Category Archives: Jaargang 42 – Nummer 1

  • 0

Wetsvoorstel: Maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast

In deze kwesties gaat het om de openbare orde. Met openbare orde wordt bedoeld de orde en rust in het openbare- of gemeenschapsleven. De handhaving van de openbare orde en veiligheid vormt een kerntaak van de burgemeester. Zijn bevoegdheden zijn de laatste jaren uitgebreid.
Inmiddels is er een nieuw wetsvoorstel: Maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast. In dit wetsvoorstel ten aanzien van handhaving van openbare orde en het herstel ervan na verstoring, ligt het primaat bij de officier van justitie. Wederom is er echter ook een belangrijke rol voor de burgemeester weggelegd. Dit wetsvoorstel is er op gericht bij te dragen aan de aanpak van overlast en verloedering, als onderdeel van het project Veiligheid begint bij Voorkomen. Tevens moet dit wetsvoorstel tegemoet komen aan de behoefte van de samenleving aan een zogenoemde ‘Voetbalwet’.
In deze uiteenzetting zal ik aandacht besteden aan de beoogde toegevoegde waarde van het wetsvoorstel. Hierbij zal ik eerst kort de bestaande bevoegdheden schetsen en verschillende tekortkomingen daarvan aanstippen, om vervolgens in te gaan op het wetsvoorstel. Het grondrechtelijk kader blijft buiten beschouwing. Dit is echter een onderzoek op zich waard.

Onderscheid regulier en onmiddellijke handhaving.
Allereerst dient er een onderscheid gemaakt te worden tussen reguliere en onmiddellijke handhaving. Reguliere handhaving maakt deel uit van het algemene deel van bestuursrecht en valt onder de noemer bestuursdwang. Onmiddellijke handhaving behoort tot het bijzondere bestuursrecht, het openbare-orderecht. De reguliere bevoegdheden vertonen sterke gelijkenis met de specifieke bevoegdheden in het kader van onmiddellijke handhaving. Toch dienen de bevoegdheden goed gescheiden te blijven in verband met de toepasselijkheid van verschillende waarborgen. Want waar voor de bevoegdheden in het kader van reguliere handhaving alle Awb-eisen in acht moeten worden genomen, sluit artikel 5:23 Awb Afdeling 5.3 Awb betreffende bestuursdwang uit ten aanzien van optreden ter onmiddellijke handhaving van de openbare orde. Hierdoor hoeft de burgemeester zich niet te houden aan de procedurele vereisten uit de bestuursdwangregeling, zoals het op schrift stellen van het besluit en geven van een redelijke termijn. Bij dit bijzondere bestuursrecht gaat het om bevoegdheden die de burgemeester mag inzetten in het geval van (ernstige vrees voor) een verstoring van de openbare orde en bij een oproerige beweging of andere ernstige wanordelijkheid. Bij dergelijke crisis- en noodsituaties moet er met enige spoed gehandeld kunnen worden. Belemmering door formele eisen is hier niet gewenst.

Bestaande bestuursrechtelijke middelen.
In het kader van verstoring van de openbare orde zijn de volgende bestaande bijzondere bestuursrechtelijke bevoegdheden van belang.
Allereerst bestaat er de ‘lichte’ bevelsbevoegdheid van art. 172 lid 3 Gemeentewet (verder Gemw). Het artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid, om een originair wettelijk voorschrift te creëren jegens één of meer personen die de openbare orde verstoren of dreigen te verstoren. Op grond hiervan kan onder andere een (kortlopende) gebiedsontzegging opgelegd worden. De bevoegdheid van art. 172 lid 3 Gemw is niet gegeven om in te grijpen in structurele vormen van overlastgevend gedrag.
Er is een aantal problemen die zich voordoen rondom deze bevoegdheid. Het eerste probleem betreft de proportionaliteit. Uit jurisprudentie is gebleken dat de bevelen op grond van dit artikel bijvoorbeeld niet van langere duur mogen zijn dan noodzakelijk. Er is echter geen duidelijke lijn op te maken wat proportioneel is. Ten tweede ontbreekt een meldingsplicht. Dat staat een optimale uitvoering van het verbod in de weg, omdat naleving moeilijk controleerbaar is.
Het hierboven genoemde geldt ook ten aanzien van de bevelsbevoegdheid die de burgemeester heeft op grond van de APV. Bij het opstellen van deze regels speelt de gemeenteraad een belangrijke rol. Indien de APV reeds in bepaalde situaties voorziet, dan dient gebruik van de bevoegdheid van art. 172 lid 3 Gemw achterwege te blijven.
De artikelen 175 en 176 Gemw geven de burgemeester (autonome) noodrechtelijke bevoegdheden. Artikel 175 Gemw regelt het noodbevel, dat vooral wordt toegepast in ‘buitengewone omstandigheden’. Dit wordt gekwalificeerd door de bedreiging van vitaal belang (van openbare orde) en de ontoereikendheid van normale bevoegdheden. Het moet gaan om acute, grootschalige wanordelijkheden. Indien er sprake is van of een vrees tot een oproerige beweging of een andere ernstige wanordelijkheid, kan de burgemeester op grond van de onderhavige bevoegdheid een noodbevel uitvaardigen.
De noodverordening is geregeld in artikel 176 Gemw. Dat geeft de burgemeester de bevoegdheid om algemeen verbindende voorschriften uit te vaardigen, die ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van bepaald gevaar nodig zijn, indien er zich omstandigheden voordoen zoals in art. 175 Gemw gesteld. De noodverordening is anders dan een noodbevel van algemene strekking. De werking treft een ieder ongeacht zijn of haar kwaliteit of betrokkenheid. Het noodbevel geldt voor één of meerdere bepaalde personen of hooguit voor een bepaalbare groep. Daarnaast is zij qua tijdsduur onbepaalbaar.

Op 25 april 2000 is de Wet Bestuurlijke Ophouding ingevoerd met het Europese kampioenschap voetbal in het vooruitzicht. De burgemeester kan op grond daarvan door hem aan te wijzen groepen personen, op de door hem aangewezen plaats, gedurende ten hoogste twaalf uren ophouden. Het gaat hierbij om de bestrijding van ongeregeldheden of de dreiging hiertoe. Bestuurlijke ophouding is vrijheidsbeneming in het kader van een ordemaatregel, het is geen punitieve sanctie. Bij artikel 154a Gemeentewet gaat het om een indirecte bevoegdheidstoekenning aan de burgemeester. Het regelt de mogelijkheid tot bestuurlijke ophouding in geval van voorzienbare gevallen. Dit zijn vaker terugkomende situaties, doch het ‘structurele’ element ontbreekt. Artikel 176a Gemeentewet is een aanvulling op de noodrechtelijke handhaving- en herstelmiddelen. Het regelt de bestuurlijke ophouding in niet-voorzienbare gevallen en wanneer er dus geen raadsverordening is. De burgemeester handelt hier op grond van rechtstreeks uit de wet voortvloeiende bevoegdheden. De regeling wordt gezien als uitermate ingewikkeld en de praktische uitvoerbaarheid wordt als minimaal ervaren. Het middel van bestuurlijke ophouding werd tot nu toe éénmaal door een burgemeester gebruikt.

Bestaande strafrechtelijke middelen.
In het strafrecht kunnen voorafgaand aan berechting, bijvoorbeeld als voorwaarde bij een schorsing van voorlopige hechtenis, verschillende gedragsaanwijzingen worden gegeven aldus artikel 80 Wetboek van Strafvordering (verder Sv). Bij lichtere overtredingen en verstoring van de openbare orde is er echter niet altijd voldaan aan de eisen uit art. 67a Sv voor voorlopige hechtenis. Bij veroordeling door de rechter, kan deze de voorschriften vorm geven als voorwaarden bij een voorwaardelijke veroordeling. Dit zegt art. 14c Wetboek van Strafrecht (verder Sr). In de bestaande strafrechtelijke situatie is er de beperking dat bedoelde voorwaarden pas na berechting ten uitvoer kunnen worden gelegd. Dan kan in de huidige situatie slechts de strafrechtelijke veroordeling door de rechter worden afgewacht en loopt de ‘verdachte’ vrij rond, terwijl onmiddellijk optreden vereist is.
Artikel 141 Sr. stelt het met verenigde krachten geweld plegen tegen goederen of personen strafbaar. Het moeilijke is dat er bewijs moet zijn dat de individuele verdachte dit feit gepleegd heeft. Dit bewijsprobleem speelt tevens bij het deelnemingsdelict van art. 140 Sr. betreffende deelneming aan een misdadige organisatie. Bewezen moet worden dat de verdachte zelf strafbaar handelde. Doordat deze artikelen voornamelijk zijn gericht op het individu, zijn de middelen nauwelijks bruikbaar bij grootschalige ordeverstoringen. Daar komt bij dat het strafrecht vooral een sanctie maatregel is en niet als oplossing dient voor onderhavige situaties van ordeverstoring.
Bij toepassing van art. 540 ev. Sv (rechter geeft een bevel tot handhaving) en bij de OM-afdoening is er de bereidverklaring van de verdachte vereist ten aanzien van de gedragsaanwijzing. Dit leidt tot een onwerkbare situatie. Om effectief te kunnen handelen zou de aanwijzing ongeacht de bereidheid van de overlast veroorzaker of geweldpleger, moeten kunnen worden opgelegd. De bijzondere dwangmiddelen zoals staande houding en in verzekeringstelling, zijn allemaal middelen om informatie te verkrijgen rondom de overtreding of het misdrijf en niet ter handhaving van de openbare orde. Zij hebben dus maar beperkte werking. Tot slot heeft de rechter op grond van art. 540 ev. Sv de bevoegdheid om een bevel tot handhaving van de openbare orde te geven, maar slechts in geval van heterdaad. Dit is een wezenlijke beperking op de toepasbaarheid van het middel.
Ordehandhavende bevoegdheid heeft de politie krachtens art. 2 Pol. wet. Deze taak oefent zij uit in ondergeschiktheid aan de burgemeester, aldus art. 12 Pol. wet. Op grond van lid 2 kan hij aanwijzingen en bevelen geven. Zijn gezag bij ordehandhaving ziet uitsluitend op het functioneren van de politie in dit kader.

De beoogde toegevoegde waarde.
De officier van justitie zal de bevoegdheid krijgen tot het geven van een gedragsaanwijzing ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Het kan gaan om vier soorten gedragsaanwijzingen. De eerste is een gebiedsverbod. De tweede mogelijkheid is aanwijzing tot het onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde personen. De derde aanwijzing betreft een meldingsplicht op bepaalde tijdstippen bij een daartoe aangewezen opsporingsambtenaar. Als laatste is er de gedragsaanwijzing zich te doen begeleiden bij hulpverlening. Het gaat dan om het bevestigen van al bestaande contacten met hulpverleners.
De gedragsaanwijzing heeft zijn betekenis vooral in het geval van lichtere strafbare feiten waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten. Waar de verdachte zich in de huidige situatie dan nog vrij kan bewegen, kan de officier van justitie hem doormiddel van de voorgestelde bevoegdheid tot een gedragsaanwijzing in zijn vrijheid beperken. De bevoegdheid tot een gedragsaanwijzing heeft ook een rol bij misdrijven waarvoor wel voorlopige hechtenis is toegelaten. Indien er niet aan de vereisten voor voorlopige hechtenis als bedoeld in art. 67a Sv is voldaan, kan de aanwijzing uitkomst bieden.

In de bestaande situatie is er de beperking dat bedoelde voorwaarden pas na berechting ten uitvoer kunnen worden gelegd, zoals de bevoegdheid in art. 14c Sr. Het wetsvoorstel betreft een gedragsaanwijzing die dient ter overbrugging van de periode tussen het moment van het begaan van het strafbare feit en de veroordeling van de verdachte.
In het kader van de OM-afdoening is er al de mogelijkheid voor de officier van justitie om in een strafbeschikking aanwijzingen op te nemen waar de verdachte aan moet voldoen. In het kader van een OM-afdoening gaat het om een definitieve en buitengerechtelijke strafrechtelijke afdoening. In het voorstel gaat het om een gedragsaanwijzing vooruitlopend op het oordeel van de rechter. Daarnaast is het voor de gedragsaanwijzing bij de OM-afdoening noodzakelijk dat de verdachte verklaart bereid te zijn aan de aanwijzing te voldoen. In de voorgestelde bevoegdheid kan vooruitlopend op de afdoening door de rechter ook zonder een bereidverklaring van de verdachte een gedragsaanwijzing worden opgelegd. Ook ten aanzien van bevoegdheden in art. 540 ev. Sv zal een bereidverklaring niet meer nodig zijn.
Ook ten opzichte van de bestaande bevoegdheden van de rechter om op grond van art. 540 ev. Sv een bevel tot handhaving van de openbare orde te geven, biedt het voorstel nieuwe mogelijkheden. Voor de voorgestelde bevoegdheid tot het opleggen van een gedragsaanwijzing is geen heterdaad vereist, waar het bevel van de rechter slechts in geval van heterdaad kan worden toegepast. Daarnaast beperkt de voorgestelde bevoegdheid zich niet slechts tot handhaving van de openbare orde, maar kan het ook in geval van belastend gedrag van de verdachte tegen personen worden opgelegd. Een ander verschil is dat in het geval van art. 540 ev. Sv de rechter-commissaris bevoegd is tot het opleggen van de maatregel, in plaats van de officier van justitie zoals is voorgesteld. De procedure zoals voorgesteld zal eenvoudiger zijn.

De burgemeester kan al op decentraal niveau gebiedsverboden opleggen op grond van de bestaande ‘lichte’ bevelsbevoegdheid van artikel 172 lid 3 Gemeentewet of op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). In het kader van deze bestaande bevoegdheden is er nog geen duidelijke lijn wat betreft de proportionaliteit van het gebiedsverbod voor langere duur. De bevoegdheid in het voorgestelde art. 172a Gemeentewet is gewenst vanuit het oogpunt van rechtszekerheid. Deze bepaling geeft namelijk aan in welke gevallen en binnen welke randvoorwaarden door de burgemeester een langdurend bevel kan worden gegeven.
Tevens biedt de voorgestelde bevoegdheid de mogelijkheid om aan notoire overlastgevers en hooligans een meldingsplicht op te leggen ter effectuering van het opgelegde gebieds- en/of groepsverbod. Deze mogelijkheid ontbreekt in de bestaande bevoegdheden in art. 172 lid 3 Gemeentewet of de APV.
De nieuwe bevoegdheid laat de mogelijkheid om kortdurende gebiedsverboden op te leggen op grond van art. 172 lid 3 Gemeentewet of de APV onverlet. Bij de nieuwe bevoegdheden ligt de nadruk op de ernstige overlast als gedragingen in groepsverband, waar de bestaande bevoegdheden vooral zien op niet-groepsgebonden overlast. De samenloopregeling (zie verder) van het voorgestelde art. 172a lid 3 is hier niet van toepassing.

De bevoegdheid tot het opleggen van een groepsverbod door de burgemeester zoals dat in het wetsvoorstel staat, wijkt af van de bestaande mogelijkheid van het zogenaamde ‘samenscholingsverbod’ dat in de meeste APV’s terug te vinden is. Ten aanzien van dit bestaande instrumentarium staat niet vast dat er vroegtijdig personen uit de groep kunnen worden geweerd van wie op basis van gegevens van de politie en dossiervorming bij de gemeente bekend is dat deze structureel overlast veroorzaken of hierin een leidende rol vervullen. Het onderhavige wetsvoorstel ziet juist op het voorkomen van groepsvorming onder leiding van personen van wie bekend is dat zij structureel ernstige overlast veroorzaken.
Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid biedt het wetsvoorstel het instrumentarium om in dergelijke situatie vroegtijdig in te grijpen.
Daarnaast is het samenscholingsverbod een algemeen verbod dat geldt voor iedereen, terwijl een groepsverbod een individueel bevel is. Waar een groepsverbod aangemerkt wordt als een beschikking en er bezwaar en beroep tegen openstaat, is de APV door haar algemene strekking niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Tevens zijn er gevallen waarin twijfel kan rijzen over de vraag welk groepsgewijs samenkomen precies als samenscholing kan worden aangemerkt. In het geval van acute grootschalige wanordelijkheden kan er ook een samenscholingsverbod worden uitgevaardigd op basis van een noodverordening, aldus artikel 175, eerste lid, juncto artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet. Het wetsvoorstel ziet echter op ernstige structurele overlast van groepen. Dit is tevens het verschil met de bevoegdheden van de burgemeester op grond van de artikelen 154a en 176a van de Gemeentewet, betreffende de bestuurlijke ophouding. Anders dan bij het onderhavige wetsvoorstel gaat het bij bestuurlijke ophouding niet om bestrijding van structurele vormen van overlast veroorzaakt door bepaalde personen, maar om bestrijding van (grootschalige) ongeregeldheden of dreigende ongeregeldheden. Daarnaast betreft de ophouding vrijheidsontneming, waar het bij de voorgestelde bevoegdheid gaat om vrijheidsbeperking.

Afbakening van de bevoegdheden.
Er bestaat een overlapping tussen de voorgestelde bevoegdheden van de burgemeester en de officier van justitie als het gaat om het opleggen van een gebieds- of groepsverbod. Er kunnen zich twee situaties voordoen. De burgemeester kan een gebieds- of groepsverbod opleggen aan de ordeverstoorder/verdachte, die voor dat gebied tevens een gebiedsverbod van de officier van justitie opgelegd krijgt. Daarnaast is het mogelijk dat beide actoren zich beraden over de wenselijkheid om een maatregel op te leggen en op elkaar wachten. Om deze situaties te voorkomen is er een samenloopregeling opgenomen in het wetsvoorstel. De hoofdregel hierbij is dat de burgemeester van zijn bevoegdheid afziet indien de officier van justitie de verdachte een gedragsaanwijzing geeft in de vorm van een gebiedsverbod voor hetzelfde gebied waarvoor de burgemeester een gebieds- of groepsverbod overweegt op te leggen. Dit is geregeld in het voorgestelde art. 172a lid 3 Gemw. Het handelen van de officier van justitie zal afhangen van de ernst van de feiten of de persoon van de verdachte. Op lokaal niveau kan er door de burgemeester in samenwerking met de officier van justitie vooraf beleid worden gemaakt.


  • 0

Lost & Found: eigendomsverlies van dieren

Wettelijke regeling en terminologie
In art. 5:18 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat de algemene regeling over eigendomsverlies van een roerende zaak. De eigendom wordt verloren, wanneer de eigenaar het bezit prijsgeeft met het oogmerk om zich van de eigendom te ontdoen. Aangevoeld kan al worden dat dit in het geval van dieren met een eigen wil in de praktijk niet goed bruikbaar is. Een eigenaar van een weggelopen dier zal immers doorgaans zijn bezit niet willen prijsgeven. Met de invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek in 1992 is er plaats gemaakt voor een specifieke regeling die toeziet op eigendomsverlies van dieren, art. 5:19 BW. Hierin wordt verwoord dat de eigenaar van een tam dier de eigendom verliest wanneer het dier, nadat het uit zijn macht is gekomen, is verwilderd. Wanneer er geen sprake is van een tam dier verliest de eigenaar de eigendom wanneer zij de vrijheid verkrijgt en de eigenaar niet meteen probeert het dier te vangen of zijn pogingen daartoe staakt. Deze laatste groep zal echter in dit artikel buiten beschouwing worden gelaten.

Belangrijk is dus om allereerst vast te stellen wanneer er gesproken kan worden van een tam dier. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat dit door de gebruikelijke opvatting dienaangaande wordt bepaald. Hierbij wordt aangegeven dat het begrip niet zo ruim is dat het ook getemde dieren omvat. Zo zullen dus circusdieren zoals olifanten en tijgers niet als tam dier worden gekwalificeerd, maar dieren die gebruikelijk zijn om thuis te verzorgen zoals honden, katten, konijnen, zangvogels etc. wel. Bij huisdieren die continu opgesloten dienen te worden is het discutabel of van tam gesproken kan worden, maar desondanks worden ook muizen, parkieten, goudvissen etc. als tam dier beschouwd.

Eigendomsverlies
Het omslagpunt, waarbij de eigenaar de eigendom verliest van zijn weggelopen tamme dier, wordt bereikt wanneer het dier verwilderd is. Het zou immers ongewenst zijn de eigendom van het dier direct bij het weglopen te verliezen, want dan kan elk ander zich het dier toe-eigenen.

Van verwildering in de zin van art. 5:19 lid 1 BW is sprake wanneer het dier in zijn natuurlijk leefmilieu is opgenomen en niet meer naar de eigenaar terugkeert. Deze vaststelling geschiedt door de persoon die zich het dier wil toe-eigenen. Er kan namelijk redelijkerwijs niet verwacht worden dat die persoon onderzoekt of het gaat om een weggelopen tam dier of een dier dat in verwilderde staat is geboren. In het uitzonderlijke geval van een geschil zal de rechter uitsluitsel geven.

Nieuwe eigenaar
Er zijn verschillende scenario’s te bedenken bij de vraag of een weggelopen dier zomaar door een derde in bezit genomen mag worden. Er kan sprake zijn van een weggelopen dier waarbij de eigendom al verloren is door de verwilderde staat. Tevens kan een dier weggelopen zijn, terwijl de eigendom nog steeds bij de eigenaar ligt.

Toe-eigening
In het geval van een weggelopen dier waarbij de eigendom al is verloren kan een derde door middel van toe-eigening dit eigendom verkrijgen. Voorheen konden alle zaken die geen eigenaar hadden toegeëigend worden. Tegenwoordig omvat dit alleen nog roerende zaken, omdat in art. 5:24 BW is vastgelegd dat alle onroerende zaken zonder eigenaar aan de Staat toebehoren. Verdere vereisten voor toe-eigening ex. art. 5:4 BW zijn dat het om een res nullius moet gaan en dat het bezit van de betreffende zaak is verkregen. Het is dus niet vereist dat de toe-eigening rechtmatig is.

Aan het eerste vereiste van toe-eigening van een dier is meteen voldaan, want het is algemeen erkend dat in de meeste gevallen dieren tot de roerende zaken worden gerekend.
Er zijn twee manieren waarop er aan het tweede vereiste, res nullius, wordt voldaan: de zaak is nooit voorwerp van eigendom geweest of de eigendom is verloren gegaan. Wanneer er sprake is een verwilderd dier is de eigendom verloren en is dus ook aan dit vereiste voldaan. Een verwilderd dier staat immers juridisch gezien gelijk aan een in het wild levend dier.
Voor het laatste vereiste, de bezitsverkrijging, is het cruciaal dat de feitelijke macht over het dier wordt uitgeoefend en dat het voor zichzelf wordt gehouden, art. 3:113 jo. 3:107 BW. Slechts op zichzelf staande machtsuitoefeningen zijn onvoldoende. Het hangt dus van het gedrag van de occupant af of hier sprake van is. De verkeersopvatting biedt hierbij uitkomst: de machtsuitoefening van de occupant moet zodanig zijn geweest dat de macht van de vorige bezitter wordt tenietgedaan. Slechts wanneer aan deze drie voorwaarden is voldaan zal een weggelopen dier toegeëigend kunnen worden ex art. 5:4 BW door een derde.

Gevonden zaken
Wanneer na het weglopen van een dier de eigendom nog wel is behouden moet de procedure van art. 5:5 BW gevolgd worden om eventueel na een jaar de eigendom te verkrijgen. Wanneer immers iemand een zaak die nog aan een ander toebehoort occupeert, zal die slechts bezitter worden en niet tevens eigenaar.

De eis die in dit artikel aan de vinder wordt gesteld is allereerst het doen van mededeling aan de eigenaar. Indien dit niet mogelijk is moet aangifte worden gedaan bij de desbetreffende ambtenaar en eventueel ook bij de bewoner of exploitant waar de zaak is gevonden. Tevens moet (of mag) de vinder in sommige gevallen de zaak in bewaring geven bij de gemeente. Zo kan een dier naar het gemeentelijk asiel gebracht worden. Wanneer binnen een jaar de eigenaar zich niet meldt kan de vinder de eigendom van het dier via deze weg verkrijgen, mits het dier zich nog in de macht van de vinder of de gemeente bevindt.

Revindicatie
Wanneer een ander het weggelopen dier houdt en weigert tot teruggave over te gaan, zal de eigenaar door middel van revindicatie zijn dier proberen op te eisen, art. 5:2 BW. De nieuwe bezitter houdt het weggelopen dier immers zonder recht.

Een beroep op revindicatie zal niet slagen in het geval dat de nieuwe bezitter de eigendom heeft verkregen op één van de hierboven genoemde methodes: toe-eigening en eigendomsverkrijging van gevonden zaken. De vorige eigenaar heeft de eigendom namelijk absoluut verloren en de nieuwe bezitter heeft een zakelijk recht op het dier verkregen, waardoor er geen sprake meer is van het houden van een zaak zonder recht.

Vooruitzichten
Door de nieuwe ontwikkeling op het gebied van identificatie door middel van een ISO chip zal het in de toekomst makkelijker worden om de eigenaar van weggelopen dieren te traceren. Hierbij wordt een injectie die voorzien is van een transponder toegebracht, waardoor met een ISO afleesapparaat de unieke identificatiecode van het dier is af te lezen. Het bewijs van eigendom is dan dus geen probleem meer en tevens wordt een beroep op toe-eigening lastiger, omdat verwacht kan worden dat iemand onderzoek doet naar een eventueel aangebrachte chip in het dier.

Conclusie
Duidelijk is geworden dat niet tezamen met het dier direct de eigendom wordt verloren, omdat verschillende factoren meespelen. Allereerst moet gekeken worden om wat voor soort dier het gaat, want art. 5:19 BW maakt onderscheid tussen tamme dieren en andere dieren. Tamme dieren wordt de eigendom van verloren zodra het dier in staat van verwildering is geraakt. De beoordeling of deze staat is bereikt geschiedt door de persoon die het dier vindt. In de toekomst zal door de komst van de ISO chip discussie over de eigendom uitgesloten worden.

Wanneer een derde vervolgens het weggelopen dier in bezit neemt is voor een succesvol beroep op revindicatie cruciaal of de eigenaar de eigendom op dat moment al kwijt is, of dat het nog behouden is gebleven. Indien de eigendom nog bij de eigenaar ligt zal een beroep op revindicatie ex art. 5:2 BW slagen; de ander houdt namelijk het dier zonder recht. Alleen indien de derde aangifte of eventueel mededeling heeft gedaan ex. art. 5:5 BW bestaat de kans dat na een jaar de eigendom wordt verloren. Wanneer de eigenaar de eigendom al verloren heeft, doordat het dier is verwilderd, zal een beroep op revindicatie niet slagen. De derde die het dier dan in bezit neemt wordt namelijk door middel van toe-eigening ex art. 5:4 BW rechtmatig eigenaar.


  • 0

Alcoholgebruik en werknemers

3 tot 6% van de beroepsbevolking heeft problemen op het werk door alcoholgebruik. Daarbij ligt het ziekteverzuim van probleemdrinkers 2 tot 6 keer hoger dan gemiddeld. De cijfers liegen er niet om, toch bestaan onduidelijkheden rondom alcohol en werk. Het probleem wordt ontkend en er bestaat angst voor aantasting van de privacy wanneer de werkgever zich met het alcoholgebruik van de werknemers gaat bemoeien. Door middel van het behandelen van meerdere uitspraken kunnen we zien hoe rechters de maatregelen die de werkgever neemt beoordelen.

Mensen kunnen verslaafd zijn aan vele dingen. Dit artikel concentreerd zich op de situatie waarin de werknemer leidt aan een alcoholverslaving en sprake is van alcoholmisbruik, al dan niet op de werkvloer. Binnen de jurisprudentie zal af en toe een uitstap gemaakt worden naar werknemers met een drugsverslaving, in het geval over dit onderwerp met betrekking tot alcohol nog geen uitspraak bestaat.

Kan het hebben van een alcoholverslaving worden aangemerkt als ziekte? Of is het hebben van een verslaving ‘opzet op ziekte’? Verschillende factoren spelen een rol binnen de belangenafweging die de rechter maakt, wanneer de werkgever zijn werknemer wil ontslaan wegens alcoholmisbruik. Ik maak hierbij onderscheid tussen een alcoholverslaving en incidenteel (excessief ) alcoholgebruik.

Alcoholverslaving een ziekte
Of een alcoholverslaving nu ook daadwerkelijk een ziekte is blijkt noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie. Toch is dit, met betrekking tot het dienstverband van een alcoholverslaafde werknemer een belangrijk vraagstuk. Een werknemer die wegens ziekte niet werkt, heeft recht op doorbetaling van 70 procent van zijn loon en tevens ontslagbescherming gedurende de eerste twee jaren van ziekte krachtens artikel 7:670 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

Hoewel de Hoge Raad zijn licht nog niet heeft doen laten schijnen op dit vraagstuk zijn er enkele uitspraken die enige duidelijkheid kunnen geven.

Het hof ’s-Hertogenbosch maakt in zijn uitspraak van 5 september 2006 onderscheid tussen de periode van opname in een kliniek vanwege verslaving en de daaraan voorafgaande periode, waarin sprake was van verzuim als gevolg van verslaving aan verdovende middelen. Met betrekking tot de periode van klinische opname oordeelt het hof dat er in ieder geval sprake was van arbeidsongeschiktheid. Het hof komt tot deze conclusie door de volgende redenatie: ‘Niet het gebruik van verdovende middelen als zodanig, maar de aanwezigheid van een verslaving is een algemeen erkende (psychische) stoornis zodat, wanneer een klinische opname ter behandeling daarvan noodzakelijk wordt geacht, daarmee de arbeidsongeschiktheid is gegeven’. Kortom: wordt je opgenomen, dan ben je daarmee ziek en arbeidsongeschikt.

Ten aanzien van de periode voorafgaand aan de opname gaat het hof af op het deskundigenoordeel van het UWV.

Ook de Centrale Raad van Beroep gaf op 8 januari 2008 zijn oordeel over een drugsverslaafde werknemer. De Raad wijst hierin op het feit dat een verslaving aan verdovende middelen op zich niet als een ziekte of gebrek in de zin van artikel 18 van de WAO wordt aangemerkt (overeenkomstig de uitspraak van het hof). Indien echter uit die verslaving gebreken voortvloeien, dan wel indien die verslaving noodzaakt tot een klinische opname of behandeling, is wel sprake van een ziekte of gebrek in de zin van dit artikel.

De uitspraak van 5 september 2007 door de Kantonrechter te Haarlem is in overeenstemming met bovenstaande arresten. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst werd in deze uitspraak afgewezen. De werknemer deed hier een beroep op het opzegverbod bij ziekte, stellende dat hij te maken had met een ernstige problemen, namelijk een combinatie van psychische problemen en gebruik van alcohol, waarvoor hij zich onder behandeling had gesteld. Naar het oordeel van de Kantonrechter valt niet uit te sluiten dat het disfunctioneren van de werknemer is veroorzaakt door zijn ziekte, de ziekte was in dit geval de alcoholverslaving.

Opzet
Zoals al eerder vermeld, heeft een werknemer die ziek is recht op doorbetaling van zijn loon en ontslagbescherming, tenzij de ziekte is veroorzaakt door opzet ingevolge artikel 7:629 lid 3 sub a BW. Het is de vraag of sprake is van ‘opzettelijk veroorzaken van ziekte’ indien de arbeidsongeschiktheid een gevolg is van een verslaving, die is veroorzaakt door langdurig en overmatig gebruik van alcohol.

Uit het merendeel van de rechtspraak blijkt dat het opzettelijk veroorzaken van arbeidsongeschiktheid niet snel wordt aangenomen. Uit de parlementaire geschiedenis kan geconcludeerd worden dat slechts sprake is van opzet indien de gedraging van de werknemer het oogmerk heeft om de arbeidsongeschiktheid teweeg te brengen. In veel gevallen kan dit niet bewezen worden en faalt een beroep van de werkgever op opzet.

Een zeer recente uitspraak van de kantonrechter Utrecht op 7 juli 2008 past in deze tendens; het ging hier om een jarenlang aan cocaïne verslaafde werkneemster, welke loondoorbetaling bij ziekte vorderde, tijdens haar opname in een behandelinstelling. De werkgeefster had loondoorbetaling gestopt, stellende dat de werkneemster haar verslaving zelf in de hand had gewerkt. De kantonrechter wees echter de loonvordering toe, bij verslaving is geen sprake van opzet in de zin van artikel 7:629 lid 3 sub a BW.

Een opmerkelijke uitspraak is die van de kantonrechter Gouda op 23 augustus 2007. Deze oordeelde dat de verslaving aan alcohol en drugs, wél opzet oplevert als bedoeld in artikel 7:629 lid 3 onder a BW. De psychische problemen, die de oorzaak zouden zijn van de verslaving, kunnen geen rechtvaardiging opleveren voor de verslaving van de werknemer. De werknemer had zijn psychische problemen op een andere manier aan moeten pakken, namelijk door hulp te zoeken. De rechter voegde daaraan toe dat het algemeen bekend is dat het gebruik van alcohol en drugs beslist geen goede middelen zijn ter bestrijding van een psychisch probleem. De werknemer heeft bij volle bewustzijn zelf gekozen om deze middelen te gebruiken en als gevolg daarvan verslaafde te raken. De werknemer kan daarom niet het risico dat jij als gevolg van zijn verslaving arbeidsongeschikt is geraakt, afwentelen op zijn werkgever. Nogmaals, deze uitspraak kan worden aangemerkt als uitzondering op de regel.

Beëindiging van het dienstverband
Alcoholgebruik kan het ingrijpende gevolg van ontslag meebrengen. Op grond van artikel 7:678 lid 2 sub c BW kan een werknemer op staande voet worden ontslagen als ‘hij zich ondanks waarschuwingen overgeeft aan dronkenschap of ander liederlijk gedrag’.

In de zaak Nutrica/van D. heeft de Hoge Raad op 29 september 2000 geoordeeld over het ontslag op staande voet van een werknemer met een alcoholprobleem. De werknemer was uit onvrede met zijn werk zodanig depressief was geraakt dat hij opnieuw in zijn alcoholverslaving verviel. De Hoge Raad is van mening dat ontslag ook mogelijk is indien de werknemer geen verwijt treft; het hangt af van de aard van de dringende, voor het ontslag aangevoerde reden.

Anders geformuleerd: een verslaving die wordt veroorzaakt door een alcoholprobleem dat samenhangt met psychische problematiek of een verslaving die beschouwd kan worden als een chronische ziekte, kan derhalve nog steeds leiden tot beëindiging van het dienstverband in geval van een dringende reden.

Dringende reden bij alcoholverslaving
Met betrekking tot de dringende reden die kan leiden tot een ontslag valt onderscheid te maken tussen factoren aan de zijde van de werknemer en factoren aan de zijde van de werkgever. Vooropgesteld moet worden dat alcoholgebruik in het kader van de beoordeling van de dringende reden niet zonder meer voor de rekening van de werknemer komt. Zo blijkt uit het arrest Vixia/Gerrits.Van geval tot geval zal beoordeeld moeten worden of een (als een ziekte aan te merken) alcoholprobleem zo ingrijpend is dat van de werkgever niet langer kan worden verlangd het dienstverband te laten voortduren.

In de belangenafweging met betrekking tot de dringende reden, worden aan de zijde van de werknemer de volgende factoren in acht genomen: het arbeidsverleden, het aantal dienstjaren, de kansen op de arbeidsmarkt en eventuele andere persoonlijke omstandigheden.

De literatuur verdedigt dat de duur van het dienstverband een omstandigheid is die de rechter in acht neem. De rechtspraak laat zien dat een lange duur van het dienstverband niet altijd beschermt tegen beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

In Rotterdam werd bij de kantonrechter op 4 januari 2005 een ontbindingsverzoek van de werkgever gehonoreerd, ondanks het 35-jarige dienstverband van de werknemer. De werkenemer ontving zelf sgeen enige vorm van vergoeding omdat de omstandigheden volledig in zijn risicosfeer lagen. Bij de werknemer was sprake van een ernstig, recidiverend alcoholprobleem dat zich al vanaf 1996 voordeed. Gelet op het feit dat de werknemer al bijna tien jaar in zijn verslaving terugviel, was niet aannemelijk dat de werknemer het probleem binnen afzienbare tijd onder controle zou krijgen. Van de werkgever kon volgens de rechter niet verlangd worden het dienstverband in stand te laten.

Aan de zijde van de werkgever neemt de rechter factoren in acht die zien op preventie, het geven van waarschuwingen en de mate waarin hulp aan de werknemer is geboden. De alcoholverslaving van een werknemer is immers ook een probleem van de werkgever. De rol van de werkgever is vaak doorslaggevend. Heeft de werkgever zich voldoende ingespannen om het einde van het dienstverband te voorkomen en een oplossing te vinden voor de ‘ziekte’ van zijn werknemer?

Een opvallende uitspraak die duidelijk de belangenafweging laat zien tussen de factoren van de werkgever en de factoren van de werknemer, is van de Kantonrechter Haarlem op 31 maart 2006. Hierin vermoedde de werkgever al een tijdje dat zijn werknemer, een chauffeur op een strooiwagen, verslaafd was aan alcohol. De werknemer ontkent dit probleem. Vervolgens wees een arbo-arts op de risico’s van alcohol tijdens het werk, een maatschappelijk werkster werd ingeschakeld en werkgever gaf de werknemer bovendien een schriftelijke waarschuwing. Een ernstig incident deed zich voor: bij aankomst op zijn werk viel de chauffeur bij het openen van de deur uit de cabine van zijn bedrijfswagen en verkeerde in kennelijke staat van dronkenschap. Daarbij werden er tolloze halve literflessen bier gevonden, waarvan er al vijf leeg. De gebeurtenis was volgens de rechter zeker ingrijpend en had tot grote problemen kunnen leiden. Gezien dit alles moest de werknemer zich dan ook als een gewaarschuwd man beschouwen. Echter, de feiten en omstandigheden leverden, zeker gezien de alcoholproblematiek, onvoldoende reden voor ontbinding. Hier woog mee dat het jaar daarvoor de werkgever voor het eerst met het alcoholprobleem werd geconfronteerd, de werknemer tien jaar in dienst was en hartklachten zijn positie op de arbeidsmarkt hadden verslechterd.

Incidenteel (excessief) alcoholgebruik
Niet alleen kunnen problemen op de werkvloer ontstaan door een alcholverslaving, ook eenmalig excessief alcoholgebruik kan leiden tot een ontslag. Gesteld kan worden dat het in een dergelijk geval makkelijker is een werknemer te ontslaan. Het argument dat de gedraging de werknemer niet kan worden toegerekend omdat hij door het alcoholgebruik niet meer wist wat hij deed, gaat niet op. Tevens wordt incidenteel gebruik niet aangemerkt als ‘ziekte, waardoor de rechter zich minder terughoudend hoeft op de stellen in de beslissing het gedrag toe te reken aan de werknemer.

Een voorbeeld is de uitspraak van de kantonrechter Amersfoort op 15 maart 2000. Een rayondirecteur had zich ernstig misdragen tijdens een personeelsweekend. Hij had meerdere malen zijn vrouwelijke personeelsleden lastiggevallen, zich in het bijzijn van zijn collega’s uitgekleed en vervolgens naakt rondgefietst. De werknemer erkende dat dit was veroorzaakt door alcoholgebruik, zodanig dat hij ‘gedeelten van het weekend kwijt was.’ Volgens de Kantonrechter had de werkgever terecht geen vertrouwen meer in de rayondirecteur. Derhalve kon het dienstverband worden geëindigd, doordat de rayondirecteur zich voorheen altijd goed had gedragen kreeg hij nog wel een vergoeding.

Conclusie
Heeft de werkgever de werknemer onvoldoende hulp geboden om van het alcoholprobleem af te komen, dan is de algemene lijn in de jurisprudentie dat het verzuim als gevolg van het alcoholprobleem voor rekening van de werkgever komt en een ontslagverzoek niet zal worden gehonoreerd. Van een verslaafde werknemer wordt verwacht dat hij zijn verslaving adequaat aanpakt en alles in het werk stelt om zo snel mogelijk weer van waarde te zijn voor zijn werkgever.

Er bestaan factoren aan de zijde van de werknemer en factoren aan de zijde van de werkgever die de rechter in acht neemt bij de belangenafweging. Of uiteindelijk kan worden overgegaan tot ontslag van een verslaafde werknemer, blijft afhangen van de omstandigheden van het geval.


  • 0

De auteursrechtelijke bescherming op geuren.

Ruim twee jaar geleden heeft de Hoge Raad een revolutionair arrest gewezen op het gebied van intellectuele eigendom. Een uitsmijter voor de zomervakantie. Op 16 juni 2006 verrast Nederlands hoogste rechtscollege menig jurist door te bepalen dat auteursrechtelijke bescherming op grond van de Auteurswet zich ook strekt tot geuren. De gevolgen van het arrest zijn aanzienlijk. Binnen de Europese Gemeenschap zijn twee regimes van kracht die elkaar tegenspreken. Een harmoniserende richtlijn kan niet uitblijven.

De zaak tussen Lancôme en Kecofa
Lancôme daagt Kecofa voor de rechtbank Maastricht. De eiser betoogt namelijk dat de geur Female Treasure -op de markt gebracht door Kecofa- een imitatie is van Trésor, het paradepaardje van Lancôme. Kecofa verweert zich door te betwisten dat de geuren op elkaar lijken en bovendien wordt een auteursrecht op een geur betwist, aangezien ‘geuren behoren tot het publieke domein’.
In hoger beroep stelt het hof ’s-Hertogenbosch Lancôme in het gelijk.  De motivering laat veel te wensen over. Toch volgt de Hoge Raad de opvatting van het hof over de mogelijkheid een geur auteursrechtelijk te beschermen: ‘De in artikel 10 Auteurswet (“Aw”), naast de niet-limitatieve opsomming van werksoorten, neergelegde omschrijving van wat als ‘werk’ in de zin van die wet moet worden verstaan, luidt algemeen en belet niet daaronder een geur te begrijpen.’

Gevolgen van het Lancôme-arrest
De gevolgen van deze uitspraak zijn groot. De Auteurswet strekt zich dus niet enkel tot visuele en auditieve werken, maar ook tot werken die het reukzintuig appelleren. Sinds ruim twee jaar kan in Nederland door parfumeurs een beroep worden gedaan op auteursrechtelijke bescherming op hun geurwerken. Deze bescherming zou niet kunnen worden genoten als het parfum in Frankrijk op de markt wordt gebracht. Op 13 juni 2006, drie dagen voordat het Lancôme-arrest door de Hoge Raad werd gewezen, oordeelde het Franse Cour de Cassation dat auteursrechtelijke bescherming niet kan worden toegepast op een geur. De redenering van Frankrijks hoogste rechtscollege: ‘een parfumgeur valt niet onder ‘de creatie van een expressieve vorm’ die in aanmerking kan komen voor bescherming van voortbrengselen uit de menselijke geest, zoals bedoeld in de Auteurswet’.
In het Verenigd Koninkrijk kan de Hoge Raad evenmin op steun rekenen. De Engelse auteurswet kent een limitatieve opsomming van specifieke ‘werkcategorieën’.  De Nederlandse Auteurswet kent soortgelijke werkcategorieën, maar laat ruimte voor andere werken, door een niet-limitatieve bepaling toe te voegen in lid 12 van artikel 10 Aw. Aangezien geur niet is opgenomen in de gesloten opsomming van werkcategorieën, heeft dit tot gevolg dat een geur in het Verenigd Koninkrijk niet auteursrechtelijk beschermd kan worden. De wettekst biedt hier simpelweg geen ruimte voor.
Door de verschillende opvattingen van de rechters en bovendien verschillende wetteksten is er een juridisch onhoudbare situatie ontstaan. Binnen de Europese Gemeenschap zijn twee verschillende regimes van kracht. In Nederland kunnen parfumeurs auteursrecht krijgen op hun parfum, terwijl dit niet zou kunnen in landen zoals Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Een auteursrecht op een parfumgeur, erkend in Nederland, heeft tot gevolg dat die parfumgeur niet meer in Nederland op de markt gebracht kan worden vanuit andere EG-landen zonder toestemming van de auteursrechthebbende. Het vrije verkeer van goederen binnen de EG wordt hierdoor belemmerd.

Harmonisering als oplossing
Deze verschillende wijzen van hanteren van de wet en jurisprudentie kan weer worden rechtgetrokken door harmoniserende richtlijnen van de EG. De richtlijnen kunnen op initiatief van de Europese Commissie worden gemaakt, om de afwijkende nationale wetten te harmoniseren. Voor dit wetgevende optreden dient de Gemeenschap wel een wettelijke rechtsgrondslag te hebben, dit zou middels artikel 52 EG kunnen: harmonisatie van de gemeenschappelijke markt.

Aan de Commissie de taak initiatief te nemen en een harmoniserende auteursrechtelijke richtlijn uit te vaardigen. Onzeker is nog welke inhoud de richtlijn zal hebben. De Commissie zal aansturen op rechtseenheid voor de Gemeenschapslanden en moet een standpunt innemen: het standpunt van Nederland, waarin auteursrechtelijke bescherming zich uitstrekt tot geuren, of de kant van Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de andere landen, waarin geuren worden uitgesloten van auteursrechtelijke bescherming. Naast de rechtseenheid zal ook gekeken worden naar het standpunt dat vanuit economisch oogpunt de meeste voordelen met zich meebrengt en de vrije markt optimaal dient.

De parfumindustrie, met merken zoals Lancôme, heeft veel baat bij de auteursrechtelijke bescherming van haar parfums. In Oostbloklanden zoals Tsjechië en Polen worden parfums nagemaakt. De kwaliteit is echter minder goed en doet vanzelfsprekend afbreuk aan de goodwill van het merk. Bovendien is er financieel nadeel voor de parfumindustrie door imitatie van geurtjes. Vanuit dit oogpunt is er is dus zeker voor te pleiten dat de Commissie de opvatting van de Hoge Raad volgt en hiermee parfumeurs bescherming biedt.

Anderzijds is al eerder opgemerkt dat een auteursrechtelijke bescherming op een geur als gevolg heeft dat enkel met toestemming van de ‘auteur’, in casu de parfumeur, een parfum kan worden ingevoerd in de Gemeenschap. Dit is ten opzichte van de huidige situatie (in de Gemeenschapslanden, behalve Nederland) een belemmering van het vrije verkeer van goederen. Het is dan ook goed voorstelbaar dat de Raad en het Europees Parlement (voornamelijk bestaande uit landen die geen geurbescherming kennen) tegen de unieke leer van de Hoge Raad stemmen. Wanneer een verbodsbepaling ten aanzien van geurbescherming op grond van de Auteurswet wordt uitgevaardigd, door middel van een richtlijn, zal het Lancôme-arrest van de baan zijn.

Advies aan de Europese Commissie
Persoonlijk schaar ik mij achter het standpunt van de Hoge Raad. Hoewel de vrije markt hoog in het Gemeenschapsvaandel staat en mag staan, weegt bescherming van een creatief werk zwaarder. Het zou toch vreemd zijn dat een schrijver beschermd wordt tegen inbreuk op zijn auteursrechten, dat een muzikant beschermd wordt tegen inbreuk op zijn muziekrechten, maar dat een parfumeur niet beschermd wordt tegen imitatie en namaak van zijn parfum? De eerste bepaling van de Auteurswet luidt: ‘Het auteursrecht is het uitsluitend recht van den maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld’.

In het Lancôme-arrest wordt uitgebreid beschreven hoe het parfum Trésor van Lancôme is samengesteld: ‘de geur wordt gekenmerkt door ‘een combinatie van onder meer de frisse bloemgeur van witte rozen en lelietjes-van-dalen, versterkt door de poederachtige geur van iris, abrikozenbloesem en heliotroop en met een achtergrond van amber, sandelhout en musk’. In mijn ogen is het niet meer dan logisch dat Sophia Grojsman, de vrouw die deze unieke combinatie heeft samengesteld, wordt aangemerkt als kunstenares en daarmee ook bescherming geniet.

Want eerlijk is eerlijk, als kind vond ik mezelf nogal bekwaam in het samenvoegen van bloemblaadjes, tandpasta en hagelslag in een jampotje. Het is mij echter nooit gelukt daadwerkelijk mensen te vinden die mijn parfum wilden dragen, laat staan dat ik miljoenen opstrijk met mijn hobby. Wanneer een parfumeur met sandelhout en heliotroop een geur kan samenstellen die na 18 jaar nog steeds behoort tot één van de populairste parfums  mag toch met recht gesproken worden van vakmanschap!


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.