Category Archives: Jaargang 44 – Nummer 2

  • 0

Volwassen straffen voor jeugdige daders? Het jeugdstrafrecht nader toegelicht

Door Ingrid Hekman & Nikki Koops

De 16-jarige Kenneth C. pleegt in februari 2008 een gruwelijke moord op de Amsterdamse garagehouder Rick Haster. Hij wordt veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf volgens het volwassenenstrafrecht. De 16-jarige Jaap van der H., hoofdverdachte in de zaak Dirk Post, is onlangs veroordeeld tot een jaar jeugddetentie en jeugd-tbs voor maximaal zes jaar. Dit zijn slechts enkele voorbeelden van zaken waarin Nederland werd opgeschikt door misdrijven waarbij jeugdige daders betrokken zijn. Naar aanleiding van ernstige misdrijven gepleegd door jongeren, rijst steeds vaker de vraag of deze jongeren wel berecht moeten worden volgens het jeugdstrafrecht. Voor wie en in welke situaties geldt het jeugdstrafrecht eigenlijk? Waarom werd Kenneth C. veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf en Jaap van der H. ‘maar’ tot één jaar? En is het jeugdstrafrecht niet volledig uit de tijd?

Uitgangspunten van het jeugdstrafrecht

We staan eerst stil bij de uitgangspunten en kenmerken van het Nederlandse jeugdstrafrecht. Dat jongeren een speciale positie innemen binnen het strafrecht blijkt al uit titel 8a van het wetboek van Strafrecht (Sr). Daarin staan bijzondere bepalingen voor jeugdige personen. Verder kan krachtens artikel 486 van het wetboek van Strafvordering (Sv) niemand strafrechtelijk worden vervolgd wegens een feit, begaan voordat hij de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt. Een belangrijk uitgangspunt is dus dat jongeren onder de 12 jaar niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd. Aan deze groep jongeren kunnen wel enkele dwangmiddelen worden opgelegd, wanneer uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat een strafbaar feit is gepleegd (art. 487 Sv.).

Kinderen jonger dan 12 jaar kunnen zoals gezegd niet strafrechtelijk worden vervolgd wanneer ze iets gedaan hebben dat strafbaar is, maar bijvoorbeeld wel door de politie worden gefouilleerd en meegenomen worden naar het bureau voor verhoor. Op dit moment wordt er een nieuwe aanpak voor delictplegende kinderen jonger dan 12 jaar en hun ouders voorbereid door de politie en Bureau Jeugdzorg. Wanneer deze jongeren in aanraking komen met de politie, spreekt deze de ouders aan en stuurt ze naar Bureau Jeugdzorg. Bureau Jeugdzorg verwijst ze door naar een persoonsgericht aanbod, met als uitgangspunt lichte interventies waar dat volstaat en intensieve interventies waar nodig. Deze nieuwe aanpak is nog in ontwikkeling en wordt stapsgewijs ingevoerd. Deze invoering zal aan het einde van 2010 zijn voltooid.[1]

Wanneer de situatie van een kind beneden de 12 jaar dermate uit de hand loopt dat ingrijpen noodzakelijk is, kan de rechter geen straf opleggen. Het is dan wel mogelijk om na onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming een maatregel op te leggen, bijvoorbeeld een ondertoezichtstelling, waarbij een gezinsvoogd wordt aangewezen. Voor jongeren van 12 tot 18 jaar geldt het jeugdstrafrecht, voor zover zij ten tijde van het plegen van het delict tussen de 12 en 18 jaar waren. Als jongeren worden aangehouden op verdenking van een licht vergrijp, kunnen zij één keer een officiële waarschuwing krijgen. Bij het volgende contact met de politie kan de jongere kiezen: of naar justitie, of naar de organisatie Het Alternatief (Halt). Via een zogenaamde ‘Halt-afdoening’[2] kunnen jongeren rechtzetten wat zij fout hebben gedaan zonder dat zij in aanraking komen met het Openbaar Ministerie. Dit heeft als voordeel dat de jongere geen strafblad krijgt. Een Halt-afdoening kan maximaal twee keer worden aangeboden, waarbij als aanvullende voorwaarde geldt dat er minimaal een jaar tussen de vergrijpen moet zitten. Als een Halt-afdoening niet mogelijk is, of gekozen wordt voor de weg naar justitie, wordt de jongere voorgeleid aan de officier van justitie. De officier van justitie bepaalt of de dader voor de rechter moet komen en hij beslist of er een boete, schadevergoeding, straf of maatregel moet worden gevraagd. De kinderrechter bepaalt uiteindelijk de straf. In beginsel komt elke jongere voor de kinderrechter, ook al is hij inmiddels 18 jaar geworden. Jongeren tot 16 jaar mogen een celstraf van maximaal één jaar krijgen, voor jongeren tot 18 jaar is dit maximaal twee jaar. Verder is er de mogelijkheid tot kinderdetentie, maar dit komt alleen voor wanneer sprake is van een ernstig strafbaar feit waarbij de kans op recidive groot is.

Voor de toepassing van het jeugdstrafrecht is ook een aantal internationale verdragen van groot belang, met name het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en in mindere mate het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Krachtens artikel 40 IVRK hebben jongeren ten eerste recht op een eerlijk proces met dezelfde waarborgen die ook gelden ten aanzien van volwassenen, zoals het legaliteitsbeginsel. Ten tweede staat er met zoveel woorden dat jongeren recht hebben op een andere behandeling dan volwassenen. Er moet een aparte, speciale behandeling zijn voor jongeren in het strafrecht, met het uiteindelijk doel de jongeren te re-integreren in de maatschappij. Het recht op een eerlijk proces is tevens te vinden in artikel 6 EVRM. Er wordt in deze bepaling niet met zoveel woorden verwezen naar jeugdige verdachten, maar volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) valt dat hieruit wel af te leiden.  Het standpunt van het EHRM houdt in dat krachtens artikel 6 EVRM nationale autoriteiten ervoor moeten zorgen dat jongeren hun strafproces begrijpen en dat zij daarin ook actief kunnen meedingen.[3] Ook moeten zij een algemeen begrip hebben van de aard van het proces en de consequenties met betrekking tot de sanctie.[4]

Het jeugdstrafrecht ligt de laatste jaren erg onder vuur. Er heerst in de samenleving een bepaald gevoel van ontevredenheid; men kan zich niet verenigen met het idee dat een 15-jarige moordenaar ‘maar’ één jaar in de gevangenis doorbrengt. Ook de nieuwe regering buigt zich over het huidige jeugdstrafrecht. Het kabinet zal een voorstel voorbereiden voor een adolescentenstrafrecht voor de groep van 15 tot 23 jaar[5] en de PVV heeft plannen voor het verruimen van de mogelijkheden om het volwassenenstrafrecht toe te passen op jeugdigen.[6] De huidige tekst van artikel 77b Sr is kennelijk niet toereikend meer. Dit artikel zal hieronder nader worden uitgelegd, mede aan de hand van de aangehaalde strafzaken.

Volwassenenstrafrecht toegepast op 16- en 17-jarigen

Art. 77b Sr biedt de rechter de mogelijkheid verdachten, die ten tijde van het delict 16 of 17 jaar oud waren, te berechten volgens het gewone strafrecht. Om tot een veroordeling te komen moet, naast de gewone vereisten voor een veroordeling, worden voldaan aan drie voorwaarden. Ten eerste moet de dader een ernstig strafbaar feit hebben gepleegd, ten tweede moeten de omstandigheden waaronder het strafbare feit is begaan daartoe aanleiding geven en ten derde moet de persoonlijkheid van de dader vervolging volgens volwassenenstrafrecht toelaatbaar maken.

Het criterium dat het meest wordt gebruikt in de jurisprudentie is ‘de ernst van het feit’. Hierbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld moord en doodslag. Dit criterium wordt nooit gebruikt als enige criterium, maar is meer een basisvoorwaarde voor de toepassing van het artikel.[7] Het tweede criterium, ‘de omstandigheden waaronder het feit is begaan’, kan op geheel verschillende manieren worden uitgelegd. Het kan betrekking hebben op de rolverdelingen tussen de verdachten, maar ook op omstandigheden die het feit verzwaren.[8] Het laatst genoemde criterium, ‘de persoonlijkheid van de verdachte’, is het enige inhoudelijke criterium. Aan dit criterium is voldaan wanneer een jeugdige kan worden aangezien als volwassen. Hierbij kan worden gedacht aan aspecten  zoals het ontwikkelingsstadium van de jongere, evenals leefwijze en de mate van zelfstandigheid.[9] Dit criterium heeft dus, als enige van de drie criteria, een duidelijke inhoud gekregen. Maar waarom werd nu Kenneth C. berecht volgens het volwassenenstrafrecht en Jaap van der H. volgens het jeugdstrafrecht?

Op 22 februari 2008 werd de garagehouder Rick Haster op gruwelijke wijze vermoord en teruggevonden in zijn eigen garage. Hij was vastgebonden aan een motorblok en twintig keer met een mes gestoken. De verdachten, de 22-jarige Martin M. en de 16-jarige Kenneth C., ontkenden in eerste instantie dat zij de moord hadden gepleegd, maar werden uiteindelijk toch veroordeel op grond van het gevonden bewijsmateriaal. Zo zijn handpalm- en vingerafdrukken gevonden in het bloed in de garage en daarnaast werd bij M. thuis een bivakmuts met de sporen van Haster aangestroffen. Martin M. vertelde uiteindelijk dat er ruzie was ontstaan over een verkochte auto. De Rechtbank Amsterdam heeft beide jongens tot 20 jaar gevangenisstraf veroordeeld. Tegen een minderjarige was nog nooit eerder in Nederland een zo hoge straf uitgesproken. In hoger beroep is Kenneth C. veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf.[10]

In deze zaak is door de officier van justitie TBS met dwangverpleging en 6 jaar gevangenisstraf geëist tegen Kenneth C. Toch is de jongen door de rechtbank veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf. Bij deze veroordeling was van doorslaggevende betekenis dat Kenneth C. op geen enkele wijze blijk gaf van inzicht in zijn problemen en er geen aanwijzingen waren dat hij zelf iets aan deze problemen wilde doen. De drie criteria voor toepassing van art. 77b Sr. werden in deze zaak duidelijk ingevuld. De ernst van het feit werd gevonden in het feit dat het slachtoffer op een gruwelijke wijze werd vermoord. De omstandigheden van het feit lagen besloten in de omstandigheid dat er sprake was van een gelijkwaardige rolverdeling tussen de twee verdachten. Tot slot was ook de persoonlijkheid van de verdachte een aanleiding voor de veroordeling van de rechtbank, omdat de rechtbank hem ziet als een persoon die zijn kansen berekent en daarnaar handelt, een eigenschap die blijk geeft van een volwassen houding.

Eind 2009 werd Nederland opgeschrikt door de moord op Dirk Post uit Urk. De reden van de moord was niet ruzie om een meisje zoals eerder werd gedacht, maar dat de 16-jarige Jaap van der H., hoofdverdachte in de zaak, ooit aan Dirk had verteld dat hij door middel van ‘glaasje draaien’ een geest op had geroepen en dacht dat hij sindsdien vervloekt was. Dirk zou dit hebben doorverteld, hetgeen voor Jaap reden was hem te vermoorden. Van der H. stak Dirk met 47 messteken dood. Tijdens het steken heeft hij tijd gehad om over zijn handelen na te denken, maar desondanks is hij doorgegaan, aldus de rechter. Van der H. lijdt aan een ernstige ontwikkelingsstoornis en ook werden kort na zijn aanhouding psychotische verschijnselen vastgesteld, zo stelden de psychiaters. De rechtbank wilde deze omstandigheden echter niet in een mildere straf tot uiting brengen, aangezien verdachte voor zijn ernstige daad al volgens het mildere jeugdrecht werd berecht. Maar het is wel van groot belang dat Van der H. blijvend hulp krijgt in de vorm van een behandeling, zo stelde de rechtbank. De rechtbank in Lelystad heeft Jaap van der H. veroordeeld tot twaalf maanden jeugddetentie, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast werd Van der H. veroordeeld tot gedwongen behandeling in een inrichting voor jeugdigen.[11]        

In de zaak Dirk Post is de toepassing van het volwassenenstrafrecht niet mogelijk. Toen het misdrijf gepleegd werd, was Jaap van der H. vijftien jaar oud. Daarom is de maximale straf één jaar jeugddetentie. De rechter achtte overtuigend bewezen dat hij Dirk opzettelijk en met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht. Deze zaak zorgt voor veel verdeeldheid in de samenleving: men worstelt met de vraag of volwassen misdrijven (gepleegd door jeugdigen) niet volwassen gestraft moeten worden. In de twee genoemde zaken bepaalde een leeftijdsverschil van één jaar het verschil tussen 20 jaar gevangenisstraf en 12 maanden jeugddetentie. Is dit een wenselijke uitkomst of is het jeugdstrafrecht toe aan een verandering?

Grondslagen van het jeugdstrafrecht

De heer Teeven, lid van de tweede kamer namens de VVD, betoogde op 24 november 2008 bij Pauw en Witteman dat kinderen vanaf 15 jaar voortaan in een openbare terechtzitting terecht moeten staan. Hij vindt dat kinderen die volwassen delicten plegen, ook als volwassen moeten worden behandeld.[12] Hoewel de uitspraak van de heer Teeven enkel gaat over het uitgangspunt dat er in het jeugdstrafrecht geen publiek wordt toegelaten, wordt de vraag of het jeugdstrafrecht in het algemeen niet strenger moet worden, steeds vaker gesteld (dit naar aanleiding van ernstige geweldsmisdrijven waarbij jonge daders betrokken waren).

Het Nederlandse jeugdstrafrecht bestaat sinds 1905. Rond deze tijd groeide de overtuiging dat de overheid actief moest opkomen voor de zwakkeren in de samenleving, waaronder de jeugd. De wetgever wilde een pedagogisch element opnemen naast het pure straffen. Bovendien werd verondersteld dat jeugdigen minder te verwijten is/aan te rekenen is dan volwassenen. Het verschil tussen het jeugdstrafrecht en het volwassenenstrafrecht was destijds erg groot. Het volwassenenstrafrecht had een nadrukkelijk straffend karakter, terwijl het jeugdstrafrecht sterk gericht was op pedagogische interventie. In 1995 vond een herziening van het jeugdstrafrecht plaats waardoor het verschil met het volwassenenstrafrecht minder groot werd. Het jeugdstrafrecht kent nu een meer bestraffend element en in het volwassenenstrafrecht is een opvoedkundig element geslopen.[13] Straffen die voor 1995 al werden uitgevoerd kregen een wettelijke basis, maar ook werden er enkele verzwaringen ingevoerd. Een van deze verzwaringen was de mogelijkheid tot het toepassen van het volwassenenstrafrecht op 16- en 17-jarigen.

Het opvoedende element is nog altijd de insteek van het jeugdstrafrecht gebleven. Daarnaast wordt verondersteld dat jongeren tussen de 12 en 17 jaar oud minder te verwijten valt dan volwassenen en staat de toekomst van de jongere meer centraal in het jeugdstrafrecht dan bij het volwassenenstrafrecht.[14] Er wordt rekening gehouden met het feit dat 16- en 17-jarigen zich nog niet volkomen ontwikkeld hebben en daardoor sneller tot strafbare feiten overgaan. Ook wordt er rekening gehouden met het feit dat jongeren nog vatbaar voor verandering zijn op deze leeftijd. Veel  16- en 17-jarigen maken zich schuldig aan crimineel gedrag, omdat ze grenzen opzoeken en experimenteren, maar met veel begeleiding zou dit gedrag voorkomen kunnen worden.[15]

De ondergrens van 12 jaar voor strafvervolging bestaat sinds 1965. Kinderen onder de 12 jaar worden niet vervolgd voor strafbare feiten volgens art. 486 en 487 Sv. In de toelichting werd dit nader gemotiveerd met ‘het vermoeden van niet-toerekeningsvatbaarheid’ (de leeftijd zou een schulduitsluitingsgrond zijn). Tevens werd ‘het rechtsbewustzijn’ genoemd.[16]Het volwassenenstrafrecht wordt hij hoge uitzondering op minderjarigen toegepast.[17] Hoewel steeds meer minderjarigen een straf krijgen opgelegd door de kinderrechter, zijn we in Nederland terughoudend met het toepassen van vrijheidsbenemende sancties bij jongeren.[18] De kinderrechter houdt bij zijn beslissing altijd rekening met de ernst van het strafbare feit, het motief van het kind, de omstandigheid of hij al eerder in aanraking is geweest met politie en zijn toekomstperspectief.[19] Jongeren worden in beginsel dus niet ten volle verantwoordelijk gehouden voor hun daden omdat zij nog niet volledig ‘uitgegroeid’ zijn. Daarom ligt het accent meer op bescherming van de jongere.[20] Het verzwaren van het jeugdstrafrecht zou voorbij gaan aan het uiteindelijk doel van het systeem, namelijk het reïntegreren van de jongere in de samenleving. Strengere straffen zullen hier zeker niet aan bijdragen. Het systeem van volwassenenstrafrecht is niet toegespitst op jongeren; door hen als volwassenen te berechten zou hen de kans worden ontnomen op een succesvolle terugkeer in de maatschappij.

Tot slot

Concluderend kunnen we stellen dat ook jongeren ernstige misdrijven plegen en in aanraking komen met justitie. Op deze jongeren is een ander systeem van strafrecht van toepassing dan op volwassenen. Dit jeugdstrafrecht bestaat sinds 1905 en is gebaseerd op het idee dat straffen vooral een pedagogisch element moeten bevatten en dat jongeren minder te verwijten valt dan volwassenen. Het toepassen van het volwassenenstrafrecht op jongeren is wel mogelijk, krachtens art. 77b Sr., maar van deze mogelijkheid wordt weinig gebruik gemaakt. Het gebeurt alleen als er een zeer ernstig feit is gepleegd en de persoonlijkheid van de dader en de omstandigheden hiertoe aanleiding geven. De hoofdgedachte van het jeugdstrafrecht is dat jongeren zich nog moeten ontwikkelen en nog gevormd kunnen worden. Men moet voor ogen houden dat jongeren geen volwassenen zijn en daarom ook recht hebben op een andere behandeling. Het strenger straffen van jongeren zou voorbij gaan aan het primaire doel van het jeugdstrafrecht en daarmee geen positieve gevolgen hebben voor de samenleving.


[1]    http://www.halt.nl.

[2]    http://www.halt.nl.

[3]    EHRM 16 december 1999, Appl. 24724/94 (T./Verenigd Koninkrijk) par. 84.

[4]    EHRM 15 juni 2004, Appl. 60958/00 (S.C./Verenigd Koninkrijk) par. 29.

[5]    http://www.rijksoverheid.nl/regering/het-kabinet/regeerakkoord/veiligheid.

[6]    Kamerstukken ΙΙ 2008/09, 31938, nrs. 1-3.

[7]    J. uit Beijerse, De toepassing van een volwassensanctie op 16- of 17-jarigen: pro’s, contra’s, en alternatieven, DD 2009, 75.

[8]    J. uit Beijerse, De toepassing van een volwassensanctie op 16- of 17-jarigen: pro’s, contra’s, en alternatieven, DD 2009, 75.

[9]    J. uit Beijerse, De toepassing van een volwassensanctie op 16- of 17-jarigen: pro’s, contra’s, en alternatieven, DD 2009, 75.

[10]  Rb. Amsterdam 2 april 2010, LJN BL9992.

[11]  Rb. Zwolle-Lelystad 19 oktober 2010, LJN BO0861.

[12]  Veronica Smits, Dat doet de deur dicht < http://weblogs.hollanddoc.nl/mensjesrechten >

[13]  P.A.M. Mevis, Capita Strafecht: een thematische inleiding, Ars Aequi Libri. 2009, p. 648.

[14]  J. De Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2009, p. 111.

[15]  J. uit Beijerse, De toepassing van een volwassensanctie op 16- of 17-jarigen: pro’s, contra’s, en alternatieven, DD 2009, 75.

[16]    J. De Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2009, p. 111.

[17]  G. De Jonge & A.P. van der Linden, Jeugd en strafrecht, Deventer: Kluwer 2007, p.86.

[18]  http://ecpat.sitespirit.nl/images/30/755.pdf.

[19]  http://www.strafrechtzaak.nl/uwkindwordtverdacht#dezittingbijdekinderrechter.

[20]  G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2007, p. 822.


  • 0

Een dag in het leven van… reclasseringswerker Eef Veenstra

Door Eveline van der Slikke

Vandaag ga ik rechtstreeks naar kantoor, in tegenstelling tot andere dinsdagen. Normaal gesproken begint mijn werkdag met een casusoverleg Huiselijk Geweld in het Veiligheidshuis. Dit casusoverleg is een verwezenlijking van de samenwerking tussen de reclassering, Openbaar Ministerie (OM), politie, hulpverlenende instantie Advies- en Steunpunt Huiselijk Geweld en de Ambulante Forensische Psychiatrie Nederland. In het overleg worden op voordracht van het OM dossiers van huiselijk geweldzaken behandeld. Daarbij wordt met alle ketenpartners besproken welke aanpak in het concrete geval het meest wenselijk en succesvol zal zijn en welke organisatie welke middelen zal inzetten.

In plaats van het casusoverleg heb ik deze morgen een gesprek met een pleger van huiselijk geweld. Voor aanvang van het gesprek weet ik nooit precies hoe het gesprek zal lopen. Nadat ik de computer heb opgestart en mijn mail heb doorgenomen, lees ik nog even het dossier van de betrokkene door. Het betreft dus een huiselijk geweldzaak en in dat kader heb ik de opdracht gekregen om over de cliënt een adviesrapport uit te brengen. Het OM heeft om reclasseringsadvies gevraagd, zodat zij kunnen komen tot een passende straf. Het OM is voornemens de zaak niet voor de rechter te brengen. Als reclasseringswerker onderzoek ik daarom de relatie tussen de persoon, de omstandigheden en het delict. De opdracht is om te onderzoeken of er in plaats van een kortdurende onvoorwaardelijke straf ingezet kan worden op gedragsbeïnvloeding. Uit wetenschappelijk onderzoek is namelijk gebleken dat het inzetten van bijzondere voorwaarden kan leiden tot verkleining van het risico op recidive.

Ik heb de betreffende meneer al een keer eerder gesproken en naar aanleiding van dat gesprek heb ik voorgesteld om nog eens een gesprek te voeren waar ook zijn vrouw bij aanwezig is. Meneer reageerde positief op dit voostel en daarom zullen ze vanochtend samen komen praten over hetgeen eerder dit jaar is gebeurd en wat daartoe de aanleiding was. Mijn doel voor dit gesprek is een volledig beeld te krijgen van de manier waarop beiden in de relatie staan, hoe hun onderlinge communicatie verloopt en wat hun ideeën over de toekomst zijn. Dit kan van belang zijn voor het inschatten van de kans op herhaling.

Uit het dossier haal ik een aantal punten waar ik graag over wil praten met de twee. Zo is duidelijk naar voren gekomen dat er een en ander is misgelopen in de communicatie. Wellicht dat dit juist een rol heeft gespeeld in de situatie die uiteindelijk is uitgemond in het strafbare feit. Ook ben ik benieuwd naar de relatie met de familie en ook wil ik weten of alcohol en drugs eventueel een rol spelen in de situatie. Ik krijg een telefoontje van de receptie dat meneer en mevrouw zijn gearriveerd en ik neem ze mee naar de spreekkamer.

De situatie is mij binnen een kwartier duidelijk. Je kunt wel stellen dat er sprake is van een communicatieprobleem. Beiden spreken hun gevoelens en verlangens niet naar elkaar uit en dit levert al in de eerste fase van het gesprek een discussie op. Ik probeer structuur in het gesprek te houden door niet te veel op de specifieke voorbeelden van meneer in te gaan en hem de situatie van twee kanten te laten zien. Zowel meneer als mevrouw reageren in het gesprek emotioneel en na een uur loopt meneer zelfs boos weg. Dat kan, dat mag: mensen mogen in een gesprek een time-out nemen. Dit is best een lastige situatie, maar mijn jarenlange ervaring laat me er niet door van de wijs brengen. Dit zijn voor mij juist ‘de krenten in de pap’; het maakt mijn werk veelzijdig en interessant. Ik geef meneer een week lang de kans om opnieuw contact  met mij te zoeken. Mocht hij dat niet doen, dan probeer ik volgende week zelf contact te leggen. Op dit moment heb ik in ieder geval nog niet genoeg informatie om een uitgebreide risicotaxatie te maken en daarom moet het OM nog even op het rapport wachten. Het belang van een betrouwbare en deugdelijke inhoud weegt daar zeker tegenop. 

Na dit gesprek gaat er wel een kop koffie en een broodje in! De dingen kunnen op mijn werk heel anders lopen dan gepland. Ook moet ik rekening houden met een productie die ik moet halen, maar zaken zoals die van vanochtend kosten soms meer tijd dan begroot. Ondertussen luister ik nog even mijn voicemail af en bekijk ik de ingebrachte dossiers voor de casuïstiek van overmorgen. Met collega’s bespreken we dan de bijzondere gevallen en proberen we plannen van aanpak te maken.

Na de lunch heb ik een afspraak met mijn werkbegeleider. We bespreken een risicotaxatie die ik naar aanleiding van een gesprek in een andere zaak heb gemaakt. Ook hier gaat het om een huiselijk geweldzaak. Ik krijg over het algemeen veel uiteenlopende zaken onder mijn hoede. Van drugstransport tot oplichting en bedreiging; noem maar op. Van de acht dossiers die ik momenteel behandel vallen er zes in de categorie huiselijk geweld.

Mijn werkbegeleider neemt pagina voor pagina het onderzoek door en heeft hier en daar vragen over de situatie. Op deze manier toetst zij de door mij gemaakte risicotaxatie. Mijn conclusie en advies aan het OM is in dit geval dat reclasseringstoezicht een goed middel is om bij de strafoplegging in te zetten. Op grond van de gepleegde feiten stelt mijn werkbegeleider mij de vraag of een dergelijk verplicht kader wel noodzakelijk is en of het niet beter is om de betrokkenen eerst de kans te geven vrijwillig hulpverlening te vragen. Op grond van de omstandigheden en het gesprek dat ik met betrokkenen heb gevoerd, kijk ik daar toch anders tegen aan. Het gaat om een zwakbegaafde man waarbij verschillende pogingen tot hulp in vrijwillig kader op niets zijn uitgelopen. Mijn werkbegeleider is uiteindelijk overtuigd en ik zal de risicotaxatie in een adviesrapport verder uitwerken.

De gesprekken en adviesrapporten moeten allemaal uitgewerkt worden en daar moet ik wel even goed voor gaan zitten. Tegenwoordig gaat dit natuurlijk geheel digitaal. Daar kan ik morgen met een frisse start aan beginnen, want voor vandaag zit de dag op kantoor er weer op. Ik heb nu alleen nog een afspraak buiten kantoor met betrekking tot supervisie.


  • 0

Interview met Carsten Herstel: regiodirecteur gevangeniswezen

Tags :

Door Ingrid Hekman & Nikki Koops

Het gevangeniswezen in Nederland is een bijzondere organisatie, het is maatschappelijk relevant, maar wordt ook gekenmerkt door geslotenheid. Hierdoor bestaan er veel misverstanden over de gang van zaken binnen de Nederlandse gevangenissen. Om deze misverstanden op te helderen en een beter beeld te krijgen van het gevangeniswezen in zijn geheel, hebben wij de heer Herstel hierover een aantal vragen gesteld.

De heer Herstel is 44 jaar, afkomstig uit Utrecht en begon zijn carrière in Groningen. Hij studeerde daar publiekrecht en privaatrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Naast zijn studie hield hij zich bezig met bestuurlijke taken, hij was actief in de faculteitsraad, het faculteitsbestuur en de universiteitsraad. Sinds twee jaar is hij werkzaam als Regiodirecteur Gevangeniswezen. Na ontvangst op het hoofdkantoor in Den Haag, volgde een interessant gesprek over het Nederlandse gevangeniswezen.

Zou u ter verduidelijking de structuur binnen het gevangeniswezen willen omschrijven?

Dit is het hoofdkantoor van het agentschap, dat Dienst Justitiële Inrichtingen heet. Dit agentschap maakt onderdeel uit van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Het ministerie is onderverdeeld in vier sectoren waar het gevangeniswezen één sector van is. De andere sectoren zijn jeugd,  vreemdelingenbewaring en forensische zorg (waar ook TBS een onderdeel van is). Het gevangeniswezen is de grootste sector. Binnen DJI werken ongeveer 18.000 mensen. Van deze 18.000 mensen werken er ongeveer 10.000 in de gevangenissen. Er zijn in Nederland 43 gevangenissen, onderverdeeld in 29 vestigingen. Deze zijn met het oog op de bestuurbaarheid onderverdeeld in drie regio’s, Noord-Oost, Zuid en West. “Ik ben verantwoordelijk voor de regio West. Samen met twee andere regiodirecteuren ben ik verantwoordelijk voor het algemene bestuur. Ook ben ik de voorzitter van ons drieën en bestuurder in de zin van de Wet van de Ondernemingsraden (WOR).” Elke gevangenis heeft zijn eigen ondernemingsraad en op landelijk niveau worden de vestigingen vertegenwoordigd door de groepsondernemingsraad (GOR).

Wat zijn precies uw bevoegdheden als regiodirecteur?

“Een belangrijk deel van mijn werk als directeur gevangeniswezen is het managen van de gevangenissen in mijn regio. Dit houdt in het houden van managementgesprekken met de directeuren van de gevangenissen. Deze gesprekken gaan bijvoorbeeld over de arbeid die gedetineerden (moeten) verrichten of over het ziekteverzuim binnen een gevangenis. Ze gaan ook over het verdere personeelsbeleid en over inhoudelijke prestaties. Als regiodirecteur ben ik verantwoordelijk voor het faciliteren van de vestigingen zodat het systeem blijft draaien. Verder gaan de managementgesprekken voor een belangrijk deel over geld, hoeveel budget krijgt een gevangenis om te doen wat de samenleving van het gevangeniswezen wil. Ook het bespreken van noodzakelijke verbeteringen naar aanleiding van een bezoek van de inspectie komt regelmatig voor. Zo kunnen we plannen maken voor verbetering; er mogen fouten worden gemaakt, maar van fouten moeten we leren en dus moet iedereen openstaan voor kritiek. Dit alles wordt besproken in de managementgesprekken. Mijn werk bestaat uit een aantal grote onderdelen, waar het managementgesprek één van is. Een volgend onderdeel is dat wij de schakel zijn tussen enerzijds het ministerie en anderzijds de vestigingen. De politiek, met Fred Teeven als nieuwe staatssecretaris, maakt het beleid en wij geven aan wat de uitvoeringsconsequenties daarvan zijn. Samenvattend kun je zeggen dat het eigenlijk een tussenfunctie is. Aan de ene kant faciliteren en ondersteunen naar de vestigingen toe en aan de andere kant de uitvoeringsconsequenties van het beleid voor het voetlicht brengen. Zoals gezegd, ben ik daarnaast ook nog de bestuurder in de zin van de WOR. Over grote ontwikkelingen binnen het gevangeniswezen heeft de GOR instemmings- of adviesrecht. Het is daarom belangrijk om het gesprek met de medezeggenschap goed vorm te geven. Dit noemen wij participatief werken, wat inhoudt dat het gesprek op het scherpst van de snede wordt gevoerd, maar dat de medezeggenschap in een vroegtijdig stadium wordt betrokken. Met het oog op het draagvlak binnen een grote organisatie als het gevangeniswezen is dit van groot belang. We willen bij nieuwe ontwikkelingen en beleidswijzigingen zo snel mogelijk weten wat het personeel vindt. Mijn werk is dus heel veelzijdig. Het is een prachtige, maar soms ook rauwe organisatie, waar mensen met hart en ziel werken aan een nieuwe kans voor een gedetineerde. Vakmanschap is het sleutelwoord van deze organisatie, dit is nodig om elke dag met de gedetineerden om te gaan.”

Welke eigenschappen heeft een goed directeur Gevangeniswezen volgens u nodig?

“Voor deze baan moet je goed kunnen verbinden. Dat is in deze organisatie die vanzelfsprekend een gesloten karakter heeft naar de rest van de samenleving, maar ook voor de mensen die er gedetineerd zijn, heel belangrijk. Het doel van het gevangeniswezen maakt dat je verbindend leiderschap moet laten zien. Dit geldt voor alle leiders van grote organisaties, maar in het bijzonder voor het gevangeniswezen. Verder is respect voor mensen cruciaal. Voor onze kerntaak, de veiligheid voor de samenleving en voor de medewerkers en de gedetineerden, is bovendien ook transparantie en duidelijkheid van belang. We moeten zorgen voor een veilige omgeving voor gedetineerden en voor de mensen die er werken. Dus ten eerste verbindend zijn, transparant zijn en voor veiligheid zorgen. En dat in een tijd van stevige bezuinigingen. Ten slotte gaat het natuurlijk ook om het geven van instructies, het maken van heldere afspraken maken en om strak besturen. Het is dus een combinatie van heel duidelijk zijn, instrueren, veiligheid voorop stellen en verbinden.”

Heeft dit verbinden ook betrekking op de gedetineerden en de samenleving?

“Om hier een antwoord op te kunnen geven komen we eerst bij de doelen van het gevangeniswezen. Het eerste doel is vergelding, mensen hebben iets gedaan en moeten daarvoor straf ondergaan. De gevangenissen zijn een stok achter de deur voor de maatschappij door in opdracht van de rechterlijke macht te vergelden. Naast vergelding is een doen van het gevangeniswezen ook resocialisatie en recidivevermindering. Het helpt om even in de gevangenis te zitten, want dan ben je even uit de samenleving, op dat moment kun je geen nieuwe delicten begaan. Maar de meeste gedetineerden komen regelmatig in aanraking met justitie. De tijd dat iemand in de gevangenis zit, wordt zo goed mogelijk gebruikt om te voorkomen dat diegene weer in de fout gaat. Dat kunnen we niet alleen, daarvoor werken we samen met onze ketenpartners. De verbinding houdt dus de verbinding tussen de gedetineerden en de samenleving in, maar ook tussen het gevangeniswezen en andere organisaties die in een keten met ons samenwerken om de veiligheid van de samenleving te vergroten. Dit zijn onder andere de reclassering, het openbaar ministerie, de gemeenten en de politie. Samenwerking is belangrijk, want meestal verblijven de mensen maar heel kort in de gevangenis, zo’n 70 procent is er korter dan drie maanden. Dat betekent korte detentie en dan is het moeilijk om te organiseren dat diegene nooit meer in de fout gaat. We moeten er voor zorgen dat iemand niet slechter uit een gevangenis komt, dan dat diegene er in is gegaan. Dit kan door middel van gezondheidszorg, maar ook door interventies, zoals cognitieve vaardigheidstrainingen.

We proberen te organiseren dat mensen als het ware een beetje zijwind krijgen. Mensen zitten vaak vast in een patroon van vrienden en familie, waar criminaliteit deel van uit maakt. De  gedachte is om dat patroon te doorbreken tijdens de tijd van detentie. Dit kan bij korte detentie door middel van een soort kapstok, waaraan zorg of ondersteuning door ketenpartners kan worden opgehangen. Door middel van samenwerking kunnen de risico’s in kaart worden gebracht en kan een traject worden afgesproken.”

Er wordt vaak gezegd dat het zitten in een Nederlandse gevangenis vergelijkbaar is met het zitten in een hotel. Hoe ziet u dit? Vindt u dat het leven in een Nederlandse gevangenis wel meevalt of denkt u daar heel anders over?

“Ik ben heel trots op het gevangenisleven in Nederland, ook als je het vergelijkt met de rest van de wereld. Er zijn landen die ook een goed gevangeniswezen hebben, maar er zijn ook veel landen waar het minder humaan is. Het is relatief veilig in onze gevangenissen, het aantal incidenten is relatief gering. Er zijn ook weinig ontvluchtingen. Enkele jaren geleden vonden er wel eens gijzelingen plaats, maar dat is enorm afgenomen. Dit mede door de ontwikkeling van de extra beveiligde inrichting in Vught. Het is dus veilig en humaan, je komt er als gedetineerde niet slechter uit dan dat je er in bent gegaan. En we vinden ook nog de tijd om zijwind te organiseren. Daar ben ik heel trots op. Maar het is absoluut geen hotel, veel mensen hebben een verkeerd beeld van het gevangeniswezen. In dat opzicht is de jaarlijkse open dag heel belangrijk, ik hecht er dan ook veel waarde aan. Ongeveer 10.000 mensen komen op deze dagen kijken in de verschillende vestigingen. We meten het oordeel van de mensen die nog nooit in een gevangenis zijn geweest voor en na het bezoek. Dan zie je dat meer dan driekwart van de mensen hun mening bijstelt als ze binnen zijn geweest. Het leven in een gevangenis is absoluut niet te vergelijken met een leven in een hotel. Het leven is er sober. Maar wat misschien wel het belangrijkste is, en dat maakt ook dat er sprake is van vergelding, is dat je niet meer gaat over je eigen leven, je zit opgesloten. Je bent de regie over je eigen leven kwijt, je ben afhankelijk van anderen en je bent je vrijheid kwijt. Dit is een heftige ingreep in iemands leven. Door middel van de zogenaamde detentiefasering bereiden we de gedetineerde voor op de terugkeer in de samenleving. Dit betekent dat je je straf begint in een gevangenis met een gesloten setting. Door de detentiefasering kun je aan het einde van je straf worden overgeplaatst naar een beperkt beveiligde of zelfs een zeer beperkt beveiligde inrichting. De mate van beveiliging heeft te maken met het regime waar je zit. Als je niet meewerkt zijn er ook nog andere regimes. Dit zijn eigenlijk straffen binnen de gevangenis, zoals plaatsing op een afzonderingsafdeling of zelfs plaatsing in een isoleercel.”

Daarop voortbouwend, wanneer wordt een gedetineerde in de isoleercel geplaatst?

“Je komt in de isoleercel als je je misdraagt. Dit is onder andere wanneer je mensen bedreigt, fysiek geweld gebruikt of als je andere gedetineerden iets aandoet. Dus kort gezegd kom je erin wanneer je de orde verstoort. De gevangenisdirecteur is verantwoordelijk voor de veiligheid, hij moet de orde bewaren. In de gevangenis moet rust, regelmaat en reinheid heersen. Alles moet strak geregeld zijn. We willen veel discipline uitstralen in onze organisatie en als je daar uitbreekt kun je bijvoorbeeld in de isoleercel worden geplaatst. De directeur is bevoegd om iemand in de isoleercel te laten plaatsen. Als je daar zit, moet je worden bezocht door een psycholoog en een verpleegkundige. Naast isolatie zijn er ook andere sancties mogelijk zoals de afzondering op de eigen cel. Je kan dan niet deelnemen aan de arbeid en aan alle andere gemeenschappelijke dingen. Er is een aantal basisactiviteiten waar je als gedetineerde recht op hebt, onder andere luchten. Je kunt ook worden overgeplaatst naar de landelijke afzonderingsafdeling. Een gedetineerde kan bij de Commissie van Toezicht tegen de sancties in beklag gaan. Een gedetineerde heeft dus wel rechten zodra hij binnen de gevangenis gestraft wordt. Daar hebben we ons eigen interne rechtssysteem voor, om het zo maar te zeggen.”

Komen opstanden vaak voor?

“Er komen relatief weinig opstanden in Nederland voor als je het vergelijkt met het buitenland. De opstanden die voorkomen zijn incidenteel. Toen in de afgelopen periode het dagprogramma in alle gevangenissen is veranderd, hield dat in dat de gedetineerden werden beperkt in hun vrijheid. Dit was aanleiding voor een aantal opstandjes, bijvoorbeeld dat de gedetineerden de luchtplaats niet wilden verlaten.”

In films wordt vaak het beeld geschapen dat bewaarders zwaar bewapend rondlopen. Wat is het wapenbeleid voor cipiers in Nederland?

“Cipiers in Nederland hebben geen wapens, ze hebben wel handboeien. Als er een probleem dreigt, bijvoorbeeld bij een psychische stoornis, is er een crisisinterventie. Een gedetineerde kan dan worden overgeplaatst als het gaat om ernstige psychische problemen. Dit gaat vaak gepaard met enige hevigheid, hiervoor worden dan speciale bijstandsteams ingeschakeld die wapenstokken en schilden hebben voor de veiligheid. Het kan ook voorkomen dat iemand die niet meewerkt, met geweld in de isoleercel wordt geplaatst. Maar er zijn nooit vuurwapens aanwezig.”

Ditzelfde geldt voor drugsgebruik. Zijn drugs een groot probleem binnen de gevangenismuren? En zo ja, hoe wordt hier mee omgegaan?

“Wij doen er alles aan om de gevangenissen drugsvrij te houden, maar in de praktijk blijk dit een lastige opgave. We hebben een drugsontmoedigingsbeleid, dat inhoudt dat we onder andere gebruik maken van honden bij de opsporing van drugs. Ook zijn de bezoekzalen zo ingericht dat het moeilijk is voor bezoekers om drugs aan de gedetineerden te geven. De bezoekers kunnen gefouilleerd worden en de gedetineerden kunnen gevisiteerd worden, maar mensen zijn natuurlijk zeer inventief om kleine hoeveelheden drugs naar binnen te smokkelen. Een groot deel van de gedetineerden heeft een verleden met een drugsverslaving of is zelfs nog verslaafd. Dit is dus in de praktijk lastig, maar het is zeker niet zo dat gedetineerden op grote schaal stoned over de luchtplaats lopen.”

Het merendeel van de gedetineerden kampt met een psychische stoornis of een verslaving. Biedt het gevangeniswezen ook zorg en behandeling hiervoor en in welke mate?

“Iedere gedetineerde die dat nodig heeft, krijgt zogenaamde basiszorg. Als een collega ziet dat er iets mis is, wordt er voor gezorgd dat de gedetineerde even veel zorg krijgt als dat hij zou krijgen buiten de gevangenis. Dit natuurlijk met de beperkingen die de gesloten setting en de beperkingen in geld met zich mee brengen. De visie is dat wij zorg leveren die helpt bij de vermindering van de recidive, maar wij leveren ook gewoon verantwoorde zorg. Dat kan somatische zorg zijn, zoals de huisarts en de tandarts, maar dus ook psychische zorg. Voor de psychiatrische en psychologische zorg heeft DJI een aparte dienst, het Nederlands Instituut voor Forensische Psychologie en Psychiatrie (NIFP). Elke gevangenis heeft ook een eigen psycholoog of psychologen. Als een gedetineerde echt patiënt is, hebben we verschillende voorzieningen. De eerste houdt in dat hij naar een zogenaamde extra zorgvoorziening gaat, die elke gevangenis heeft, maar deze is meer voor mensen die de hectiek van het dagprogramma niet aan kunnen of voor mensen die in de gevangenis beschermd moeten worden tegen medegedetineerden. Verder zijn er vijf penitentiaire psychiatrische centra, waaronder ook de crisisinterventie, daar is naast de basiszorg aanvullende psychische zorg aanwezig.”

Verschilt het Nederlandse gevangeniswezen met het gevangeniswezen van omringende landen? Met andere woorden, is het Nederlandse detentierecht bijzonder?

“Ja, ik denk dat wij erg ver zijn in de ontwikkeling met betrekking tot de bejegening van gedetineerden. Wij noemen dat motiverende bejegening. Het uitgangspunt hierbij is de eigen verantwoordelijkheid van de gevangene. Hij wordt door de medewerkers van het gevangeniswezen gemotiveerd om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen detentietraject. We behandelen de gedetineerden met respect, maar zijn daarentegen ook duidelijk en streng. We geven de mensen feedback, we kijken wat ze kunnen verbeteren om niet weer in de fout te gaan. Ik geloof erg in het motiverend en respectvol behandelen van gedetineerden, maar tegelijkertijd in streng zijn en grenzen aangeven.. Motiverende bejegening maakt deel uit van de modernisering van het gevangeniswezen, een programma waarmee de sector Gevangeniswezen invulling wil geven aan haar bijdrage aan het terugdringen van recidive. Waar veel mensen van opkijken, is van het feit dat we jaren achter de rug hebben van onderbezetting. Dat is natuurlijk goed nieuws voor de maatschappij, want die wordt veiliger. Los van de veiligheidsbeleving, is het de afgelopen jaren steeds veiliger geworden in Nederland. De recidivecijfers nemen ook voor het eerst af en we zijn op weg om een aantal gevangenissen te sluiten. Er zijn dus minder boeven dan dat we plaatsen hebben. Dit is vreemd als je dat vergelijkt met de omringende landen, daar is het juist omgekeerd. Dat is ook de reden dat we de gevangenis in Tilburg hebben verhuurd aan België. Dit is een bijzonder project en een erg bijzondere situatie, nergens anders in de wereld is dit eerder vertoond. Verder zijn de voorzieningen in de instellingen van een kwalitatief goed niveau, maar er zijn meer plekken waar dit ook zo is, bijvoorbeeld in Noorwegen. Concluderend zijn we dus verder in de manier waarop wij denken dat recidive voorkomen kan worden, door middel van de motiverende bejegening. Daarbij hebben we momenteel onderbezetting, wat bijzonder is. Verder zijn de voorzieningen van een kwalitatief goed niveau. Relatief gezien doen we het dus niet slecht in Nederland, maar in essentie is een gevangenis in Nederland vergelijkbaar met die in andere landen.”

Hoe ziet u de toekomst van het gevangeniswezen in Nederland?

“Ik heb geloof in het programma Modernisering Gevangeniswezen (MGW). Dat wil zeggen dat ik denk dat dat de manier is om gedetineerden een programma aan te bieden, om hen te laten werken aan hun resocialisatie en hen structuur te bieden. We zijn streng voor de gedetineerden, maar we bejegenen hen respectvol en humaan. Hoe meer er wordt gewerkt aan de vermindering van de recidive, hoe minder criminaliteit er in Nederland zal zijn. Daardoor zullen er minder mensen in de gevangenis terecht komen en zullen er minder gevangenissen nodig zijn. Als we onze opdracht goed uitvoeren, zullen we in de toekomst een wezenlijke bijdrage gaan leveren aan een veiliger Nederland, dit in samenwerking met de ketenpartners. Tegelijkertijd zal het gevangeniswezen in Nederland kleiner worden. We zullen uiteindelijk een soort basis bereiken, die niet kan verminderen, want er zal altijd criminaliteit blijven. Maar ik denk dat dit de toekomst van het gevangeniswezen is. We hebben een heldere visie en versterken het vakmanschap van onze medewerkers, dat is volgens mij onze succesfactor. We zullen wel meer moeten laten zien wat voor mooi werk we doen en wat voor lastige opdracht van de samenleving wij aan het uitvoeren zijn. De mensen die bij ons werken zijn erg gemotiveerd, het is toch bijzonder werk. Om onze opdracht te kunnen verwezenlijken moeten we dat vooral zo houden, de mensen moeten gemotiveerd blijven om dit lastige werk te blijven doen.”


  • 0

Minimumstraffen: politiek opportunisme of verrijking van het strafrecht?

Door Pauline Lindeman

Met de komst van het nieuwe kabinet van VVD en CDA is de kans groot dat minimumstraffen in Nederland in het volwassenenstrafrecht worden ingevoerd. Op voorhand ziet het er namelijk naar uit dat een voorstel tot invoering op een meerderheid in de Tweede Kamer kan rekenen. Nederland kent, als een van de weinige landen in Europa, nog geen stelsel van minimumstraffen. In dit artikel wordt een beeld geschetst van de stand van zaken. Naast aandacht voor de actualiteit van dit thema in Nederland, wordt gekeken naar de situatie in landen waar al wel gewerkt wordt met minimumstraffen. Dit artikel bevat tevens een overzicht van de polemiek tussen voor- en tegenstanders (juristen, politici en andere betrokkenen) die op dit moment in de verschillende media over dit gevoelige onderwerp wordt gevoerd.

Actualiteit en aanleiding

Op 30 september van dit jaar hebben de fractievoorzitters van VVD, CDA en PVV het regeerakkoord en het gedoogakkoord gepresenteerd. Een belangrijk onderwerp in deze akkoorden is veiligheid. Niet voor niets heet het voormalige ministerie van Justitie sinds de komst van dit kabinet het ministerie van Veiligheid en Justitie. In het kader van de veiligheid zal de regering komen met voorstellen voor het invoeren van een bijzonder stelsel van minimumstraffen. Deze straffen moeten worden opgelegd wanneer iemand binnen 10 jaar opnieuw wordt veroordeeld voor een misdrijf waarop wettelijk een maximumstraf van twaalf jaar of meer is gesteld. In geval van individuele, zeer specifieke omstandigheden kan de rechter gemotiveerd afwijken van de minimumstraf. Deze omstandigheden en de hoogtes van de minimumstraffen zullen worden uitgewerkt in een wetsvoorstel. In het regeerakkoord wordt vermeld dat bij recidive tenminste de helft van het wettelijk gestelde maximum van de gevangenisstraf als minimumstraf wordt opgelegd.[1]  

Vorig jaar april diende Tweede Kamerlid De Roon namens de PVV een wetsvoorstel in betreffende de invoering van minimumstraffen, waardoor dit onderwerp ook in 2009 al veel besproken werd.[2] Het plan van de regering om de minimumstraf in Nederland in te voeren leidt ook nu tot veel discussie onder juristen, politici en burgers. Minimumstraffen zijn voor Nederland dus een nieuw fenomeen. In een groot aantal Europese landen worden ze echter al lang toegepast. Het idee van minimumstraffen stamt uit de Code Pénal van 1810 (Franse wetboek van Strafrecht).[3] Zonder ons in details te verliezen (zie daarvoor de genoemde literatuur) lijkt een rondje langs de Europese velden verstandig en leerzaam.

Leren van West-Europa

Voorstanders van een stelsel van minimumstraffen wijzen op het feit dat veel West-Europese landen minimumstraffen reeds hebben ingevoerd en dat aansluiting bij deze landen gewenst is. Je kunt je afvragen of de toepassing van een stelsel van minimumstraffen in veel andere landen voldoende reden is om dit ook in ons land in te voeren. Belangrijker lijkt een antwoord op de vraag of een stelsel van minimumstraffen in andere Europese landen ook daadwerkelijk de positieve effecten teweeg brengt die voorstanders in Nederland van een dergelijk stelsel verwachten.

Naar aanleiding van het wetsvoorstel van De Roon uit 2009, heeft P.J.P. Tak, emeritus hoogleraar van de Radboud Universiteit, een rechtsvergelijkend onderzoek gedaan naar onder meer de effecten van de stelsels van minimumstraffen op veroordelingen, straftoemeting en de publieke opinie.[4] Uit zijn onderzoek blijkt dat het overgrote deel van de West-Europese landen een stelsel van minimumstraffen heeft ingevoerd. Zo bestaan onder andere in de Scandinavische landen, Duitsland, Engeland, Wales, Frankrijk, België, Italië en Spanje verschillende stelsels van minimumstraffen. Wat daarbij opvalt, is dat geen stelsel hetzelfde is. Dit betekent dat het moeilijk is een antwoord te geven op de vraag naar de effecten van minimumstraffen in het algemeen. Zo zijn er in Duitsland meer dan tweehonderd minimumstrafbepalingen, terwijl Denemarken slechts voor enkele delicten een minimumstraf heeft ingevoerd. [5] Ook Zweden, Engeland en Wales kennen minimumstraffen voor een aantal specifieke delicten. In Engeland en Wales staan bijvoorbeeld minimumstraffen op moord en gelden zij bij recidive in geval van drugsdelicten en bij inbraak. Zweden kent aanzienlijk meer minimumstraffen. Zo worden onder meer de misdrijven tegen het leven en de gezondheid, zedendelicten, delicten tegen de veiligheid van personen en goederen, delicten tegen de veiligheid van de staat bedreigd met een minimumstraf. In de meeste andere West-Europese landen gelden minimumstraffen voor een beduidend groter aantal delicten. Dit verschil in aantal is echter niet het enige verschil tussen de stelsels van minimumstraffen in deze landen. In tegenstelling tot het merendeel van de landen in West-Europa geldt in enkele landen, waaronder Frankrijk, de minimumstraf uitsluitend in geval van recidive. Ook bestaan verschillen in de hoogte van de minimumstraf en in de mate van vrijheid die de rechter heeft om af te wijken van strafminima. Deze verschillen variëren aanzienlijk. Er zijn landen waar de rechter geen enkele vrijheid heeft om af te wijken van welke minimumstraf dan ook. Het andere uiterste is een beperking van de discretionaire straftoemetingsbevoegdheid ten aanzien van hooguit een enkel strafbaar feit waarvoor een minimumstraf geldt. Wel is het zo dat de rechter in nagenoeg alle systemen een lagere straf dan de minimumstraf kan opleggen in geval van strafverlichtende omstandigheden.[6] De regelingen hierover verschillen echter ook weer van land tot land.

Tak geeft aan dat vanwege de verschillen tussen de systemen ‘iedere poging om een beknopte (rechtsvergelijkende) beschrijving te geven van het karakter van het stelsel van minimumstraffen in termen van de reikwijdte en de aard van de misdrijven waarvoor minimumstraffen gelden in de EU-landen, bij voorbaat tot mislukken gedoemd is.’[7]

Het feit dat zoveel West-Europese landen een stelsel van minimumstraffen hebben ingevoerd, wordt door voor- en tegenstanders als argument gebruikt in hun betoog over de plannen van de nieuwe regering. Voorstanders menen dat Nederland niet kan achterblijven bij de rest van West-Europa en tegenstanders betogen dat de beoogde effecten van deze stelsels nooit zijn aangetoond. De indienster van de Franse wet betreffende de minimumstraf stelde dat de wet al na een jaar had geleid tot een daling van de criminaliteit. Het causale verband tussen de daling van de criminaliteit en de invoering van de minimumstraffen is echter nooit aangetoond. Tak schrijft in zijn onderzoek over de effecten van het stelsel in Frankrijk dat, vanwege een gebrek aan betrouwbare gegevens, nauwelijks een goede conclusie te trekken is over de effecten van het systeem van minimumstraffen op veiligheid of een verlaging van recidive. Uit zijn conclusie blijkt dat dit ook geldt voor de andere landen waar een stelsel van minimumstraffen is ingevoerd. Tak schrijft dat, vanwege een gebrek aan specifiek onderzoek in deze landen, niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat de minimumstraf daadwerkelijk heeft geleid tot een vermindering van criminaliteit of recidive.[8]  De enorme stijging van het aantal gevangenen is één van de neveneffecten van de minimumstraf in Engeland waarvan men wel vrij zeker is. Deze stijging heeft geleid tot een crisis in het Engelse gevangeniswezen, waardoor de Engelse regeling betreffende de minimumstraf en de vrijheid van de rechter enigszins is aangepast.[9]  De kans is dus aanwezig dat organisatie- en kostenaspecten van een dergelijk stelsel in Nederland op termijn ook zouden kunnen leiden tot problemen in het gevangeniswezen.

Er zijn voorstanders die menen dat de onvrede van burgers over de straftoemeting kan worden verminderd door invoering van de minimumstraf. Tak concludeert dat ook op de vraag of burgers na het invoeren van een systeem van minimumstraffen in hun land inmiddels meer tevreden zijn over de opgelegde straffen, geen betrouwbaar antwoord is te geven.[10]

Pro en contra

Uit een peiling van Maurice de Hond van 19 september 2010 blijkt dat een grote meerderheid van de Nederlanders voor de invoering van minimumstraffen is.[11] Het voorstel van het nieuwe kabinet wordt echter niet door iedereen positief ontvangen. Veel vooraanstaande juristen spreken zich uit tegen de invoering van de minimumstraf. Het kabinetsvoorstel betreft vooralsnog het invoeren van minimumstraffen in geval van recidive bij bepaalde delicten. De discussie gaat echter vooral over de vraag of het Nederlands strafrechtssysteem überhaupt zo ingrijpend veranderd moet worden.

De Roos, hoogleraar strafrecht aan de Universiteit van Tilburg zegt geschokt te zijn door het plan van de regering. De Roos vindt dat de vrijheid van rechters om alle omstandigheden mee te wegen in een zaak niet begrensd mag worden.[12] Het beperken van de vrijheid van de rechter is voor veel juristen het principiële bezwaar tegen invoering van de minimumstraf. Corstens, president van de Hoge Raad, gaf in het programma Buitenhof aan dat rechters in sommige gevallen gedwongen zouden kunnen worden tot het opleggen van onrechtvaardige straffen. Hij merkte hierbij op dat de rechter in concrete gevallen met alle omstandigheden van het geval rekening moet kunnen houden bij het opleggen van een straf. Zoals in een zaak waarin een man door zijn vrouw wordt gedood nadat hij haar jarenlang heeft mishandeld. In zo’n geval is het mogelijk dat een rechter de minimumstraf als onrechtvaardig beschouwt. Het is, aldus Corstens, hopen op een goede ontsnappingsclausule.[13]

Volgens Nijboer, criminoloog aan de Rijksuniversiteit Groningen, kunnen rechters door invoering van minimumstraffen in ernstige gewetensnood worden gebracht. ‘De rechter, die de relevante feiten en omstandigheden kent, kan vinden dat die straf niet in verhouding staat tot de mate van schuld van de dader’, aldus Nijboer.[14] Hij geeft als voorbeeld de levensbeëindiging op verzoek, verricht door een arts die de procedure niet helemaal goed gevolgd heeft. Nijboer betoogt dat rechters het opleggen van de minimumstraf zullen proberen te vermijden.[15]

Uit het onderzoek van Tak blijkt ook dat rechters op zoek gaan naar uitwegen, indien zij nauwelijks mogelijkheden hebben om in bepaalde gevallen een lagere straf dan de minimumstraf op te leggen. Al meteen na de invoering van de minimumstraf in Frankrijk in 1810 vond er een ontwikkeling plaats die de ‘correctionalisering’ werd genoemd. Dit hield in dat het Openbaar Ministerie een bestanddeel van het misdrijf (crime) niet ten laste legde, waardoor alleen de lichtere variant (délit) van het strafbare feit bewezen kon worden. Hierop stond uiteraard een lichtere minimumstraf.[16] Tegenwoordig worden door rechters vrijspraken opgelegd of wordt ‘oneigenlijk’ geseponeerd om onder de onrechtvaardige straf uit te komen.[17] De Roon stelt in zijn wetsvoorstel dat Nederland hier van kan leren. Volgens hem behoort verlichting of vermindering van de minimumstraf absoluut onmogelijk te zijn. ‘De invoering van een minimumstraf betekent juist per definitie dat die straf het minimum is’, aldus De Roon.[18]

Toch heeft de PVV bij de onderhandelingen tijdens de kabinetsformatie ingestemd met een voorstel waarbij in bepaalde gevallen kan worden afgeweken van de minimumstraf. Oud-CDA minister van Justitie, Ernst Hirsch Ballin betoogde begin dit jaar tijdens een campagne voor de raadsverkiezingen dat minimumstraffen passen bij een steeds hardere aanpak van criminaliteit, maar dat deze er niet door vermindert.[19] Toch is ook het CDA tijdens de onderhandelingen akkoord gegaan met de in het regeerakkoord voorgestelde invoering van de minimumstraf.  

Joost Eerdmans, voorzitter van het Burgercomité tegen Onrecht en voorstander van de minimumstraf, ziet het plan van de regering als een tegemoetkoming aan de roep om zwaardere straffen voor ernstige misdrijven.[20] De onvrede onder veel burgers over de straftoemeting in Nederland zorgt, aldus Eerdmans, voor een gebrek aan vertrouwen in de Nederlandse rechtstaat. Hij betoogt dat een begrenzing van de rechterlijke vrijheid de oplossing is voor dit probleem. De Doelder, hoogleraar Strafrecht aan de Erasmus Universiteit, is het niet eens met Eerdmans. Volgens hem blijkt uit cijfers van het CBS dat de criminaliteitscijfers al jaren redelijk gelijk zijn gebleven en dat de straffen in Nederland verhoudingsgewijs erg hoog zijn. ‘Door het poneren van de onware stelling creëren politici zelf het probleem om vervolgens als een reddende engel met een oplossing te kunnen komen, volksverlakkerij dus.’[21] Ook Nijboer vindt de stelling van Eerdmans dat rechters in Nederland niet streng genoeg straffen onjuist. Mede uit het gestegen aantal opgelegde levenslange gevangenisstraffen blijkt dat rechters in de loop der jaren strenger zijn gaan straffen, aldus Nijboer.[22]                                                                                                                                             Met het invoeren van de minimumstraf wordt de rechterlijke vrijheid begrensd. Dit zorgt volgens Eerdmans voor meer rechtsgelijkheid en rechtszekerheid. ‘Een moordenaar in Friesland zal net als een moordenaar in Limburg minimaal 15 jaar cel tegemoet kunnen zien voor zijn daad. Zowel de pleger van de moord als de nabestaanden van het slachtoffer kunnen erop rekenen dat de dader gegarandeerd voor 15 jaar achter de tralies verdwijnt en niet korter.’[23] Nijboer merkt hierover op dat de vrijheid van de rechters om de strafmaat te bepalen al begrensd wordt door landelijke richtlijnen en dat eveneens gelet wordt op de consistentie van de rechtspraak.[24]

In het regeerakkoord wordt voorgesteld de minimumstraf in te voeren voor personen die binnen tien jaar opnieuw veroordeeld worden voor een misdrijf waarop een maximale gevangenisstraf van twaalf jaar of meer staat. De plannen van het kabinet zijn volgens Ybo Buruma, hoogleraar Strafrecht, onnodig en niet effectief. De kleine groep mensen die dergelijke misdrijven pleegt, wordt tegenwoordig al streng gestraft. Ondanks zijn kritiek op het voorstel denkt Buruma dat rechters wel kunnen werken met het voorstel van het kabinet, omdat het weinig schade zal aanrichten.[25]  Ook Nijboer geeft aan dat we, wat betreft de discussie over het kabinetsvoorstel, kunnen spreken van een ‘non-discussie’.[26] Volgens hem is dit voorstel namelijk alleen van toepassing op uitzonderlijke situaties. Hij stelt dat recidive niet veel voorkomt bij het soort delicten waarvoor het kabinet de minimumstraf wil invoeren. Is dit wel het geval, dan zal de rechter volgens Nijboer niet snel een lichte straf opleggen.     In het programma Nieuwsuur gaf Van Riessen, oud-hoofdcommissaris van de Amsterdamse politie, zijn mening over de invoering van de minimumstraf. Op zich is hij geen tegenstander van de minimumstraf. Wel meent hij dat met het door het kabinet voorgestelde systeem van minimumstraffen de recidive niet zal verminderen. Daar zijn andere maatregelen voor nodig, aldus Van Riessen.[27] Kortom, de discussie wordt intensief en volop gevoerd.

Opportunisme of verrijking?                                                                                                 

De naamsverandering van het ministerie van Justitie in het ministerie van Veiligheid en Justitie is een politiek besluit. De vraag blijft of minimumstraffen de veiligheid vergroten of dat er toch naar alternatieven gezocht moet worden. In de media zijn het vooral de leden van de juridische beroepsgroepen die van zich laten horen met grotendeels principiële bezwaren tegen de minimumstraf. Voorstanders refereren vooral aan de onvrede bij burgers over de straftoemeting in Nederland en willen dat Nederland zich aansluit bij andere Europese landen, hoewel over de effecten van minimumstraffen in die landen nauwelijks iets bekend is. Het voorgaande lijkt erop te wijzen dat op voorhand nauwelijks aannemelijk te maken is dat met invoering van de minimumstraf daadwerkelijk bereikt wordt wat wordt beoogd. Dat is toch wel het minste wat verwacht mag worden van een nogal ingrijpende verandering van het rechtssysteem. Mogelijk is hiermee de ondertitel van dit artikel beantwoord.


[1] <http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2010/09/30/regeerakkoord-vvd-cda.html>.

[2] Wetsvoorstel minimumstraffen, Kamerstukken II 2008/09, 31 938.

[3] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010, p. 5.

[4] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010.

[5] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010, p. 20.

[6] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010, p. 16.

[7] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010, p. 20.

[8] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010, p. 44.

[9] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010, p. 37.

[10] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010, p. 34.

[11] J. Caris, ‘Minimumstraf populair, maar werkt het?’, Trouw 19 september 2010.

[12] M. van Dongen, ‘Minimumstraffen op komst voor zware delicten’, Volkskrant 18 september 10.

[13] ‘ Buitenhof’, VPRO Nederland 1, 24 oktober 2010.

[14] J.A. Nijboer, ‘Instellen minimumstraffen overbodige maatregel’, Rug Opinie 6 oktober 2010, <http://www.rug.nl/corporate/nieuws/opinie/2010/opinie34_2010>.

[15] Idem.

[16] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010, p. 7.

[17] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010, p. 44.

[18] Wetsvoorstel minimumstraffen, Kamerstukken II 2008/09, 31 938 (MvT).

[19] P. de Leeuw, ‘Geweldscriminaliteit is afgenomen’, BN De Stem 24 februari 2010.

[20] J. Eerdmans, ‘Zwaar misdrijf verdient een zware straf’, Trouw 28 september 2010.

[21] H. de Doelder, ‘Minimumstraffen zijn volksverlakkerij’, Trouw 6 oktober 2010.

[22] J.A. Nijboer, ‘Instellen minimumstraffen overbodige maatregel’, Rug Opinie 6 oktober 2010,                                    <http://www.rug.nl/corporate/nieuws/opinie/2010/opinie34_2010>.

[23] J. Eerdmans, ‘Zwaar misdrijf verdient een zware straf’, Trouw 28 september 2010.

[24] J.A. Nijboer, ‘Instellen minimumstraffen overbodige maatregel’, Rug Opinie 6 oktober 2010,                                    <http://www.rug.nl/corporate/nieuws/opinie/2010/opinie34_2010>.

[25] ‘Minimumstraf onnodig en niet effectief’, De Telegraaf 30 september 2010.

[26]J.A. Nijboer, ‘Instellen minimumstraffen overbodige maatregel’, Rug Opinie 6 oktober 2010,                                    <http://www.rug.nl/corporate/nieuws/opinie/2010/opinie34_2010>.

[27] ‘Nieuwsuur’, NOS/NTR Nederland 2, 17 september 2010.


  • 0

In memoriam: de Nederlandse Antillen

Over de huidige relatie tussen de ‘Nederlandse Antillen’, Nederland, het Koninkrijk der Nederland en de Europese Unie; een schets in een notendop

Door Stephanie Delauw & Dirk Kuiken

Sinds 10 oktober 2010 zijn de Nederlandse Antillen, staatsrechtelijk gezien, verdwenen uit het koninkrijkslandschap. Volgens sommigen een ontknoping van een lang en slepend proces van staatshervorming binnen het koninkrijk, maar volgens anderen juist het begin van het hervormingsproces. In de aanloop naar 10-10-’10 is de discussie scherp gevoerd, met uitspraken als “De Antillen moeten te koop aangeboden worden op Marktplaats” (Hero Brinkman, PVV) en “We zeggen een koninkrijk te willen zijn, maar met dit soort discussies wordt het wel moeilijker om het koninkrijksgevoel te behouden” (Etienne Ys, voormalig premier Nederlandse-Antillen). Hoewel de onderhandelingen fel zijn verlopen, is men er toch met elkaar uitgekomen; een nieuwe statuutswijziging geeft hier blijk van. Maar wat verandert er eigenlijk met deze nieuwste wijziging en wat is de huidige status van de eilanden binnen het koninkrijk en binnen de Europese Unie?

Historie

Van 1634 tot 1648 veroverde de West-Indische Compagnie (WIC) de Caribische eilanden. Aan het bestuur van de WIC kwam een einde in 1791, toen al haar bezittingen door de Staten-Generaal werden overgenomen.[1] Op dat moment zijn de koloniën een melkkoe voor Nederland. De jaren die daarop volgen wordt Nederland zich er steeds meer bewust van dat het een taak te vervullen heeft ten behoeve van de bevolking van de gebieden overzee.

In de periode die volgde staat de vraag centraal wat precies de staatsrechtelijke positie is van deze eilanden.

In 1922 wordt de Grondwet gewijzigd. Nederland, Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao (vanaf 1948 Nederlandse Antillen) mogen nadien in toenemende mate zichzelf regeren, de staatsinrichting voor de drie rijksgebieden overzee blijft echter bij Nederlandse wet geregeld.

Hierna ontwikkelt zich een trend waarbij het Koninkrijk der Nederlanden (het Koninkrijk) meer beschouwd moet worden als een dak boven de rijksdelen.[2] Aan deze gedachte wordt gevolg gegeven door het opstellen van het Statuut.[3] Met de invoering van het Statuut wordt een nieuwe rechtsorde in het leven geroepen en komt een einde aan het Nederlandse koloniale tijdperk. Het Statuut geeft aan de rijksdelen autonomie, behalve in koninkrijksaangelegenheden. Als rijksdelen worden dan aangemerkt Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen, met ieder eigen organen die bevoegd zijn over eigen aangelegenheden. Voor de koninkrijksaangelegenheden komen gemeenschappelijke organen. Ondanks dat de rijksdelen het Statuut op voet van gelijkheid zijn aangegaan, blijft het Europese deel van het Koninkrijk een overheersende positie houden.[4]

Het Statuut was eigenlijk bedoeld als tussenfase waarna de rijksdelen overzee zelfstandig zouden worden. Er was zelfs al over de onafhankelijkheid van Aruba op termijn besloten.[5] Echter, na de teleurstelling die volgde op de Surinaamse onafhankelijkheid, de staatsgreep van Desi Bouterse en de sociaaleconomische vooruitzichten, verzwakt de wil onafhankelijk te worden. De status aparte die Aruba verkreeg op 1 januari 1986 wordt daarmee van blijvende aard. Nadien is men blijven zoeken naar een oplossing en is er een nieuwe wijziging van het Statuut gerealiseerd.

Nieuwe wijziging van het Statuut

Tussen 2000 en 2005 zijn er referenda gehouden onder de bevolking van St. Maarten, Curaçao, Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de eilanden). Hieruit kwam naar voren dat het overgrote deel van de bevolking liever niet het land de Nederlandse Antillen ziet voortbestaan, maar een nieuwe status binnen het koninkrijk wenst.[6] Op 15 december 2008 bereiken de eilanden met Nederland een definitief akkoord over de nieuwe staatkundige eenheid van het Koninkrijk der Nederlanden.[7]

Tot 10 oktober 2010 bestond het Koninkrijk uit de landen Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba. Op deze datum is er een einde gekomen aan het bestaan van het land de Nederlandse Antillen. Vanaf dat moment zijn Curaçao en Sint Maarten ieder een autonoom land binnen het Koninkrijk der Nederlanden.[8] Zij hebben dus, evenals Aruba in 1986, de status aparte verkregen. Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn onderdeel geworden van het Nederlandse Staatsbestel.[9] Zij hebben de status gekregen van openbaar lichaam in de zin van art. 134 GW.

Vernieuwingen voor de staatsinrichting van Curaçao en Sint Maarten

Om de staatsinrichting te regelen, bepaalt het Statuut dat de nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten ieder een eigen staatsregeling dienen in te voeren.[10] Een staatsregeling heeft dezelfde functie voor de eilanden als de Grondwet voor Nederland heeft.

Wanneer men de staatsregeling van Curaçao inhoudelijk met de Grondwet vergelijkt vallen een aantal aspecten op. In de eerste plaats kent de staatsregeling van Curaçao constitutionele toetsing aan klassieke grondrechten.[11] Dit houdt in dat de rechter landsverordeningen mag toetsen aan de klassieke grondrechten. Tevens kent Curaçao wel een geschreven vertrouwensbeginsel in tegenstelling tot de Grondwet.[12]
Vergelijken we de staatsregeling van Sint Maarten met de Nederlandse Grondwet (de Grondwet) dan vallen ook een aantal aspecten op. Ten eerste heeft de staatsregeling van Sint Maarten volledige constitutionele toetsing mogelijk gemaakt.[13] Dit houdt in dat de rechter landsverordeningen volledig integraal mag toetsen aan de staatsregeling. Bovendien heeft Sint Maarten een constitutioneel Hof dat ook de verenigbaarheid van wettelijke regelingen met de staatsregeling beoordeelt.[14] Deze bevoegdheid hebben zij toebedeeld aan de ombudsman.[15] Een ander opvallend aspect is de indeling van de staatsregeling van Sint Maarten ten opzichte van de Grondwet. De staatsregeling begint namelijk met een hoofdstuk over het grondgebied en de eenheid van Sint Maarten, terwijl de Grondwet begint met een hoofdstuk over grondrechten. Ook opvallend is het eerste grondrecht dat aan de burgers van Sint Maarten wordt toegekend, namelijk het recht op leven. Dit grondrecht wordt niet vermeld in de Grondwet.[16] Verder kent ook Sint Maarten, evenals Curaçao, een geschreven vertrouwensbeginsel.[17] Een ander facet dat in het oog springt, is dat in de staatsregeling van Sint Maarten is opgenomen dat wanneer een minister of een lid van de Staten een vrijheidsstraf krijgt opgelegd van de rechter, hij van rechtswege wordt ontheven uit zijn ambt.[18]

Nieuwe wetgeving voor Bonaire, Saba en Sint Eustatius

 
Er ging een uitvoerige wetgevingsprocedure vooraf aan de integratie van de BES-eilanden in Nederland. Hierna volgt een uiteenzetting van de belangrijkste regelgeving op dit gebied.

De BES-eilanden zijn geen gemeente, noch deel van een provincie van Nederland. Zij zijn wel deel uit gaan maken van het staatsbestel van Nederland, namelijk door van hen een openbaar lichaam te maken in de zin van art. 134 GW.[19] De openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn door de Wet openbare lichamen BES ingesteld. Deze wet regelt de bestuurlijke inrichting en de bevoegdheidsverdeling tussen de bestuursorganen van deze openbare lichamen.[20]
De wetgever vindt dat niet alle Nederlandse wetgeving onverkort voor de BES-eilanden moet gaan gelden.[21] Dit met het oog op de speciale omstandigheden van de BES-eilanden. Zo liggen de eilanden ver van het Europese deel van Nederland af en heersen er andere economische en sociale omstandigheden. Dit leidt dus tot ongelijke behandeling binnen Nederland. Om te bepalen welke regelgeving van toepassing wordt voor de BES-eilanden is de Invoeringswet Bonaire, Sint Eustatius en Saba (IBES) ingevoerd. Het uitgangspunt voor de BES-eilanden is dat de wetgeving die daar voor 10 oktober 2010 van kracht was, van kracht zal blijven. De wet verwijst na deze datum dan ook naar een lijst met Nederlands-Antilliaanse regelingen die voor de BES-eilanden zal blijven gelden. Op deze manier is er formeel wel sprake van Nederlands recht. De IBES bepaalt verder dat de Nederlandse wetgeving alleen van toepassing zal zijn op de BES-eilanden indien een wettelijk voorschrift dit uitdrukkelijk bepaalt of wanneer op andere wijze onmiskenbaar uit een wettelijk voorschrift volgt dat deze op de BES-eilanden van toepassing is.[22]

Vervolgens is ook aanpassingswetgeving ingevoerd, de zogenaamde ABES-wetgeving. Deze wetgeving heeft de tot stand gekomen Nederlands-Antilliaanse regelgeving op bepaalde punten gewijzigd zodat zij overeenkomt met het Nederlandse rechtssysteem en past binnen de nieuwe staatkundige verhoudingen. Gevoelige onderwerpen in de ABES-wetgeving zijn abortus, dat binnen een jaar na 10 oktober 2010 zal worden gelegaliseerd, als ook euthanasie en het homohuwelijk, die beiden binnen twee jaar zullen worden gelegaliseerd.[23] Zelfs een unanieme motie van de eilandsraad van Sint Eustatius mocht tegen voorgenoemde onderwerpen niet baten.
De Kieswet is ook aangepast. In de aanpassing krijgen de inwoners van de BES-eilanden stemrecht voor de Tweede Kamer. De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de eilandsraden van de BES-eilanden.[24] Ook het actief en passief recht voor de leden van de eilandsraden worden met deze wijziging geregeld. De eilandsraden worden gekozen door de ingezetenen van de BES-eilanden die de Nederlandse nationaliteit hebben.[25]

Europese Unie

Naast een plek in het Koninkrijk, hebben de eilanden ook een nauwe band met de Europese Unie (EU). Deze band is grofweg te onderscheiden in drie relaties. Allereerst in een associatieverband met de EU, dat voor alle eilanden hetzelfde is. Tevens heeft het merendeel van de eilandbevolking een relatie met de EU in hun hoedanigheid als Unieburger. Daarnaast hebben de BES-eilanden in hun status als openbaar lichaam van Nederland een extra relatie met het EU-recht. Hierna volgt een uiteenzetting van de banden en de mate waarin het EU-recht op grond van die banden zijn doorwerking kent op de eilanden.

Associatieverband

De eilanden (en Aruba) hebben momenteel een ‘Landen en gebieden overzee’ (LGO) status.[26] Deze status blijft (vooralsnog) ongewijzigd met de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut. De werking die het EU-recht kent vanwege de LGO-status is niet onbegrensd. Aanvankelijk zijn, opgetekend uit de letterlijke bewoordingen van het verdrag, ‘slechts’ het vierde deel van het VwEU en “de in de preambule van dit Verdrag neergelegde beginselen” van toepassing met als doel “de belangen en de voorspoed van de inwoners van die landen en gebieden te bevorderen, teneinde hen te brengen tot de economische, sociale en culturele ontwikkeling welke zij verwachten”.[27]

Het zou echter een misvatting zijn wanneer men zich zou beperken tot deze letterlijke opvatting van het verdrag. Het VwEU is namelijk niet een verdrag opgebouwd uit afzonderlijk functionerende componenten, maar een gelaagd systeem van wetgeving. De volledige omvang van de doorwerking van het verdrag is daarom ook nog niet volledig duidelijk en afgebakend.[28] Het enige dat als een paal boven water staat is dat het derde deel, het beleid en intern optreden van de Unie, niet van toepassing is op de LGO-gebieden, omdat LGO-gebieden geen deel uit maken van het douanegebied van de Unie.[29] De gebieden hebben hun eigen regels omtrent douanerechten en verkeer van werknemers.[30] 

Unieburgers

Op grond van art. 3c van het Statuut is het Nederlanderschap een koninkrijksaangelegenheid. Het Nederlanderschap is daarom niet alleen voorbehouden aan burgers binnen de staat Nederland[31], maar maakt eilandbewoners hiermee ook Unieburgers. Immers: “Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit.”[32] Voorgaande brengt met zich mee dat het tweede deel van het VwEU, non-discriminatie en burgerschap van de Unie, ook werking heeft voor de ‘Nederlandse’ eilandbewoners. Gelet op het stemrecht dat voortvloeit uit het tweede deel van het VwEU hebben de eilandbewoners ook stemrecht voor het Europees Parlement, dit is althans de lezing van het HvJ EU in de zaak Eman en Sevinger. Voorgaande uitspraak kwam voort uit een vraag van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Na het antwoord van het HvJ EU in Eman en Sevinger en de daaropvolgende uitspraak van de ABRvS is de Nederlandse Kieswet met inwerkingtreding van 21 november 2008 op deze situatie aangepast.[33] Ook hebben de eilandbewoners op grond van art. 20 lid 2 VwEU het recht van vrij verkeer van personen en kunnen zij zich vrij door de Europese Unie bewegen.[34]

Openbaar lichaam van Nederland

Voorgaande relaties en de daarbij behorende doorwerking van het EU-recht zijn voor alle eilanden (inclusief Aruba) van toepassing. De openbare lichamen in de zin van art. 134 GW kennen echter nog een extra verdieping van EU-verwantschap: het EU-recht heeft rechtstreekse werking in het Nederlands recht en het Nederlandse recht is van toepassing op de BES-eilanden.[35] In het Statuut is echter wel een mogelijkheid tot afwijking van Nederlandse wetgeving opgenomen en daarmee ook van het in Nederland doorwerkende EU-recht.[36] Belangrijk gegeven is dat de BES-eilanden niet binnen de territoriale werkingssfeer van de EU vallen. Doordat de BES-eilanden buiten de territoriale werkingssfeer vallen is in principe alleen het recht op basis van hun LGO-status en zijn Unieburgers rechtstreeks van toepassing.[37] De rest van het EU-recht kent in zoverre doorwerking als het Nederlands recht rechtstreeks doorwerkt op de BES-eilanden (waarmee EU-recht dan indirect doorwerkt).[38]

Slotsom

Hoewel het bovenstaande slechts een beknopte weergave van het geheel is, illustreert dit niettemin de belangrijkste punten van zowel de laatste statuutswijziging als ook de huidige situatie. Duidelijk is dat de huidige situatie er niet van vandaag op morgen is gekomen; de eilanden kennen een lange historie met Nederland. Terwijl nu de BES-eilanden, juridisch gezien, dichter bij Nederland zijn gekomen, zijn Curaçao en Sint Maarten een meer autonome kant uit gegaan. Wel moet worden opgemerkt dat hoewel de BES-eilanden nu openbare lichamen van Nederland zijn, de nodige verschillen gehandhaafd blijven door art. 1 lid 2 van het Statuut. Tevens dient te worden opgemerkt dat Curaçao en Sint Maarten weliswaar nu hun eigen staatsinrichtingen hebben, maar deze lijken, behoudens een aantal kleine constitutionele verschillen, echter in grote mate nog op de Grondwet. Wat betreft de relatie tussen de eilanden en de EU verandert er op zich weinig, behalve dat het EU-recht in de rechtsorde van de BES-eilanden in toenemende mate aan invloed zal winnen. Desondanks kende het EU-recht al de nodige invloed op basis van de LGO-status en het Unieburgerschap; deze invloed zal het uiteraard behouden. Al met al is er het nodige veranderd en is er een nieuwe weg ingeslagen voor zowel de relatie tussen Nederland, de eilanden, de BES-eilanden als ook, marginaal, de relatie met het EU-recht. De relatie met de Unie zal (vooralsnog) blijven zoals die was.


[1]     Zie ook L. Dalhuisen, Geschiedenis van de Antillen, Zutphen: Walburgpers 2009, p. 88-99 en Van der Pot, Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 961-966.

[2]     Deze gedachte is onder meer terug te vinden in de radiotoespraak van Koningin Wilhelmina op 7 december 1942. Hierin kondigt de koningin een rijksconferentie aan om tot nieuwe verhoudingen tussen de delen te komen.

[3]     Het Statuut treedt in werking op 29 december 1954.

[4]     Zie de preambule van het Statuut van 1954.

[5]     Conclusies rondetafelconferentie 7-12 maart 1983, Kamerstukken II 1982-1983, 17 816, nr. 1.

[6]     Blijkt uit het Hoofdlijnenakkoord tussen de Nederlandse Antillen, Nederland, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

[7]     Zie de conclusies van de Toetsings-Ronde Tafel Conferentie van het Koninkrijk der Nederlanden, gehouden op 15 december 2008, te Willemstad, Curaçao.

[8]     Art. 1 lid 1 Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.

[9]     Art. 1 lid 2 Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.

[10]    Deze verplichting vloeit voort uit art. 42 lid 1 Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.

[11]    Art. 101 Staatsregeling van Curaçao.

[12]    Art. 29 lid 2 Staatsregeling van Curaçao.

[13]    Art. 119 lid 1 Staatsregeling van Sint Maarten.

[14]    Art. 127 Staatsregeling van Sint Maarten.

[15]    Art. 127 lid 3 Staatsregeling van Sint Maarten.

[16]    Art. 3 Staatsregeling van Sint Maarten.

[17]    Art. 33 lid 2 Staatsregeling van Sint Maarten.

[18]    Art. 36 lid 1 en 50 lid 1 Staatsregeling van Sint Maarten.

[19]    Zie daarover H.G. Hoogers, “De BES-eilanden, de Grondwet en het Europese recht. Over Constitutionele en Europeesrechtelijke consequenties van de handhaving van de LGO-status van de BES-eilanden”, Regelmaat 2009-1, p. 12-13.

[20]    Zie daarover M.M. Bense en E.B. Pronk, “Constitutionele aspecten bij de staatkundige hervorming van het Koninkrijk”, TVCR 2010-1, p. 66, 67.

[21]    Art. 1 lid 2 Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.

[22]    Art. 2 lid 2 Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

[23]    Kamerstukken II 2009/10, Aanhangsel handelingen 2469.

[24]    Zie daarover M.M. Bense en E.B. Pronk, “Constitutionele aspecten bij de staatkundige hervorming van het Koninkrijk”, TVCR 2010-1, p. 65, 66.

[25]    Wet van 17 mei 2010 tot wijziging van de Kieswet in verband met de nieuwe staatsrechtelijke positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbaar lichaam binnen Nederland.

[26]    Zie Bijlage II Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU).

[27]    Zie art. 198 VwEU.

[28]    Zie verder D. Kochenov in H.E. Bröring e.a. (red.), Schurende rechtsordes. Over juridische implicaties van de UPG-status voor de eilandsgebieden van de Nederlandse Antillen en Aruba, Groningen: 2008, p. 84-85.

[29]    Zie art. 3 Communautaire douanewetboek: ”Het douanegebied van de Gemeenschap omvat de volgende Grondgebieden […] het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden in Europa […]”.

[30]    Respectievelijk art. 200, 201 en 202 VwEU.

[31]    Zie art. 3 lid 3 Rijkswet op het Nederlanderschap.

[32]    Zie art. 20 VwEU.

[33]    Zie HvJ EU 12 september 2006, C-300/04, en ABRvS 21 november 2006, nr. 200404446/1 en 200404450/1, en ‘Wet van 30 oktober 2008 tot wijziging van de Kieswet in verband met het verlenen van het kiesrecht voor de verkiezing van de leden van het Europees Parlement aan alle Nederlanders die in de Nederlandse Antillen en Aruba woonachtig zijn’ Stb. 2008, 475. Hierbij dient vermeld te worden dat de constitutionaliteit van het wijzigen van de Kieswet voor Aruba, de Nederlandse Antillen, nu Sint Maarten en Curaçao, tot discussie leidt, met name in de Eerste Kamer (zie motie 28 oktober 2008 van lid Dölle c.s. ‘inzake het opnemen van het kiesrecht voor het Europees Parlement in een Rijkswet’), volgens sommigen dient dit bij rijkswet te gebeuren, zie hiervoor motie lid Dölle en brief H.G. Hoogers en M. Nap, 17 maart 2010, ‘met een reactie op de brief van de staatssecretaris van BZK van 22 februari 2010 en de adviezen van drie hoogleraren’, <www.eerstekamer.nl/behandeling/20100923/brief_d_d_17_maart_2010_van/f=/viizh2n1hez7.pdf> en de reactie hierop van 23 september 2010, ‘verslag schriftelijk overleg met de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inzake toekenning kiesrecht Antillianen en Arubanen voor het Europees Parlement’, <www.eerstekamer.nl/behandeling/20100923/verslag_schriftelijk_overleg_met/f=/viiyafxoe8za.pdf>, met dank aan mr. H.G. Hoogers voor het attenderen hierop.

[34]    Omgekeerd geldt dit niet, Unieburgers elders hebben niet het recht om zich vrij te bewegen naar de eilanden op basis van Unieburgerschap. De eilanden zelf maken geen deel uit (van het grondgebied) van de Unie.

[35]    Zie alinea ‘Nieuwe wetgeving voor Bonaire, Saba en Sint Eustasius’ voor beperkingen en nuances omtrent dit punt.

[36]    Zie art. 1 lid 2 Statuut.

[37]    Zie hiervoor alinea ‘Associatie verband en Unieburgers’.

[38]    Zie meer hierover H.G. Hoogers, ‘De BES-eilanden, de Grondwet en het Europees recht; Over constitutionele en Europeesrechtelijke consequenties van de handhaving van de LGO-status van de BES-eilanden’, RegelMaat 2009-1, p. 10-23, en F.H. van der Burg, ‘De BES-eilanden van buiten de Europese Unie naar binnen de Europese Unie; Een reactie op H.G. Hoogers: De BES-eilanden, de Grondwet en het Europees recht’.


  • 0

Anti-kraakwet: het einde van het Nederlandse krakersparadijs?

Tags :

Door Hilde van der Veen

Voor menig vastgoedbezitter een nachtmerrie, voor anderen een zegen. Op 1 oktober 2010 is er een einde gekomen aan een verschijnsel dat ongeveer 45 jaar lang voorkwam in Nederland. Het kraken van panden is vanaf deze datum strafbaar; een kraker riskeert een gevangenisstraf of geldboete indien hij het gloednieuwe artikel 138a Sr overtreedt. Lange tijd leek de ‘Wet Kraken en Leegstand’ er niet te gaan komen, omdat er geen meerderheid in de Tweede Kamer bestond om het wetsvoorstel aan te nemen. De wet leek een droom te zijn voor de vele vastgoedbezitters die ons land telt. Binnen een maand na invoering verschenen echter de eerste obstakels op het pad der uitvoering. In dit artikel zal de totstandkoming van deze wet worden besproken en zal er worden ingegaan op de problemen waarmee de wet mee kampt.

Jarenlang gold Nederland internationaal als krakerparadijs; van heinde en verre kwamen de krakers om een mooi Amsterdams grachtenpand te kunnen bewonen. In de jaren tachtig – de hoogtijdagen van de kraakbeweging – zouden er ongeveer 20.000 krakers in Amsterdam hebben geleefd. Tijden veranderen echter en de Nederlandse kraakbeweging heeft sinds de jaren tachtig flink aan omvang en bekendheid ingeboet. Het is onduidelijk wat de precieze omvang van de kraakbeweging in onze hoofdstad tegenwoordig is, maar de schattingen lopen uiteen van 800 tot 2000 krakers. Relatief gezien is het kraken wereldwijd een veel groter probleem dan in ons koude kikkerlandje. De schattingen over het aantal mensen dat wereldwijd als kraker leeft variëren flink, maar het is zeker dat het gaat om honderden miljoenen. Auteur Robert Neuwirth stelt in zijn boek ‘Shadow cities of the future’ dat het zelfs zou gaan om 1 miljard krakers.[1] Het merendeel van deze mensen is arm en heeft – zonder vergunning of toestemming van de eigenaar – een stuk grond in gebruik genomen om een huis te bouwen. Men denke hierbij aan de favela’s in Brazilië of de townships in Zuid-Afrika. In Nederland wordt vooral uit ideologische beweegredenen gekraakt, waarover hieronder meer.

Geschiedenis
Na de Tweede Wereldoorlog bestond er in Nederland een groot woningtekort; de overheid stond daarom oogluikend toe dat mensen in andermans woning of bedrijfspand trokken. Het duurde echter tot de jaren zestig van de vorige eeuw totdat deze mensen zich verenigden in een kraakbeweging. Het artikel ‘Red een pandje’ van november 1964 in het Amsterdamse studentenblad ‘Propria Cures’ wordt vaak aangemerkt als het begin van de kraakbeweging.[2] In dit artikel werd geschreven over de langdurige leegstand van woningen in de wijk Kattenburg en het feit dat hier vele studenten zouden kunnen wonen. De woningen stonden op de lijst om gesloopt te worden en waren door gemeentearbeiders opzettelijk onbewoonbaar gemaakt. In de jaren die hierop volgden, werden vele van deze woningen bezet door onder andere jonge gezinnen en kunstenaars en besteedden verschillende media aandacht aan deze mensen. Het idee van het bezetten van leegstaande woningen werd dan ook steeds breder geaccepteerd in de samenleving.

De naam kraken is ontstaan na een mislukte bezetting in januari 1969. Het betreffende huis werd al bewoond en de politie was snel ter plaatse om in te grijpen. Deze mislukte bezetting werd gezien als een ‘mislukte inbraak’ en vormde aanleiding om het uit dieventaal afkomstige woord ‘kraken’ te gebruiken voor het clandestien bezetten van woningen. Om voortaan de kraakacties beter te kunnen voorbereiden en begeleiden, werd het ‘Koöperatief Woningburo de Kraker’ opgericht. Deze organisatie heeft in 1969 een ‘Handleiding voor krakers’ uitgegeven waarin uit de doeken werd gedaan hoe men legaal een woning kon kraken. 

De positie van de krakers werd versterkt door het Nijmeegse krakersarrest, een arrest gewezen door de Hoge Raad waarin hij stelt dat op basis van het normale taalgebruik ‘een woning bij een ander in gebruik’ alleen kan betekenen ‘een woning feitelijk als woning in gebruik’.[3] Het gekraakte pand mocht dus alleen als woning gebruikt worden, niet als bedrijfspand of stallingsruimte.. Tevens moest het pand minimaal een jaar lang leeg gestaan hebben. Gevolg was dat kraken vanaf dat moment door de wet werd beschermd en krakers niet meer strafrechtelijk vervolgd konden worden indien een pand langer dan een jaar leegstond. In de jaren die hierop volgden, kreeg de kraakbeweging steeds meer volgers. Een tweesprong in de kraakbeweging ontstond toen er op 23 februari 1980 een pand werd gekraakt aan de Vondelstraat. Het pand zou volgens de politie nog geen jaar leegstaan en daarom besloot ze om in te grijpen. In eerste instantie wist de Mobiele Eenheid de krakers te verjagen, maar deze kwamen terug om het pand nogmaals te kraken. In de dagen die daarop volgden werd er in Amsterdam een verbeten strijd gevoerd. Uiteindelijk moesten het leger, de marechaussee en de Mobiele Eenheid er aan te pas komen om de strijd in het voordeel van de staat te beslissen. Een groot aantal krakers vond de acties veel te ver gaan en trok zich terug uit de beweging. Het is onnodig te vermelden dat de bezetting van de Vondelstraat veel aandacht kreeg in de landelijke media. Nadien verloor de kraakbeweging echter veel van haar bekendheid en tegenwoordig horen we slechts nog een enkele keer van een krakersactie.

Invoering van de wet
De Wet Kraken en Leegstand leek voor vele mensen uit het niets te komen. Toch is hier door tegenstanders van het kraken enkele decennia voor gestreden. Pogingen om deze wet tot stand te brengen mislukten echter, aangezien er geen meerderheid in de Tweede Kamer voor bestond. De wet was een initiatief van de VVD en werd op 15 oktober 2009 aangenomen door de VVD, het CDA en de ChristenUnie. Desondanks waren er ook enkele felle tegenstanders in de Tweede Kamer. De SP was van mening dat het verbod geen nut zou hebben, nu Nederland minder last heeft van krakers dan andere landen waar wel een kraakverbod geldt. De PvdA vond dat de Wet Kraken en Leegstand zou leiden tot meer leegstand dan nu het geval is en dat de wet het probleem van geweld en vernieling door krakers niet zou aanpakken. Ook in de gemeenteraden van enkele grote steden werd afwijzend gereageerd op het wetsvoorstel. Zo gingen er stemmen op om het kraken te gedogen, omdat de leegstand en de woningnood enorm zouden toenemen bij de handhaving van het verbod. Zij zagen tevens de actieve taak die hen is toebedeeld bij het handhaven van het kraakverbod niet zitten. Voor hun verzet werd echter door de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een stokje gestoken. In een brief stellen zij namelijk dat het Openbaar Ministerie – dus niet de gemeentes – het kraakverbod zal handhaven[4], waarbij bijzondere aandacht zal worden geschonken aan de situatie waarin de eigenaar wordt gehinderd in het realiseren van de gekozen bestemming van het pand. Ook wanneer de omwonenden overlast ondervinden of de krakers vernielingen aanrichten zal er snel worden ingegrepen. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat handhaving van het kraakverbod in evenwichtige verhouding staat tot handhaving van andere strafrechtelijke normen.

Voor de anti-kraakwet

Voor de invoering van de anti-kraakwet op 1 oktober 2010 traden vastgoedbezitters zowel civielrechtelijk als strafrechtelijk op tegen krakers. Als strafrechtelijke basis voor het optreden tegen krakers werd het oude artikel 138 Sr gebruikt: vastgoedbezitters deden aangifte tegen een kraker wegens het misdrijf ‘huisvredebreuk’. Hierop stond voorheen een gevangenisstraf van ten hoogste een halfjaar of een geldboete van de derde categorie. Het eerder genoemde Nijmeegse krakersarrest maakte echter een einde aan deze mogelijkheid.[5]

Strafrechtelijke weg
Volgens de krakers zou de strafrechtelijke weg om tot ontruiming te komen namelijk inbreuk maken op het huisrecht, nu  daarvoor geen voldoende omschreven wettelijke bevoegdheid bestond. Het huisrecht is neergelegd in artikel 12 lid 1 Gw en artikel 8 lid 1 EVRM. Het gaat hierbij om het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het beschermt iedere feitelijke bewoner tegen huisvredebreuk zoals strafbaar is gesteld in artikel 138 Sr. Gelet moet worden op het woord ‘feitelijk’: volgens de Hoge Raad maakt het niet uit of de bewoners een pand rechtmatig bewonen.[6] De vraag of een kraker zich kwalificeert als feitelijk bewoner moest worden beantwoord door de feitenrechter. Er werden dan wel geen hoge eisen aan het ontstaan van het huisrecht verbonden, maar de enkele intentie om in een leegstaand pand te wonen was niet genoeg.[7] Tot het arrest van 9 oktober 2009 van de Hoge Raad reageerde de rechterlijke macht verdeeld op de vraag of de politie niettemin bevoegd was om over te gaan tot ontruiming, ook al was er sprake van een huisrecht.[8] Als grondslag voor ontruiming dienden artikel 124 Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 2 Politiewet. Aan deze verdeeldheid maakte de Hoge Raad een einde door te oordelen dat er blijkbaar nog onvoldoende grondslag bestond om inbreuk op het huisrecht te maken, nu er een wetsvoorstel voor de Wet Kraken en Leegstand bij de Eerste Kamer lag dat hier betrekking op had. Deze bevoegdheid kon daarom volgens de Hoge Raad niet worden afgeleid uit de eerder genoemde bepalingen. Het bovenstaande leidt ertoe dat de officier van justitie niet de bevoegdheid had om tot ontruiming over te gaan, indien de kraker zich kon beroepen op het huisrecht. Hierbij was niet van belang of het pand op het moment van kraken korter of langer dan een jaar leegstond; deze kwestie was slechts van belang voor de strafbaarheid van de dader.

Civielrechtelijke weg
De civielrechtelijke procedure is ook na de invoering van de Wet Kraken en Leegstand nog steeds een mogelijkheid voor de vastgoedbezitter om tot ontruiming van het gekraakte pand te komen. Er is op dit moment nog weinig over bekend, maar de procedure zal waarschijnlijk op dezelfde manier worden gevoerd als vóór de invoering van de nieuwe wet.

Deze procedure kan worden gevoerd als kort geding of bodemprocedure. Beide procedures hebben uiteraard hun voordelen; zo is de duur van een kort geding relatief kort, maar zal er wel een spoedeisend belang moeten worden aangetoond. Bij de bodemprocedure hoeft de eigenaar geen spoedeisend belang aan te tonen, waardoor de vordering in veel gevallen kan worden toegewezen. Ondanks het hoge toewijzingspercentage bij deze laatste procedure, zal de eigenaar vaak kiezen voor het kort geding, zodat hij eventuele plannen met het leegstaande pand zo snel mogelijk tot uitvoer kan brengen.
Een specifiek probleem doet zich voor bij het dagvaarden van de krakers. Het kan zich voordoen dat de eigenaar van het leegstaande pand de namen niet kent van de krakers. Deze blijven namelijk graag anoniem om te ontkomen aan strafvervolging. In artikel 61 jo. artikel 47 Rv heeft de wetgever hierop geanticipeerd. Op grond van deze artikelen kan de eigenaar de krakers dagvaarden door een exploot uit te laten brengen op het adres waar ze verblijven, alsmede een afschrift daarvan te plaatsen in een landelijk of regionaal dagblad.

In de civielrechtelijke procedure staat het eigendomsrecht centraal. Het eigendomsrecht is volgens artikel 5:1 eerste lid BW ‘het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben’. Uit lid 2 van dit artikel volgt dat de eigenaar met uitsluiting van eenieder vrij van de zaak gebruik kan maken, mits ‘dit gebruik niet strijdt met rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen’. De grondslag voor ontruiming kan gevonden worden in de onrechtmatige daad van artikel 6:162 BW. Voor een geslaagd beroep op de onrechtmatige daad eist lid 2 van dit artikel ‘een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt’. Er is veelal sprake van een onrechtmatige daad, aangezien de kraker zonder recht of titel in het leegstaande pand van de rechthebbende verblijft. In een uitzonderlijk geval zal de rechter de verwijtbaarheid van de leegstand, de gedragingen van de krakers en een eventuele noodtoestand meewegen in zijn oordeel.

Door de krakers kunnen verschillende verweren worden aangevoerd in de gerechtelijke procedure. Een van deze verweren kan zijn dat de eigenaar van het leegstaande pand onvoldoende belang (art. 3:303 BW) heeft bij de ontruiming, omdat het pand al geruime tijd leegstaat en hij er de aankomende tijd  niets mee zal doen. Dit verweer is echter door de Rechtbank Zutphen van de hand gewezen; het beëindigen van de onrechtmatige toestand zal in beginsel voldoende belang opleveren.[9] Ook is er in een aantal civiele procedures een beroep gedaan op de verjaringstermijn van artikel 3:314 BW jo. artikel 3:306 BW, waarin de verjaringstermijn van 20 jaren voor een rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige daad is geregeld. Het Gerechtshof van Den Haag heeft bepaald dat de verjaringstermijn pas begint te lopen wanneer er een onrechtmatige toestand is, dus op het moment dat de situatie niet meer wordt gedoogd.[10] Het hof vereist tevens dat er sprake is van een voortgezette onrechtmatige gedraging. Deze zal er niet zijn wanneer er telkens nieuwe krakersgroepen in een leegstaand pand trekken; er zal dan sprake zijn van een nieuwe inbreuk op het eigendomsrecht van de eigenaar.

Inhoud van de wet
Een groot misverstand dat momenteel heerst, is dat de Wet Kraken en Leegstand één geheel zou zijn. Dit is onjuist; de artikelen staan namelijk verspreid over het Wetboek van Strafrecht, de Leegstandswet, de Huisvestingswet en enkele andere wetboeken. In dit artikel zullen slechts de belangrijkste artikelen uit de wet worden besproken.

Strafrechtelijke weg
Artikel 138a Sr wordt gezien als het kernartikel. Hierin wordt ‘hij die in een woning of gebouw, waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd, wederrechtelijk binnendringt of aldaar vertoeft, schuldig aan kraken, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie’. De leden 2 en 3 bevatten strafverzwaringsgronden, namelijk wanneer het kraken samengaat met ‘bedreiging’ of ‘het in vereniging plegen’. Krakers riskeren een gevangenisstraf die kan oplopen tot 2 jaar en 8 maanden, indien ze toch besluiten een woning te kraken en dit samengaat met de genoemde strafverzwaringsgronden. Verder heeft de wetgever in artikel 138 Sr de gevangenisstraf voor huisvredebreuk van een halfjaar naar ten hoogste één jaar verhoogd. 

Bestuursrechtelijke weg
Naast de strafrechtelijke bepalingen omvat de wet ook enkele bepalingen omtrent de mogelijkheden voor bestuurlijke handhaving. De Leegstandwet regelt de leegstand van gebouwen (niet zijnde woningen) en heeft een fikse metamorfose ondergaan. Artikel 3 jo. 2 Leegstandwet bepaalt dat de gemeente in een leegstandverordening kan bepalen dat de eigenaar de leegstand van zijn gebouw moet melden, indien deze langer duurt dan tenminste zes maanden. De artikelen 5 en 6 Leegstandwet geven de gemeente de bevoegdheid om een gebruiker voor het gebouw voor te dragen, indien het gebouw tenminste 12 maanden leegstaat en geschikt is voor gebruik. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete wordt opgelegd, indien een eigenaar verzuimt de leegstand van zijn pand te melden. B&W kunnen deze dan, op grond van artikel 18 Leegstandwet, een bestuurlijke boete van ten hoogste 7500 euro opleggen.
In de Huisvestingswet is ongeveer hetzelfde geregeld voor de leegstand van woningen. Op grond van artikel 8 Huisvestingswet kan de gemeente in de huisvestingsverordening bepalen dat de eigenaar van een woning leegstand moet melden indien deze tenminste 2 maanden duurt. Indien de eigenaar dit verzuimt, riskeert hij een bestuurlijke boete. Deze bestuurlijke boete kan net als de boete uit de Leegstandswet oplopen tot 7500 euro.
Tevens wordt het krakers in artikel 85a Huisvestingswet onmogelijk gemaakt om een gebouw, niet zijnde een woning, als woning in gebruik te nemen. Hierop wordt een bestuurlijke boete van ten hoogste 340 euro gesteld.

Obstakels
Op 21 oktober 2010, nog geen drie weken na de invoering van de wet, oordeelde de rechter in een kort geding dat elke ontruiming van een kraakpand vooraf moet worden aangekondigd door de Officier van Justitie. Op 8 november 2010 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep mondeling uitspraak gedaan over de vraag of de Minister van Veiligheid en Justitie over mocht gaan tot ontruiming van enkele kraakpanden in Amsterdam, Leeuwarden en Den Haag.[11] Het hof heeft deze ontruiming verboden, gezien het feit dat er in de Wet Kraken en Leegstand niet de mogelijkheid voor krakers is opgenomen om vooraf het oordeel van de rechter hierover te vragen. Dit is in strijd met het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens waarin de woning speciale bescherming geniet. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft herhaaldelijk beslist dat iemand zijn woning niet kan verliezen, voordat dat de rechter hierover een uitspraak heeft kunnen doen. Deze uitspraak heeft tot veel ophef in de media geleid. Enkele dagen later kondigde het Ministerie van Veiligheid en Justitie al aan deze fout in de wet te zullen herstellen. Krakers zullen dan de mogelijkheid verwerven een kort geding bij de rechter aan te spannen, indien ontruiming dreigt. Totdat de wet is hersteld, zullen er echter geen strafrechtelijke ontruimingen plaatsvinden.

Conclusie

De wet Kraken en Leegstand maakt een einde aan het kraken van onroerende goederen in Nederland. Deze wet bevat zowel strafrechtelijke als bestuursrechtelijke bepalingen, die kraken verbieden en leegstand van onroerende goederen voorkomen. Op dit moment is het nog onbekend wanneer strafrechtelijke ontruimingen mogelijk zullen zijn. Het is echter duidelijk dat de wet zo snel mogelijk veranderd zal worden, zodat er eindelijk strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen de duizenden krakers die ons land telt.

Nederland: krakersparadijs? Helaas, de wet Kraken en Leegstand lijkt het krakersparadijs om te toveren in een heuse nachtmerrie voor de kraker.


[1] R. Neuwirth, Shadow Cities: A Billion Squatters, A New Urban World, Routledge 2004.

[2] Onbekende auteur (1964), Red een pandje: Propria Cures.

[3] HR 02-02-1971, NJ 1971, 385.

[4] Kamerstukken II 2010/11, 32 500 VI, nr. 6.

[5] HR 2 februari 1971, NJ 1971, 385.

[6] HR 4 september 2007, NJF 2007, 491.

[7]  HR 12 maart 2004, LJN: AO0967.

[8] HR 9 oktober 2009, RVDW 2009, 1155.

[9] Rb. Zutphen 21 mei 2008, NJF 2008, 454.

[10] Hof ’s-Gravenhage 18 februari 2010, LJN BL7630.

[11] Hof ’s-Gravenhage 8 november 2010, LJN BO3682.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.