Category Archives: Jaargang 44 – Nummer 1

  • 0

Interview met twee juristen bij het ministerie van buitenlandse zaken

Geert van den Borne en Foort van Oosten
Juristen bij het ministerie van Buitenlandse Zaken

Op 13 september vormde het ministerie van Buitenlandse Zaken het decor voor een interview met twee medewerkers van de Directie Juridische Zaken (DJZ), mr. Geert van den Borne en mr. Foort van Oosten. We werden door één van hen ontvangen in de centrale hal van het ministerie, waarna we onze weg richting de vierde verdieping vervolgden. Met gepaste trots werd ons verteld dat dit ook de verdieping was waar de bewindslieden kantoor houden, dicht bij de macht dus. Na ontvangst ontluikt zich een gesprek over de studietijd, werken bij het ministerie en de verschillen en overeenkomsten met de advocatuur.

Foort en Geert werken beiden ruim vierenhalf jaar bij het ministerie van Buitenlandse Zaken op de afdeling Directie Juridische Zaken (DJZ). DJZ is een directie die zorgt voor juridische ondersteuning van het gehele ministerie (departement in Den Haag en de ambassades in het buitenland) en beslaat daarom ook alle algemene rechtsgebieden. De directie is opgedeeld in de rechtsgebieden civiel, bestuur, Europees en internationaal alsmede verdragen. Foort is werkzaam op de afdeling civiel recht, Geert is jurist bij de afdeling bestuursrecht.

Foort en Geert werken ongeveer even lang bij DJZ, maar legden beide een verschillende route af alvorens ze bij het ministerie begonnen. Foort is na een studie Nederlands recht in Leiden (“toen heette dat nog basis-doctoraal Nederlands recht met differentiatie privaatrecht”), een periode in Frankrijk gaan studeren. Na een tweetal stages is hij begonnen bij het advocatenkantoor AKD Prinsen Van Wijmen. Naast Foort’s interesse voor het Nederlandse recht, volgde hij ook de differentiatie fase Europees en internationaal recht en liep hij stage bij de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties en het kantoor van de Landsadvocaat. Na de stage bij het advocatenkantoor Pels Rijcken wist Foort dat hij de advocatuur in wilde en sprak hij op een carrièrebeurs met mensen van AKD. Hier is hij uiteindelijk ruim vier jaar advocaat geweest maar de interesse voor het internationale recht bleef. Omdat hij bij AKD werkzaam was in een nationale praktijk en er een vacature openstond bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, besloot Foort te solliciteren bij het ministerie. Hij werd aangenomen bij de Directie Juridische Zaken, op de afdeling civiel recht.

Veel juristen bij DJZ zijn afkomstig uit de advocatuur, zo niet Foort’s collega Geert. Hij begon een studie geschiedenis in Nijmegen, maar koos in het kader van zijn vrije ruimte in het derde jaar verschillende rechtenvakken. Hier bloeide zijn liefde voor het recht op en hij besloot er een volledige studie rechten bij te gaan doen. Geert is wat betreft zijn rechtenstudie afgestudeerd in bestuursrecht en strafrecht. Na zijn afstuderen heeft hij eerst bij een bedrijf gewerkt dat achterstanden van het UWV wegwerkte en hiervoor pas-afgestudeerden inhuurde. Na een half jaar is hij echter gaan werken voor een detacheringsbureau en werd Geert onder meer geplaatst bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarna is Geert gaan werken bij de bestuursrechtelijke afdeling van de RDW (Dienst Wegverkeer), waar hij goede ervaringen aan over heeft gehouden. Geert was hier met name bezig met het toezicht op APK-keuringen en de sancties voor garagebedrijven die hier soms uit voortvloeien, oftewel: “Heel veel bezwaar- en beroepszaken met de knalpijpen op tafel”. Tot Geert op een dag werd gebeld door het ministerie, ze kenden hem nog van zijn periode dat hij er gedetacheerd was, met de vraag of hij wilde solliciteren op een openstaande vacature. Zo geschiedde, Geert werd aangenomen en werkt nu ruim viereneenhalf jaar bij DJZ.

Zowel Foort als Geert zijn dus afkomstig uit het bedrijfsleven, zij het dat Geert een periode werkte voor de Rijksdienst Wegverkeer. Is er nu werkelijk een groot verschil tussen de commerciële en ambtelijke wereld? Foort: “Het is op veel manieren verschillend. In de advocatuur werkte ik op een groot kantoor, maar dat is natuurlijk niet te vergelijken met dit ministerie, laat staan met de hele Rijksoverheid. Wat betreft de inhoud van het werk zie ik vele overeenkomsten. Een groot verschil zijn de cliënten, bij AKD werkte ik voor externe cliënten en hier op dit moment maar voor één: de minister van Buitenlandse Zaken. Wat betreft het aantal cliënten lijkt het werk dus minder gevarieerd, maar de inhoud van de zaken is hier even divers als bij een advocatenkantoor.” Is het harder werken in de advocatuur? Foort: “Ik denk dat als je efficiënt werkt, je niet per sé elke dag tot laat door hoeft. Maar de druk op een ministerie is wel anders dan bij een advocatenkantoor. Kijk, als je cliënt morgen een kort geding heeft, dan moet je daar wel staan. Bij het ministerie kunnen zich ook zeker spoedeisende zaken voordoen, maar je bent hier vaak onderdeel van een groter proces, waardoor je eventuele problemen eerder aan ziet komen dan dat je dat in de advocatuur soms kan. Dat is denk ik waarom hier de spoed anders wordt ervaren.”

Één van de interessante aspecten van het werken bij een ministerie is dat je werkzaamheden ‘s avonds bij het journaal voorbij kunnen komen of de volgende morgen in de krant staan. Foort: “Het ministerie wordt bijna elke dag in de media genoemd, maar dat hoeft niet te betekenen dat je daar als jurist bij betrokken bent geweest. Persoonlijk houd ik mij voornamelijk bezig met aanbestedingen en contracten in het kader van ontwikkelingssamenwerking, die komen – gelukkig zou ik bijna willen zeggen – niet zoveel terug in de krant, omdat ze dan ook goed verlopen. De kern van het werk van het ministerie, het buitenlandse beleid, komt op onze directie alleen langs als het een juridische component heeft.” Geert: “Nu Nederland zich heeft teruggetrokken uit Afghanistan, moeten allerlei projecten worden overgedragen aan de landen die het van ons overnemen. Zo is met Nederlands geld daar een weg geasfalteerd die daar is neergelegd door een Duitse partner. Daar moeten natuurlijk contracten voor worden afgesloten en de projecten die zijn en worden overgedragen moeten ook juridisch worden afgehandeld.” Foort: “Het interessante aan het werk hier is dat je samen met andere directies samenwerkt om tot een eindproduct te komen. Dit hoeven niet puur juridische kwesties te zijn, maar als er een juridische component aan zit, werken wij ook mee. Dus dan werk je samen met andere specialisten, zoals landenmedewerkers of financieel-specialisten. Dat is ook een groot verschil met de advocatuur, waarbij je vaak alleen werkt aan het juridische probleem en niet zoveel daaromheen. Dat los je op, of niet en dan wordt het weer overgenomen door de organisatie die je heeft ingehuurd. Hier blijf je meer betrokken bij de gehele gang van zaken.”

Het romantische beeld van het werken bij het ministerie van Buitenlandse Zaken is dat je veel reist, en verblijft in steden als Brussel, New York en Genève. Geldt dit voor jullie ook? Geert: “Nee, wat dat betreft zitten jullie hier verkeerd. Wij werken op de wat meer nationale rechtsgebieden, dus wij hoeven niet veel te reizen. Onze collega’s van Europees recht die doen procedures bij het Hof van de Europese Unie, dus die moeten vaak naar Luxemburg. De juristen die werken op de afdeling internationaal recht onderhandelen over internationale verdragen en moeten daarvoor natuurlijk  wel eens reizen. Dat zijn de twee afdelingen die het meest reizen, de juristen op de afdeling verdragen reizen ook minder, omdat de verdragen meestal hier gesloten worden.”

Hoe zit het met het up-to-date houden van jullie juridische kennis? Geert: “Alle juristen hebben een budget waarmee we postdoc-opleidingen en trainingen kunnen volgen. Daar is een grote mate van vrijheid in, wat dus goed is geregeld bij de overheid. In overleg met je leidinggevende kun je kiezen in wat voor materie je jezelf wat meer zou willen verdiepen. Een collega van ons heeft onlangs de Grotius opleiding gedaan, dat is een uitgebreide juridische opleiding die ook veel geld kost. Er zijn dus genoeg mogelijkheden om je verder te ontwikkelen, mits je daar de tijd en kunde voor hebt.” Foort: “Daarnaast hebben we regelmatig een jurisprudentie overleg en er zijn ook collega’s die artikelen publiceren in juridische tijdschriften. Bovendien hebben we een waslijst aan juridische tijdschriften die we lezen en beoordelen, of waar we artikelen uithalen wanneer we denken dat ze relevant zijn.  Voor mijzelf geldt dat ik nog ingeschreven sta als advocaat, dus dan moet je punten halen om dat te kunnen blijven. Los van die verplichting is het natuurlijk altijd relevant om jezelf bij te laten scholen. De gehele afdeling heeft een budget voor scholing, dus er wordt goed gekeken naar de relevantie van een training en wat je eraan hebt in de nabije toekomst. Geert heeft gelijk als hij zegt dat hier bij het ministerie goede mogelijkheden bestaan om jezelf als jurist te ontwikkelen.”

De meeste medewerkers binnen het ministerie zullen een politieke voorkeur hebben. Aan het hoofd van het departement staat – als je geluk hebt – om de vier jaar nieuwe bewindspersonen van uiteenlopende politieke signaturen. Levert het werken onder een bewindspersoon die er andere politieke denkbeelden op na houdt wel eens gewetensbezwaren op? Foort: “Als ambtenaar moet je inderdaad loyaal zijn aan je bewindspersonen, maar ik heb zelf nooit ervaren dat ik in gewetensnood kwam door uitspraken van een bewindspersoon. Ik heb ook niet de indruk dat veel  collega’s, ook al wil ik niet voor hun spreken, in hun werkzaamheden in gewetensnood verkeren of dit hebben gedaan. Dit is het soort organisatie dat met zich meebrengt dat je wel in lijn ervan moet werken. Geert: “Op lager niveau zijn er natuurlijk altijd juridische discussies, er zijn immers meer kanten aan de medaille. Soms weet je anderen te overtuigen van jouw zienswijze, een andere keer moet je kunnen accepteren dat een bepaalde afwijkende lijn wordt gekozen. Wij werken in een hiërarchische organisatie en als jouw direct leidinggevende iets anders vindt, dan heb je daar mee te leven. Als jurist wil je altijd gelijk hebben en denk je vaak dat je gelijk hebt, maar dat is natuurlijk niet altijd het geval. Ik denk niet dat dat heel veel anders is dan bij een advocatenkantoor.” Foort: “Klopt.”

Beleidsmedewerker van het ministerie van Buitenlandse Zaken word je niet zomaar, je moet namelijk in staat worden geacht Nederland te kunnen vertegenwoordigen in den vreemde. Het diplomatenklasje, of kortweg ‘klasje’, is een groep van ongeveer vijftien mensen die jaarlijks worden opgeleid tot diplomaat. Voor het klasje zijn telkens vele honderden aanmeldingen en het kent daarom dus ook een strenge selectieprocedure. Juristen en andere specialisten volgen dit traject niet, zij worden via vacatures geworven, de zogenaamde zij-instromers. Door de komende bezuinigingen bij de overheid wordt dat wel steeds lastiger. Wil je echter als afgestudeerd jurist een diplomatieke carrière najagen, dan zul je dit moeten proberen te bereiken via het klasje. Geert: “De personeelsdienst onderscheidt de specialistische stroom en beleidsstroom ook van elkaar. Je kunt vanuit de specialistische stroom niet direct solliciteren op een functie in de beleidsstroom.” Vinden jullie het een gemis dat jullie niet via het klasje binnen zijn gekomen? Geert: “Ik vind het geen gemis, wij zijn immers als jurist geworven en dan heb je een andere rol. Het klasje leidt mensen op voor een internationale Buitenlandse Zaken carrière, als jurist word je juist specifiek geworven voor je juridische kennis.” Het ministerie van Buitenlandse Zaken hanteert als enige ministerie een specifiek opleidingstraject, alle andere ministeries werven mensen die het Rijkstraineeship doorlopen. Is het raar dat dit ministerie een ander opleidingstraject heeft? Geert: “Het klasje functioneert naar ieders tevredenheid, dus er is geen reden om dit aan te passen. Ik geef zelf elk jaar een uurtje college over het bestuursrecht aan het klasje en ik merk op dat er steeds meer ambtenaren van andere ministeries bij zitten. Na het klasje gaan zij aan de slag in internationale functies voor hun eigen ministerie. Foort: “Er wordt tegenwoordig meer en meer samengewerkt met andere ministeries, wat een goede ontwikkeling is. Sowieso bestond er altijd al veel overleg tussen de ministeries, het zogenaamde Interdepartementaal overleg. Ministeries moeten afslanken dus er moet daarom ook meer worden samengewerkt. Geert: “Het zou mij niet verbazen als er in de toekomst een soort ‘juristenpool’ ontstaat, waarbij juristen uitwisselbaar zijn met andere departementen. Het voordeel hiervan is dat kennis gedeeld wordt en er efficiënter gewerkt kan worden. Nadeel is wel dat je verder van beleid en inhoud zit, dus je kunt eventuele misverstanden dan pas in een laat stadium herstellen en soms pas als het kwaad reeds is geschied.” Foort: “Ik zit nu zelf in een interdepartementale werkgroep inzake de algemene voorwaarden van de overheid. We maken hierin gebruik van elkaars expertise, dit kan niet alleen op het gebied van juristen, maar zeker ook op andere terreinen.”

Één van de speerpunten van een nieuw kabinet zal het afslanken van de overheid zijn. Partijen als de VVD gaan historisch prat op een kleinere overheid; de beoogde 18 miljard euro die bezuinigd moet worden zal zeker zijn effect hebben op het ambtenarenapparaat. Zijn het onzekere tijden op het ministerie? Foort: “Ongeacht de politieke signatuur van de aanstaande regering, zal er bezuinigd moeten worden op de overheid. Hoe dat precies zal uitwerken is niet zeker, daarvoor zullen we toch echt moeten wachten op een regeringsakkoord.” Geert: “Ik, als relatief jongere, houd me vast aan het idee dat vanwege de vergrijzing veel ouderen met pensioen zullen gaan. Er wordt op de gangen van het ministerie veel gepraat over de aanstaande bezuinigingen, maar vooralsnog weet niemand waar de klappen gaan vallen.”

Het werken als jurist bij het ministerie van Buitenlandse Zaken kenmerkt zich door zijn veelzijdigheid en internationale aspect. Wat zijn voor jullie hoogtepunten in jullie loopbaan als jurist bij dit ministerie? Foort: “Voor mij persoonlijk is dat de inzet die dit ministerie heeft gehad om de bootverbinding tussen Vukovar en Bac (Kroatië, en Servië red.) te herstellen. Hierdoor konden velen hun familie en vrienden na lange tijd elkaar weer in de armen sluiten. Ik ben zelf ook in Vukovar geweest en dan komt je werk ineens erg dichtbij. En natuurlijk de verhuizing van de achtste naar de vierde verdieping, de verdieping waar de bewindslieden zitten.” Schertsend: “Wij als directie zijn toch weer dichter bij de macht gekomen.” Voor Geert ligt dit anders, hem kan de verhuizing niet veel deren. Geert: “Hoogtepunten voor mij zijn zaken die worden gewonnen. Zeker als het lastige bezwaar- en beroepszaken zijn, waar soms wel twintig processen tegelijk lopen. Het geeft veel voldoening als je dat goed weet af te sluiten.”

Ten slotte: welke tips hebben jullie voor de rechtenstudenten? Foort: “Oriënteer je tijdens je studie op een brede manier, staar je niet blind op je studie. Loop een stage of studeer over de grenzen. In een tijd waarin er minder sollicitatiekansen zijn, moet je je op een bepaalde manier onderscheiden. Door het lopen van een stage kun je direct in contact komen met een eventuele toekomstige werkgever en kun je voor jezelf beoordelen of je er thuis hoort. Bovendien zul je dan in een sollicitatiegesprek je motivatie beter kenbaar kunnen maken. Mijn waardevolste ervaring tijdens mijn studie waren de stages die ik heb gelopen, hierdoor wist ik dat ik in de advocatuur wilde starten. Bezuinig niet teveel op dit soort activiteiten, ook al is de studiedruk hoog of krijg je er geen punten voor.” Geert: “Ik sluit me bij Foort aan: een brede oriëntatie is belangrijk. Door mijn studie geschiedenis heb ik op een andere manier leren kijken naar zaken, waardoor je niet alleen maar het ‘juridische molentje’ draait. Helemaal binnen een organisatie als Buitenlandse Zaken kijken niet al je collega’s op een juridische manier naar de problemen. Zij benaderen het op een andere manier. Hoe eerder je een andere invalshoek leert begrijpen, hoe sneller je tot een uitkomst komt.”

Geïnteresseerd in een baan als jurist bij de overheid of het werk van het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Kijk op www.werkenbijhetrijk.nl, www.academievooroverheidsjuristen.nl en www.minbuza.nl.


  • 0

Een dag in het leven van… Burgemeester Peter Rehwinkel

Wat is het toch een voorrecht dat ik woon in de binnenstad. En dat ik in een zo mooie stad woon en werk. Met plezier word ik wakker in ons nieuwe huis. Na de nodige ochtendrituelen ga ik lopend naar mijn werk. Via de Folkingestraat en de Vismarkt kom ik op de Grote Markt. De marktkooplui zijn al bezig met het uitstallen van hun waren en de medewerkers van de Milieudienst proberen de binnenstad weer zo goed mogelijk schoon te vegen. Het is soms onvoorstelbaar wat er ’s ochtends alweer voor troep op straat ligt.

Aangekomen op de Grote Markt 1 krijg ik van de dienstdoende bode een heerlijk kopje koffie geserveerd. Ik probeer zo snel mogelijk vijf kranten door te lezen (koppensnellen) en ondertussen biedt het internet ook een rijke schakering aan nieuws. Sinds kort hoor ik bij de ‘twitteraars’ van deze wereld en het blijft boeiend om te lezen wat anderen zoal vinden van mijn activiteiten.

Mijn agenda voor vandaag is zoals bijna altijd erg gevuld. Ik rol de dag in en meestal is het avond voor ik er erg in heb. Soms heb ik het gevoel dat ik word geleefd en dan probeer ik met de mensen om mij heen weer wat lucht te krijgen tussen de afspraken. “Nee” zeggen is niet mijn sterkste kant.

Vanmorgen hebben we een korte B&W-vergadering. Het college komt wekelijks bij elkaar, altijd op de dinsdag. Vandaag is er een extra B&W. Daar bespreken we een dringende aangelegenheid, ditmaal over de tram. Op de ‘gewone’ B&W-agenda staan alle onderwerpen waar wij als college een besluit over moeten nemen. Ik bereid deze vergaderingen altijd in het weekend voor en dat kost uren leestijd. Iedere wethouder heeft uit zijn eigen portefeuille-stukken geagendeerd staan en uiteraard geldt dat ook voor mijn eigen portefeuille-onderdelen, zoals openbare orde en veiligheid. Voordat een stuk in het college wordt behandeld heb ik dat al besproken in een sectoroverleg en waar nodig krijg ik er ambtelijke adviezen bij.

Tussendoor moet ik nog een IBS (In bewaring stelling) afhandelen. Daar gelden allerlei procedures voor en die moeten zorgvuldig worden gevolgd.

De lunchpauze is gewijd aan een overleg met het bestuur van de Stedenband Groningen – San Carlos. De gemeente Groningen onderhoudt banden met een aantal steden, met als doel handel, kennis en hulp te bevorderen. Er zijn de nodige subsidiegelden mee gemoeid. Daarover gaan we het hebben. Zelf hoop ik in de winter een bezoek te brengen aan Nicaragua. De stedenband bestaat al 25 jaar.

Tussen de bedrijven door krijg ik het verzoek van één van mijn woordvoerders of ik straks persvragen kan beantwoorden, in dit geval kan dat telefonisch. Op vele momenten van de dag komt er een bode bij mijn bureau met een map voor te tekenen stukken. Het is ongelooflijk op hoeveel brieven, raadsvoorstellen en andere documenten een handtekening van de burgemeester moet staan.

De middag is deels volgeboekt met interne afspraken. De griffier komt langs om een raadsbespreking voor te bereiden. Een van de wethouders wil een tussentijds overleg. Gelukkig kom ik ook nog de stad in. In mijn portefeuille valt het ‘fair trade’ beleid: ik mag bij een supermarkt een fair trade plein openen. Het is geweldig dat de steun voor fair trade handel en producten steeds meer wordt uitgedragen en dat zowel particulieren als ondernemers hier hun best voor doen. Eigenlijk vind ik dit één van de leukste en belangrijkste onderdelen van mijn functie. De stad in gaan, mensen ontmoeten, horen wat er leeft. Ik fiets geregeld door de stad en zie dan van alles. De mooie dingen van deze stad, maar ook de plekken waar het niet goed gaat. De armoede in sommige wijken. Huizen waar geen gordijnen voor de ramen hangen maar die zijn dichtgeplakt met kranten. Drugsproblematiek. Maar ook de nieuwbouw, de architectuur, de nieuwe ontwikkelingen. Groningen is een geweldige stad om te beleven. Door mijn bezoeken en mijn contacten vergaar ik vaak meer kennis dan door het lezen van allerlei nota’s.

Mijn chauffeur brengt me terug naar het stadhuis, waar weer de stapels post op me liggen te wachten. De meeste mappen gaan straks mee naar huis, want daar kom ik hier niet aan toe. Vaak is de nacht al begonnen als ik de laatste map kan wegleggen.

Er ligt nog een schrijnend geval van een op te leggen huisverbod op mijn bureau. Wat is er een ellende in sommige gezinnen! Gelukkig is de nieuwe aanpak hiervan tegenwoordig erg efficiënt. Doordat de dader uit het gezin wordt geplaatst, is er tijd voor afkoeling en zo snel mogelijk hulpverlening.

Vanavond eet ik in de stad. Een  Tweede Kamerlid is in Groningen, met hem bespreek ik wat ons hier zoal bezighoudt. Als ik zijn verhalen hoor heb ik even geen heimwee naar mijn Haagse periode.

Ik sluit de avond af met een kort cultureel gebeuren in de Oosterpoort. Ik ben een groot liefhebber van allerlei soorten muziek, van toneel en dans. Indien maar even mogelijk geniet ik er van. En ja, als ik dan thuis ben liggen die postmappen er dus nog. En dan wordt het toch weer laat…


  • 0

HET WK BID – Zet Nederland zichzelf buitenspel?

De strijd om de organisatie van het WK 2018 of 2022 is in al haar hevigheid losgebarsten. Samen met België heeft Nederland zich kandidaat gesteld als organisator van dit evenement. In zijn poging om de FIFA, de wereldvoetbalbond, te paaien heeft de Nederlandse regering een zeer uitgebreide belastingvrijstelling voor de FIFA in petto. De vraag is echter of een dergelijke vrijstelling in strijd is met het Europeesrechtelijke verbod op staatssteun. De onduidelijke juridische status van deze vrijstelling kan grote gevolgen hebben voor de kansen van Nederland om het WK binnen te halen, waarbij de FIFA zelfs het risico loopt dat de organisatie het gehele bedrag dat zij met de vrijstelling heeft binnengehaald moet terugbetalen. In dit artikel zal worden bekeken in hoeverre de kans dat Nederland het WK mag organiseren gevaar loopt.

Voordat er nog maar één bal getrapt is op het wereldkampioenschap voetbal van 2018 of 2022 (hierna: het WK), strijden verschillende landen om de gunst van de FIFA. De wereldvoetbalbond zal namelijk in december bepalen in welk land, of welke landen, het WK zal worden gespeeld. Hoewel Nederland en België zich samen kandidaat hebben gesteld voor het WK, zal ik mij in dit artikel beperken tot Nederland alleen. Het is Nederland er bijzonder veel aan gelegen dat het WK voetbal binnen wordt gehaald. In het WK-bidbook, waarin de plannen van de potentiële organisatoren van het WK zijn neergelegd, heeft de Nederlandse regering namelijk een volledige belastingvrijstelling toegezegd aan de FIFA[1]. Deze organisatie heeft zoveel macht verworven dat zij dergelijke vrijstellingen kan eisen. Sterker nog: de FIFA wil alleen met landen praten over de kanditatuur wanneer zij een soortgelijke algemene belastingvrijstelling garanderen. Dit is de reden dat ook andere landen, zoals Spanje en Portugal, een zeer uitgebreide belastingvrijstelling in hun bidbook hebben opgenomen. In grote lijnen houdt de door Nederland toegezegde belastingsvrijstelling in dat de FIFA wordt vrijgesteld van iedere rijksbelasting en dat er geen lokale belasting hoeft te worden betaald.[2] Dit betekent bijvoorbeeld dat de FIFA geen btw hoeft af te dragen over de verkochte kaartjes, dat geen inkomstenbelasting hoeft te worden afgedragen door de werkenemers van de FIFA en dat er geen winstbelasting hoeft te worden betaald. Echter: niet alleen de FIFA profiteert van deze ruime vrijstelling. Werknemers van de KNVB zijn, als partner van de FIFA, ook vrijgesteld van hun verplichting om inkomstenbelasting af te dragen aan de fiscus. De vraag is of een land dat het WK wil organiseren zoveel toezeggingen zou moeten doen. Dit is echter een politieke vraag, waar ik op deze plaats aan voorbij zal gaan. Ook onder juristen heeft de toegezegde vrijstelling een hoop stof doen opwaaien. Zo is discussie ontstaan over de vraag of de vrijstelling wel mogelijk is in de huidige Europese en Nederlandse belastingwetgeving. Niet alleen fiscalisten zetten hun vraagtekens bij het WK-bid: ook juristen kijken met meer dan gemiddelde belangstelling naar het WK-bidbook, omdat de belastingvrijstelling mogelijk in strijd is met het verbod op staatssteun, zoals neergelegd in artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Om een beeld te schetsen van de manier waarop Nederland de belastingvrijstellingen heeft vormgegeven, zal ik hieronder ingaan op de vrijstelling van de btw. Vervolgens zal ik de voorwaarden van artikel 107 VWEU nalopen om te zien of aan de voorwaarden van dit artikel wordt voldaan. Tot slot zal ik aandacht besteden aan de mogelijke consequenties voor de Nederlandse kandidatuur.

BTW-vrijstelling

Allereerst zullen we de btw nader bekijken. Nederland heeft bij haar belastingwetgeving rekening te houden met de Europese BTW-Richtlijn.[3] Op grond van deze richtlijn is Nederland verplicht om btw te heffen. De nationale regels met betrekking tot de btw zijn neergelegd in de Wet op de omzetbelasting. Op basis van deze wet is de FIFA verplicht om in Nederland btw te betalen. Dit blijkt uit artikel 6d van de Wet op de omzetbelasting[4], dat bepaalt dat  diensten die samenhangen met een sportieve activiteit geacht worden plaats te vinden op de plek waar die activiteiten plaatsvinden. Voor de wedstrijden op het WK die in Nederland worden gespeeld, welke aan te merken zijn als diensten die samenhangen met de organisatie van een sportevenement, zal in Nederland btw moeten worden betaald. Tevens bepaalt artikel 11.1.e sub 1 Wet op de Omzetbelasting dat het verlenen van toegang tot wedstrijden een met btw belaste dienst is. Over de verkochte kaartjes dient dus ook in Nederland btw te worden betaald.

Nu vastsstaat dat de door de FIFA te leveren diensten in Nederland btw-plichtig zijn, kan verder worden gekeken naar het Nederlandse btw-systeem. Dit systeem is erop gericht dat de leveranciers van goederen en dienstverleners (die een dienst verlenen die met btw-belast is) de btw aan hun afnemers in rekening brengen. Men spreekt in dit geval van ‘output-btw’.[5] Deze btw dienen zij af te dragen aan de fiscus. Echter: wanneer zij vervolgens goederen verkopen of diensten leveren aan consumenten dienen zij daarover ook weer btw te rekenen. De btw die de consument uiteindelijk betaalt wordt ‘input-btw’[6] genoemd. De input-btw is vervolgens in beginsel aftrekbaar van de output-btw.  De consument die een kaartje koopt voor een wedstrijd op het WK in Nederland zal dus uiteindelijk degene zijn die de btw draagt, waarna de FIFA dit bedrag afdraagt aan de fiscus.

Om aan de eisen van de FIFA tegemoet te komen, heeft het WK-bidbook een algemene btw-vrijstelling voor ogen. De FIFA en alle ondernemingen die aan haar en haar partners goederen of diensten leveren, dienen te worden vrijgesteld van de plicht tot het afdragen van btw. Het betreft een zeer ruime vrijstelling, die niet alleen geldt voor de FIFA zelf. Hier steekt meteen het eerste probleem de kop op. Op grond van de eerder genoemde Europese richtlijn is Nederland namelijk verplicht om BTW te heffen over de kaarten die worden verkocht gedurende het WK.[7] Om de btw-vrijstelling in Nederland toe te passen, zal de bestaande belastingwetgeving moeten worden aangepast. Hoewel in een eerder stadium werd ontkend dat de Nederlandse belastingwetgeving dient te worden aangepast, heeft demissionair minister Klink in antwoord op kamervragen gezegd dat in Nederland weldegelijk wijzigingen aangebracht moeten worden in de belastingwetgeving.[8] De vraag is echter of dit mogelijk is, gelet op de Europese regelgeving.[9] Minister Klink heeft al laten weten dat de BTW-Richtlijn niet toestaat dat de FIFA btw-vrijstelling wordt verleend.[10] Dit heeft minister De Jager van financiën ook onder ogen gezien, zo was kort en bondig te lezen via Twitter: “Fifa krijgt geen BTW vrijstelling: mag niet in EU (…)”.[11] De FIFA zal dus wel degelijk btw moeten berekenen over de verkochte toegangskaartjes en deze ‘output-btw’ moeten afdragen aan de Nederlandse fiscus.

Om dit ‘probleem’ op te lossen heeft de Nederlandse regering het volgende toegezegd in het WK-bidbook: “Should any of the parties listed in this Guarantee suffer any direct and/or indirect imposition of Taxes as envisaged herein pursuant to the noncompliance with this Guarantee, the Netherlands shall indemnify and hold them harmless up to the amount of such Tax”.[12] Dit betekent dat de Nederlandse overheid de FIFA schadeloos zal stellen in geval zij de toegezegde vrijstelling niet mag toepassen (wat dus het geval zal zijn). Concreet houdt deze toezegging in dat de Nederlandse staat de ‘output-btw’, die zij van de verkopers van toegangskaartjes heeft ontvangen, terug zal betalen aan de FIFA. Kortom: het bedrag dat de FIFA aan de fiscus aan btw heeft afgedragen, zal door de Nederlandse staat netjes en spoedig worden terugbetaald. Een dergelijke belastingteruggaaf aan de FIFA leidt tot winst, welk bedrag overigens verderop in het WK-bidbook is vrijgesteld van winstbelasting (!). Linksom of rechtsom: de FIFA moet er altijd beter van worden, zo moet de Nederlandse overheid hebben gedacht.

Echter: zo simpel liggen de zaken niet. De hierboven beschreven belastingteruggaaf kan namelijk staatssteun opleveren van de Nederlandse staat aan de FIFA. De Europese Commissie zal dienen te beoordelen of daadwerkelijk sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU. Hieronder zal ik de criteria van dit artikel langslopen om te beoordelen hoe realistisch dit gevaar is.

Staatssteun

In artikel 107 VWEU is bepaald dat sprake is van staatssteun als aan de volgende criteria wordt voldaan:

De steun wordt door de staat verleend of met overheidsmiddelen bekostigd;

  1. Deze steun levert bedrijven een niet-marktconform voordeel op;
  2. Het voordeel is selectief, wat betekent dat deze ten goede komt aan één onderneming of aan een selecte groep ondernemingen;
  3. Het voordeel moet de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen;
  4. De intracommunautaire handel moet ongunstig worden beïnvloed.

Staatsmiddelen

Bij het onderwerp staatssteun denkt men in het algemeen aan een situatie waarin de staat een subsidie verleent aan bepaalde ondernemingen. Het begrip ‘steun’ heeft echter een algemenere strekking dat alleen subsidies. Gezien het feit dat tegen beschikkingen van de Commissie beroep kan worden ingesteld bij het Hof van Justitie EG (hierna: het Hof), bestaat veel rechtspraak over deze materie. Zo heeft het Hof bepaald dat niet alleen positieve prestaties (zoals subsidies) onder het begrip ‘steun’ vallen, maar dat “ook maatregelen welke (…) de lasten verlichten, die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor -zonder nog subsidies in de strikte zin van het woord te zijn- van gelijke aard zijn en tot identieke gevolgen leiden. Een maatregel waarbij de overheid een bepaalde onderneming een belastingvrijstelling verleent die, hoewel in dat kader geen staatsmiddelen worden overgedragen, de financiële positie van de begunstigden verbetert ten opzichte van andere belastingplichtigen, is bijgevolg als een steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 92 lid 1 EEG-Verdrag aan te merken.”[13]

Gelet op het bovenstaande is de belastingvrijstelling te kwalificeren als steun bekostigd met staatsmiddelen. De vrijstelling van de FIFA zal er immers toe leiden dat de Nederlandse staat minder belastinginkomsten binnenkrijgt. Door het totaal aan maatregelen wordt de FIFA bevoorrecht ten opzichte van andere belastingplichtigen, die bijvoorbeeld wel gewoon btw moeten betalen. Maar ook het terugbetalen van reeds ontvangen belastingen, zoals toezegd in Government garantee No. 3, is aan te merken als het bevoorrechten met staatsmiddelen. Deze vorm vertoont nog meer gelijkenissen met reguliere subsidies. Gezien het feit dat het Hof van Justitie een ruime uitleg geeft aan het begrip ‘steun’, kan worden geconcludeerd dat hier sprake is van steun die met staatsmiddelen is bekostigd.

Komt ten goede aan ondernemingen

Artikel 107 VWEU ziet alleen op steun aan ondernemingen. In het mededingingsrecht wordt een ruime definitie van het begrip onderneming gehanteerd. Het begrip omvat “elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.”[14]  Het Hof houdt daarbij geen rekening met de vraag of een entiteit naar nationaal recht als onderneming wordt gezien. Met een ‘economische activiteit’ doelt het Hof op het aanbieden van goederen en diensten op een markt.[15] In dit licht kan de FIFA zeker als onderneming worden aangemerkt. Zij biedt in het kader van het WK verschillende diensten aan. Als wij ons beperken tot de organisatie van het wereldkampioenschap, dan kan onder andere worden gedacht aan de verkoop van televisierechten en toegangskaartjes.

Selectief voordeel

De maatregel mist selectiviteit wanneer deze geen begunstiging van bepaalde ondernemingen tot gevolg heeft, maar geldt voor alle ondernemingen die op de markt actief zijn.[16] Zo valt algemeen economisch beleid buiten het begrip staatssteun, op voorwaarde dat dit beleid daadwerkelijk algemeen van aard is. Een belastingvrijstelling kan een dergelijk algemeen karakter dragen, maar zo niet in het onderhavige geval. De vrijstelling geldt enkel en alleen voor de FIFA (en haar relaties) en niet voor andere ondernemingen die niet aan de FIFA gerelateerd zijn. De maatregel is daarmee zeker selectief, zelfs ingeval de Nederlandse belastingwetgeving in algemene zin zou kunnen worden aangepast.

Mededingingsbeperking

Bij beantwoording van de vraag of de belastingvrijstelling staatssteun kan opleveren, zal dit criterium mogelijk wel problemen opleveren. De Commissie zal namelijk moeten motiveren en onderbouwen waarom er naar haar oordeel sprake is van een beperking van de mededinging.[17] In het onderhavige geval zal de Commissie kunnen aanvoeren dat de mededinging beperkt wordt, doordat de FIFA in haar kosten gecompenseerd wordt, terwijl andere bedrijven een dergelijke compensatie niet ontvangen. Op zichzelf klinkt dit niet onwaarschijnlijk. Dit is echter anders wanneer de FIFA aan te merken is als monopolist en de enige aanbieder is van dergelijke diensten. In dat geval concurreert de FIFA namelijk niet met andere ondernemingen: de mededinging (of concurrentie) kan dan ook niet worden beperkt. Om te kunnen beoordelen of de FIFA daadwerkelijk een monopolist is bij het aanbieden van verschillende diensten, zal moeten worden beoordeeld op welke markt de FIFA actief is. Dit wordt ook wel de marktafbakening genoemd. De twee markten die daarbij moeten worden afgebakend zijn de relevante productmarkt en de geografische markt.[18] Pas wanneer blijkt dat de FIFA met andere ondernemingen concurreert, kan de mededinging daadwerkelijk worden beperkt. Het gaat de strekking van dit artikel te buiten om een uitgebreide marktafbakening te beschrijven. Wel is van belang dat gekeken wordt op welke markt de FIFA actief is. Als de Commissie van oordeel is dat dit de markt voor de organisatie van (mondiale) sportevenementen is, dan betekent dit dat de FIFA geen monopolist is. Zij concurreert namelijk met andere organisatoren van sportevenementen om de consument, zoals bijvoorbeeld het Internationaal Olympisch Comité (IOC). Hierbij geldt dat hoe groter de markt wordt afgebakend, hoe meer activiteiten op de markt plaatsvinden en hoe sneller op een markt concurrentie plaatsvindt. Het argument van de FIFA is op zichzelf dus niet heel sterk. Concluderend kan worden opgemerkt dat het  niet onwaarschijnlijk is dat de Commissie een beperking van de mededinging zal aannemen.

Beïnvloeding van de communautaire handel

Artikel 107 VWEU is alleen van toepassing wanneer de handel tussen de lidstaten ongunstig wordt beïnvloed door de gedraging. Wanneer een onderneming wordt begunstigd, terwijl deze onderneming met ondernemingen in andere lidstaten concurreert, zal het communautaire effect al snel aanwezig worden geacht. In wezen zal het feit dat de FIFA in staat zal zijn het belastingvoordeel dat zij in Nederland ontvangt in andere lidstaten van de EU te spenderen, reeds voldoende zijn om aan deze voorwaarde te voldoen. De vraag of dit voordeel daadwerkelijk in andere lidstaten wordt gespendeerd, is niet relevant.

Als aan de bovenstaande eisen is voldaan, dan betekent dit dat de belastingvrijstelling is aan te merken als staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU.

Mogelijke consequenties

De vraag is natuurlijk of de FIFA het risico wil lopen dat het WK aan een land wordt gegund dat gebonden is aan de Europese regelgeving met betrekking tot staatssteun. Immers: wanneer de Commissie tot de conclusie komt dat de belastingvrijstelling daadwerkelijk staatssteun oplevert, wat gezien het bovenstaande niet onwaarschijnlijk is, dan betekent dit dat deze aangemeld moet worden bij de Commissie.[19] Vervolgens heeft de Commissie de mogelijkheid om de steun goed te keuren of in strijd met de gemeenschappelijke markt te verklaren. Maar tot die tijd kan de Nederlandse overheid niet de garantie afgeven dat de FIFA gecompenseerd zal worden. Mocht Nederland de reeds toegezegde bedragen toch aan de FIFA betalen en blijkt achteraf dat sprake is van staatssteun, dan zal Nederland de bedragen bij de FIFA moeten terugvorderen. De vraag is dus of Nederland zichzelf in het WK-bid niet buitenspel heeft gezet: wanneer de FIFA het risico op staatssteun te groot vindt, zal zij er mogelijk voor kiezen om het WK toe te wijzen aan een land buiten de Europese Unie, zoals Rusland. Of de FIFA zich door het bovenstaande gevaar laat afschriken zal begin december blijken. Dan zal de FIFA bekend maken welk land zich mag opmaken voor de organisatie van het WK. Wellicht is het de Nederlandse regering aan te raden om voor die tijd nogmaals grondig te kijken naar de toezeggingen aan de FIFA.


[1] Government Guarantee No. 3.

[2] A. Grotenhuis, ‘Wil Nederland een belastingvrij WK?’, NRC Handelsblad 10 augustus 2010, p. 7.

[3] Richtlijn nr. 2006/112/EG (Pb EG 2006 L 347/1).

[4] Treedt in werking op 1 januari 2011.

[5] D.A. Aelbregtse & P. Kavelaars, Maatschappelijk heffen, Deventer: Kluwer 2007, p. 434.

[6] D.A. Aelbregtse & P. Kavelaars, Maatschappelijk heffen, Deventer: Kluwer 2007, p. 434.

[7] Zie ook http://www.nrc.nl/binnenland/article2598538.ece/WK-plan_KNVB_onwettig,_zeggen_fiscalisten.

[8]http://www.ad.nl/ad/nl/1045/WK-voetbal/article/detail/510671/2010/09/08/Klink-Ja-we-zullen-wetten-wijzigen-voor-de-FIFA.dhtml.

[9] Hiermee wordt gedoeld op de reeds genoemde Europese BTW-Richtlijn (richtlijn nr. 2006/112/EG (Pb EG 2006 L 347/1)).

[10] Kamervragen inzake organisatie wereldkampioenschap voetbal, nr 32 371, p. 6.

[11] http://twitter.com/jcdejager.

[12] Government Guarantee No. 3.

[13] HvJ EG 15 maart 1994, zaak C-387/92, Jur. 1994, p. I-887 (Banco Exterior).

[14] HvJ EG 23 april 1991, zaak C-41/90, Jur. 1991, p. I-01979 (Höfner en Elser).

[15] HvJ EG 11 juli 2006, zaak C-205/03 P, SEW/JEG 2006 (FENIN).

[16] J.F. Appeldoorn & H.H.B. Vedder, Mededingingsrecht, Groningen: Europa Law Publishing 2010, p.244.

[17] HvJ EG 13 maart 1985, gevoegde zaken 296 en 318/82, Jur. 1985, p. 809  (Leeuwarder papierfabriek).

[18] HvJ EG 14 februari 1978, zaak 27-69, Jur. 1978, p. 207 (United Brands).

[19] Artikel 108 lid 3 VWEU.


  • 0

DE IJSBEER, DE TIJGERMUG EN DE EUROPESE HANDEL IN EMISSIERECHTEN

In 2005 lanceerde de Europese Unie het eerste grensoverschrijdende systeem van emissiehandel in de wereld. Hiermee wil de EU haar klimaatdoelstellingen behalen. Bijzonder aan het systeem is dat deze doelstellingen moeten worden gerealiseerd tegen de laagst mogelijke kosten. De Europese industrie wordt hiermee ontzien. De afgelopen jaren was er echter forse kritiek op de handel in emissierechten. Is emissiehandel in de EU, zoals de Commissie stelt, een van ’s werelds meest ambitieuze klimaatprojecten? Of is het, zoals tegenstanders beweren, een rookgordijn dat niets verandert aan de bestaande situatie? (trailer)

 “Opwarming van de aarde? Welnee, we hebben te maken met een ijsberenplaag”, zo relativeert Tweede Kamerlid voor de PVV Barry Madlener met gevoel voor humor het klimaatprobleem. Desondanks blijft het een feit dat er tot nog toe geen verdwaalde ijsbeer in Den Haag is gesignaleerd. Wel komen tropische insecten, zoals de Aziatische tijgermug, onze kant op. Feit is ook dat de gemiddelde temperatuur op aarde nog steeds blijft stijgen. Volgens klimaatwetenschappers wordt dit veroorzaakt door de uitstoot van broeikasgassen zoals koolstofdioxide (CO2).[1] De Europese Unie heeft zich dan ook ten doel gesteld om in de periode 2008-2012 acht procent minder CO2 uit te stoten in vergelijking met het niveau van 1990. Voor de periode daarop is het doel nog ambitieuzer: in 2020 moeten de lidstaten van de Europese Unie hun gezamenlijke uitstoot van broeikasgassen met maar liefst twintig procent hebben gereduceerd.[2]

Bijzonder aan het Europese klimaatbeleid is de methode die wordt gebruikt om  deze emissiereducties te realiseren. In 2003 trad richtlijn 2003/87/EG in werking, waarmee het European Union Emission allowance Trading System (hierna: EU ETS) in het leven werd geroepen.[3] Zoals de naam al aangeeft draait dit systeem om handel in emissierechten, het gaat dus om een marktinstrument. Nu zullen sommigen zich afvragen of een marktinstrument niet per definitie leidt tot meer in plaats van minder vervuiling. Het maken van winst en het zorgen voor een beter milieu zijn immers twee heel verschillende doelen.Volgens de EU zal emissiehandel echter wel degelijk leiden tot een beter milieu, en is het instrument bovendien efficiënter dan alternatieven zoals een belasting op CO2.

Hoe werkt emissiehandel?

Het EU ETS is het eerste grensoverschrijdende systeem voor emissiehandel ter wereld. Het gaat om een zogenaamd cap and trade systeem. Richtlijn 2003/87/EG bepaalt in artikel 9 lid 1 dat de lidstaten een maximum moeten stellen aan de totale hoeveelheid broeikasgassen die de industrie in hun land mag uitstoten. Op basis van dit plafond moeten lidstaten vervolgens ook vaststellen hoeveel iedere fabriek uitzonderlijk maximaal mag uitstoten. Deze normen wordt gebruikt om bedrijven emissierechten toe te kennen. In Nederland gebeurt dit door de Nederlandse Emissieautoriteit (hierna: NEA). De regels van het EU ETS gelden voor bedrijven waarvan de uitstoot van CO2 een bepaalde drempelwaarde overschrijdt. In Nederland kan bijvoorbeeld worden gedacht aan kolencentrales, de staalindustrie en de glastuinbouw. Deze bedrijven moeten een vergunning aanvragen bij de NEA en zijn wettelijk verplicht om hun uitstoot van CO2 te registreren (art. 4 jo. 6 richtlijn 2003/87/EG). Voor elke ton aan CO2 die wordt uitgestoten moeten vervolgens emissierechten worden ingeleverd bij de NEA, zo bepaalt artikel 6 lid 2 van de richtlijn. Als een bedrijf erin slaagt om minder CO2 uit te stoten mag het de overgebleven rechten verkopen op de markt. Grote vervuilers die meer uitstoten en dus rechten tekort komen, zullen juist rechten bij moeten kopen. Indien een bedrijf geen rechten inlevert wordt een boete opgelegd en wordt de naam van het bedrijf gepubliceerd op een zwarte lijst (art. 16 richtlijn 2003/87/EG).

De mogelijkheid om emissierechten te verhandelen op de markt zou ertoe moeten leiden dat emissiereducties worden gerealiseerd tegen zo min mogelijk kosten voor het bedrijfsleven. De kosten van emissiereducties verschillen namelijk per bedrijfstak en per bedrijf. Economische theorie gaat ervan uit dat aan het gebruik van een emissierecht zogenaamde opportunity costs zijn verbonden. Het gaat dan om de opbrengsten die een ondernemer misloopt als hij besluit om een emissierecht niet te verkopen. Een rationele ondernemer zal altijd afwegen of hij het emissierecht moet gebruiken, of dat het meer oplevert om emissies te beperken en de overgebleven rechten te verkopen. Emissiehandel zal er daarom toe leiden dat de emissiereducties die nodig zijn zullen worden gemaakt door bedrijven met de hoogste opportunity costs. Dit zijn de bedrijven die tegen relatief de laagste kosten hun uitstoot van broeikasgassen kunnen beperken. Op deze manier zou emissiehandel ervoor moeten zorgen dat klimaatdoelstellingen worden gehaald op een manier die zo min mogelijk kosten met zich meebrengt voor de industrie.[4] Dit klinkt natuurlijk als de ultieme droom van elke politicus: een beter milieu tegen zo laag mogelijke kosten. Critici hebben de laatste jaren echter aangetoond dat het systeem in de praktijk een aantal donkere kanten kent.

Kritiek op stelsel

Een van de grootste problemen van het EU ETS in de afgelopen jaren was dat lidstaten een te ruim emissieplafond vaststelden. Hierdoor hoefde het bedrijfsleven feitelijk de uitstoot van broeikasgassen helemaal niet te verminderen. Dit probleem speelde vooral in de testfase van het EU ETS, in de eerste handelsperiode die liep van 2005 tot 2007. In de tweede handelsperiode, die loopt van 2008 tot 2012, heeft de Europese Commissie geprobeerd om de nationaal vastgestelde plafonds naar beneden aan te passen. Richtlijn 2003/87/EG bood hiervoor volgens de Commissie een juridische grondslag.[5] Estland en Polen startten daarop een procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie. Deze stelde de Commissie in het ongelijk.[6] De Commissie heeft beroep aangetekend tegen de uitspraken maar duidelijk is in ieder geval dat de lidstaten liever niet al te strenge normen opleggen aan het bedrijfsleven. Desondanks vonden toch emissiereducties plaats in de eerste handelsperiode, doordat de regelgeving onduidelijk was en bedrijven het zekere voor het onzekere namen.[7]

Een ander punt van kritiek is dat bedrijven de emissierechten tot nu toe kosteloos van de nationale overheden toebedeeld hebben gekregen. Bestaande bedrijven ontvangen een bepaalde hoeveelheid emissierechten, die is gebaseerd op gegevens over hun uitstoot van broeikasgassen in voorgaande jaren. Nieuwkomers krijgen een bepaalde hoeveelheid emissierechten toegewezen op basis van hun te verwachten uitstoot. Artikel 10 van de richtlijn bepaalt dat lidstaten in de periode 2008-2012 verplicht zijn om tenminste 90% van de emissierechten gratis toe te kennen aan het bedrijfsleven. De kosteloze verstrekking van emissierechten aan het bedrijfsleven leidde tot veel ophef omdat sommige ondernemingen miljoenen verdienden door de marktwaarde van hun emissierechten door te berekenen in de prijs van hun producten. Dit heeft te maken met het eerder besproken begrip opportunity costs. Indien een producent emissierechten inlevert bij een emissieautoriteit om zijn uitstoot van broeikasgas te dekken, loopt de producent het bedrag mis waarvoor hij de rechten op de markt had kunnen verkopen. Dit is een reële kostenpost die een rationele ondernemer dan ook zal doorberekenen in de kostprijs van een product. Dit verklaart waarom met name energieproducenten de afgelopen jaren de marktwaarde van de emissierechten die ze gratis van de overheid ontvingen, doorberekenden in de prijs van elektriciteit. De consument betaalde hierdoor voor de emissierechten die het bedrijfsleven zelf gratis ontving. Producenten verdienden op deze manier honderden miljoenen aan emissiehandel.[8] Deze windfall profits in het bedrijfsleven leidden tot veel publieke onrust. Consumentenorganisaties richtten hun pijlen op Brussel, en niet zonder effect. In de derde handelsperiode, die loopt van 2013 tot 2020, zal het systeem ingrijpend worden veranderd.

Veranderingen per 2013

In 2007 kwamen de lidstaten overeen dat de EU in 2020 haar uitstoot van broeikasgassen met 20% moet zien te verminderen ten opzichte van 1990. Om deze doelstelling te halen, was een aanpassing van het EU ETS vereist. Richtlijn 2003/87/EG is daarom gewijzigd door richtlijn 2009/29/EG.[9] De lidstaten zijn overeen gekomen dat de limiet op emissies vanaf 2013 door de Commissie wordt vastgesteld. Dit plafond zal jaarlijks met 1,74% dalen zodat de klimaatdoelen voor 2020 kunnen worden bereikt (art. 9 (nieuw) richtlijn 2003/87/EG). Daarnaast zal het aantal emissierechten dat gratis wordt toegekend worden verminderd. Na een overgangstermijn zouden alle bedrijven in 2020 hun emissierechten op een veiling moeten kopen. Voor de energiesector is een uitzondering gemaakt: vanwege de miljoenenwinsten in het verleden moet deze sector al vanaf 2013 alle benodigde emissierechten kopen (artt. 10 en 10bis (nieuw) richtlijn 2003/87/EG).

Toen bekend werd dat emissierechten vanaf 2013 grotendeels zullen moeten worden gekocht op een veiling, leidde dit tot heftige reacties van lidstaten, werkgeversorganisaties en vakbonden. Zij vreesden dat de Europese industrie door de kosten die moeten worden gemaakt om de emissierechten te kopen de internationale concurrentie niet meer aan zou kunnen. Men vreest dat het nieuwe EU ETS een uittocht van bedrijven naar niet-EU landen tot gevolg kan hebben. Dit zal gevolgen hebben voor de werkgelegenheid en zal leiden tot koolstoflekkage. Met koolstoflekkage wordt bedoeld dat de uitstoot van broeikasgassen niet vermindert maar slechts wordt verplaatst naar het buitenland.[10]

Artikel 10bis lid 12 (nieuw) richtlijn 2003/87/EG bepaalt dat bedrijven met een risico op koolstoflekkage tot 2020 hun emissierechten gratis krijgen toebedeeld. Onlangs presenteerde de Europese Commissie een lijst met alle bedrijfstakken die hun rechten gratis zullen ontvangen. Het gaat dan om ongeveer tweederde van de industriële productie in de EU. Hierbij zullen wel bepaalde beperkingen gaan gelden, maar hoe strikt die zullen worden toegepast is nog niet duidelijk. In ieder geval is zeker dat ook na 2013 windfall profits als gevolg van emissiehandel nog steeds tot de mogelijkheden behoren. Ook na 2013 zal de meerderheid van de Europese bedrijven immers nog steeds niet het volle pond betalen voor de benodigde emissierechten. Indien bedrijven de marktwaarde van de emissierechten wel doorberekenen in de prijs van producten, is het nog steeds mogelijk om te verdienen aan emissiehandel.

En het klimaat dan?

Uit een onlangs gepubliceerd rapport blijkt dat het EU ETS bedrijven niet stimuleert om hun uitstoot van broeikasgassen sterk te verminderen. Voor de periode 2008-2012 wordt een minuscule reductie van slechts 0,3% voorspeld. Dit hangt samen met de huidige economische recessie. Bedrijven produceren hierdoor minder, en hebben daardoor over het algemeen voldoende emissierechten om hun uitstoot mee te dekken. Sommige sectoren, met name de staal- en cementindustrie, houden door de recessie zelfs emissierechten over. Richtlijn 2003/87/EG staat deze bedrijven toe om de opgespaarde emissierechten mee te nemen naar de nieuwe handelsperiode vanaf 2013. Er wordt verwacht dat 1,8 biljoen opgespaarde emissierechten zullen worden meegenomen naar de nieuwe handelsperiode. Wetenschappers vrezen dan ook dat het bedrijfsleven ook na 2013 geen actie hoeft te ondernemen om groener te produceren.[11]

De Europese Commissie erkende onlangs dat er problemen zijn in de huidige handelsperiode, omdat het aanbod van emissierechten de vraag overtreft.[12] Een voor de hand liggende oplossing is dat het plafond voor de derde handelsperiode wordt verlaagd. De Europese regeringsleiders hebben aangegeven dat de klimaatdoelen aangescherpt zullen worden indien er een nieuw internationaal klimaatakkoord wordt bereikt. Tot nog toe hadden onderhandelingen over een internationaal akkoord echter geen succes. Sommige lidstaten, waaronder Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk zijn voorstander van een eenzijdige verhoging van de klimaatdoelen van de EU naar 30%. Andere lidstaten waaronder Italië en Polen wijzen een dergelijke verhoging echter af omdat deze te veel kosten met zich mee zou brengen.[13]

Een bijkomend probleem is dat het EU ETS zoals dat er na 2013 zal uitzien, bedrijven aanzet tot het nemen van verkeerde investeringsbeslissingen. Idealiter zou emissiehandel bedrijven moeten stimuleren om oude, vervuilende fabrieken te sluiten en over te schakelen op groenere productiemethoden. De gewijzigde richtlijn 2003/87/EC bepaalt echter dat als een fabriek sluit, de bijbehorende emissierechten vervallen (art. 10bis, leden 19 en 20). Dit leidt er volgens economen toe dat bedrijven na 2013 niet snel oude installaties zullen sluiten. De nieuwe regels kunnen er zelfs toe leiden dat bedrijven extra productiecapaciteit bouwen met als enige doel om emissierechten te ontvangen, die vervolgens kunnen worden verkocht.[14] De nieuwe regels zullen dus leiden tot juist meer fabrieken in plaats van de gewenste investeringen in groenere productiemethoden.

Conclusie

In de afgelopen jaren zijn verschillende misstanden rond het EU ETS aan het licht gekomen. Zo bleek dat energiebedrijven honderden miljoenen verdienden door gratis verkregen emissierechten door te berekenen aan de consument. Daarnaast was het plafond op emissies door de nationale overheden te laag vastgesteld. Desondanks is de uitstoot van broeikasgassen in de eerste handelsperiode wel degelijk gedaald. Het is te verwachten dat ook de klimaatdoelen voor 2012 en 2020 zullen worden bereikt. Wel is het de vraag of het Europese bedrijfsleven wel voldoende wordt geprikkeld om nu en in de toekomst groener te produceren. Er is aanleiding om te verwachten dat niet geïnvesteerd zal worden in nieuwe technologie, terwijl oude vervuilende fabrieken niet zullen worden gesloten. Dit alles is natuurlijk niet zonder gevolgen. De tekortkomingen in het EU ETS vormen een bedreiging voor zowel het milieu als voor de geloofwaardigheid van de emissiehandel in Europa.


[1] Het laatste rapport van het International Panel on Climate Change (IPCC) dateert uit 2007. Dit rapport raakte in de media in opspraak omdat het fouten bevatte. Het Planbureau voor de Leefomgeving evalueerde in opdracht van de Tweede Kamer het rapport en kwam onlangs tot de conclusie dat de belangrijkste conclusies van het IPCC ondanks de fouten overeind blijven. Zie Planbureau voor de Leefomgeving, ‘Evaluatie van een IPCC klimaatrapport’, 2010, <http://www.pbl.nl/nl/publicaties/2010/Evaluatie-van-een-IPCC-klimaatrapport.html>.

[2] In vergelijking met de uitstoot van broeikasgassen in het jaar 1990.

[3] Richtlijn 2003/87/EG van het Europees parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad, PbEU 2003, L 275/32.

[4]A. Nentjes en E.Woerdman, ‘Nieuwe emissiehandelregels schieten tekort’, ESB 2010, p. 455.

[5] De Commissie baseerde zich op artikel 9 lid 3 en criteria 1, 2 en 3 uit bijlage III bij richtlijn 2003/87/EG.

[6]HvJ EG 23 september 2009, nr. T-263/07, PbEG C223/12; HvJ EG 23 september 2009, nr. T-183/07, PbEG C 51/18.

[7]A.D. Ellerman e.a., Pricing Carbon: the European Union Emissions Trading Scheme, Cambridge: Cambridge UP 2010, 290.

[8]Naar schatting verdienden energieproducenten in Nederland tussen de 300 en 600 miljoen euro per jaar aan emissiehandel. Zie J. Sijm, K. Neuhoff en Y. Chen, ‘CO2 Cost Pass Through and Windfall Profits in the Power Sector’, Climate Policy 2006, p. 49.

[9]Richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden, PbEU 2009, L 140/63.

[10] EurActiv, ‘Social partners demand protection from ‘carbon leakage’ (14 maart 2008),  <http://www.euractiv.com/en/

socialeurope/social-partners-demand-protection-carbon-leakage/Article-170957> .

[11]D. Morris en B. Worthington, ‘Cap or trap? How the EU ETS risks locking-in carbon emissions’, Sandbag 2010, <http://sandbag.org.uk/files/sandbag.org.uk/caportrap.pdf>.

[12] Euractiv, ‘Minuscule CO2 savings expected from EU scheme’ (10 september 2010), < http://www.euractiv.com/en/climate-environment/minuscule-co2-savings-expected-eu-scheme-news-497676.>

[13] Euractiv, ‘Brussels to argue for 30% CO2 reduction target’ (3 mei 2010), <http://www.euractiv.com/en/climate-environment/brussels-argue-30-co2-reduction-target-news-493637>.

[14] A. Nentjes en E.Woerdman, ‘Nieuwe emissiehandelregels schieten tekort’, ESB 2010, p. 456.


  • 0

PLAYSTATION MENTALITEIT – Gebruik van onbemande vliegtuigen in gewapende conflicten

Onlangs kwam de film ‘Gamer’ uit: een futuristische actiefilm waarbij de beoefenaars van een videogame soldaten besturen in echte oorlogssituaties. Dit is natuurlijk geenszins een afspiegeling van de huidige gang van zaken bij gewapende conflicten, maar toch worden tegenwoordig ook volledige missies uitgevoerd door robots. Naast robots die gevaarlijke werkzaamheden uitvoeren, zoals bijvoorbeeld het onschadelijk maken van explosieven, zetten legers op steeds grotere schaal onbemande vliegtuigen of ‘drones’ in. Drones worden op afstand bestuurd en werden in het verleden voornamelijk ingezet voor verkenningsmissies, maar voeren tegenwoordig vaak offensieve missies uit. Wereldwijd zetten academici vraagtekens bij deze moderne ontwikkelingen, met name op het gebied van de verenigbaarheid van het inzetten van drones met het oorlogsrecht.

Drones

Al sinds het begin van de twintigste eeuw wordt er geëxperimenteerd met het gebruik van onbemande vliegtuigen in het leger. De eerste onbemande vliegtuigen werden ontwikkeld tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar werden niet in gebruik genomen, omdat de oorlog reeds beëindigd was. In de jaren dertig van de vorige eeuw ontwikkelde Hollywood-acteur Leigh Dugmore Denny radiografisch bestuurbare modelvliegtuigen en hij wist er tijdens de Tweede Wereldoorlog veel  te verkopen aan het Amerikaanse leger. De Amerikaanse luchtmacht gebruikte de vliegtuigen als trainingsobject voor luchtafweersystemen en startte ook zelf met het ontwikkelen van radiografische modelvliegtuigen. Mede doordat een Amerikaanse piloot neerstortte tijdens een verkenningsvlucht begin jaren zestig en daardoor een speelbal werd in een diplomatiek spel tussen de Sovjetunie en de Verenigde Staten, kreeg de ontwikkeling van onbemande vliegtuigen een boost. Tijdens de Vietnam-oorlog werden er duizenden verkenningsmissies uitgevoerd met drones. Echter, vanaf dat moment kwam de ontwikkeling van onbemande vliegtuigen in de Verenigde Staten tot stilstand: verder dan het gebruik voor verkenningsmissies en als trainingsobject kwam het voorlopig niet. De ontwikkeling van drones komt in een stroomversnelling als Israël een tiental onbemande vliegtuigen van de Verenigde Staten koopt en deze succesvol weet te incorporeren in de bemande luchtmacht. Daar waar drones in de Amerikaanse luchtmacht toentertijd werden gezien als buitenbeentje en inferieur aan de bemande jachtvliegtuigen, wist Israël de drones met veel succes te combineren met de bemande vliegtuigen voor offensieve missies. De eerste echte test komt in 1973 tijdens de Jom Kipoeroorlog, waarbij Israël werd aangevallen door Egypte en Syrië. Op dag twee van dit conflict stuurde Israël een eskadron drones richting Egypte, welke door Egyptische radarsystemen werd aangemerkt als bemande Israëlische jachtvliegtuigen. Hierop vuurden de Egyptische luchtafweersystemen het volledig arsenaal aan SAM-raketten af, waardoor Israëlische jachtvliegtuigen vrij spel hadden. Aangemoedigd door de klinkende overwinning begon Israël met het bouwen van eigen drones, met name omdat de verouderde Amerikaanse types slechts in staat waren om foto’s te maken. Israël ontwikkelde de Scout, welke real-time beelden kon doorzenden en langer in de lucht kon blijven dan zijn Amerikaanse voorgangers. De Scout werd voor het eerst ingezet  in 1981 door Israël om Syrische troepenverplaatsingen in de Libanese Beqaa vallei waar te nemen en tevens om valse radarsignalen af te geven, waardoor vijandelijke detectiesystemen werden misleid. In reactie hierop vuurde Syrië haar meeste SAM-raketten af, waardoor Israël wederom relatief gemakkelijk een krachtmeting naar haar hand wist te zetten zonder ook maar één militair te verliezen. De succesvolle inzet van drones door Israël wakkerde de Amerikaanse interesse in onbemande vliegtuigen weer aan en Amerika startte een nieuw onderzoeksprogramma. Uiteindelijk werd de Predator ontwikkeld, welke voor het eerst werd ingezet in Kosovo eind jaren negentig. Echter, de Predator was louter bruikbaar voor verkenningsmissies omdat hij niet uitgerust was met raketten. Na de aanslagen van 11 september 2001 werden de Predators vrijwel onmiddellijk uitgerust met Hellfire-raketten. De Predators hebben een grote rol gespeeld in de recente conflicten in Afghanistan en Irak en worden veelvuldig ingezet voor verkenningsmissies maar voeren ook aanvallen uit op doelen.[1] In de Gaza-oorlog van begin 2009 maakte Israël op grote schaal gebruik van drones, zowel voor verkenning als offensieve missies. Het grootste voordeel van drones is dat ze vele malen langer dan bemande vliegtuigen in de lucht kunnen blijven, zonder dat piloten in gevaar worden gebracht. Een drone wordt immers veilig op afstand bestuurd: Amerikaanse aanvallen op Al Qaeda en Taliban doelen worden voornamelijk vanuit het CIA-hoofdkwartier in Virginia gecoördineerd en uitgevoerd. Omdat strijders van de Al Qaeda en Taliban zich voornamelijk in onherbergzaam gebied verschansen is het uiterst riskant om grondtroepen te sturen. Tijdens de Gaza-oorlog van 2009 bestookte de Israëlische luchtmacht eerst doelen in Gaza en voerde het non-stop verkenningsmissies uit met behulp van drones, alvorens Gaza binnen te trekken.

Drones stellen een luchtmacht in staat om doelen te bestoken en constant te surveilleren, zonder één eigen soldaat in gevaar te brengen. CIA-directeur Panetta noemde drones in de strijd tegen het terrorisme “the only game in town”.[2] Het succesvolle gebruik van drones heeft geleid tot de ontwikkeling van nieuwe modellen, zoals de Reaper en Global Hawk, die zwaarder bewapend zijn dan de Predator en bovendien langer in de lucht kunnen blijven. Drones zijn van onschatbare waarde geworden voor moderne legers en worden steeds meer ingezet. Sommigen menen zelfs dat de Joint Strike Fighter, die momenteel door onder andere de Verenigde Staten en Nederland ontwikkeld wordt, het laatste bemande jachtvliegtuig zal zijn.[3] Toch zijn er niet alleen positieve geluiden waar te nemen over de inzet van drones voor offensieve missies. Kritische noten worden met name gekraakt ten aanzien van vele vermeende burgerslachtoffers, wat in strijd is met het oorlogsrecht. Zowel de besturing van drones als het uitvoeren van aanvallen door CIA-agenten zijn zaken door academici als controversieel worden ervaren.

Precies mis

Op het gebied van verkenningsmissies en het verzamelen van inlichtingen is de inzet van drones onmisbaar geworden. Op het gebied van offensieve missies hebben drones ook wezenlijke successen behaald. Zo zijn vele kopstukken van Al Qaeda en Taliban gedood terwijl zij zich hadden teruggetrokken in gebieden waar normaliter geen soldaat zich zou durven vertonen. De Pakistaanse Taliban leider Baitullah Mehsud werd bijvoorbeeld gedood terwijl hij op het dakterras van zijn schoonvaders huis verbleef. De drone-piloten meldden in het verslag van de aanval dat ze konden zien dat Mehsud tijdens de aanval behandeld werd met insuline voor zijn suikerziekte.[4]  De laatste generatie drones is uitgerust met infrarood en thermische camera’s, dat ze in staat stelt om door massieve objecten heen te kijken. Bovendien vliegt de drone voor een groot deel zelf: vooraf wordt een vliegplan in het geheugen geladen met GPS-punten, vervolgens stijgt de drone op en download zelf de GPS-coördinaten.

Ondanks de jubelstemming om dit nieuwe wapen, bestaat er veel kritiek op de manier van inzetten van drones in moderne gewapende conflicten. De internationale mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch (HRW) bracht een rapport uit over het gebruik van drones in de Gaza-oorlog van 2009.[5] HRW bespreekt hierin zes aanvallen met drones op burgers, waarbij 29 burgerslachtoffers vielen en geen Hamas militanten werden geraakt. In het rapport stelt HRW dat de Israëlische luchtmacht in elke van deze zes aanvallen belangrijke principes van het oorlogsrecht heeft geschonden. Zo bestaat er in het oorlogsrecht het fundamentele principe van onderscheid tussen militairen en burgers en hun objecten.[6] In alle onderzochte aanvallen zijn geen Hamas militanten of hun objecten in de buurt. Één van de meest trieste gevallen is de aanval op het huis van de familie Masharawi in Gaza, waarbij Mahsud (12 jaar) en Ahmad (17 jaar) worden gedood. Op het moment van de aanval zijn Mahsud en Ahmad op het dakterras aan het spelen en vinden er geen schermutselingen plaats tussen Hamas en Israëlische troepen binnen een straal van vijf kilometer van het huis. Er zijn volgens HRW geen redenen om aan te nemen dat het huis werd gebruikt door Hamas, laat staan dat de jongens deel uitmaakten van een militante groepering. Het is dus de vraag waarom de drone-piloten aangevallen hebben, mede omdat door de zeer geavanceerde optische mogelijkheden van de Israëlische drones, het voor de piloten duidelijk moet zijn geweest dat het om spelende kinderen ging. Bovendien werd er voorafgaand aan de aanval geen waarschuwing gegeven, wat in strijd is met het oorlogsrecht.[7] Om te zorgen dat burgers en burgerlijke doelen worden gespaard, dienen diegene die een aanval willen uitvoeren actieve voorzorgsmaatregelen te nemen.[8] Deze voorzorgsmaatregelen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het verspreiden van flyers waarin wordt aangegeven wat militaire doelen zijn, zodat burgers hiervan op de hoogte zijn en hun maatregelen kunnen nemen.

De Israëlische drones zijn dusdanig geavanceerd dat na afvuren van raketten, de raket bijgestuurd of afgeleid kan worden door de drone-piloot. Op een scherm kunnen zij zien op welk doel de raket afstevent, zodat eventuele fouten gecorrigeerd kunnen worden. Het is niet duidelijk waarom dat in de onderzochte geval niet gebeurd is. Het Israëlische leger hult zich wat betreft het gebruik van drones in nevelen. De andere gevallen die door HRW onderzocht werden geven eenzelfde beeld van het aanvallen van (veelal) kinderen in niet-oorlogssituaties. Zo is er de aanval op een bushalte voor een school van de Verenigde Naties, waarbij negen studenten en drie voorbijgangers worden gedood. Volgens de Verenigde Naties waren er geen Hamas militanten actief in de buurt en werd de straat veelvuldig bezocht door internationale ontwikkelingswerkers. Israël weigert om te rapporteren welk militair doel gediend werd met de aanval. Opnieuw zouden de technische mogelijkheden de Israëlische drone-piloten in staat moeten stellen om de studenten te kunnen identificeren en te constateren dat het een gebied betrof waar veel internationale ontwikkelingswerkers werkzaam waren. Drones moeten legers in staat stellen om een beter onderscheid te maken tussen militairen en burgers en hierdoor minder burgerslachtoffers maken, wat in overeenstemming is met fundamentele principes van het oorlogsrecht. Echter, wat kan worden geconstateerd is dat ondanks de geavanceerde mogelijkheden er nog steeds veel burgerslachtoffers worden gemaakt, wat soms lijkt op opzettelijke willekeurige aanvallen. Immers, drone-piloten hebben alle tijd om een weloverwogen keuze te maken en lijden niet onder de stress dat ze zelf doelwit van een aanval zijn, waardoor zij een minder weloverwogen keuze zouden kunnen maken. Men mag veronderstellen dat de piloten voldoende bagage bezitten om beslissingen van leven en dood te kunnen nemen; de missers in de Gaza-oorlog doen helaas anders vermoeden.

CIA en drones: een gelukkige combinatie?

Zoals eerder gesteld maken de Verenigde Staten op grote schaal gebruik van drones in de oorlog tegen het terrorisme. Net als bij het gebruik door Israël in de Gaza-oorlog, zetten velen vraagtekens bij de manier waarop drones worden gebruikt door de Amerikaanse luchtmacht en CIA in landen als Afghanistan, Pakistan, Yemen en Irak. Waar het aanwenden van drones door de regering-Bush nog sporadisch werd gedaan, valt er onder de regering-Obama een explosie in het gebruik van drones waar te nemen. Kritiek op de explosieve groei van drones voor offensieve aanvallen door de regering-Obama concentreert zich met name op het grote aandeel van de CIA hierin. De CIA voert vele aanvallen op Al Qaeda en Taliban militanten uit, maar zijn daar niet publiekelijk verantwoordelijk voor, vanwege het geheime karakter van de CIA-werkzaamheden. Philip Alston, de speciale rapporteur bij de Verenigde Naties voor extra-territoriale en arbitraire executies, stelt dat inlichtingendiensten niet hetzelfde respect voor oorlogsrecht in acht nemen, daar zij niet opereren in het raamwerk van het oorlogsrecht.[9] CIA-agenten worden niet opgeleid om het oorlogsrecht na te leven, laat staan dat ze het oorlogsrecht in een zelfde mate in acht nemen als dat soldaten dat doen. Daarnaast voeren zij vaak geheime operaties uit, waarin bij eventuele schendingen van het recht, niet duidelijk is wie aansprakelijk is, laat staan wie vervolgd moet worden. Militaire bevelhebbers of soldaten die over de schreef gaan hebben een grotere eigen verantwoordelijkheid en een duidelijker aansprakelijkheidsregime. Soldaten en burgers hebben een sterke positie in het oorlogsrecht, maar inlichtingendiensten opereren in een grijs gebied: zij participeren wel in gevechten, maar hebben geen plek in het oorlogsrecht die hun ‘a license to kill’ geeft, zoals soldaten dat wel hebben. Bovendien maakt dit hen kwetsbaarder voor vervolging, daar zij nu ook voor oorlogsmisdaden vervolgd kunnen worden. Alston stelt verder dat de inzet van drones voor aanvallen niet een te lage drempel moet krijgen. Hij onderkent het gemak waarmee aanvallen kunnen worden uitgevoerd, maar stelt dat doelen niet te gemakkelijk gekozen mogen worden. In Afghanistan en Pakistan zijn dodelijke aanvallen uitgevoerd op drugshandelaars en andere criminelen die Taliban-militanten van financiële middelen zouden hebben voorzien. Alston is van mening dat aanvallen op dergelijke doelen niet altijd gerechtvaardigd zijn en dat er een verantwoordelijkheid op staten rust ook niet-dodelijke middelen in te zetten, zoals bijvoorbeeld aanhouding. Staten die drones inzetten moeten voorkomen dat de piloten een “Playstation mentaliteit” ten opzichte van doden ontwikkelen.[10] Met behulp van drones kunnen gemakkelijk doelen worden bestookt, Alston’s angst is dat er hierdoor ook sneller wordt overgegaan tot aanvallen en zodoende oorlogsrecht geschonden wordt.

Te makkelijk

De inzet van drones in moderne oorlogen biedt staten vele voordelen, met name op het gebied van precisie en identificatie van doelen. Het gros van de huidige conflicten vindt plaats in dichtbevolkte gebieden en daarom zijn er vaak burgers in de nabijheid van militaire doelen. De aanwezigheid van burgers in de buurt van een aan te vallen doel maakt een doel niet minder legitiem, maar de aanvaller moet wel een aantal principes in acht nemen. Zo dient duidelijk onderscheid gemaakt te worden tussen militairen en burgers en geldt het proportionaliteitsprncipe. Ongeacht de precisie van het wapen, moet een aanvaller effectieve voorzorgsmaatregelen nemen, zoals het waarschuwen van burgers die in de nabijheid van het doel verkeren. Daar waar vele burgerslachtoffers vielen door een raketaanval met een drone, werden burgers niet gewaarschuwd, maar waren zij ervan bewust dat er drones honderden meters boven hun zweefden. Zij hoefden echter niet aan te nemen dat een aanval aanstaande was, aangezien er twenty-four-seven drones boven conflictgebieden hangen. Het lijkt erop dat bij aanvallen waar veel burgerslachtoffers vallen, de principes met betrekking tot de bescherming van burgers die voortvloeien uit het oorlogsrecht, niet correct werden nageleefd. Of er werkelijk sprake is van een Playstation mentaliteit onder drone-piloten valt te bezien; feit is dat de drone een partij in staat stelt om de fundamentele principes uit het oorlogsrecht met nog grotere zorg na te leven dan eerder met welk ander wapen dan ook mogelijk was. Het is daardoor te betreuren dat er nog steeds grove fouten worden gemaakt die talloze burgers het leven kosten. Aannemelijk is dat doelen, ook al bevinden ze zich in dichtbevolkte gebieden, niettemin worden bestookt, omdat de aanvallers verwachten dat drones zo precies zijn dat zo min mogelijk burgers het slachtoffer worden. Hierdoor worden doelen makkelijk gekozen en wordt vlot overgegaan tot afvuren. Aanvallen met drones kunnen oorlogen humaner maken, maar deze ultra-precisie wapens ontslaan aanvallers niet van plichten die voortvloeien uit het oorlogsrecht.


[1]    In het eerste jaar van de oorlog in Afghanistan hebben drones 115 doelen uitgeschakeld. P.W. Singer, Wired for War (2008), p. 134.

[2]    US Airstrikes in Pakistan called ‘very effective‘, <www.cnn.com>, 18 mei 2009.

[3]    Verenigde Staten Marine Admiraal Mullen, speech Joint Chiefs of Staff budget 2010, <www.jcs.mil>, 14 mei 2009.

[4]    Airstrike kills Taliban leader Baitullah Mehsud, <www.guardian.co.uk>, 7 augustus 2009.

[5]    Precisely Wrong, Human Rights Watch report, <www.hrw.org>, 30 juni 2009.

[6]    Art. 48 Protocol I Additional to the 1949 Geneva Conventions.

[7]    Art. 57 Protocol I Additional to the 1949 Geneva Conventions.

[8]     Y. Dinstein, The Conduct of Hostilities under the Law of International Armed Conflict (2004), p. 125.

[9]    Report of the Special Rapporteur on extrajudicial, summary or arbitrary execution, Philip Alston, United Nations Human Rights Council, 28 mei 2010, para. 72, p. 22.

[10]  P. Alston, 28 mei 2010, para. 84, p. 25.


  • 0

TERRORISMEBESTRIJDING VERSUS HET RECHT OP PRIVACY – Waar ligt de grens?

Terrorisme is niet slechts een fenomeen van de laatste tien jaar. Sterker nog, terrorisme is – in welke vorm dan ook – altijd aanwezig geweest in de samenleving. Van de treinkaping bij Wijster in 1975 tot de aanslagen van de ku klux klan in 1868 in de Amerikaanse staat Georgia[1], of nog verder terug in de tijd waar in de Middeleeuwen met pest besmette beesten ingezet werden als aanval op een belegerde stad.[2] Het is daarentegen de aandacht voor en het beleid tegen het terrorisme dat is toegenomen. Het is sinds 9/11, de aanslagen die de Twin Towers deden wegvagen en waarbij het Pentagon voor een deel werd verwoest, dat de autoriteiten meer dan ooit hun best doen om terrorisme te bestrijden. De antiterrorismeresolutie van de VN-veiligheidsraad een kleine drie weken na de aanslagen van 11 september 2001 lijkt hier een startpunt te zijn.[3]

Deze bijdrage zal trachten enig inzicht te geven in de huidige situatie inzake het recht op privacy in het kader van de terrorismebestrijding. Allereerst wordt in het kort ingegaan op de essentie van het recht op privacy zoals verwoord in artikel 8 van het EVRM. Daarbij zal blijken dat dit grondrecht verre van absoluut is en dat het – indien noodzakelijk – moet wijken voor een hoger doel, in dit geval de strijd tegen het terrorisme. Vervolgens wordt stilgestaan bij het begrip ‘terrorisme’ en zullen – wat betreft de maatregelen tegen het terrorisme – enkele grensgevallen in de praktijk aan de orde komen. Zoals zal blijken worden de privacybelangen in de praktijk al gauw ondergeschikt geacht aan die van de terrorismebestrijding. Tevens lijkt het verleidelijk voor een overheid om bevoegdheden naar zich toe te trekken onder de noemer van terrorismebestrijding, terwijl er aanwijzingen zijn dat het eigenlijke doel van de maatregel ook nog wel eens anders gelegen kan zijn.

Recht op privacy
Artikel 8 van het EVRM bepaalt in het eerste lid dat een ieder het recht heeft op ‘respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie’. Of zoals Warren en Brandeis het in 1890 zo mooi verwoordden, privacy is ‘the right to be left alone’.[4]
Artikel 8 EVRM is met zoveel woorden vastgelegd in artikel 10 van onze Grondwet, dat het heeft over het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Ingevolge uitspraken van het EHRM zijn persoonsgegevens onderdeel van deze persoonlijke levenssfeer. [5] Een gangbare opvatting is dat persoonsgegevens zien op gegevens die mede bepalend zijn voor de wijze waarop de betrokken persoon in het maatschappelijk verkeer wordt beoordeeld of behandeld.[6] De conclusie die men hieruit kan trekken is dat de term ‘persoonsgegevens’ erg breed moet worden opgevat en dat hier al snel sprake van kan zijn. Een voorbeeld is informatie over discutabel internetgebruik van een bepaalde persoon. Dit alles betekent dus dat het verwerken van persoonsgegevens inbreuk kan maken op artikel 8 EVRM. De bescherming van persoonsgegevens vinden we echter – in tegenstelling tot andere landen, maar in lijn met het EVRM – niet terug in onze Grondwet als zelfstandige bepaling. Artikel 10 lid 2 van onze Grondwet bepaalt in plaats daarvan dat de wet regels stelt omtrent het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.[7] Kortom, met persoonsgegevens moet men voorzichtig om gaan om zodoende de rechten van burgers te waarborgen. Is het dan helemaal niet mogelijk om inbreuk te maken op het recht op privacy van burgers? Jawel, het tweede lid van artikel 8 EVRM zorgt er voor dat het recht op privacy niet absoluut is: ‘het openbaar gezag’ kan dit recht aantasten indien dit bij de wet is voorzien en indien dit noodzakelijk is in het kader van de nationale veiligheid, de openbare orde of het economisch welzijn van het land, dan wel voor ‘het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen’. Het is dan ook op deze plek dat de strijd tegen het terrorisme het recht op privacy tegenkomt. Van alle mogelijke strategieën in de strijd tegen het terrorisme, zoals sociaal-preventieve en financiële maatregelen is het verzamelen van allerhande informatie namelijk het meest belangrijk teneinde het terrorisme tegen te gaan.[8] Het is de veiligheid versus privacy van burgers, een veelbesproken onderwerp in zowel de literatuur als de internationale politiek.

Terrorisme omkaderd
Zoals reeds vermeld, is terrorisme alles behalve iets van de laatste jaren. Wel wordt er in de literatuur geschreven dat het terrorisme van aard verandert. Het is Rosenthal die in het boek ‘Terrorisme. Studies over terrorisme en terrorismebestrijding’ een onderscheid aanbrengt tussen nieuw en oud terrorisme.[9] Hierbij dicht hij oud terrorisme toe aan in zijn woorden ‘herkenbare organisaties’, die al dreigend met dodelijk geweld hun doelstellingen zo optimaal mogelijk willen bereiken en waarbij het uiteindelijke dodelijke geweld tot een minimum wordt beperkt. Oftewel, het (dreigen met) dodelijk geweld is veel meer een middel en geen doel op zich. Als voorbeeld worden de Irish Republican Army en de Euskadi Ta Askatasuna genoemd, beiden beter bekend als de IRA en de ETA.
Het nieuwe terrorisme is daarentegen veel meer gericht op grootschaligheid. Het wordt dan ook wel het catastrofaal terrorisme genoemd, dat ziet op vele onschuldige slachtoffers. De reeds genoemde aanslagen van 11 september 2001 zijn daar een voorbeeld van, maar ook de daaropvolgende aanslagen in Madrid en Londen in respectievelijk 2004 en 2005 kunnen bestempeld worden als catastrofaal terrorisme.

Ondanks alle theorieën over en maatregelen tegen terrorisme bestaat er geen internationaal aanvaarde definitie van het begrip. Sterker nog, er worden binnen de Amerikaanse overheid zelf al meerdere definities gehanteerd.[10] Een veel aangedragen reden in de literatuur hiervoor is de verschillende denkbeelden over ‘de terrorist’. Bruce Hoffman, onder andere universitair docent en auteur van het boek ‘inside terrorism’, stelt dat eenzelfde persoon voor de één een terrorist kan zijn, maar voor de ander een vrijheidsstrijder.[11] Zodoende is het tot op heden nog onmogelijk gebleken om tot een internationale definitie van terrorisme te komen. Zoals professor de Haan menigeen van ons heeft bijgebracht tijdens zijn colleges Inleiding criminologie lijkt het begrip ‘terrorisme’ essentially contested, oftewel fundamenteel betwistbaar.[12] Desalniettemin blijft de (internationale) politiek verwoede pogingen doen om tot een eenduidige begripsvorming te komen.
Een analyse van de vele definities van terrorisme laat al snel inzien dat een aantal termen veelvuldig terugkeren, zoals ‘geweld’, ‘politiek’, ‘angst’ en ‘dreiging’.[13] Zo hanteert de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) de volgende definitie: ‘Terrorisme is het uit ideologische motieven dreigen met, voorbereiden of plegen van op mensen gericht ernstig geweld, dan wel daden gericht op het aanrichten van maatschappij-ontwrichtende zaakschade, met als doel maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen, de bevolking ernstige vrees aan te jagen of politieke besluitvorming te beïnvloeden.’[14] De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) hanteert daarentegen een engere definitie van terrorisme: ‘terrorisme is het plegen van of dreigen met op mensenlevens gericht geweld, met als doel maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen of politieke besluitvorming te beïnvloeden.[15]
In het strafrecht is inmiddels het EU-Kaderbesluit inzake terrorismebestrijding ingevoerd. Derhalve wordt in Europa strafrechtelijk gezien in ieder geval eenzelfde omschrijving gehanteerd van het begrip ‘terroristische misdrijven’. Dit zijn volgens het kaderbesluit misdrijven die met een ‘terroristisch oogmerk’ worden verricht. Oftewel ‘het oogmerk om de bevolking ernstige vrees aan te jagen, of de overheid of een internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten, of het zich onthouden, van een handeling, dan wel politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of internationale organisatie ernstig te ontwrichten of vernietigen.’[16] In ons Wetboek van Strafrecht is deze definitie in een iets andere bewoording neergelegd in artikel 83a en daarmee is de Wet Terroristische misdrijven van kracht gegaan, die diverse opsporingsbevoegdheden in het kader van het terrorisme heeft verruimd.

Europese grenzen in de strijd tegen het terrorisme?
Iedereen zal het er over eens zijn dat veiligheid gewaarborgd, en daarmee samenhangend terroristische aanslagen zoveel als mogelijk voorkomen of verijdeld moeten worden. Maar waar ligt de grens? In hoeverre mag een overheid legitiem, dus op grond van artikel 8 van het EVRM inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer? Deze vraag is in zijn algemeenheid niet te beantwoorden, maar kan enkel casuïstisch worden opgelost. Het is een afweging van belangen in een concreet geval. Het is deze evenwichtige belangenafweging die nogal eens op een wankel voetstuk staat. Zo oordeelde de Adviescommissie Informatiestromen Veiligheid in 2007 in haar rapport: ‘Het gevaar is niet denkbeeldig dat de overheid onder verwijzing naar de strijd tegen het terrorisme de bevoegdheden van inlichtingen- en opsporingsdiensten voor het verkrijgen van gegevens uit databases zodanig uitbreidt dat het evenwicht in de balans tussen privacy en veiligheid verdwijnt. Het zijn beide kernwaarden die door de overheid beschermd moeten worden en in balans gehouden. Aan dit vraagstuk geeft de overheid te weinig aandacht.’[17] Tot eenzelfde soort conclusie komt Human Rights Watch (HRW) in het rapport ‘Without suspicion’.[18] In dit rapport van juli 2010 beoordeelt HRW een aanhoudings- en doorzoekingsbevoegdheid van voertuigen die de Engelse politie heeft in het kader van de strijd tegen het terrorisme. Een redelijk vermoeden van een strafbaar feit is voor de uitoefening van deze bevoegdheid niet nodig en het niet meewerken levert een boete en/of gevangenisstraf op. Volgens HRW wordt misbruik gemaakt van deze bevoegdheid. Haar gegevens wijzen uit dat van de bijna 450.000 aanhoudingen en doorzoekingen in twee jaar tijd, niemand succesvol vervolgd is wegens een aan terrorisme gerelateerd delict. Daarnaast blijkt uit de door HRW verzamelde gegevens dat voornamelijk niet-blanke personen worden aangehouden. Daar komt bij dat er aanwijzingen zijn dat in sommige plaatsen blanken worden aangehouden om de statistieken gelijk te trekken en derhalve te verhullen dat de bevoegdheid wordt gebruikt om etnische minderheden te controleren. HRW oordeelt verder dat dergelijke aanhoudingen en doorzoekingen afbreuk doen aan relaties in de gemeenschap en het vertrouwen in de politie schaadt. Deze beide punten, zo concludeert HRW, belemmeren mogelijk de strijd tegen het terrorisme.[19]

Maatregelen van de VS in de strijd tegen terrorisme
De Verenigde Staten hebben een groot aandeel in de internationale strijd tegen het terrorisme. Het is sinds 9/11 en Bush’s resolute ‘war on terror’-speech dat de internationale jacht op terroristen is geopend. De VS en Europa trachten terroristen makkelijker te kunnen traceren, middels het sluiten van diverse verdragen ter uitwisseling van (persoons)gegevens. Het onlangs goedgekeurde SWIFT-II Verdrag is daar een voorbeeld van. Dit verdrag reguleert de uitwisseling van Europese bankgegevens aan de Verenigde Staten. Amerika hoopt middels de gegevens de financiële transacties aan terroristen aan het daglicht te brengen. Dit betekent aan de ene kant een inperking van het recht op privacy (persoonsgegevens) van de burgers, maar aan de andere kant een legitimering van iets waar de Amerikanen in het geheim al mee bezig waren. In 2006 bleek immers dat de Amerikaanse inlichtingendiensten op grote schaal banktransacties in Europa hadden nagetrokken.[20] Het Verdrag, dat op 1 augustus jongstleden in werking is getreden, is overigens niet zonder slag of stoot tot stand gekomen. Op 30 november 2009 wilde de Europese Commissie een interim-verdrag tekenen met de Amerikanen. Zoals wellicht bekend trad één dag later het Verdrag van Lissabon in werking, waardoor het Europees Parlement vanaf dat moment meer zeggenschap zou krijgen in dergelijke verdragssluitingen. Daar ging het Europees Parlement dan ook niet mee akkoord. In februari van dit jaar is het concept van het Verdrag afgewezen door het Europees Parlement. Het Parlement was daarbij van oordeel dat dit conceptverdrag teveel afbreuk zou doen aan de rechten van Europese burgers. Zo zou Europa in grote hoeveelheden gegevens over banktransacties af moeten staan omdat het niet mogelijk is om gegevens van een bepaald individu te filteren en over te dragen. In het nieuwe Verdrag is geregeld dat Europa op den duur zelf een systeem ontwikkelt waarbij verdachte transacties gefilterd kunnen worden, waardoor het in de toekomst niet meer nodig is om massaal gegevens aan de Amerikaanse overheid over te dragen. Europa kan dan enkel de ‘verdachte’ gegevens overdragen die mogelijk leiden tot informatie over een terroristische aanslag of groepering. Daarnaast mogen alleen gegevens worden bewaard indien zij nog aan de orde zijn in lopende zaken, zal Europol toezien op de rechtmatigheid van verzoeken van de Amerikaanse overheid op banktransacties en is er binnen de EU nog een extra toezichthouder die controleert of de Amerikanen zich aan het Verdrag houden.[21]

Een ander verdrag tussen de VS en Europa dat in de laatste fase van de onderhandelingen zit, is het Verdrag inzake de uitwisseling van passagiersgegevens van mensen die naar of via de Verenigde Staten vliegen. Deze onderhandelingen verlopen moeizaam. Het zijn de Amerikanen die verregaande eisen stellen in het kader van de terrorismebestrijding. Zo wilden ze in eerste instantie zelfs weten of er halalmaaltijden waren besteld, zodat zij zouden weten of er moslims aan boord waren. Daar kon de EU niet mee instemmen. Het uiteindelijke akkoord moet nog gesloten worden, maar momenteel loopt er een zevenjarig akkoord waarin de Amerikaanse autoriteiten hun eisen niet in zijn geheel ingewilligd zagen. Desondanks komt de Europese burger er behoorlijk bekaaid vanaf. Amerikanen krijgen namelijk wel gegevens over gemiste vluchten, airmiles en e-mailadressen van passagiers. Daar komt bij dat de bescherming van die gegevens in handen is van de Amerikanen en dat zij deze gegevens in weerwil van het Europees parlement mogen uitwisselen met derde landen.[22]

Balans?
De zoektocht naar de ideale balans tussen terrorismebestrijding en bescherming van privacy zal nooit ophouden. Mijn inziens wordt daarbij de stap van de belangenafweging soms maar wat makkelijk genomen in negatieve zin ten opzichte van de privacy, waardoor deze nogal eens in het gedrang komt. Zo ook de uitwisseling van passagiersgegevens aan de VS. Europa moet zich niet zoveel naar grootmacht Amerika laten hangen. Uiteraard zijn maatregelen tegen terrorisme noodzakelijk en belangrijk voor de veiligheid van eenieder. Natuurlijk kan dit niet zonder een zekere beperking van het recht op bescherming van persoonsgegevens. Dit is dan ook wel geoorloofd, maar tot op zekere hoogte. Zo’n grens is niet in zijn algemeenheid te stellen. Autoriteiten zullen derhalve meer aandacht moeten besteden aan de belangenafweging in concreto. Daarbij zal het niet misstaan als de internationale autoriteiten een permanent en onafhankelijk toezichthoudend orgaan in het leven roepen dat eventueel oneigenlijk gebruik van de versoepelde terrorismewetgeving opspoort en tegen gaat. Het zal immers niet de eerste keer zijn als een land een ander land binnenvalt onder het mom van ‘terrorismebestrijding en opsporing van massavernietigingswapens’, terwijl er achteraf weinig tot geen aanwijzingen zijn dat er überhaupt banden waren met terroristische netwerken.


[1] www.georgiaencyclopedia.org/nge/Article.jsp?id=h-694

[2] www.kennislink.nl/publicaties/biowapens-de-dodelijke-kant-van-levenswetenschap

[3] Resolutie 1373 (2001), http://daccess-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/N01/557/43/PDF/N0155743.pdf?OpenElement

[4] Warren en Brandeis, The right to privacy, Harvard law review, 15 december 1890

[5] E.R. Muller e.a., Terrorisme. Studies over terrorisme en terrorismebestrijding, Deventer: Kluwer 2008, p. 351

[6] E.R. Muller e.a., Terrorisme. Studies over terrorisme en terrorismebestrijding, Deventer: Kluwer 2008, p. 353.

[7] Zie daarvoor de Wet bescherming persoonsgegevens.

[8] E.R. Muller e.a., Terrorisme. Studies over terrorisme en terrorismebestrijding, Deventer: Kluwer 2008, p. 291

[9] E.R. Muller e.a., Terrorisme. Studies over terrorisme en terrorismebestrijding, Deventer: Kluwer 2008, p. 11 e.v. 

[10] E.R. Muller e.a., Terrorisme. Studies over terrorisme en terrorismebestrijding, Deventer: Kluwer 2008, p. 33 

[11] B. Hoffman, Inside Terrorism, New York: Columbia University Press, 2006.

[12] Prof. dr. W.J.M. de Haan is emeritus hoogleraar Criminologie aan de Rijksuniversiteit Groningen

[13] E.R. Muller e.a., Terrorisme. Studies over terrorisme en terrorismebestrijding, Deventer: Kluwer 2008, p. 10.

[14] http://www.nctb.nl/onderwerpen/wat_is_terrorisme/

[15] AIVD, Terrorisme aan het begin van de 21e eeuw; dreigingsbeeld en positionering BVD, april 2001, p. 9

[16] Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding, http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:32002F0475:NL:NOT

[17] Adviescommissie Informatiestromen Veiligheid. Data voor daadkracht, 2007 blz 8

[18] Human Rights Watch, Without suspicion. Stop and search under de Terrorism Act 2000, juli 2010.

[19] Human Rights Watch, Without suspicion. Stop and search under de Terrorism Act 2000, juli 2010, p.

[20] http://www.vn.nl/Archief/Samenleving/Artikel-Samenleving/De-VS-blijven-ons-bankgeheim-kraken.htm

[21] http://www.europa-nu.nl/id/vi9bmsk8sprc/uitwisseling_van_bankgegevens_met_de_vs http://www.europa-nu.nl/id/vihf5dggz8zm/nieuws/vs_inzage_in_europese_bankverkeer?ctx=vi9bmsk8sprc

[22] http://www.europa-nu.nl/id/vheccvov93tk/uitwisseling_passagiersgegevens_eu_vs


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.