie patiënten door onenigheid in operatiekamer;
•    De veroordeling van de Utrechtse kindercardioloog: schuld aan dood van een meisje;
•    Elkerliek-affaire: ernstige fouten door onenigheid tussen gynaecologen.

Ondanks vele verwijten vanuit het reguliere artsen-kamp richting alternatieve genezers gaat er dus bij hen ook het een en ander mis. Ik denk dat we dit ook niet uit het oog mogen verliezen.
Daarnaast is het zo dat de cijfers met betrekking tot alternatieve genezers ook duidelijk zijn: Ongeveer 11 a 15% van de bevolking bezoekt alternatieve hulpverleners. Dat zijn rond de twee miljoen mensen per jaar. Met Sluijters ben ik het roerend eens: “Zou het er in die wereld allemaal geheel negatief aan toegaan dan zou men lang niet zo massaal daar zijn heil zoeken”.

Is vervolging nog zinvol?

De vervolgingskeuze van het Hof Amsterdam, waarop met veel blijdschap werd gereageerd bij de verenigingen, werd door Hendrik Kaptein  gerelativeerd. Want als het nu zo is dat Jomanda en de andere twee alsnog vervolgd worden voor de dood van Sylvia Millecam, dan kan de zaak meteen worden afgedaan met verjaring.
De drie belangrijkste gronden waarop een beroep had kunnen worden gedaan door het OM zijn volgens Kaptein dood door schuld, zwaar lichamelijk letsel door schuld en in hulpeloze toestand brengen of laten van een hulpbehoevende. Als men art. 70 Sr. bekijkt dan kan er inderdaad niet anders geconcludeerd worden dan tot verjaring, ten minste wat bovengenoemde acties betreft. Volgens Kaptein zou ook nog mogelijk kunnen zijn:  eenvoudige mishandeling of opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, of in hulpeloze toestand brengen of laten ondanks rechtsplicht tot verpleging.

Daarnaast heeft volgens Kaptein het Hof Amsterdam de deur van strafoplegging al praktisch dichtgegooid. Want, zo stelt Kaptein, het Hof Amsterdam heeft bepaald dat ‘de werking van de wondermiddelen aan het oordeel van de strafrechter is onttrokken’. Inderdaad wordt het nu lastig. Aan de ene kant stelt het hof namelijk vast dat de rechter moet aannemen – om tot een veroordeling te komen – dat toepassing van de reguliere geneeskunst wel had gewerkt . Aan de andere kant stelt het hof in zijn arrest het volgende: “Vooropgesteld zij dat in een door klagers verlangde strafrechtelijke vervolging van B, K en D geen ruimte is voor een rechterlijke beoordeling in algemene zin van het nut of de risico’s van methoden, geneeswijzen of medische therapieën die een – zoals dat heet – “alternatief” karakter dragen.” Met andere woorden: Er moet bewezen worden dat de reguliere behandeling had gewerkt, maar er mag niet onderzocht worden of de reguliere behandeling heeft gewerkt. Een zeer lastige, dan wel onmogelijke, spagaat. Dat ben ik wel met Kaptein eens.

Daarnaast, zo stelt Kaptein, is het zo dat de kroongetuige (Sylvia Millecam zelf) is overleden en dat het daarom ook lastig wordt om aansprakelijkheid aan te nemen. Immers, zij kan alleen zelf duidelijkheid geven omtrent haar wensen. Dit vind ik een minder sterk argument van Kaptein. Natuurlijk, het staat als een paal boven water dat de zaken er wat gemakkelijker voor hadden gestaan wanneer Millecam nog in leven was. Betekent dat echter dat elke zaak waarbij een kroongetuige overleden is, onmogelijk op te lossen is? Ik hoop het niet.

Verschillende meningen in Nederland

De strafzaak die gaat dienen tegen Jomanda en de twee alternatieve genezers is zeker geen makkelijke. De centrale kwestie zal zijn of de drie personen verantwoordelijk zijn voor de dood van Sylvia Millecam.

Zeer recent werd bij het televisieprogramma ‘Het hof van Joosten’  een vergelijkbare zaak gereconstrueerd die uit de praktijk is gehaald. Verschillende mensen, waaronder reguliere behandelaars, alternatieve behandelaars, patiënten en ‘het publiek’ werden om meningen gevraagd. De casus was dezelfde als die waarover het Gerechtshof Den Haag op 27 maart 2006 uitspraak deed , nadat de zaak door de Hoge Raad was terugverwezen.
Een vrouw gaat met baarmoederhalskanker naar een macrobioot voor behandeling. De alternatieve genezer schrijft een behandeling voor die zonder resultaat blijft. Het gaat slechter en slechter met de vrouw en uiteindelijk komt ze te overlijden. De vraag was of de macrobioot schuldig was aan het ‘opzettelijk benadelen van de gezondheid van de patiënt met als gevolg zwaar lichamelijk letsel’. Ja, aldus het hof. Daarvoor werden onder meer de volgende overwegingen aangevoerd:

•    De macrobioot deed zich voor als behandelaar;
•    De macrobioot had een sterke afkeer tegen de reguliere geneeskunst en heeft dit ook aangegeven aan de patiënt;
•    De macrobioot wist dan wel behoorde te weten dat de kans van slagen bij een reguliere behandeling groot was;
•    De patiënte had een grote angst voor snijden. Dit wist de macrobioot;
•    De macrobioot kon geen enkel voorbeeld geven van een patiënt die dankzij een dusdanige alternatieve behandeling van kanker genezen was;
•    Conclusie: De macrobioot heeft een zorgplicht ten opzichte van de patiënt.

De macrobioot werd dus schuldig bevonden en werd veroordeeld tot zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar en een boete van tweeduizend euro.

Aan het begin van het programma werd aan de verschillende groepen mensen in de zaal de volgende vraag gesteld: “ Is de macrobioot verantwoordelijk?” Bij de behandelaars werd deze vraag door 69% bevestigend beantwoord. 71% van de patiënten gaf hier als antwoord ‘ja’ en bij het publiek was dit percentage 61. Aan het begin van het programma, wanneer mensen dus nog geen meningen hebben gehoord van de rechter, advocaat en OvJ (die ook aanwezig zijn), vind de meerderheid dus dat de macrobioot veroordeeld moet worden. Mr. Gerard Spong trad op als advocaat van de macrobioot en betoogde fel dat een zelfbeschikkingsrecht vóór een zorgplicht gaat, omdat volgens hem dit recht als tot een soort ‘cult’ verheven is in onze maatschappij. Daarbij gaf Spong onder meer aan dat de patiënte naar twee specialisten, een huisarts en verschillende cursussen met betrekking tot alternatieve geneeswijzen was geweest. Daarnaast had ze ook nog een kritische echtgenoot die haar sterk aanraadde om naar een reguliere arts te gaan. Met andere woorden: Volgens Spong had patiënte een zeer goede afweging gemaakt van haar besluit om bij de macrobioot te blijven.
Vervolgens werd halverwege de uitzending de volgende vraag gesteld: “Mag een macrobioot adviseren wat hij wil?” De alternatieve genezers vonden allemaal, dus 100%, dat dit niet mag. Van de reguliere genezers vond 62% dat dit niet mocht en bij de patiënten reageerde 73% afwijzend op de vraag. Een voornaam argument van de tegenstemmers was dat een macrobioot zich bewust moet zijn van zijn verantwoordelijke positie. Want: Op grond van welke argumenten adviseer jij mij iets? Als dat alleen op grond van overtuiging is, dan is het zo dat de patiënt tekort wordt gedaan. Aan de andere kant werd gesteld dat er in Nederland vrijheid van meningsuiting bestaat. Iedereen mag een geloof aanhangen.

Waren de percentages aan het eind van het programma, na alle meningen en feiten van de verschillende mensen aangehoord te hebben, nu veranderd? Wederom werd de vraag gesteld: “Is de macrobioot verantwoordelijk?” Van de behandelaars vond nu 73% dat dit zo was. Een kleine toename dus. Bij de patiënten bleef het percentage gelijk (71%) en bij de mening van het publiek was ook een redelijk grote toename waarneembaar ten nadele van de macrobioot. Het percentage was nu 72%. De beweegredenen van het publiek werden niet gevraagd, maar waar kwam nu de verandering in percentage bij de behandelaars door? In eerste instantie dacht een behandelaar dat patiënte haar eigen keuze kon maken, maar later dacht ze dat de behandelaar haar wel degelijk beïnvloed had en haar niet alle informatie had gegeven. Dit vond ze dan ook een belangrijke overweging.


  • 0

De werknemer in het verkeer; aansprakelijkheid van de werkgever

De rechtsontwikkeling met betrekking tot de aansprakelijkheid van de werkgever bij een ongeval van de werknemer heeft de laatste jaren een ontwikkeling doorgemaakt. Een aanzienlijk deel van die ongevallen vindt plaats in het verkeer terwijl de werknemer gebruik maakt van een vervoermiddel dat hem door de werkgever ter beschikking is gesteld. Ook komt het vaak voor dat een werknemer voor de uitoefening van zijn arbeidsovereenkomst gebruik maakt van zijn eigen auto, fiets of ander vervoermiddel. Stel nu dat de werknemer bij een verkeersongeval raakt betrokken. De vraag is wat in zo’n geval de rechten en plichten zijn van de werkgever en wat die van de werknemer zijn. In dit artikel wordt nader bekeken wie aansprakelijk is voor de(materiele en immateriële) schade in geval van een verkeersongeval van de werknemer. Hierbij zal met name de betekenis van art. 7:658 en 7:611 BW worden behandeld.

Art. 7:658 BW
De Nederlandse wetgever legt de werkgever de verplichting op om te zorgen voor de veiligheid van zijn of haar werknemers. Ingeval de verkeersschade in de uitvoering van de werkzaamheden voor de werknemer zelf is ontstaan, geldt de aansprakelijkheidsnorm van art. 7:658 BW. Het tweede lid van dit artikel bevat de hoofdregel dat de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever kan aantonen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan of het ongeval te wijten is aan opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Uit de rechtspraak blijkt dat opzet en bewuste roekeloosheid van de werknemer niet snel worden aangenomen.  In de visie van de Hoge Raad is het ervaringsfeit van belang dat in de dagelijkse werksituatie niet altijd alle voorzichtigheid in acht wordt genomen. De werkgever heeft derhalve te kampen met een zware bewijslast.
In het arrest Van Uitert/Jalas  overweegt de Hoge Raad dat de schade van de werknemer in de uitvoering van de werkzaamheden dient te zijn opgelopen, ruim dient te worden uitgelegd. De laatste jaren wordt vaker een beroep gedaan op art. 7:658 BW om zo de schade die men heeft opgelopen af te wentelen op de werkgever. De Hoge Raad heeft in een groot aantal arresten de inhoud van dit wetsartikel uiteengezet en verfijnd.

De zorgplicht
Art. 7:658 BW legt de werkgever een zeer vergaande zorgplicht op. De werkgever moet alles doen wat ‘redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer schade lijdt’. De werkgever moet verwijtbaar tekort zijn geschoten in het treffen van veiligheidsmaatregelen om aansprakelijk te zijn. De zorgplicht van de werkgever heeft ook betrekking op de werknemer die in verband met zijn werkzaamheden buiten de werkplek schade lijdt. De zorgplicht houdt allereerst in dat de werkgever de wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de veiligheid van de werknemer nauwgezet nakomt. Wat van de werkgever kan worden verwacht hangt af van de omstandigheden van het geval. In een chemisch productiebedrijf zullen uiteraard andere veiligheidsmaatregelen moeten worden genomen dan in een boekwinkel. De zorgplicht van de werkgever wordt erg ruim uitgelegd, zie daarvoor het volgende arrest.

Een voorbeeld van aansprakelijkheid van de werkgever voor een verkeersongeval veroorzaakt door de werknemer, is gegeven in een arrest van 2001 . Een postbode zette zijn dienstauto in de berm van een buitenweg en stapte uit om de achterdeur te openen. Een envelop waaide uit de laadruimte de weg op. In een impuls rende hij de envelop achterna en werd daardoor aangereden door een tegemoetkomende auto. De postbode loopt ernstig hersenletsel op en raakt voor 50 procent arbeidsongeschikt. De postbode stelt zijn werkgever, PTT Post, aansprakelijk en vordert schadevergoeding. Volgens de Hoge Raad had PTT Post maatregelen moeten nemen tegen wegwaaien, zodat de kans op impulsieve gedragingen wordt verkleind. PTT Post wordt hier aansprakelijk gesteld voor de schade.

De ruime uitleg van de zorgplicht wordt in het arrest van 16 mei 2003  enigzins een halt toegeroepen. Een ervaren dakdekker komt ten val omdat hij in een gat van het dak valt, waar een lichtkoepel geplaatst moest worden. Over het gat was isolatiemateriaal gelegd, zodat het gat niet zichtbaar was. De dakdekker wist echter niet dat de lichtkoepel geplaatst zou worden. De dakdekker sprak zijn werkgever aan voor de door hem geleden schade primair op grond van art. 7:658 BW en subsidiair op grond van art. 7:611 BW. De Hoge Raad wijst echter de vordering van de dakdekker af. Mede omdat hier sprake was van een eenvoudige klus en hij een ervaren dakdekker was in bezit van diverse veiligheidsdiploma’s.

De Hoge Raad hanteert een ruimte uitleg voor het begrip ‘in de uitoefening van de werkzaamheden’. Ook ongevallen die plaatsvinden bij cursussen, personeelsuitjes of ‘teambuilding op de hei’ kunnen leiden tot aansprakelijkheid op grond van art. 7:658 BW.

Woon- werkverkeer
Al in 1992 was de Hoge Raad van mening dat een werkgever de schade moest vergoeden aan de eigen auto van zijn werknemer, toen deze na werktijd een pakket moest bezorgen bij een klant.  Tijdens deze rit veroorzaakte de werknemer een ongeluk. De auto was total loss. Er was geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid. De Hoge Raad was van mening dat de schade op grond van redelijkheid en billijkheid voor rekening van de werkgever diende te komen en dus niet op grond van art. 7:658 BW. Het gaat hier dus om een bijzondere en vergaande vorm van aansprakelijkheid.

In principe valt woon- werkverkeer niet onder de reikwijdte van art. 7:658 BW. Zo kon een vrouw haar werkgever niet aansprakelijk stellen voor de geleden schade die zij opliep terwijl ze lopend op weg naar haar werk was en uitgleed op het besneeuwde fietspad.  Woon- werkverkeer valt volgens de Hoge Raad in principe niet onder ‘verrichtingen in dienstverband’. De Hoge Raad benadrukt nog dat de werkgever alleen aansprakelijk is als de werknemer daadwerkelijk werkzaamheden uitoefent op de openbare weg, te denken valt hierbij aan een taxichauffeur, een vuilnisman of een vertegenwoordiger op weg naar een klant.

Art. 7:661 BW
In het voorgaande is de situatie besproken waarin de werknemer zelf verkeersongevalschade lijdt. Nu kijken we naar de situatie waarin de werknemer aan de werkgever of aan een derde door een verkeersfout schade toebrengt. In veel gevallen zal een verkeersongeval van een werknemer niet vallen onder de reikwijdte van art. 7:658 BW. De betekenis van deze bepaling is beperkt, aangezien in veel gevallen de werkgever met succes het verweer zal kunnen voeren dat hij niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht of dat er sprake is van woon- werkverkeer, zodat het geval buiten de reikwijdte van art. 7:658 BW valt. Voor de werknemer staat dan nog wel een beroep open op grond van art. 7:661 BW (en art. 6:248 BW).

Hoofdregel van art. 7:661 BW is dat de werknemer in beginsel niet aansprakelijk is voor de schade die hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden aan de werkgever of aan een derde toebrengt, tenzij de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Hieruit vloeit voort dat indien een werknemer tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst een motorrijtuig bestuurt, dat betrokken raakt bij een verkeersongeval en schade veroorzaakt aan de werkgever dan wel aan een derde, hij in beginsel niet aansprakelijk is behoudens zijn opzet of bewuste roekeloosheid . Dit sluit aan bij hetgeen hierover in art. 7:658 BW is bepaald.

Art. 7:611 BW
In het arrest Vonk/Van der Hoeven was de grondslag voor de vordering van de werknemer art. 7:658 BW. In dit arrest kwam aan de orde de vraag of een werknemer van zijn werkgever vergoeding kan vorderen voor de letselschade die hij heeft geleden doordat hij als bestuurder van een auto een ongeval heeft veroorzaakt. De rechtbank te Zutphen oordeelt dat de werkgever schadeplichtig is jegens de werknemer. Onder meer omdat het ongeval heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van zijn werkzaamheden, de werknemer verplicht als chauffeur moest rijden en de werknemer niet opzettelijk of bewust roekeloos
handelde. De Hoge Raad liet het vonnis van de rechtbank in stand.
Het arrest Vonk/Van der Hoeven  is gewezen in lijn met het arrest Bruinsma/Schuitmaker .
In dit laatstgenoemde arrest ging het om vergoeding van zaaksschade. De werkgever was gehouden de zaaksschade die de werknemer tijdens een ongeval had opgelopen te vergoeden.
In uitspraken die voortborduren op het arrest Vonk/ Van der Hoeven, wordt benadrukt dat het verzekeringsaspect een belangrijke rol speelt bij de aansprakelijkheid.

Met dit arrest wordt bevestigd dat een werkgever ook aansprakelijk kan zijn als niet aan de eisen van 7:658 BW is voldaan. Redelijkheid en billijkheid en art. 7:611 BW (goed werkgeverschap) kunnen meebrengen dat ook aansprakelijkheid kan worden aangenomen als de werkgever geen zorgplicht heeft geschonden. Een voorbeeld hiervan is de uitspraak Oudenallen Betonbouw BV.  In dit arrest gaat het om de firma Oudenallen wiens werknemer, een betontimmerman, iedere dag zijn eigen auto van zijn woonplaats Oosterhout naar een project te Deventer rijdt en terug. Hij vervoert telkens enkele collega’s. In 1998 veroorzaakt hij door zijn eigen schuld een ongeluk. Hijzelf en enkele collega’s raken ernstig gewond. De collega’s zijn verzekerd, maar de timmerman heeft geen verhaal op de verzekering. De Hoge Raad oordeelde hier dat een geval als onderhavige niet valt onder de zorgplicht van de werkgever en dat deze dus niet aansprakelijk is voor het ongeluk. Echter, het ontbreken van aansprakelijk op grond van art. 7:658 BW betekent nog niet dat een werkgever onder omstandigheden niet op een andere grond jegens werknemer aansprakelijk kan zijn, zo stelt de Hoge Raad. De werkgever is in dit geval wel aansprakelijk op grond van art. 6:248 BW, de redelijkheid en billijkheid. De Hoge Raad overwoog hierbij dat de werknemer gezien de grote afstand gewezen is met zijn eigen auto het vervoer te verzorgen voor hemzelf en een aantal collega’s en dat hij daarvoor ook reisurenvergoeding, een autokostenvergoeding en meerijderstoeslag ontving. De Hoge Raad oordeelde dat dit moest worden gekwalificeerd als vervoer krachtens de verplichting uit de arbeidsovereenkomst en in het kader van de uit te voeren werkzaamheden. Door deze omstandigheden acht de Hoge Raad de werkgever toch aansprakelijk en wel op grond van de aard van de arbeidsovereenkomst en de redelijkheid en billijkheid.

Conclusie
De grondslag voor de vordering tot vergoeding van de schade die de werknemer in de uitvoering van zijn werkzaamheden in het verkeer oploopt, verschilt al naar gelang de situatie.
Indien de werknemer bij de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden (bijv. bij een verkeersongeval), dan is bijna per definitie de werkgever verplicht die schade te vergoeden. Hoewel naar de letter van de wet de werkgever alleen aansprakelijk is indien hij zijn zorgplicht heeft geschonden wordt dit laatste in de praktijk bijna per definitie (achteraf) aangenomen indien zich een ongeval heeft voorgedaan. Het arrest PTT Post/Baas is daarvan een voorbeeld.

Naast de aansprakelijkheid van de werkgever ex art. 7:658 BW heeft zich in de rechtspraak een aansprakelijkheid van de werkgever ontwikkeld voor ongevallen en schade die niet in direct verband staan met de uitoefening van de werkzaamheden, dit op grond van de redelijkheid en billijkheid en het goed werkgeverschap. Uit het arrest Oudenallen Betonbouw BV blijkt dat ook als de werkgever niet op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk kan worden gesteld, hij onder omstandigheden wel aansprakelijk kan zijn op grond van art. 7:611 (goed werkgeverschap).


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.