Category Archives: Jaargang 43 – Nummer 4

  • 0

Dossier China

China wil meer voet aan de grond krijgen in de Westerse wereld en lijkt al geruime tijd aan een opmars te werken. Terwijl menig land nog voortkwakkelt in de economische crisis, vaart China er – zij het met steunmaatregelen van de overheid – wel bij. Op andere gebieden lijkt China echter nog achter te blijven ten opzichte van de rest van de wereld. Onder andere door middel van censuur tracht China een controle uit te oefenen die niet enkel de liberalen in ons land zullen doen huiveren. Kortom: China heeft graag de spreekwoordelijke touwtjes in handen en stelt daarbij vaak het collectieve belang al dan niet met geweld, boven dat van het individu. Hierbij rijst dan ook onvermijdelijk de vraag hoe het strakke regime dat China voert zich verhoudt tot de mensenrechten en wat voor effect dit heeft op de internationale politiek.

Grootmacht China en haar streven naar controle
Het lijkt zo’n contrast: enerzijds doet China aangaande de economie en internationale betrekkingen ontzettend haar best om bij de Westerse wereld te horen. Zo is zij trots gastland van de World Expo, welke op 1 mei jongstleden van start is gegaan en heeft zij plannen voor de aanleg van een hogesnelheidslijn van Londen naar Beijing. Niets lijkt onmogelijk. Maar ook op politiek gebied kan men, zij het voorzichtig en minder eenduidig, stellen dat China bereid is om haar beleid meer in lijn te trekken met dat van de Westerse wereld; op de internationale top inzake de nucleaire veiligheid, welke begin april 2010 is gehouden in Washington, zijn er berichten naar buiten gekomen dat China – alhoewel het wel de voorkeur blijft geven aan dialoog – niet meer 100% tegenstander is van sancties teneinde het vermeende nucleaire programma van Iran te stoppen. Anderzijds blijft het communistische land er hele andere normen en waarden op na houden dan de Westerse Wereld. De sociale controle is groot en dat uit zich in onder andere restricties van het internet. Probeert men Youtube vanuit China te bereiken, dan verschijnt de melding dat de webpagina niet beschikbaar is en dat het mogelijk is dat deze tijdelijk is uitgeschakeld. Daarnaast is, zoals ongetwijfeld bekend, de relatie tussen China en de Amerikaanse zoekmachine Google onlangs ook in zwaar weer beland doordat Google zich niet langer wenst te houden aan de restricties die zij door de Chinese overheid opgelegd krijgt.

In Shanghai worden smsjes structureel gecontroleerd op seksueel getinte woorden op straffe van een tijdelijke blokkade van de smsfunctie van de verzender.

Het internet is echter niet het enige dat in China aan banden is gelegd. In Shanghai worden smsjes structureel gecontroleerd op seksueel getinte woorden op straffe van een tijdelijke blokkade van de smsfunctie van de verzender.
Naast dergelijke informatiesystemen ziet de autoritaire controle ook op de godsdienst, in die zin dat – ondanks de godsdienstvrijheid – enkel de door de staat goedgekeurde godsdiensten legaal zijn en dat tegen andere religieuze bewegingen hard wordt opgetreden.
In deze bijdrage zal het vanwege de relatief beperkte ruimte onmogelijk zijn om alle dertig mensenrechten apart te behandelen. Derhalve zullen slechts enkele aspecten van het reilen en zeilen van de Chinese staat aan de orde komen, namelijk de bovengenoemde censuur, althans de vrijheid van meningsuiting en de godsdienstcontrole. Tevens zal ingegaan worden op de zogenaamde ‘Black Jails’ in China; particuliere gevangenissen waar marteling van gevangenen aan de orde van de dag is. Vervolgens zal gekeken worden naar een (volgens Westerse maatstaven enigszins bizarre) bezwaarprocedure, die de Chinezen de mogelijkheid biedt om hun klachten over de overheid te uiten. Na deze blik op de gang van zaken in China zal de gebondenheid aan deze mensenrechten de revue passeren, om vervolgens aandacht te besteden aan de passieve internationale politiek wat betreft de mensenrechtenkwestie in China.

Vrijheid van meningsuiting en censuur
Het recht op vrijheid van mening en meningsuiting, artikel 19 van de Universele verklaring van de rechten van de mens in China is twijfelachtig. Kortweg komt het er op neer dat journalisten, schrijvers of anderen die ‘kritiek’ op de overheid hebben, worden opgepakt door de Chinese autoriteiten. Kritiek tussen aanhalingstekens, aangezien er voorbeelden zijn van schrijvers die gevangen zijn genomen omdat zij informatie anders dan rechtstreekse kritiek naar buiten hebben gebracht. Een voorbeeld daarvan is Shi Tao die een gevangenisstraf van tien jaar uit moet zitten vanwege het sturen van een e-mail naar het buitenland waarin hij een overheidsverordening inhoudende restricties omtrent de berichtvoering van de media over de herdenking van de uit de hand gelopen studentenprotesten van 1989 op Tiananmen square beschreef. Dit werd door de Chinese autoriteiten bestempeld als het lekken van staatsgeheimen aan het buitenland. Met dit voorbeeld is overigens nog een aspect van de censuur belicht: de censuur werkt – in tegenstelling tot de in de inleiding genoemde internetcensuur – niet enkel naar de inwoners van het communistische land, maar ook naar de Westerse wereld. Buitenlandse bemoeienis bij interne aangelegenheden wordt door China niet getolereerd en teneinde deze bemoeienis zoveel mogelijk te voorkomen voert China een beleid dat erop gericht lijkt te zijn om zo min mogelijk (in de ogen van de Westerse wereld) negatieve gebeurtenissen naar buiten te laten vloeien. Een enigszins gedateerd maar pakkend voorbeeld daarvan is een interne notitie afkomstig van onder andere het departement ‘propaganda van het centrale comité van de Chinese communistische partij’ uit 1984 inzake de executie van ter dood veroordeelden. Hierin wordt door de autoriteiten regels gesteld teneinde te voorkomen dat ‘de reactionaire pers onze terechtstelling van misdadigers gebruikt voor het verspreiden van geruchten en laster’. Onder andere wordt vastgesteld dat de executieplaats niet in drukke stadswijken, langs belangrijke vervoerswegen of in de buurt van toeristische gebieden mogen liggen, alsmede dat het niet is toegestaan om de ter dood veroordeelden voorafgaande aan de executie door de straten te vervoeren teneinde hen aan het volk te tonen. De notitie gaat verder: ‘De propaganda voor de strenge en harde aanpak van crimineel gedrag moet vooral gebeuren door het afschuwelijke misdrijf van de misdadiger te belichten, de ernstige en gerechtvaardigde eisen van het volk te weerspiegelen, en energiek de rechtvaardigheid, noodzakelijkheid en belangrijkheid van de strenge en harde aanpak van crimineel gedrag duidelijk te maken; verwijzen naar feiten die duidelijk voor zichzelf spreken, bekendheid geven aan de bemoedigende resultaten die zijn behaald op het gebied van de handhaving van de openbare veiligheid, het waarborgen van de staatsveiligheid, de bescherming van de belangen van het volk, de opvoeding en redding van personen die een misstap begingen en het streven naar de versterking van het fundament van de sociale moraal’.
Ondanks de gedateerdheid van de notitie, geeft het enigszins inzicht in de manier waarop China de doodstraf onder haar burgers probeert te ‘verkopen’ als zijnde een noodzakelijkheid om de veiligheid in het land te waarborgen. Overigens is deze notitie in die zin tevens nog actueel dat China heden ten dage nog steeds geen cijfers naar buiten wil brengen over het aantal jaarlijks uitgevoerde executies. Nog een vorm van censuur waarmee zij buitenlandse bemoeienis af wil houden.

Godsdienstvrijheid?
Naast het artikel uit de Universele verklaring van de rechten van de mens dat een ieder het recht heeft op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, kent China een vorm van godsdienstvrijheid in haar Grondwet. ‘Een vorm van’, aangezien de godsdienstvrijheid in China is beperkt tot de door de overheid goedgekeurde geloofsovertuigingen. De van huis uit atheïstische regering wil met deze beperking voorkomen dat er tegenstromingen c.q. -bewegingen ontstaan die de staat ondermijnen. De godsdienst moet dan ook de zaak van het socialisme dienen. De niet door de overheid goedgekeurde organisaties worden beschouwd als illegaal en hun leiders en/of aanhangers worden vervolgd.

De niet door de overheid goedgekeurde organisaties worden beschouwd als illegaal en hun leiders en/of aanhangers worden vervolgd.

Zo ook de uit China afkomstige Falun Gong; een beweging die met behulp van oefeningen en meditatie een betere gezondheid en innerlijke vrede moet brengen. Het is een spirituele leer die onder andere uitgaat van mededogen en verdraagzaamheid. Kortom, het klinkt als een vreedzame beweging die overigens in meer dan zeventig landen vrijelijk mag worden beoefend , maar de Chinese autoriteiten beschouwen het als een gevaarlijke sekte en startte in 1999 de vervolging op mensen die iets te maken hebben met de Falun Gong. Dit kunnen zowel beoefenaars zijn als Chinese mensenrechtenactivisten die het voor de beweging opnemen. Een voorbeeld is Yonghang Wang, een mensenrechtenadvocaat die een artikel uit het Chinese Wetboek van Strafrecht – op basis waarvan de autoriteiten Falun Gong beoefenaars veelal veroordelen – heeft bekritiseerd omdat het artikel niet duidelijk genoeg zou zijn gespecificeerd. Het wetsartikel zou de Chinese staat de mogelijkheid bieden om willekeurig elke Chinees op te sluiten met als argument de bescherming van de staat. Het door Wang bekritiseerde artikel ziet op ‘bijgelovige sekten, geheime genootschappen en kwaadaardige religieuze organisaties’ die bovendien een rechtsprocedure verhinderen of de uitvoering van de wet kunnen ondermijnen. Wang is in november 2009 veroordeeld voor een gevangenisstraf van zeven jaar. Rechtsbasis voor deze veroordeling? Het door hemzelf bekritiseerde artikel 300 van het Chinese wetboek van Strafrecht.

“Black Jails”
Twee andere mensenrechten zijn de artikelen 5 en 9 van de Universele verklaring van de rechten van de mens. Artikel 5 bepaalt dat niemand zal worden onderworpen aan folteringen, dan wel aan wrede, onmenselijke of onterende behandelingen of bestraffingen. Artikel 9 voegt daar aan toe dat niemand onderworpen zal worden aan willekeurige arrestatie, detentie of verbanning. Deze mensenrechten staan in schril contrast vergeleken met hetgeen Human Rights Watch (verder: HRW) in november 2009 rapporteerde in haar document genaamd ‘An Alleyway in Hell’. Volgens dit rapport bestaan er in China particuliere gevangenissen waar Chinezen zonder proces vast worden gehouden en zonder te weten wat zij hebben misdaan, dan wel wanneer zij worden vrijgelaten.

de mensen worden gemarteld, bedreigd, (seksueel) geïntimideerd en onthouden van medische hulp en regelmatige maaltijden.

De omstandigheden zijn volgens het rapport slecht: de mensen worden gemarteld, bedreigd, (seksueel) geïntimideerd en onthouden van medische hulp en regelmatige maaltijden. Dit rapport is echter niet het eerste bericht dat naar buiten komt over deze zogenaamde “Black Jails”. Zo staat er op youtube een kort filmpje afkomstig van AlJazeera, gedateerd van 27 april 2009, waarin enkele panden worden bezocht waarin een vermeende “Black Jail” is gevestigd of gevestigd is geweest. Het schokkende is wellicht nog niet zozeer dat de gevangenissen welke worden gerund door particulieren er aan de buitenkant doodnormaal uit zien, waardoor menig nietsvermoedende buitenstaander er achteloos langs zou lopen, als wel dat de houders van “Black Jails” volgens onder andere het rapport van HRW door de overheid betaald krijgen. De vergoedingen zouden oplopen van ongeveer €17,- tot €32,- per gevangene, per dag. Vergeleken met de lage maandinkomens in China, waarbij een maandelijkse €300,- geen vreemd bedrag is, kan men wel bedenken dat het houden van een dergelijke gevangenis een zeer lucratieve bezigheid kan zijn en dat het juist voordelig is als men de mensen nog een dagje langer vasthoudt.

Bij beantwoording van de vraag wie en met welke reden men gevangen wordt genomen, komt men op het reeds in de inleiding genoemde bezwaarsysteem van de Chinese overheid. Dit systeem heeft enigszins trekken van wat wij kennen als onze Awb-procedure. Chinezen met klachten moeten deze eerst bij de lokale overheid neerleggen. Het onderwerp van deze klachten kunnen variëren van bijvoorbeeld corrupte agenten tot een besluit dat is genomen door de lokale overheid waar men het niet mee eens is. Als de lokale overheid de klacht niet naar tevredenheid oplost, kan de indiener van de klacht de kwestie neerleggen bij de provincie. Als ook deze instantie niet voorziet in een (door de klager gewenste) oplossing, kan de burger in een soort van hoger beroep. Hij moet hiervoor in persoon naar de hoofdstad komen. In Beijing wil men echter zo min mogelijk burgers met klachten zien, mede omdat dat een teken is dat de lokale dan wel provinciale overheid zijn werk goed doet. Teneinde de lagere overheden er toe te bewegen hun zaken goed op orde te krijgen, kan de centrale overheid in Beijing ‘straffen’ opleggen aan onder andere de lokale en provinciale ambtenaren indien er alsnog burgers met klachten naar de stad komen. Deze straffen kunnen variëren van geldboetes tot het terugzetten in rang of het structureel korten van het doorgaans toch al niet zo hoge loon. De manier van de lagere overheid om te voorkomen dat klagende burgers naar Beijing afreizen is niet het verbeteren van de eigen klachtafhandeling, maar is simpelweg de betreffende burgers op te (laten) sluiten in “Black Jails”, veelal voordat zij ook maar één voet richting Beijing hebben kunnen zetten.
Een ‘handige’ oplossing dus voor een groot probleem, aangezien er volgens het rapport van HRW vele burgers (vaak afkomstig vanaf het platteland) nietsvermoedend van de mogelijke consequenties naar Beijing vertrekken om hun ‘recht’ te halen. Maar niet alleen is deze praktijk in strijd met de mensenrechten (denk naast de twee al genoemde artikelen ook aan de vrijheid van meningsuiting), maar ook met het Chinese recht. Hierin is immers de bezwaarprocedure geregeld en is het recht om bezwaar te maken aan de burgers toegekend. Een blokkade van deze mogelijkheid schendt derhalve rechtstreeks de rechten van de Chinese staatsburgers. Overigens wordt het bestaan van dergelijke “Black Jails” tot op heden – ondanks de vele getuigen die zelf zeggen opgesloten te zijn in dergelijke gevangenissen – ontkend door de overheid. Wel is er op 26 november 2009 een artikel verschenen waarin gesteld wordt dat een tijdschrift, gerund door de Chinese overheid, het bestaan van de “Black Jails” heeft toegegeven.

De manier van de lagere overheid om te voorkomen dat klagende burgers naar Beijing afreizen is niet het verbeteren van de eigen klachtafhandeling, maar is simpelweg de betreffende burgers op te (laten) sluiten in “Black Jails”, veelal voordat zij ook maar één voet richting Beijing hebben kunnen zetten.

Politieke consternatie
Afgezien van de vraag of de Chinese autoriteiten daadwerkelijk het bestaan van de “Black Jails” toegeven, is men echter nog niet geholpen met een enkele erkenning.
Dat er mensenrechten geschonden worden door de censuur die het communistische land hanteert en door de manier waarop zij de godsdienstvrijheid heeft ingericht, laat staan door het behouden van “Black Jails”, moge wel duidelijk zijn. De Universele verklaring voor de rechten van de mens verbind de staten echter niet. Daarvoor zijn nadere verdragen nodig, zoals het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, welke daadwerkelijk de mogelijkheid biedt om onder andere de bescherming van de in dit artikel genoemde mensenrechten te realiseren en te handhaven. Dit verdrag is door China reeds in oktober 1998 ondertekend, maar tot op heden nog niet geratificeerd. De reden is mede gelegen in het cultuurrelativisme; de Westerse maatstaven van mensenrechten zijn gericht op het belang van het individu, wat botst met het Chinese beleid dat voornamelijk gericht is op het collectieve belang, zoals de eenheid van de staat.
Cultuurrelativisme of niet, het feit blijft dat er in China mensen zonder proces worden opgesloten, waarbij foltering aan de orde van de dag is. De conclusie dat deze situatie absoluut verbetert moet worden is welhaast onvermijdelijk. De vraag rijst echter waarom de Westerse wereld niet optreedt tegen dit Chinese beleid waarbij op grote schaal mensenrechten geschonden lijken te worden. Het antwoord ligt grotendeels voor de hand: zowel de politieke als de economische betrekkingen komen in het gedrang indien de Westerse wereld zich feller opstelt tegen China. De economische voordelen die China bijvoorbeeld biedt aan de (bedrijven in de) Westerse wereld zijn immers ongekend hoog door onder andere de lage lonen. Een eventuele blokkade van de Chinese overheid zal de winst van menig Westers bedrijf doen kelderen.

Naar overige redenen voor het niet ingrijpen van andere wereldmachten kunnen we overigens enkel gissen. China heeft echter in 2005 reeds een rapport gepubliceerd over de mensenrechten in de Verenigde Staten en onlangs heeft het weer uitgehaald naar Amerika inzake diens schendingen van de mensenrechten. Moddergooien? Allicht, maar laat men vooral niet de toestanden op voormalig Guantanamo Bay vergeten. Zal de conclusie dan toch het afgezaagde ‘een betere wereld begint bij jezelf’ zijn? Wellicht, maar deze stelling geldt niet enkel voor eventuele binnenlandse mensenrechtenschendingen van de Westerse landen. Zonder de politieke en economische belangen geheel uit te willen vlakken, zal de Westerse wereld mijn inziens toch echt paal en perk moeten stellen aan de mensenrechtenschendingen in China. Het nalaten van dit ingrijpen is juridisch gezien tweeledig. Vooraleerst helpt de Westerse wereld indirect met de instandhouding van de schendingen zoals deze momenteel plaatsvinden en zoals deels in dit artikel aan de orde is gekomen. Ten tweede en wellicht nog belangrijker, stelt de Westerse wereld de belangen van de individuele burgers voorop. Echter waar het de keuze moet maken tussen haar (collectieve) economische belangen en de individuele belangen van niet haar eigen, maar die van de Chinese bevolking, stelt zij – door het niet ingrijpen in de mensenrechtenschendingen in China – haar eigen economische belang boven dat van het Chinese individu. Bij menig jurist zullen nu de eerste twee mensenrechten voor ogen verschijnen: eenieder is gelijk en discriminatie is nimmer toegestaan. De Westerse wereld stelt wél het individuele belang voorop aangaande haar eigen burgers, maar niet waar het gaat om die van de Chinezen. Mensenrechtenschending door de Westerse wereld? Ik dacht het wel!


  • 0

Van veldspeler tot verdachte

Nederland is een sportland. In 2004 was 30% van de Nederlandse bevolking lid van een sportvereniging en 42% van de Nederlandse bevolking sportte in 2004 tussen de 1 en 4 uur per week.1 Om deze sporten in goede banen te leiden zijn er regels opgesteld en zijn er vaak één of meerdere scheidsrechters aanwezig om deze regels te handhaven. De aanwezigheid van regels en scheidsrechters zijn noodzakelijk omdat het er in een sport- of spelsituatie heftig aan toe kan gaan. Gedreven door de wil om te winnen worden de spelregels met regelmaat overtreden. Een scheidsrechter kan dit bestraffen en bij flagrante overtredingen zijn er veelal regels van tuchtrecht om de overtreder extra te straffen. Maar wat nu als de overtreding van dusdanige aard is dat het eigenlijk niet meer volstaat de speler te bestraffen via de tuchtregels? Wat nu in een situatie waarin er zwaar lichamelijk letsel ontstaat door een actie bij een andere speldeelnemer? Is er een rol weggelegd voor de strafrechter in een dergelijke situatie? En kan de civiele rechter hierin nog een rol vervullen? In dit artikel zal ik kijken naar de relevante wetsartikelen en jurisprudentie op beide rechtsgebieden en de twee gebieden met elkaar vergelijken.
De volgende twee, waargebeurde, situaties lopen als een rode draad door dit artikel.
Situatie 1. Na frustratie over een niet gegeven penalty besluit Sparta-speler Bouaouzan zijn emoties te botvieren op het rechterbeen van Go Ahead Eagles-speler Kokmeijer. Net nadat Kokmeijer de bal wegschiet raakt het gestrekte been van Bouaouzan het rechterbeen van Kokmeijer vlak onder de knie, waarbij het been dubbel klapt en tegennatuurlijk door de lucht zwabbert. Een dubbele beenbreuk en vijf operaties later blijkt dat Kokmeijer nooit meer zal kunnen voetballen. Hij mag van geluk spreken wanneer hij ooit weer normaal kan lopen.
Situatie 2. Na een doelpunt en daardoor tijdens een zogenaamd doodspelmoment ontstaat er een worsteling tussen twee waterpolodames waarbij een van de dames onder water wordt gedrukt. De zus van het meisje dat het slachtoffer onder water drukt zwemt naar het voorval toe en helpt daar haar zusje het meisje onder water drukken. Het slachtoffer houdt hieraan een Posttraumatische Stressstoornis over.

Net nadat Kokmeijer de bal wegschiet raakt het gestrekte been van Bouaouzan het rechterbeen van Kokmeijer vlak onder de knie, waarbij het been dubbel klapt en tegennatuurlijk door de lucht zwabbert.

Tuchtrecht vs. Strafrecht
Artikel 167 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering verwoord het opportuniteitsbeginsel als volgt: ‘Van vervolging kan worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend.’ Een voorbeeld hiervan is dat het openbaar ministerie van vervolging af zal zien wanneer de situatie op een bevredigende wijze door het tuchtrecht kan worden afgehandeld.2 Het tuchtrecht streeft primair naar het handhaven van specifieke sportgerelateerde normen, maar kan ook worden ingezet om generale normen te handhaven, zoals het strafrecht generale normen handhaaft. Toch zijn er uitzonderingen op de situaties die door het tuchtrecht kunnen worden behandeld. Hierbij worden de grenzen bepaald door de mate waarin de overtreding is gerelateerd aan een bepaalde sport en of andere deelnemers aan deze bepaalde sport een overtreding hadden kunnen verwachten. Het tuchtrecht speelt een zeer grote rol binnen de sportwereld, maar er zijn nu eenmaal situaties waarin behandeling van een overtreding via het tuchtrecht te licht zou zijn en het strafrecht duidelijk in beeld komt.

Wederrechtelijkheid
Wanneer je kijkt naar gedragingen in de sport en de mogelijke strafrechtelijke gevolgen van deze gedragingen dan is het eerste wat in het oog springt de mogelijke afwezigheid van de wederrechtelijkheid. Immers, door deel te nemen aan een sportsituatie geef je min of meer toestemming aan anderen tot bepaalde gedragingen. Een voetballer zal niet raar opkijken als hij wordt getackeld en nog extremer, een bokser zal geen aangifte doen wanneer hij knock-out wordt geslagen. Zolang in het maatschappelijk leven dergelijke sporten worden aanvaard, en de daarbij behorende spelregels in acht worden genomen, zal het toegebrachte leed niet als een gevolg van mishandeling kunnen worden aangemerkt, althans zal een dergelijke handeling door toestemming over en weer worden gerechtvaardigd.3 Dit betekent dat gedragingen die buiten een sport- of spelsituatie als onvoorzichtig of onrechtmatig worden aangemerkt, binnen de sport- en spelsituatie niet eenzelfde kwalificatie opleveren omdat er sprake is van gedragingen die deelnemers over en weer van elkaar verwachten. Een gedraging wordt niet plotseling onzorgvuldig als er door een ongelukkige samenloop van omstandigheden opeens (zwaar) lichamelijk letsel ontstaat.

Een bokser zal geen aangifte doen wanneer hij knock-out wordt geslagen.

Uiteraard zijn er wel grenzen aan deze vrijheid. Zo zal het altijd in strijd met de goede zeden zijn wanneer er direct levensgevaar ontstaat wanneer een sport of spel op de normale manier wordt uitgeoefend. Een andere grens wordt gevormd door de spelregels. De spelregels bepalen de grenzen van de wederrechtelijkheid van een bepaalde gedraging. Wanneer de spelregels op onmiskenbare wijze worden overtreden dan kan er wel degelijk sprake zijn van een wederrechtelijke handeling en daardoor ook van bijvoorbeeld zware mishandeling. Als we dit vertalen naar een voetbalwedstrijd dan kan er bij een tackle op de bal, waarbij ongelukkig genoeg een speler van de tegenpartij te val komt en zijn arm breekt, geen sprake zijn van wederrechtelijkheid. Is echter die bal niet in de buurt op het moment dat de tackle wordt ingezet, een flagrante overtreding van de spelregels, en de persoon die geraakt wordt breekt zijn been, dan is er wel sprake van wederrechtelijk handelen en komt de strafrechter in beeld. Situatie 1, de situatie waarin voetballer Bouaouzan tegenstander Kokmeijer doormidden schopt, is een voorbeeld van een situatie waar de strafrechter in beeld kwam, en ook daadwerkelijk zijn oordeel over de aan te leggen maatstaf heeft uitgesproken.

De wederrechtelijkheid staat vast omdat de handleiding voor scheidsrechters veldvoetbal het inkomen met een gevaarlijk gestrekt been kwalificeert als een ernstige overtreding.

Het oordeel van de strafrechter
Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen gevallen waarin letsel wordt veroorzaakt binnen en buiten een directe spelsituatie. Situatie 1 is een voorbeeld van een gedraging die zich afspeelt binnen een directe spelsituatie. Een voorbeeld van het laatste is situatie 2, waarin een waterpoloster tijdens een dood spelmoment onder water wordt gedrukt en gehouden.

Binnen een directe spelsituatie
Tot 22 april 2008 was er in Nederland nooit eerder een profvoetballer veroordeeld voor zware mishandeling van een collega voetballer.4 Dit veranderde toen Bouaouzan door de Hoge Raad werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf. Laten we eens kijken naar de maatstaf die de Hoge Raad aanlegt.

De overtreding op Kokmeijer vond, zoals gezegd, binnen een directe spelsituatie plaats. Weliswaar was Bouaouzan te laat met zijn tackle en was de bal al door Kokmeijer doorgespeeld, toch was er wel gewoon sprake van een spelsituatie en was het spel niet door de scheidsrechter stilgelegd. In een dergelijke situatie ligt de bewijslast erg hoog omdat er bewezen moet worden dat de gedraging niet binnen de spelregels valt en dat het gaat om een gedraging die men over en weer niet van elkaar verwacht. Onder het laatste wordt ook het ontbreken van de toestemming geschaard. De Hoge Raad zegt over de tweede situatie dat ook dan een speler de spelregels op een dusdanige wijze kan schenden en zo gevaarlijk kan handelen dat van het ontbreken van de wederrechtelijkheid geen sprake kan zijn.5 Er moet echter wel rekening gehouden worden met het sport- en spelelement waaronder, volgens de Hoge Raad, moet worden verstaan: ‘Deelnemers aan een sport, zoals voetbal, hebben tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt over en weer van elkaar te verwachten, terwijl bij een door duidelijke spelregels afgebakende sport die spelregels mede van belang zijn voor het bepalen van de grenzen van de wederrechtelijkheid’. De Hoge Raad verwijst hier naar eerdere arresten waar de civiele aansprakelijkheid ter discussie stond. Hierop kom ik hieronder terug.

Bij een gemiddelde amateurwedstrijd zullen echter geen videobeelden worden gemaakt, waardoor de situatie moet worden gereconstrueerd aan de hand van getuigenverklaringen.

De Hoge Raad neemt dus aan dat er, zelfs in een directe spelsituatie, sprake kan zijn van een wederrechtelijke gedraging. ‘De wederrechtelijkheid staat vast omdat de handleiding voor scheidsrechters veldvoetbal het inkomen met een gevaarlijk gestrekt been kwalificeert als een ernstige overtreding en het een feit van algemene bekendheid is dat deze overtreding zwaar lichamelijk letsel kan veroorzaken.6

Alleen een wederrechtelijke gedraging is niet voldoende in het strafrecht om tot een veroordeling te komen. Er moet ook bepaalde mate van schuld of opzet in het spel zijn. Opzet kent meerdere verschijningsvormen en één daarvan is de zogenaamde voorwaardelijke opzet. Dit is de absolute ondergrens van opzet. In de rechtspraak spreekt men over het aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal ontstaan door een bepaalde gedraging.7 Volgens de Hoge Raad kan voorwaardelijke opzet worden aangenomen als bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. In de woorden van de Hoge Raad: ‘Uit de uiterlijke verschijningsvorm, op basis van televisiebeelden en de gedraging zelf, te weten het met hoge snelheid en kracht vanaf (te) korte afstand een vliegende tackle met gestrekt been en een schoen met metalen noppen uitvoeren, kan worden afgeleid dat verdachte zich heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij niet de bal maar het slachtoffer zou raken. Hiermee heeft hij op de koop toegenomen dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen veroorzaken.’ De algemene ervaringsregels die leren dat het inkomen met een gestrekt been zwaar letsel oplevert, de jarenlange voetbalervaring van Bouaouzan en het feit dat hij had moeten beseffen dat hij door het inzetten van deze actie onmogelijk de bal kon raken, maar wel het been van het slachtoffer, overtuigen de Hoge Raad er voldoende van dat verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard.8 Verdachte werd veroordeeld wegens zware mishandeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

Één van de spelers wordt op zijn oog geraakt door een tennisbal en raakt aan dat oog blind.

Hoewel het arrest van de Hoge Raad aan duidelijkheid niet te wensen over laat is het de vraag of het veel zal worden toegepast. De gedraging binnen de lijnen van een sportveld zijn immers zeer casuïstisch en vaak zal het moment voorafgaand aan een gedraging te kort zijn om opzet op aan te nemen. In het geval van Bouaouzan spreekt tegen hem dat op de tv beelden duidelijk te zien is hoe hij een lange aanloop neemt en tijdens die aanloop dus een moment had om te stoppen, of de gevolgen te aanvaarden. Bij een gemiddelde amateurwedstrijd zullen echter geen videobeelden worden gemaakt, waardoor de situatie moet worden gereconstrueerd aan de hand van getuigenverklaringen. In dergelijke gevallen zal het zeer lastig zijn om voorwaardelijke opzet te construeren en tot een veroordeling te komen.

Buiten een directe spelsituatie
De gedraging zoals beschreven in situatie 2 valt buiten een directe spelsituatie omdat het spel automatisch stilvalt na het scoren van een doelpunt. De rechtbank van Almelo heeft over deze situatie geoordeeld en legt daarbij de volgende maatstaven aan.9 ‘Indien de overtreding als het ware nog door het spel wordt bepaald, of in zekere zin in dienst te staan van het nagestreefde resultaat en niet buiten de lijnen vallen van wat in sport en spel over en weer nog te verwachten is en wanneer het fysiek ingrijpen van de sporters redelijkerwijs niet meer geacht kan worden nog verbonden te zijn met het spel komt de strafrechtelijke aansprakelijkheid in beeld’. Het komt er dus eigenlijk op neer dat zolang de overtreding functioneel is en binnen proporties valt van wat verwacht mag worden in die betreffende sport, de overtreding buiten het strafrecht valt.10

De spelregels in de waterpolosport laten het onder water duwen slechts toe als in een specifiek duel de actie gericht is op de bal en deze actie niet doelbewust gericht is op de speler. Er moet dus sprake zijn van een directe spelsituatie, daar was in deze zaak geen sprake meer van. Daardoor hebben de zusjes een duidelijke overtreding van de waterpolospelregels begaan. Hierbij heeft de rechtbank de getuigenverklaringen van de scheidsrechters en de overige waterpolospeelsters meegewogen. Deze getuigen verklaarden een dergelijke buitenproportionele overtreding nog nooit meegemaakt te hebben. Gelet op de jarenlange ervaring met waterpolo hadden de zusjes zich bij hun daden bewust moeten zijn geweest van de mogelijke risico’s voor het slachtoffer.11

Het oordeel van de civiele rechter
Ook in civiele procedures komen gedraging binnen een sport (en spel) situatie aan de orde, misschien zelfs nog wel vaker dan in het strafrecht, omdat gedupeerden hier zelf een procedure kunnen starten en niet afhankelijk zijn van het openbaar ministerie. De meeste sportsituaties worden gekenmerkt door het feit dat een zekere mate van onoplettendheid van de deelnemers en onvoorzichtig gedrag van de deelnemers normaal is.12

Wanneer de bekende kelderluikcriteria worden toegepast dan komt men al snel tot de conclusie dat het toebrengen van schade in een sportsituatie onrechtmatig is. Deze conclusie wordt echter in de rechtspraak en de literatuur van de hand gewezen. Er wordt aangenomen dat risicoschepping een wezenlijk onderdeel is van de activiteiten in het kader van de sport vormt. Deelnemers weten dat er bepaalde risico’s aan de gedragingen zijn verbonden en aanvaarden deze gedragingen. Daar komt nog bij dat sportactiviteiten, ondanks de risico’s, maatschappelijk geaccepteerd worden. Een te strenge rechterlijke toets is daarom ongewenst. Vandaar dat in het civiele recht een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel wordt aangenomen. Het komt erop neer dat in het kader van sportsituaties een beoordeling van de sportgerelateerde verwachtingen van partijen met zich meebrengen dat lichtere veiligheidsnormen hebben te gelden. De regel in het civiele recht is daarom dat betrokkenen bij een sportactiviteit in redelijkheid tot op een zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe die activiteit uitlokt of die erin besloten liggen, van elkaar hebben te verwachten.13

Deze regels zijn onder andere toegepast in het zogeheten tennisbal-arrest, waarbij twee spelers tussen twee games in, dus buiten een directe spelsituatie, tennisballen naar elkaar oversloegen.14 Eén van de spelers wordt op zijn oog geraakt door een tennisbal en raakt aan dat oog blind. De Hoge Raad neemt aan dat er wel sprake was van een spelsituatie en daarom van een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel. De Hoge Raad laat het oordeel van het hof in stand, welke luidt: ‘Gedragingen in het kader van het tennisspel, die buiten de spelsituatie onvoorzichtig en daarom onrechtmatig zou zijn geweest, hoeven binnen de spelsituatie dit karakter niet te hebben, omdat deelnemers aan het spel gedragingen waartoe het spel uitlokt, waaronder van tijd tot tijd ook misslagen, van elkaar te verwachten hebben.’ In dit arrest werd de gedraging dus niet onrechtmatig geacht door de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel.

De Italiaanse international Matterazzi beledigt de Franse international Zidane door zich oneerbaar over diens moeder uit te laten, waarop Zidane reageert door een kopstoot uit te delen aan Materazzi.

Tot slot nog een laatste voetbalvoorbeeld. Tijdens een voetbalwedstrijd geeft een speler een tegenstander die niet meer in bezit is van de bal, een schop.15 In voetbaltermen wordt dit natrappen genoemd. De speler die geraakt wordt loopt hierdoor ernstig knieletsel op. Ook hier was er sprake van een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel, maar werd er geoordeeld dat de gedraging wel onrechtmatig was omdat deze gedraging viel buiten de regels van het spel en abnormaal gevaarlijk was. Een voetbalspeler mag van andere spelers op het veld verwachten dat zij geen onnodig gevaar voor blessures veroorzaken.

Conclusie: strafrecht vs. civiel recht
Waar de strafrechter gebonden is aan bepaalde strafrechtelijke beginselen – zoals wederrechtelijkheid en opzet – en een gedraging op het sportveld moet beoordelen aan de hand van die beginselen heeft de civiele rechter haar eigen beoordelingskader geschapen met als belangrijkste resultaat de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel voor sportgerelateerde onrechtmatige gedragingen. De strafrechter wedijvert op het gebied van de vervolging met de tuchtrechter en kan alleen in extreme gevallen komen tot een veroordeling, daarbij teruggrijpend op civielrechtelijke principes. In minder extreme gevallen lijkt een afhandeling via het tuchtrecht meer op zijn plaats. Het openbaar ministerie speelt een grote rol in de vervolging en zal moeten bepalen wanneer het maatschappelijk gezien wenselijk is om een sporter te vervolgen. Daarbij zal het vooral gaan om delicten zoals (zware) mishandeling, omdat er voor dergelijke gedragingen maatschappelijk draagvlak voor vervolging bestaat. Gaat het echter om, bijvoorbeeld, belediging op het sportveld dan lijkt vervolging door het ontbreken van het maatschappelijk draagvlak minder voor de hand te liggen. Vertalen we dit naar de situatie van de finale van het wereldkampioenschap voetbal van 2006 tussen Frankrijk en Italië, waarin de Italiaanse international Materazzi de Franse international Zidane beledigde door zich oneerbaar uit te laten over diens moeder, waarop Zidane reageerde door een kopstoot uit te delen aan Materazzi, dan zou – onder het Nederlandse strafrecht – Zidane wel veroordeeld kunnen worden wegens mishandeling, maar zou de wereld raar opkijken wanneer Materazzi een taakstraf kreeg wegens belediging.
Het civiele recht is in dat opzicht evenwichtiger omdat het hier niet afhankelijk is van maatschappelijk draagvlak en een openbaar ministerie. Wanneer men van mening is dat hem onrecht is aangedaan binnen de lijnen van een sportveld dan zal men zelf een civiele procedure beginnen en dan zal deze gedraging getoetst worden aan de civiele criteria.
In het strafrecht kan men, met veel kunst en vliegwerk, in enkele gevallen wel tot een veroordeling komen. Het is echter de vraag of dit wenselijk is, omdat naar mijn mening het recht ook gehaald kan worden via de civiele en de tuchtrechter. Een van de doelstellingen van strafrecht is bovendien preventie, en het is maar de vraag of een mogelijke strafrechtelijke vervolging een speler in het heetst van de strijd zal afhouden van een gedraging die mogelijk slecht zal aflopen. Gelet op het bovenstaande lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat het civiele recht en het tuchtrecht voldoende mogelijkheden bieden om te bestraffen en recht te halen, waarbij het strafrecht alleen moet worden ingezet in meest extreme gevallen, zoals wanneer een voetballer nooit meer kan voetballen door een te laat ingezette vliegende tackle.


  • 0

Piraterij, mythe of werkelijkheid?

Piraterij is heden ten dage een complex probleem dat vele facetten kent. Het tijdperk van een op zich zelf staande roversbende met een schip dat, bijna met een vleugje romantiek, eenzaam de stille wateren en woeste zeeën bevaart, lijkt een sprookje van vervlogen tijden.

De piraterij waar de wereld vandaag de dag mee te maken heeft laat weinig ruimte over voor romantiek en mededogen. Genade verliest het van de harde valuta. Waar men voorheen handelde in naam van de koning handelt men nu in naam van de dollar. Waar de piraten van weleer zich voortbewogen met een houten been, verplaatsen zij zich nu met supersnelle speedboten. En waar men eerder op de schouder van de piraat een papegaai aantrof, vindt men nu een raketwerper.
Piraten
De cijfers liegen er niet om. Met name in de Golf van Aden, voor de kust van Somalië, viert piraterij zijn hoogtij. Alleen al in het eerste kwartaal van 2009 zien we een tienvoudige toename van het aantal gevallen van piraterij vergeleken met dezelfde periode in 2008.
Volgens cijfers die gepubliceerd zijn door het Internationale Maritieme Bureau (IMB), een afdeling van de Internationale Kamer van Koophandel, namen overvallen in Afrikaanse wateren 65% (189 van de 293) van alle wereldwijd in 2008 gerapporteerde daadwerkelijke aanvallenen pogingen hiertoe voor hun rekening. Dit in vergelijking met slechts 22% (73 van de 329 aanvallen) in 2004.1

Dit roept vragen op: Hoe is deze terugkeer van piraterij te verklaren? Waarom juist in dit gebied? Maar misschien wel belangrijker: wat zijn de (juridische) mogelijkheden om tot een oplossing van dit probleem te komen?

Hiermee is piraterij een van de meest winstgevende bedrijfstakken van Somalië en behoren de piraten tot de grootste werkgevers in dit land.

Omstandigheden en oorzaak
Ten eerste zijn er natuurlijk de voor de hand liggende redenen. Er is sprake van ‘gelegenheid’ en ‘mogelijkheid’. Gelegenheid in de zin van de strategische ligging van Somalië in de Hoorn van Afrika. Dit maakt het land een ideale doorvoerhaven van internationale maritieme handel. Meer dan 20.000 vaartuigen passeren dit gebied jaarlijks
Mogelijkheid in de zin van het ontbreken van een overheid die gezag en controle uitoefent. Hierdoor heerst er anarchie in het land en langs de kust. Dit maakt het mogelijk deze criminele activiteiten te ontplooien. Combineer deze twee factoren met armoede en het antwoord lijkt even simpel als zorgwekkend. Dit omdat het simpelweg niet anders kan.
Hiervoor is enige inzicht in de situatie in Somalië vereist. Want waarom is dit land zo verdeeld geraakt waardoor het nu niet meer zelf de controle over zijn kuststrook heeft?
Dit komt door de anarchie die is ontstaan door de omverwerping van het regime van Siad Barre in 1991. Hoewel dit bijna 20 jaar geleden ingezet is lijkt het einde nog lang niet in zicht. Door het gebrek aan een stabiele overheid en de daaruit voortvloeiende controleorganen zoals een kustwacht, is illegale bevissing door westerse en niet westerse vissersvloten en het dumpen van afval in Somalische wateren sindsdien meer regel dan uitzondering. Dit heeft grote gevolgen van armoede en werkloosheid van de lokale Somalische vissers tot gevolg gehad. Uiteindelijk heeft het zelfs de bewapening van de voorheen vredelievende vissers in hand gewerkt zodat ze zich konden ‘verdedigen’ tegen het onrecht van buitenaf.
Er is van jaar 1992 tot 1995 nog wel vanuit de internationale gemeenschap geprobeerd in te grijpen in een poging om de orde te herstellen in het noodlijdende gebied. Maar waar dit rust en welvaart had moeten brengen liep het uit op een fiasco waardoor het land een schoolvoorbeeld is geworden van een ‘falende’ staat. Het gebied wordt beheerst door verdeeldheid tussen de verschillende clans waardoor wetteloosheid en anarchie de enige stabiele factoren zijn in een land, dat van los zand aan elkaar hangt.
Dit is dan ook de ideale voedingsbodem geworden van, al dan niet door de clans, georganiseerde misdaad die wij kennen als piraterij. Het zijn nationale en internationale groeperingen die de door armoede gedreven Somaliërs ronselen. Deze mensen, door honger gevoed, zijn veelal bereid alles te doen voor een beter vooruitzicht. Het is een kosten-baten afweging die voor zowel de ‘baas’ als voor de ‘werknemer’ zeer lucratief is. De meeste piraten zijn, mede door de ‘invasie’ van buitenlandse visserij en illegale vuilstort aan lager wal geraakte vissers die, met weinig tot geen inkomen hun visnetten verruild hebben voor geweren. Deze Somalische piraten hebben niets te verliezen behalve hun leven, en juist deze levens zijn in verhouding goedkoop, in een land dat verscheurt is door armoede en oorlog. Dat in het achterhoofd houdende, en met het vooruitzicht dat de opbrengst per gekaapt schip al snel kan oplopen tot miljoenen euro’s, lijkt het rekensommetje niet moeilijk te maken.
Dit wordt ook bevestigd in de raming van de totale opbrengsten van de afgelopen jaren. Deze worden geschat op meer dan honderd miljoen dollar. Hiermee is piraterij een van de meest winstgevende bedrijfstakken van Somalië en behoren de piraten tot de grootste werkgevers in dit land.

Wereldwijde gevolgen
Bovenstaande heeft natuurlijk ook een keerzijde. Want waar het voor de piraten geld oplevert moet het aan de andere kant door iemand betaald worden. Voor de wereldwijde economie en meer specifiek de scheepvaartondernemingen heeft piraterij dan ook grote negatieve economische gevolgen. Piraterij kost de scheepvaart 1 biljoen tot 16 biljoen dollar per jaar. Maar liefst 30% van de olieproductie wordt vervoerd door de Straat van Aden. En een andere route is financieel gezien geen redelijke optie. De andere route rondom Zuid Afrika kost namelijk drie weken extra reistijd, drie weken extra bemanningskosten en ook de drie weken extra benzinekosten van ongeveer een (streepjes) miljoen dollar is een niet te verwaarlozen reden om toch door de Straat van Aden te varen.2 Het wordt ook wel onder zeevaarders liefkozend ‘Russische roulette’ genoemd, het blijft een kansspel om door de straat van Aden te varen.

Piraterij kost de scheepvaart 1 biljoen tot 16 biljoen dollar per jaar.

Gronden van aanpak
Door deze directe negatieve gevolgen van piraterij voor de wereldeconomie en mede doordat de piraterij het voorzien had op schepen van de VN met voedselhulp (voor onder andere Somalie!) , kon een reactie van de internationale gemeenschap niet uitblijven.

Juridische Grondslag
De basis van de rechtsmacht en bestrijding van piraterij ligt in het internationaal recht. Deze geeft aan dat binnen de territoriale wateren van een staat, de staat exclusieve rechtsmacht heeft. Buiten deze territoriale wateren, ook wel volle zee genoemd, ligt de juridische grondslag in het Zeerechtverdrag. De gevallen waarin een oorlogsschip of ander gemachtigd overheidsvaartuig een vreemd schip in volle zee mag aanhouden staan opgesomd in art. 110 van het VN Zeerechtverdrag.

Een grondslag hiervoor is zeeroof. Wanneer er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat een vaartuig zich bezighoudt met zeeroof mag het worden aangehouden en in beslag genomen, en de personen aan boord worden gearresteerd. De staat die de aanhouding verricht mag de verdachten berechten. Dit is echter alleen voor toepassing voor zeeroof op ‘volle zee’.
De VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon schreef vanuit de basis van dit Zeerechtverdrag dan ook een rapport waarin hij zijn zorgen uitdrukte over de toenemende piraterij en dan met name rond de kust van Somalië. Want hoewel de Combined Task Force 1503 al sinds 2001 aanwezig is, houdt deze zich middels operatie Enduring Freedom voornamelijk bezig met de taak van terrorismebestrijding en niet primair met zeeroof.

Dankzij dit rapport heeft de Veiligheidsraad resolutie 1772 aangenomen. Dit houdt in dat lidstaten in de buurt van Somalië vliegtuigen en of schepen hadden, opgeroepen werden waakzaam te zijn en indien nodig ‘gepaste actie’ te ondernemen om de veiligheid van de scheepvaart en in het bijzonder de humanitaire hulp te waarborgen.

Maar dit bleek niet voldoende te zijn voor de bestrijding van piraterij want in veel, zelfs in de meeste gevallen, vinden de gevallen van zeeroof niet op de volle zee maar juist binnen de territoriale wateren plaats. Het Zeerechtverdrag voorziet hier niet in. De rechtsmacht ligt bij territoriale wateren namelijk bij de soevereine staat. Echter leverde dit problemen op met het in verdeeldheid verkerende Somalië, deze had amper een centrale overheid laat staan een functionerende kustwacht.

Meerdere gevangengenomen piraten hebben namelijk al aangegeven het in een cel van bijvoorbeeld Nederland, het beter te hebben dan thuis

Hieropvolgend werd dan ook op 2 juni 2008 resolutie 1816 aanvaard door de Veiligheidsraad. In de resolutie wordt nogmaals benadrukt ‘gepaste actie’ te ondernemen tegen piraterij. Echter het onderdeel van deze resolutie dat veel meer opzien baarde was paragraaf 7 van deze bewuste resolutie. Hierin gaf de Veiligheidsraad de landen die samenwerkten met de overgangsregering in Somalië, in de strijd tegen de piraterij, de bevoegdheid, om de territoriale wateren van Somalië binnen te gaan om daar ‘alle noodzakelijke middelen’ (gebruik van geweld) aan te wenden. Dit is ongehoord in de geschiedenis van internationaal zeerecht. Het geeft aan hoe schrijnend de situatie in Somalië is, dat de soevereiniteit van het land, (voor zover gesproken kan worden van ‘een land’) uit handen gegeven wordt aan een internationale gemeenschap, al dan niet bereidwillig.
De VN-secretaris-generaal heeft in de daaropvolgende perioden nog vele malen aandacht besteed aan de situatie rondom piraterij, met name ook de juridische en praktische problemen waaronder bijvoorbeeld de beschikbaarheid van gevangenisfaciliteiten en de plaats van berechting. Maar niet alleen de NAVO heeft zich beziggehouden met de situatie rondom piraterij, ook de Europese Unie is zich gaan mengen in deze modderpoel van internationaal zeerecht.

Resolutie 1851 van 16 december 2008 bevestigde het begin van de eerste maritieme missie van de Europese Unie, ATALANTA. Deze is ingesteld om een actieve rol te gaan vervullen in de strijd tegen de piraterij. Nu werden landen niet alleen opgeroepen om actief deel te nemen aan het aanpakken van piraterij op zee maar juist ook in de rechtszaal. Omdat de veroordeling van piraten een lastig strafrechtelijk vraagstuk is gebleken, omdat het onder zeerecht valt. Het zeerecht is namelijk niet door alle landen in dezelfde hoedanigheid bekrachtigd en wordt dan ook niet consequent toegepast. Hierdoor is het aan de landen zelf de keus of zij de piraten volgens hun eigen wetgeving in eigen land gevangen nemen of ze voor berechting over te dragen aan ‘derde’ landen.4 Probleem echter is dat niet alle landen de faciliteiten hebben voor de berechting van piraterij. Hierdoor zijn al vele piraten weer op vrije voeten gekomen vanwege een lacune in de wetgeving van de landen die de berechting op zich nemen. Tot dusver is alleen Frankrijk voortvarend in het berechten van piraten. Reden genoeg voor de Veiligheidsraad landen op te roepen hun strafrecht te ‘updaten’ zodat ze voldoen aan het Zeerechtverdrag (UNCLOS) uit 1982 om piraten te berechten.

Echter is het probleem hiermee niet opgelost. Want hoewel landen een bevoegdheid hebben om op te treden tegen piraterij, is het geen plicht. Veel landen vinden het teveel gedoe en juist door de opkomst van de mensenrechten zijn de meeste landen niet bereid de gevolgen te aanvaarden van het berechten van piraten. Meerdere gevangengenomen piraten hebben namelijk al aangegeven het in een cel van bijvoorbeeld Nederland, het beter te hebben dan thuis. Het risico dat deze mensen asiel aanvragen en het geld dat de afwikkeling gaat kosten is vaak een struikelblok voor de deelnemende landen. Nederland is dan ook voorstander van een internationaal tribunaal voor het berechten van piraten. Het risico is, dat zodra het tribunaal wordt opgeheven, de kennis weer verloren gaat. In de tussentijd dat hierover besloten wordt heeft de VN een tussenoplossing bedacht namelijk: third state jurisdiction by schipriders in Somali territorial waters’. Dit houdt in dat betrokken partijen afspraken maken met landen uit de regio, die bereid zijn de gevangen genomen piraten op te sluiten en te berechten maar ook om speciale politieagenten (shipriders) op de schepen mee te laten gaan.5 De veiligheidsraad wil er (nog) niet aan een internationaal tribunaal op te zetten of een precedent te scheppen met het veranderen van het volkenrecht op zee. Het probeert met de aanwezige juridische instrumenten de situatie baas te blijven en de verantwoordelijkheid bij de schepen en landen zelf te houden. Of dit de juiste aanpak is moet nog maar worden bezien.

Waar men eerder op de schouder van de piraat een papegaai aantrof, vindt men nu een raketwerper

Er wordt inmiddels mondjesmaat wat meer energie gestoken in het zoeken naar een oplossing voor piraterij maar vooralsnog lijkt het erop dat de verantwoordelijkheid voornamelijk bij de rederij zelf ligt.6 Hij wordt geacht voorzorgsmaatregelen te nemen (waterkanon, beveiligingsteam zoals ‘blackwater’) hoewel wapens worden afgeraden vanwege de kans op het uit de hand lopen van het conflict. Pas in het uiterste geval kan de rederij een beroep doen op de marine van de vlaggenstaat, aangezien deze een verplichting heeft de schepen die onder haar vlag varen te beschermen.7 In Nederland is zelfs een draaiboek piraterij voor opgesteld, maar in de praktijk lijkt daar weinig van over te blijven vanwege een niet aanwezige capaciteit aan nodige schepen. Ondertussen lopen de premies van de verzekeringen in een recordtempo omhoog vanwege de verhoogde risico’s dat de kans op een kaping met zich meebrengt.

Conclusie
Dat piraterij geen mythe is maar een wrede werkelijkheid blijkt wel uit de harde realiteit. Dit zien we in het meest schrijnende voorbeeld dat Somalië heet. Een land dat door armoede verdeeld is. Het gebied verkeert al sinds 1991 in een totale anarchie, waardoor piraterij een ‘noodzakelijk kwaad’ lijkt te zijn voor de, door wanhoop gedreven, arme bevolking.
Maar wat kunnen we leren uit het verleden zodat de generaties na ons dezelfde vraag zullen stellen (of piraterij een mythe is of werkelijkheid) en tot een ander antwoord komen dan wij vandaag de dag.

Het bestrijden van symptomen zoals het versterken van de verdediging van de schepen is geen constructieve oplossing gebleken. Het probleem zal bij de wortel aangepakt moeten worden.
Er zal met man en macht gewerkt moeten worden aan het tot stand brengen van een hogere welvaart en een stabiele regering in deze, door piraten geteisterde, gebeiden. Want dat armoede en piraterij hetzelfde lied zingen blijkt evident. Hiervoor is internationale samenwerking vereist. De eerste stappen zijn gezet maar er is nog een lange weg te gaan.

Concluderend kunnen we stellen dat er nog geen wondermiddel is gevonden voor het oplossen van het probleem ‘piraterij’. Hoewel door internationale bewustwording en samenwerking een eerste stap is gezet zal piraterij nooit geheel verdwijnen zolang zijn grootste sponsor niet verdwijnt, en dat is armoede.

Zolang er aan land geen geen rust heerst zal het op zee blijven stormen…


  • 0

Europees openbaar ministerie, is Europa er nu wel klaar voor?

Na de inwerking treding van het Verdrag van Lissabon op 1 januari 2010 is Spanje de eerste voorzitter van de Europese Raad. Spanje heeft daarom als taak de implementatie van dit verdrag in gang te zetten. In het verdrag zijn meerdere nieuwe bevoegdheden opgenomen, die ook betrekking hebben op de justitiële samenwerking. Een voorbeeld hiervan is de mogelijkheid een Europees Openbaar Ministerie (Europees OM) op te richten. Spanje heeft in april stappen ondernomen die de oprichting van een dergelijk Openbaar Ministerie dichter bij brengt. Dit maakt de discussie erover weer actueel. In het verleden was er veel verzet vanuit de lidstaten tegen een Europees OM. De vraag is daarom of Europa wel klaar is voor een Europees OM.

Justitiële samenwerking
Vanaf 1999 is de strafrechtelijke samenwerking binnen Europa in een stroomversnelling terecht gekomen. De Raad van Tampere vond toen plaats, door de Raad werd daar besloten dat het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen de hoeksteen zou worden van justitiële samenwerking binnen Europa. Tot dan toe was de samenwerking gebaseerd op rechtshulpverdragen waarin vele obstakels lagen, zoals de vereiste dubbele strafbaarheid. De ambities van de Raad van Tampere werden omgezet in daden en hebben geresulteerd in een tiental kaderbesluiten. De eerste hiervan werd in 2002 aangenomen, waarmee het Europees Aanhoudingsbevel in het leven werd geroepen.

Justitiële samenwerking binnen Europa is in een stroomversnelling terecht gekomen.

Het beginsel van wederzijdse erkenning ligt in het Verdrag van Lissabon verankerd, in artikel 82 EU Werkingsverdrag Lissabon (VWEU). Voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon werd de politiële en justitiële samenwerking ondergebracht in de derde pijler van het EU-verdrag. Alle besluiten kwamen tot stand door unanieme besluitvorming in de Europese Raad, op initiatief van een Lidstaat of de Commissie. Het meest gebruikte instrumentarium was het kaderbesluit, dit is wat betreft het resultaat verbindend maar de lidstaat is vrij om te bepalen hoe het besluit in de nationale wetgeving wordt geïmplementeerd. Echter bij het Verdrag van Lissabon is de titel over justitiële samenwerking opgenomen in de eerste pijler van het EG-verdrag. In het nieuwe EU Werkingsverdrag Lissabon, betreft dit de titel ‘Beleid en intern optreden van de EU’. Deze herstructurering brengt met zich dat nu voor de besluitvorming in beginsel de reguliere besluitvormingsprocedures gelden, codecisie en meerderheidsbesluitvorming.1

Een Europees Openbaar Ministerie
Naast een versoepeling van de besluitvormingsprocedure biedt het Verdrag van Lissabon ook enkele nieuwe mogelijkheden. De oprichting van een Europees OM is hier één van, artikel 86 VWEU legt dit vast. Het initiatief voor een Europees OM moet evenwel verder in het verleden worden gezocht.

Het Europees Parlement en de Europese Commissie hebben in de jaren ’90 opdracht gegeven tot een onderzoek naar de mogelijkheden van een Europees Wetboek van Strafrecht en Strafvordering. Dit werd gedaan met het oog op een betere bestrijding van EU-fraude. De onderzoekers boden het resultaat in 1997 aan de Raad aan. Zij stelden voor acht gespecialiseerde delictsomschrijvingen voor EU-fraude te ontwerpen. Daarnaast werd in het onderzoeksrapport voor het eerst de mogelijkheid van een Europees OM genoemd.2 Deze aanbevelingen zijn niet direct door de Raad uitgewerkt. Maar het effect van dit rapport vindt men wel terug in bijvoorbeeld de uitkomsten van de Raad van Tampere. Hier werd de oprichting van Eurojust geïnitieerd; een samenwerkingsverband voor leden van de Openbare Ministeries van de lidstaten.3 Eurojust is een lichaam dat zich vooral richt op informatie uitwisseling en geen bevoegdheid tot strafvervolging heeft.

De eerste stappen in de verwezenlijking van een Europees OM werden gezet toen de Commissie daarover in 2001 een Groenboek publiceerde. De kerngedachte binnen het Groenboek was dat Eurojust ruime bevoegdheden moet krijgen op het gebied van de justitiële samenwerking en dat de Europese Officier van Justitie een communautaire instelling moet worden met eigen bevoegdheden tot vervolging op het specifieke gebied van de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap.4

Een Europese Officier van Justitie heeft eigen bevoegdheden tot opsporing en vervolging.

Zoals hierboven is beschreven is een Europees OM een uitvloeisel van het onderzoek dat gedaan is naar aanleiding van EU-fraude. Dit is een groot probleem binnen de Europese Unie maar de aanpak daarvan laat te wensen over volgens de Commissie. Ten aanzien van fraudebestrijding is in 1999 OLAF opgericht, dat staat voor Office Européen de la Luttte Anti Fraude. Deze instelling kan zelfstandig onderzoek doen om Europese fraude en corruptie te voorkomen en aan te pakken. OLAF is opgericht onder artikel 280 EG-Verdrag. Daarin wordt bepaald dat fraude en andere activiteiten, waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad, bestreden moeten worden. Echter in dit artikel wordt expliciet verboden dat de maatregelen, die worden genomen om het doel te bereiken, betrekking hebben op de toepassing van het nationale strafrecht of rechtsbedeling. Hierdoor kan het OLAF slechts administratieve controle- en handhavingsbevoegdheden uitoefenen.5 Naast dit gebrek stelt de Commissie verder dat de onderlinge samenwerking tussen lidstaten te langzaam is, dat door de verschillen in strafprocesrecht bewijs niet makkelijk in alle lidstaten gebruikt kan worden en als een zaak meerdere lidstaten treft is er vaak sprake van ongecoördineerd onderzoek. Een centraal georganiseerde aanpak van EU-fraude in de vorm van een Europees OM zou hier de oplossing bieden.6

In het Groenboek wordt voorgesteld dat er één Europees Officier van Justitie is met daarvan afgevaardigde officieren in de lidstaten. Al deze officieren moeten hun bevoegdheden op het grondgebied van de lidstaat kunnen uitoefenen. Wat betreft de procedurele regelingen geldt het nationale recht. Denk aan de voorgeleiding aan de Officier van Justitie of de machtiging voor bepaalde bevoegdheden door de Rechter Commissaris. Hierbij is wel de wederzijdse erkenning het uitgangspunt, dus alle beslissingen die worden genomen in het kader van het strafonderzoek hebben in alle lidstaten direct rechtskracht. Dit brengt ook met zich dat al het bewijs dat is vergaard in elke lidstaat kan worden gebruikt in het strafproces.

Bij de lidstaten werd dit voorstel niet positief ontvangen en er werd felle kritiek geuit. Veel landen waaronder Ierland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk vonden de oprichting van een Europees OM veel te vroeg. Eerst zou gekeken moeten worden hoe Europol en Eurojust zich zouden ontwikkelen. Daarnaast waren er al andere maatregelen getroffen om de EU-fraude te bestrijden, deze kregen geen kans hun effectiviteit te bewijzen indien er direct een Europees OM zou komen.7 Nederland was overigens in haar reactie op het Groenboek zeer mild in vergelijking met deze landen.8

Door deze kritiek was de Commissie echter niet uit het veld geslagen maar bleef bij haar standpunt. In een vervolgrapport naar aanleiding van de reacties op het Groenboek benadrukte zij nogmaals het belang van het oprichten van een Europees OM. De Commissie stelt hierin ook voor de oprichting van het Europees OM op te nemen in de Europese Grondwet. Dit is ook gebeurd, ondanks de kritiek die er door staten is geuit. De Grondwet is uiteindelijk niet aangenomen maar het Verdrag van Lissabon wel.

De oprichting van een Europees Openbaar Ministerie
In de Grondwet werd in het artikel betreffende het Europees OM verder gegaan dan de visie van de Commissie in het Groenboek. Het Europees OM zou, indien het werd opgericht, ook bevoegd zijn ten aanzien van zware misdrijven die de belangen van lidstaten zouden schenden. Het werd dus niet beperkt tot de misdrijven met betrekking tot financiële belangen van de EU.9 In het Verdrag van Lissabon is een minder vergaand artikel opgenomen. In eerste instantie zal het Europees OM kunnen worden opgericht met bevoegdheden ten aanzien van strafbare feiten die de financiële belangen van EU raken.10 In lid vier van het desbetreffende artikel wordt de mogelijkheid gegeven deze bevoegdheden, indien wenselijk, uit te breiden ter bestrijding van ernstige criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie.

Het voorstel van de Commissie tot oprichting van een Europees Openbaar Ministerie werd niet positief ontvangen door de lidstaten.

De mogelijkheid om een Europees OM te vormen is geen verplichting, maar een discretionaire bevoegdheid van de Raad. De Raad kan hiertoe besluiten met eenparigheid van stemmen. Maar Spanje, als huidige voorzitter van de Raad, laat er geen gras over groeien en heeft een mededeling uitgevaardigd waarin gevraagd wordt om na te denken over twee vragen, namelijk:
– Wat is de meest geschikte procedure voor de effectieve implementatie van artikel 86 VWEU?
– Is het gepast om bij de start van de bovenstaande procedure ook meteen de mogelijkheid de bevoegdheden van het Europees OM uit te breiden mee te nemen?

Een Europees OM lijkt dus daadwerkelijk vorm te gaan krijgen, elf jaar na het eerste initiatief daartoe. De kritiek die veel landen gaven was, zoals gezegd, dat het op dat moment te vroeg was om een dergelijke instelling op te richten. Dit zal na elf jaar misschien anders zijn, maar dat zegt niet dat een Europees OM in de huidige tijd positief zal worden ontvangen. Op 21 april jl. liet de SP aan de Minister van Justitie Hirsch Ballin weten fel gekant te zijn tegen een Europees OM. Volgens Kamerlid Van Velzen is het een stap in de verkeerde richting. Zij vindt een Europees OM dat zelfstandig kan gaan vervolgen en opsporen onacceptabel.11 Nu zijn er ook politieke partijen die een Europees OM wel als positieve ontwikkeling zien in de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, zoals GroenLinks.12 Hoewel dit waar kan zijn, zijn er nog voldoende praktische en juridische obstakels bij de oprichting van een Europees OM.

Huidige knelpunten
Het huidige idee behelst het behoud van nationaal strafprocesrecht. Het is om deze reden lastig materiële normen in alle lidstaten gelijk te laten gelden. Elke lidstaat heeft een eigen strafvorderlijke cultuur en strafvorderlijk rechtsstelsel, dit zal grotendeels niet worden aangepast. De Commissie meent problemen op dit gebied te voorkomen, door te bepalen dat verkregen bewijs in onderzoeken bij het Europees Openbaar Ministerie voor de rechtbank van elke lidstaat toelaatbaar is. Zij heeft hiervoor gekozen om ‘forumshopping’ door de Europese Officier van Justitie te voorkomen. Deze zal anders de vervolging laten plaats vinden waar de meest ruime onderzoeksbevoegdheden kunnen worden toegepast. Echter de regeling van de Commissie speelt ‘forumshopping’ door opsporingsambtenaren in de hand. De opsporingsambtenaren die bij een onderzoek betrokken zijn zullen voor de bewijsvergaring een lidstaat kiezen waar bij opsporingsbevoegdheden de minst strenge eisen gelden, aangezien het bewijs uiteindelijk in elk land toelaatbaar is.13

De SP vindt de oprichting van een Europees Openbaar Ministerie onacceptabel.

Ook zal de toelaatbaarheid van bewijs, ongeacht in welke lidstaat het verkregen is, zelf op weerstand stuiten. Er bestaan grote verschillen tussen de lidstaten in de manier van bewijsvergaring en de waarborgen die daarvoor gelden. Een voorbeeld dat dit goed illustreert betreft het bewijs dat door middel van criminele burgerinfiltranten is verzameld. In Nederland geldt in beginsel een verbod op het inroepen van de bijstand van dergelijke infiltranten, tenzij er sprake is van een zeer uitzonderlijke zaak waarbij zwaarwegende belangen in het geding zijn.14 Echter in andere landen worden deze infiltranten ruim ingezet. De Nederlandse politiek zal met het gebruik van dergelijk verkregen bewijs in een Nederlands strafproces niet blij zijn.15

Een praktisch punt dat voor problemen kan zorgen is de structuur die door de Commissie wordt voorgesteld. De afgevaardigden van de Europese Officier van Justitie zullen worden ondergebracht bij de Openbare Ministeries van de lidstaten. De taak van de Europese Officier van Justitie wordt hierdoor bijna onmogelijk omdat hij geen zeggenschap heeft over de inzet van mensen en middelen. Hiervoor is hij afhankelijk van de toegefelijkheid van de nationale opsporingsdiensten. Indien er een afweging moet worden gemaakt tussen de inzet voor een nationaal of een Europees onderzoek zal deze toch snel in het voordeel van de eerste uitvallen.

Gebruik van bewijs dat door criminele burgerinfiltranten in een andere lidstaat is verzameld zal in de Nederlandse politiek niet goed worden ontvangen.

Een oplossing voor deze problemen zou kunnen worden geleverd door een Europees Wetboek van Strafprocesrecht. Dit brengt met zich dat met betrekking tot de zaken waar het Europees OM rechtsmacht heeft in de gehele Europese Unie dezelfde processuele regels gelden. Dit voorkomt ‘forumshopping’ en de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid worden hierdoor gewaarborgd. Tevens zou kunnen worden gekeken naar een Europese opsporingsdienst. In dat geval heeft de Europese Officier van Justitie eigen mankracht tot zijn beschikking en is er dus geen sprake meer van afhankelijkheid van de nationale politiekorpsen.16

Slotsom
Het heeft lang geduurd tot er daadwerkelijk een initiatief is gekomen tot de oprichting van een Europees OM. De justitiële samenwerking heeft sinds 1999, toen een dergelijk Openbaar Ministerie voor het eerst genoemd werd, een grote ontwikkeling doorgemaakt. Onder meer zijn er kaderbesluiten aangenomen die de onderlinge samenwerking bevorderen en Eurojust is opgericht. Dit zou kunnen betekenen dat Europa inmiddels toe is aan een nieuwe instelling met verdergaande bevoegdheden om EU-fraude en grensoverschrijdende criminaliteit aan te pakken. Maar aan de uitwerking van een Europees OM kleven nog veel bezwaren. De problematiek van het ‘forumshopping’ en de toelaatbaarheid van bewijs dat in andere lidstaten is vergaard zal moeten worden aangepakt. Daarnaast zal gekeken moeten worden of het onderbrengen van afgevaardigde Europese Officieren van Justitie bij de nationale opsporingsdiensten, de beste mogelijkheid is om het Europees OM te organiseren.

Hoe het Europees OM uiteindelijk vorm zal worden gegeven, zullen we in de komende maanden gaan ontdekken. Spanje zal hierin het voortouw nemen en kan alsnog afwijken van de structuur die door de Commissie is voorgesteld. Eén ding is zeker: er moeten nog veel stappen worden genomen om tot een goed werkend Europees OM te komen, waar alle lidstaten mee akkoord kunnen gaan.

Een Europese Officier van Justitie zal niet kunnen functioneren als hij voor de inzet van mankracht afhankelijk is van de nationale opsporingsdiensten.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.