Category Archives: Jaargang 44 – Nummer 3

  • 0

Interview met Sandra Lutchman: bestuursvoorzitter van Amnesty International, afdeling Nederland

Door Hilde van der Veen & Pauline Lindeman

Sandra Lutchman is in juni 2008 voor een termijn van drie jaar gekozen als voorzitter van het bestuur van Amnesty Nederland. Lutchman heeft privaat- en internationaal recht gestudeerd aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Ze heeft gewerkt bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken, de Europese Commissie en de Bestuursdienst van de gemeente Amsterdam. Momenteel is Lutchman directeur van de stichting Common Purpose Nederland. Daarnaast is zij onder meer lid van de Raad van Toezicht van Oxfam Novib en van de Denktank Public Space.

Amnesty International is een onpartijdige en onafhankelijke organisatie die zich al sinds 1961 inzet voor de naleving van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) en van andere mensenrechtenverdragen en -documenten. Amnesty voert actie en doet onderzoek om schending van deze rechten tegen te gaan en heeft bijna 2,8 miljoen leden, donateurs en vaste begunstigers in meer dan 150 landen. Amnesty Nederland is met ruim 300.000 leden de grootste afdeling.

Waarom bent u voor Amnesty gaan werken?

Het eerlijke antwoord is dat ik gevraagd ben. Ik zat al in de Raad van Toezicht van Oxfam Novib en deze functie ligt wel een beetje in dezelfde lijn. Niet helemaal natuurlijk, maar bij Oxfam Novib hebben we ook een ‘rechten’ benadering en Amnesty is natuurlijk dé organisatie als het gaat om mensenrechten. Ik ben gaan praten met de voormalige voorzitter van het bestuur en merkte dat dit werk niet alleen heel relevant is, maar ook aansluit bij mijn interesses. De missie van Amnesty spreekt mij dus zeer aan. Ik denk namelijk dat het belangrijk is dat vrijwilligerswerk je blijvend raakt, zeker als je voorzitter bent van een grote organisatie als Amnesty. Het is voor mij, naast een voltijdbaan en een jong gezin, veel werk en als het niet iets is waar je echt een drive voor hebt, haak je af en ga je het als een opdracht zien. Zo zie ik het niet: ik heb er echt plezier in en beleef er voldoening aan. Zo mag ik voor mijn werk voor Amnesty binnenkort een weekend naar Londen om over ‘governance’ te praten. Veel mensen vinden dat erg saai, maar ‘good governance’ is om verschillende redenen belangrijk en ik zie wat dit kan betekenen voor een organisatie als Amnesty.

Wat houdt uw werk als voorzitter van het bestuur van Amnesty Nederland precies in?

Ik moet ervoor zorgen dat het bestuur een team is, dat zich goed bewust is van zijn positie en taak in de organisatie. We willen een bestuur op afstand zijn dat veel mandateert aan directie en staf. Dat vereist denken op basis van grote lijnen, strategie en visie. We moeten niet op de stoel van de directeur of staf gaan zitten. Zeker als je heel erg verbonden bent met de missie van een organisatie, heb je af en toe de neiging om je met details te bemoeien, terwijl je daar als bestuur eigenlijk een beetje van weg moet blijven. Van belang is ook een goede vertrouwensrelatie met de directeur, want veel werkzaamheden op het internationale vlak worden niet door de directie, maar door mij, de voorzitter, verricht. Van de 70 nationale secties van Amnesty zijn wij de grootste. Dit betekent feitelijk dat ik een belangrijke voorzitter ben. Maar op die manier moet je je in een organisatie als Amnesty niet profileren. Amnesty is een ‘grassroots’ organisatie. Dit betekent dat veel actieve leden zich op ‘grassroots’ (lokaal) niveau verbonden voelen met de missie. Een sectie in een Zuid-Amerikaans land heeft veel meer en directer te maken met schendingen van de mensenrechten dan wij in Nederland. In een ‘grassroots’ organisatie ontleen je geen gezag aan het feit dat je voorzitter bent van een grote sectie. Belangrijker is dat jij je kunt inleven in de problematiek waarmee andere landen, secties en voorzitters geconfronteerd worden.

Kunt u in het kort de missie van Amnesty omschrijven?

Amnesty probeert vooral te bewerkstelligen dat er wereldwijd een ‘mindset’ ontstaat, waardoor mensen zich realiseren dat schending van de mensenrechten ontoelaatbaar is en dat er universaliteit van mensenrechten bestaat.

Hoe probeert Amnesty deze missie te realiseren?

Het is een uitdaging om te onderzoeken hoe we kunnen realiseren dat bepaalde landen de mensenrechten hoog op hun agenda zetten. Belangrijk inzicht daarbij is dat dit niet altijd op onze ‘westerse’ manier kan. Wij kopen bij wijze van spreken een gebouw, zetten een structuur neer en zetten er een board op. Dat is zoals wíj werken. In andere landen werkt dat mogelijk helemaal niet en moet je misschien eerder aansluiten bij wat er daar op ‘grassroots’ niveau aan mensenrechtenthema’s leeft. Daar moet een board misschien uit hele andere types bestaan dan mensen zoals mijn collega’s en ik. Hiervoor is inlevingsvermogen, acceptatie en kennis van de andere samenleving vereist. Volgens mij moeten we echt per land bekijken wat de beste manier is. Dat is waar we het op onze volgende internationale meeting over zullen hebben. Ook actuele politieke ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld het recente bezoek van de Chinese president aan de Verenigde Staten, bieden mogelijkheden, omdat de mensenrechten tijdens dit bezoek aan de orde zijn gekomen. Dit soort openingen moet je gebruiken om ook daar het onderwerp geagendeerd te krijgen.

Daarnaast voeren we actie door middel van campagnes, schrijf- en sms-acties en speciale projecten. Een voorbeeld van een ‘global campaign’ is ‘forced evictions’ (gedwongen uitzettingen). Zo’n campagne hebben we net in Ghana gevoerd, waarbij ongeveer 170 mensen plotseling hun huis werden uitgezet, zonder beroeps- of inspraakprocedure. Dit zou onvoorstelbaar zijn in een land als Nederland. Deze campagnes zijn vooral bedoeld om de aandacht te vestigen op onderwerpen die wereldwijd spelen.

Belangrijk is ook dat in 2001 ons mandaat is verbreed. We hadden eerst alleen de BUPO-rechten (internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten), nu hebben we ook de ESC-rechten (economische, sociale en culturele rechten). Dit betekent dat we mensen bewust willen laten worden van de mensenrechten waar ze een beroep op kunnen doen. Dat is in zekere zin de empowerment-gedachte: je bewust worden van wat je zélf zou kunnen doen om je situatie te verbeteren. Tevens vragen we internationaal aandacht door de kritische rapporten die we schrijven. Ook doen we aan ‘silent diplomacy’: we lobbyen op de achtergrond.

Bekend zijn onze schrijfacties. Een van de mooiste die ik heb gezien, ging over iemand uit Lagos, die vrij was gekomen door een schrijfactie van een Italiaanse man. Zij hebben elkaar uiteindelijk ontmoet in Italië. Heel ontroerend. Veel mensen zien uitsluitend het vrijkomen van gevangenen als resultaat, maar wij zien ook het traject daarvoor. Door de brieven en kaarten weten deze gevangenen dat ze niet vergeten worden. Ze krijgen daardoor een andere status in de gevangenis, de bewakers weten dat er aandacht van buiten is. Ik heb in Amerika gesproken met iemand die lange tijd gevangen had gezeten in een Zuid-Oost Aziatisch land. Zijn  positie verbeterde dankzij onze schrijfacties, omdat de bewakers op een andere manier met hem omgingen.

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is niet bindend. Hoe zinvol is het dan om je daar op te beroepen in contacten met regimes die deze verklaring (in de praktijk) aan hun laars lappen?

Als mensen zich realiseren dat schending van de mensenrechten ontoelaatbaar is en dat er universaliteit van mensenrechten bestaat, ben je minder afhankelijk van het al dan niet bindende karakter van de UVRM. Bovendien zijn alle afgeleide verdragen wel bindend. De UVRM heeft bijgedragen aan het ontstaan van een morele code, op basis waarvan die andere verdragen tot stand konden komen. Dat neemt niet weg dat er nog steeds landen zijn die zich nauwelijks iets gelegen laten liggen aan die morele code en ook Amnesty zien als een westerse organisatie met misschien wel een westerse moraal. Toch mag je deze landen als buitenstaander minstens aanspreken op de morele plicht om, als ze zich hebben aangesloten bij de UVRM, de procesgang te laten plaatsvinden en niet te doorkruisen met zoiets finaals als de doodstraf.

Hoe is het over het algemeen gesteld met de eerbiediging van de mensenrechten in de wereld?

Slecht. En het vervelende is dat het niet steeds de volledige aandacht heeft van de burgers. Zij kunnen het op een gegeven moment niet meer bevatten. De situatie verandert ook steeds. Gaat het hier beter, gaat het daar weer slechter. Zo dacht men dat het in Egypte goed ging, maar nu wordt duidelijk dat daar een regering aan de macht was die onder een al 30 jaar durende noodtoestand de mensenrechten op grote schaal en systematisch schond. Het staat wel in de rapportages van Amnesty, maar nu is er ineens aandacht voor, omdat de bevolking zelf in opstand komt. De situatie in Darfur is niet verbeterd en de situatie in Congo is nog steeds hetzelfde als toen we er heel veel aandacht voor hadden. Er is eindigheid aan wat mensen kunnen opnemen, de aandacht zakt snel weg. Amnesty moet blijven wijzen op de problemen. Wereldwijd, maar ook in Nederland.

Dan naar een Nederlands onderwerp. Op woensdagochtend 26 januari heeft Eduard Nazarski, directeur van Amnesty International, een petitie over vreemdelingendetentie aangeboden aan de leden van de Vaste Commissie voor Immigratie en Asiel van de Tweede Kamer. Kunt u deze actie toelichten?

In Nederland worden jaarlijks ongeveer 8.000 vreemdelingen voor kortere of langere tijd gedetineerd. Ze zitten niet vast vanwege een strafbaar feit. De detentie is een bestuursrechtelijke maatregel. Nieuw aangekomen vreemdelingen aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd, worden gedetineerd om illegaal verblijf te voorkomen. Andere vreemdelingen zitten vast omdat ze geen verblijfsrecht hebben en wachten op terugkeer naar hun land van herkomst. Zij worden vaak onnodig in hun vrijheden beperkt. Het gaat hierbij ook om kinderen en zwangere vrouwen die soms wel zes maanden vastzitten. Amnesty zegt niet dat je mensen niet bij elkaar mag zetten in afwachting van uitzetting en is ook niet tegen de vreemdelingenprocedure. Maar je zou voor kwetsbare groepen alternatieven moeten vinden voor opsluiting in centra waar grotendeels een gevangenisregime heerst. Amnesty bericht al sinds 2008 over deze kwestie en toenmalig staatssecretaris Albayrak heeft beloofd er iets aan te veranderen. Er is wel iets veranderd, maar nog onvoldoende voor de kwetsbare groepen. De overheid is verplicht alternatieven te zoeken en maatregelen te treffen, want het sluitstuk van de procedure levert nu onrechtvaardige situaties op. Nederland wordt, op grond van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, zelfs door het buitenland op de vingers getikt over de organisatie van de vreemdelingendetentie. Amnesty heeft met deze petitie aandacht gevraagd voor deze kwestie en heeft 39 andere maatschappelijke organisaties aan zich gebonden. Samen hebben wij Gerd Leers, minister van Immigratie en Asiel, gewezen op deze onaanvaardbare situaties. De minister heeft toegezegd te zullen onderzoeken of alternatieven mogelijk zijn. Daarnaast kon de heer Brinkman van de PVV, voorzitter van de commissie voor Immigratie en Asiel, zich blijkbaar vinden in de petitie. Kortom: ook in Nederland voeren we actie.

Heeft u nog iets aan uw rechtenstudie bij uw werk?

Vooral de wijze van redeneren, het opbouwen van een goede argumentatie en het analyseren in hoofd- en bijzaken zijn ‘juridische’ vaardigheden waar ik nog steeds veel aan heb. In discussies op internationaal niveau moet je goed kunnen luisteren naar en open staan voor argumenten van anderen en bedenken hoe je kunt bijdragen aan oplossingen. Eigenlijk allemaal vaardigheden waarover een goed jurist beschikt.

Heeft u nog tips voor rechtenstudenten die graag willen werken voor een organisatie als Amnesty?

Ik ben rechten gaan studeren, omdat ik een bepaald gevoel voor rechtvaardigheid heb. Ik denk dat veel juristen dat hebben en als je bij een organisatie als Amnesty wilt werken, is die drive noodzakelijk. Als je veel geld wilt verdienen moet je niet bij ons komen werken. Ik verdien hiermee geen geld, dit kost mij alleen maar tijd als vrijwilliger. Om je een beeld te vormen van het werken in een dergelijke organisatie is het zinvol stage te lopen of bestuurservaring op te doen. Het helpt natuurlijk ook als je internationaal recht hebt gestudeerd, want vooral bij de mensenrechtenproblematiek spelen de internationale verdragen een rol.

Ten slotte is het belangrijk om te blijven lezen, ook buiten je vakgebied. Het is belangrijk om te weten in welke context het recht zich afspeelt. In een van mijn eerste colleges sprak Anton Dreesmann (oud-topman Vendex, kleinzoon oprichter V&D-red.). Hij zei dat als wij niet zouden blijven lezen, we over een paar jaar helemaal ‘braindead’ zouden zijn. Een brede belangstelling is belangrijk om een goed jurist te worden, zeker bij een organisatie als Amnesty.


  • 0

Een dag in het leven van hoogleraar Criminologie Dr. Patrick van Calster

Door Ingrid Hekman

Om de week is de heer Van Calster twee of drie dagen in Groningen. De rest van de week werkt hij in het westen van het land, in Leiden, waar hij ook colleges geeft. Als hij in Groningen is, verblijft hij in het Guesthouse waar hij om 7:00 uur opstaat. Hij ontbijt niet en begint rond 7:30 uur met werken op zijn kantoor in het Harmoniecomplex. Meestal werkt hij nog door tot 22:00 uur, dan wordt hij weggestuurd omdat de RUG op dat tijdstip sluit. Als hij ’s avonds nog naar het westen moet, werkt hij meestal tot 18:00 of 19:00 uur en pakt dan vervolgens de trein. Als hij thuis werkt, werkt hij nog langer door. Na het avondeten bereidt hij bijvoorbeeld nog colleges voor, maakt hij artikelen af of begint hij nog met het opzetten van een nieuw onderzoek.

Op een werkdag in Groningen werkt hij het eerste uur de post af, zowel zijn e-mail als de gewone post. Daarna neemt hij nauwgezet de kranten door. Omdat criminologie onder meer onderzoekt wat criminaliteit is en wat de gevolgen daarvan zijn voor de samenleving, is de actualiteit erg van belang. Je moet als criminoloog weten wat er gaande is. Nadat hij dit heeft gedaan, houdt hij de vakliteratuur bij.

Vandaag heeft de heer Van Calster een gesprek met onderzoekers over recidive bij zedendelinquentie. Omdat dit vertrouwelijk is, kan hij hier verder niets over vertellen. Na dit gesprek heeft hij een gesprek met studenten over hun scriptie; hij begeleidt hen bij hun afstudeerscriptie. Als hij dit gedaan heeft, gaat hij naar het hoofdkantoor van de politie aan de Rademarkt alwaar hij een afspraak heeft met dhr. Van Zuidam, plaatsvervangend korpschef bij de politie in Groningen. De afspraak gaat over stageplekken van studenten bij de politie, waar ze altijd voor openstaat. Maar daarnaast is het gelijk een uitgelezen kans voor de lezers van deze rubriek om meer te weten komen over het beroep van de plaatsvervangend korpschef en de politie in Groningen.

Dhr. Van Zuidam vertelt het volgende over zijn functie en over de politie in Groningen: “Als plaatsvervangend korpschef ben je medeverantwoordelijk voor strategische besturing van de organisatie. Niet alleen als het gaat om de resultaten voor de burgers van Groningen, maar ook als het gaat om interne veranderingen en ontwikkelingen. Mijn collega Oscar Dros, korpschef van Groningen, en ik verdelen de taken en portefeuilles, maar stemmen ook veel af. Hij heeft natuurlijk, meer dan ik, een duidelijke boegbeeldfunctie. Mijn werkdag begint om 7:30 uur, dan heb ik nog even de tijd om na te denken. Ik werk gemiddeld ongeveer tien uur op een dag. Vaak werk ik thuis ook nog door. Onze korpsleiding bestaat dus uit twee mensen en om de beurt met mijn collega ben ik 24 uur per dag, 7 dagen in de week bereikbaar. Dat betekent niet dat wij voor alles worden gebeld, want er zitten natuurlijk heel veel leidinggevende niveaus tussen. We beginnen de dag altijd met een regionaal managementteam: alle divisie- en districtschefs (een team van acht à negen mensen) zitten bij elkaar en dan kijken we eerst naar de veiligheidsontwikkelingen in de Groninger samenleving. We kijken naar hetgeen zich daar afspeelt; is er bijvoorbeeld een rare beweging zichtbaar op het gebied van woninginbraak of geweld? Dat laatste heeft hoge prioriteit. Eerst keken we veel meer naar de interne kant, maar we hebben onszelf de laatste paar jaar gedwongen om meer de veiligheidsituatie in Groningen als uitgangspunt te nemen. Al het interne moet hierop zijn gericht.

Ik zit op dit moment in een tredmolen van vergaderingen. Daar probeer ik mij aan te onttrekken, want vergaderingen zijn niet altijd een effectieve manier van bijeenkomen. We moeten zoveel vergaderen omdat de bureaucratie in de knel raakt. We zijn bezig om de organisatie nader in te richten en anders te besturen. Er moet veel meer verantwoordelijkheid aan de basis worden gegeven en leidinggevenden moeten in een meer helpende en coachende rol terechtkomen.

Eten doe ik altijd tussendoor en ik ben ook geen mens om bijvoorbeeld naar een kantine te gaan. Dus ik eet tussendoor een broodje en ik gebruik deze tijd om de sociale media bij te werken. Hier ben ik echt verslingerd aan geraakt. Als iemand op Twitter zet dat hij of zij vindt dat de politie in Groningen geen goed werk verricht, wil ik daar wel eens direct op reageren. Het gaat dan toch over het functioneren van mijn bedrijf. Gelukkig krijg ik ook veel complimenten. Op deze manier krijg je ook verbindingen met de buitenkant van de organisatie. Ik vind het belangrijk dat niet alleen de wijkagenten dit contact hebben, maar ook de leidinggevenden. Het belangrijkste onderdeel van mijn functie vind ik dan ook het proberen mensen te verbinden, zowel binnen de organisatie als naar de maatschappij toe. We moeten nog meer een transparant en open bedrijf worden, waar veel verbindingen tussen zitten. We kunnen niet alleen voor de veiligheid zorgen, daarbij zijn we afhankelijk van burgers en instellingen. Buiten de taak van verbinden, proberen we ook nieuwe strategieën te ontwikkelen om het probleem van criminele organisaties of fenomenen op te lossen. We doen dit bijvoorbeeld door hun markt te verpesten of barrières op te werpen. We denken continue na over de vraag hoe we de kraan een beetje kunnen dichtdraaien, in plaats dat we steeds dweilen met de kraan open.

Een politiebaan is een mooie doch complexe baan, omdat er veel verschillende dimensies in het werk zitten. Je moet burgers kunnen aanspreken op foutief gedrag, maar tegelijkertijd moet je ze vertrouwen geven en met ze samenwerken. Bovendien zijn er wel regels, maar het slechtste is een politie die enkel volgens de regels werkt. Een bekeuring in strijd met een achterliggende waarde zou nooit geschreven moeten worden. Ik ben een vervent aanhanger van de chaostheorie. Je zou zeggen dat een politieman van orde moet zijn, daar zijn we immers voor. Maar een maatschappij heeft het meest aan het bewegen op de grens tussen chaos en orde. Een maatschappij die alleen op orde leeft, vernieuwt niet. En een niet vernieuwende maatschappij komt onder ongewenste spanning.”

Na dit gesprek met de heer Van Zuidam loopt de heer Van Calster terug naar het Harmoniecomplex. Hij werkt nog door aan een onderzoek en stopt wat eerder dan gewoonlijk, want zijn twee dagen in Groningen voor deze week zitten er weer op.


  • 0

Wikileaks: top secret… of publiek belang?

Door Eveline van der Slikke

Het leek wel vanuit het niets te komen; de publicaties van Wikileaks die wereldwijd voor opschudding zorgden. Zelfs ons ‘kikkerlandje’ Nederland was onderwerp van de vertrouwelijke documenten die door Wikileaks op het internet werden gezet. Onmiddellijk kwamen op wereldniveau discussies op gang over de impact die deze publicaties zouden hebben op de diplomatieke betrekkingen. Het betreft een ethische vraag of alle informatie openbaar moet zijn. Veel voorstanders scharen zich achter Julian Assange en zijn kompanen van Wikileaks, maar op politiek niveau vallen er ook wel argumenten tegen volledige openbaarheid te verzinnen. Contacten op dat niveau vinden geregeld plaats op basis van vertrouwelijkheid en het is dan ook terecht om je af te vragen of stabiele diplomatieke betrekkingen niet in duigen zullen vallen door de rebelse publicaties.

Genoeg aandacht voor Wikileaks en de invloed hiervan op de wereldpolitiek. Minder aandacht is besteed aan de publicaties op zich; kan Wikileaks zomaar onbegrensd geheime documenten plaatsen op het internet? Wat is de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting op nationaal en internationaal niveau? En wat maakt daarin het verschil dat Wikileaks heeft besloten zich te vestigen in Zweden? Dit gaf aanleiding om onderzoek te doen naar de juridische positie van Wikileaks. Wikileaks propageert zichzelf als de zuiverste vorm van vrijheid van meningsuiting, maar is dit wel terecht?

Vrijheid van meningsuiting

De vrijheid van meningsuiting wordt gezien als een van de belangrijkste pijlers van een democratische samenleving. Uiteraard staat de vrije mogelijkheid van het openlijk dragen en uiten van je mening centraal. Minstens zo belangrijk onderdeel van dit grondrecht is de persvrijheid. Het past niet binnen de democratische gedachte dat een overheid daarin reguleert. Ander onderdeel is het recht op informatie en dit maakt publieke controle op de overheid mogelijk, wat onmisbaar is in een democratisch staatsbestel. Wikileaks baseert zich bij het publiceren van de dossiers op de vrijheid van meningsuiting, maar wat is de juridische achtergrond van dit grondrecht?

Internationaal recht

De vrijheid van meningsuiting is op verschillende niveaus van (inter-)nationaal recht vastgelegd. Wikileaks beroept zich bij het publiceren van geheime overheidsinformatie op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM), opgesteld door de Verenigde Naties (VN). Artikel 19 omschrijft het recht op uitingsvrijheid, waarbij in het geval van Wikileaks vooral de zinsnede “dit recht omvat de vrijheid om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven” van belang is. Art. 29 lid 2 UVRM creëert wel een mogelijkheid om paal en perk te stellen aan de uitoefening van rechten en vrijheden, alsmede het recht op uitingsvrijheid. Beperkingen zijn mogelijk indien ze ten eerste wettelijk vastgelegd zijn, daarnaast dienen ze uitsluitend ter verzekering van de eerbiediging van rechten van anderen. Als laatste moeten de beperkingen voldoen aan de gerechtvaardigde eisen van moraliteit, openbare orde en algemeen welzijn.[1] Hierbij is ook bepaald dat onder meer het recht op uitingsvrijheid niet mag worden uitgeoefend wanneer dat in strijd zou zijn met de doelstellingen en beginselen van de VN. Een vrij ruime en weinig concrete omschrijving van de vrijheid van meningsuiting. De VN-verklaring is voor veel latere verdragen het uitgangspunt geweest.

Het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) is eigenlijk te zien als een uitwerking van het UVRM. In art. 19 IVBPR is de uitingsvrijheid op dezelfde manier beschreven als in de VN-verklaring, maar de beperkingen zijn nader geconcretiseerd. Wel is een wettelijke grondslag vereist, maar daarnaast wordt in lid 3 het zogenaamde ‘noodzakelijkheidscriterium’ geïntroduceerd. Het beperken van de uitingsvrijheid is noodzakelijk wanneer: a) dat in het belang van de rechten of goede naam van anderen is; b) wanneer dat in het belang van de nationale veiligheid of ter bescherming van de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden is. Een overheid is dus in de gelegenheid om in dergelijke situaties beperkingen op de uitingsvrijheid te kunnen stellen.

Europees recht

Dichter bij huis is het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) van groot belang. Het EVRM heeft onder meer ten doel om de doelen uit de Universele Verklaring te verwezenlijken. Bij het opstellen van het verdrag waren binnen de Raad van Europa alle lidstaten democratisch van aard, in tegenstelling tot de meerderheid van de VN-leden, waar een dictatoriaal regime heerste. Binnen het EVRM heeft de VN-verklaring een democratische invulling gekregen. Na de indrukwekkende gebeurtenissen van onder meer de Tweede Wereldoorlog was er vanzelfsprekend een bepaald wantrouwen tegen de democratische overheid. Middels het EVRM probeerde de Raad van Europa een evenwicht te herstellen door een standaard te geven van grondrechten waar de meerderheid van de burgers achter zou staan.[2]

Met de democratische samenleving als fundament is de vrijheid van meningsuiting opgenomen in art. 10 EVRM. Ook is in dit verdrag de mogelijkheid van het stellen van beperkingen opgenomen. Dit in de vorm van een drietrapsraket: 1) de beperking moet zijn voorzien bij wet; 2) de beperking dient een van de in art. 10 lid 2 EVRM opgesomde doelen van algemeen belang te dienen; 3) de beperking moet noodzakelijk zijn om belangen te beschermen.[3]

Met de inwerkingtreding van het verdrag van Lissabon, oftewel het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), is een rechtsgrondslag gecreëerd voor toetreding van de Europese Unie tot het EVRM. [4] Momenteel zijn onderhandelingen in volle gang om hier een praktische uitwerking aan te kunnen geven. Dit zal een aanzienlijke versterking van de mensenrechten betekenen voor de EU-lidstaten.[5]

Wat zijn dergelijke beperkingen?

De invulling die aan een beperking op de vrijheid van meningsuiting kan worden gegeven is door een kader te stellen in nationale wetgeving. Hierbij kan worden gedacht aan het strafbaar stellen van bepaalde uitingen. Beperkingen zijn er ook in de vorm van maatregelen van tuchtrechtelijke aard of, verderstrekkend nog, ontslag. Daarnaast bestaan er formaliteiten en voorwaarden voor het publiceren, of in de meest extreme vorm van een verspreidingsverbod. Een andere interessante beperking voor de Wikileaks-zaak is het rechterlijk bevel tot het openbaar maken van de identiteit van de bron.

Vertrouwelijke informatie

Een van de doelen van algemeen belang die in het tweede lid van art. 10 EVRM wordt omschreven lijkt bij uitstek geschikt om de publicaties door Wikileaks aan te pakken. Namelijk: het voorkomen van verspreiding van vertrouwelijke informatie. In de praktijk komt het echter neer op een belangenafweging tussen het publieke belang van openbaarheid van overheidsinformatie en het belang van de overheid om de informatie geheim te houden. Bij deze afweging worden de feiten en omstandigheden van het geval meegewogen. Hierbij kan worden gedacht aan de mate waarin de overheid heeft getracht de informatie ook daadwerkelijk geheim te houden door bescherming of codering van de documenten. Ook van belang is de manier waarop de journalist aan de informatie is gekomen: is de informatie aan hem doorgespeeld of heeft hij er diep naar moeten graven? In het laatste geval kan dit een reden zijn om een beperking toe te staan. In de Wikileaks-zaak lijkt het feit dat de informatie door klokkenluiders wordt gedropt niet tegendraads te werken. Dit zou anders liggen wanneer Wikileaks de informatie heeft verkregen door bijvoorbeeld een computersysteem te hacken.

De aard van de beperking kan ook een rol spelen bij de belangenafweging. Zo bleek uit de zaak Bluf![6] dat het verbieden van het publiceren van informatie niet toelaatbaar was omdat het weekblad waarin vertrouwelijke CIE-informatie was gepubliceerd inmiddels al in grote oplage was verspreid. Een publicatieverbod heeft op dat moment geen waarde meer en is niet proportioneel.

Anonieme bron

De informatie die door Wikileaks openbaar wordt gemaakt is voornamelijk afkomstig van anonieme bronnen en klokkenluiders die belangrijke informatie lekken. Dit wordt door Wikileaks nog eens aangemoedigd door het aanbieden van een volledig anonieme digitale dropbox. [7] Hierdoor is iedereen die documenten aanbiedt volledig ontraceerbaar. De keuze van Wikileaks om de informatie te publiceren via een server die in Zweden gevestigd is, valt te verklaren door het feit dat Zweden een zeer ruime interpretatie van de persvrijheid kent. Over deze verregaande bescherming in Zweden later in dit artikel meer.

Zo zijn we inmiddels aanbeland bij het brongeheim van de journalist. Om de cirkel weer rond te maken: volgens de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens valt de bescherming van journalistieke bronnen onder de bescherming van art. 10 EVRM.[8] De pers heeft een zeer belangrijke taak als ‘public watchdog’. Het is de taak van de journalistiek om belangrijke onderwerpen aan de kaak te stellen. Deze publieke taak geeft invulling aan het recht op informatie van het publiek. Om te kunnen garanderen dat de journalistiek deze vrijheid heeft, moet het bronnengeheim verregaand beschermd worden. Dit houdt echter geen absoluut verschoningsrecht in en is niet te vergelijken met het beroepsgeheim van bijvoorbeeld medici, advocaten en notarissen. Dergelijke beroepsgroepen zijn onderworpen aan een tuchtrechtelijk systeem, waar natuurlijk bij de journalistiek geen sprake van is.[9] Wel pleit het voor de journalist als hij zich aan regels van de beroepsethiek heeft gehouden.[10] Om te bepalen of een beperking als het openbaar maken van de identiteit van de bron toelaatbaar is, dient de beperking als laatste te worden getoetst aan de voorwaarden van artikel 10 lid 2 EVRM, waarbij met name het noodzakelijkheidscriterium een rol speelt.

Wat houdt het noodzakelijkheidscriterium in?

De beperking dient noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving. Dat is enigszins logisch want –zoals eerder gezegd– de vrijheid van meningsuiting is één van de belangrijkste pijlers van de democratie. Het impliceert ook dat een beperking een uitzondering dient te zijn aangezien de uitingsvrijheid een grote waarde heeft binnen de samenleving.[11] Het EHRM omschreef die ‘noodzakelijkheid’ in het Sunday Times-arrest als ‘a pressing social need’. [12] Met betrekking tot de omvang van deze noodzakelijkheid is er voor de staat enige beleidsvrijheid. Daarnaast speelt proportionaliteit een zodanige rol, dat de beperking geschikt moet zijn om de vrijheid van meningsuiting te dienen. Het zal dus in een concreet geval neerkomen op een belangenafweging tussen de publicatie en de beperking. Hierbij is ook het doel van de publicatie belangrijk. Uit het Sunday Times-arrest komt ook naar voren dat er een zwaarder gewicht wordt toegekend aan publicaties die een grote bijdrage leveren aan het maatschappelijke debat.

Doordat Wikileaks belangrijke informatie publiceert over misstanden die van groot maatschappelijk belang zijn, bijvoorbeeld omdat het informatie betreft over het functioneren van de overheid, lijkt de bescherming door art. 10 EVRM behoorlijk groot te zijn. Dit blijkt duidelijk uit het Stoll-arrest, waar een journalist belangrijke geheime overheidsinformatie op de kop had getikt en er een artikel over had geschreven.[13] De Zwitserse veroordeling wegens schending van een staatsgeheim heeft bij het Hof geen stand gehouden. Immers, hij was uiteindelijk ook niet degene die het geheim had geschonden, maar de anonieme bron had de informatie gelekt.

Nationaal recht – Nederland

In Nederland is de vrijheid van meningsuiting neergelegd in art. 7 Grondwet en omvat uitingsvrijheid, drukpersvrijheid en omroepvrijheid. Het grondrecht is met name bedoeld ter bescherming tegen overheidsbemoeienis. Het artikel is echter veel minder concreet dan art. 10 EVRM en gezien de rechtstreekse werking van het EVRM is de uitingsvrijheid die daar omschreven is steeds meer van belang geworden. Dat illustreert zich aan de hand van het arrest Van den Biggelaar waar de Hoge Raad de rol van het EVRM benoemd.[14] Waar eerst nog bij de beoordeling van beperkingen op de uitingsvrijheid werd uitgegaan van de formulering ‘ja, tenzij…’, is sinds deze uitspraak de doctrine ‘nee, tenzij…’. Een behoorlijke verschuiving met grote consequenties.

In de Nederlandse strafwet is een aantal bepalingen opgenomen die als beperking op de vrijheid van meningsuiting zijn aan te merken. Denk hierbij aan smaad (art. 261 Sr) en schending van een staatsgeheim (art. 98 Sr). Wanneer het tot een beoordeling komt zal de strafbare gedraging tegenover het publieke belang van openbaarheid van de informatie staan. Aan het laatstgenoemde wordt over het algemeen een zwaarder gewicht toegekend dan aan de uitlating zelf, zodat de verdachte vrijuit gaat.

Nationaal recht – Zweden

Zoals gezged hebben de initiatiefnemers van Wikileaks er voor gekozen om via servers in Zweden hun publicaties online beschikbaar te maken. Naar eigen zeggen vanwege de verregaande bescherming van het recht op vrijheid van meningsuiting in Zweden.[15]

In Zweden heeft het recht van vrijheid van meningsuiting een dermate belangrijke positie gekregen dat zelfs andere vrijheden aan de uitingsvrijheid worden getoetst: beperkingen van vrijheden zijn slechts toegestaan wanneer zij geen afbreuk doen aan de vrijheid van meningsuiting.[16] Er was altijd al een bijzondere en uitgebreide regeling omtrent de uitingsvrijheid. Zelfs nadat er een algemene grondrechtenregeling is opgesteld, is eerstgenoemde regeling blijven voortbestaan. In 1991 is er zelfs een tweede regeling bijgekomen, die met name de vrijheid voor verschillende moderne media regelt. Een opvallend aspect dat uit de grondwetten blijkt is het zelfstandig recht op anonimiteit van de bron zelf, in tegenstelling tot het brongeheim van de journalist zoals dat eerder is besproken.[17] Voor Wikileaks zal dit een belangrijke overweging zijn geweest bij vestiging in Zweden.
Daarnaast is ook de eis van openbaarheid van overheidsdocumenten in de wet omschreven. Eventuele uitzonderingen zijn precies omschreven in de wet en er is een Nationale Ombudsman die hierop toeziet. Gezien de verregaande bescherming is het een slimme keuze van Wikileaks om zich in Zweden te vestigen. De bescherming gaat zelfs nog een stukje verder dan vereist wordt door het EVRM.

Toch rijst de vraag of deze vrijheid van uiting onbeperkt is. Hoe zit het met het feit dat Wikileaks zich baseert op anonieme bronnen? Kan er zonder meer van de juistheid van de documenten worden uitgegaan? In ieder geval pleit Wikileaks zichzelf vrij door te stellen dat de bronnen secuur op betrouwbaarheid worden onderzocht. Een team van journalisten zou de documenten onder de loep nemen om de authenticiteit te onderzoeken. Daarnaast hebben zij een analyse gemaakt van de kans dat er valse documenten in het bezit zouden komen van Wikileaks en wat voor consequenties daaraan zouden zijn verbonden. Wikileaks lijkt hier zeer zorgvuldig mee om te gaan. De crux zit hem eigenlijk in het feit dat Wikileaks als enkel verspreider van de vertrouwelijke informatie een zodanige bescherming door de vrijheid van meningsuiting geniet, dat er nauwelijks aan de rem kan worden getrokken. Het meest belangrijke argument voor de verregaande bescherming is de functie van de pers als ‘public watchdog’ waar met name door het EHRM grote waarde aan wordt gehecht. Het zijn de journalisten die op deze manier misstanden en discussies aan de kaak moeten kunnen stellen die kunnen bijdragen aan het maatschappelijke debat.

Conclusie

Aan de vrijheid van meningsuiting wordt grote waarde toegekend en de rol van de pers als ‘public watchdog’ hierin is bijzonder groot. Zolang Wikileaks slechts informatie publiceert die door klokkenluiders naar Wikileaks is toegekomen lijkt de uitingsvrijheid de positie van Wikileaks volledig te dekken. Maatregelen en beperkingen vanwege de overheid lijken uitgesloten, omdat aan het publieke belang over het algemeen meer gewicht wordt toegekend  dan het belang om de documenten geheim te houden. Wikileaks zou wel over de grens gaan wanneer de informatie door middel van het hacken boven water zou komen. Dit is ook in strijd met de beroepsethiek van de media. Zweden is daarbij een goede uitvalsbasis voor Wikileaks vanwege de verregaande bescherming van de vrijheid van meningsuiting. Dit is een zeer slimme keuze geweest van de initiatiefnemers.

Julian Assange weet heel goed wat zijn bijdrage kan zijn aan de concrete invulling van de vrijheid van meningsuiting en zoals we inmiddels weten steekt hij dat niet onder stoelen of banken. Ironisch genoeg: een van de laatste internetpublicaties bevat pikante details uit het strafdossier van Julian Assange zelf, over de verkrachtingszaak waar hij momenteel in – nota bene – Zweden voor wordt vervolgd![18]


[1] A.J. Nieuwenhuis, Over de grens van de vrijheid van meningsuiting, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2006, p. 273.

[2] A.J. Nieuwenhuis, Over de grens van de vrijheid van meningsuiting, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2006, p. 287.

[3] A.J. Nieuwenhuis, Over de grens van de vrijheid van meningsuiting, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2006, p. 297.

[4] Art. 218 lid 6 sub a, ii VWEU.

[5] F. Amtenbrink & H.H.B. Vedder, Recht van de Europese Unie, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2010, p.208.

[6] HR 18 september 1989, NJ 1988, 394 (Bluf!).

[7] Wikileaks, ‘About Wikileaks’ <www.wikileaks.org>;website inmiddels niet meer toegankelijk, slechts door afzonderlijke ‘mirrors’ vgl. <www.wikileaks.nl>.

[8] EHRM 27 maart 1996 (Goodwin t. Verenigd Koninkrijk).

[9] Aanwijzing toepassing dwangmiddelen journalisten, Ministerie van Justitie 1 april 2002.

[10] EHRM 20 mei 1999 (Bladet Tromso & Stensaas t. Noorwegen).

[11] A.J. Nieuwenhuis, Over de grens van de vrijheid van meningsuiting, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2006, p. 297.

[12] EHRM 26 april 1979 (Sunday Times t. Verenigd Koninkrijk).

[13] EHRM 25 maart 2006 (Stoll t. Zwitserland).

[14] HR 10 mei 1996, NJ 1996, 578.

[15] ‘Zembla: De rebellen van Wikileaks’, VARA Nederland 2, 18 december 2010.

[16] L. Prakke, C.A.J.M. Kortmann, Het staatsrecht van 15 landen van de Europese Unie, Deventer: Kluwer, 2009, p. 1007.

[17] L. Prakke, C.A.J.M. Kortmann, Het staatsrecht van 15 landen van de Europese Unie, Deventer: Kluwer, 2009, p. 1010.

[18] Wired: Threatlevel, ‘Documents in Julian Assange Rape Investigation Leak Onto Web’ <www.wired.com>.


  • 0

Gevangeniseiland Bastøy: een alternatief voor de gesloten gevangenis?

Door Nikki Koops

Een idyllisch eilandje aan de kust van Noorwegen. Mannen zijn de hele dag druk bezig met allerlei werkzaamheden. Ze kappen bomen om er vervolgens in de houtzagerij een vakantiehuisje van te bouwen. Ze verzorgen de dieren, zoals koeien en schapen, om ze later op de markt te verkopen. Ze zwemmen in de zee of spelen een potje voetbal. Dit is de dagelijkse werkelijkheid op gevangeniseiland Bastøy. De filosofie van het gevangenisbeleid is gebaseerd op de gedachten van Bear Heart, een indiaanse spiritueel leider: ‘Behandel je een mens als een beest, dan wordt het een beest. Behandel je een mens als een crimineel, dan wordt het een crimineel. Behandel je een mens als een mens, dan wordt het een mens.’[1] Gelet op de schreeuw om strengere en zwaardere straffen van de samenleving en de politiek, is het goed om ook eens te kijken naar een mogelijk alternatief voor de gesloten gevangenis.

De gevangenis

De gevangenis bevindt zich op het gelijknamige eiland Bastøy dichtbij Oslo en is onderdeel van de Horton gemeenschap.[2] De gevangenis omvat het hele eiland, hoewel het noordelijke deel de status heeft van een recreatiegebied. De gevangenis fungeert tevens als een aparte kleine gemeenschap met overige gebouwen, wegen, landbouwgrond en bos. Verder zijn er op het eiland ook winkels, een kerk, bibliotheken en faciliteiten voor gezondheidszorg. Uit de documentaire van Michiel Kapteijns, die hij maakte over Bastøy[3], komt goed naar voren dat de gevangenen elk een aparte functie hebben in deze gemeenschap. Door deze aanpak leren ze niet alleen om weer voor zichzelf te zorgen, maar ook voor anderen. Dit is een groot verschil met het leven in een gesloten gevangenis.

Het beleid wordt uitgevoerd vanuit ecologische waarden en begrippen. Dit betekent ten eerste dat de landbouw biologisch is, dat alle afval verwerkt wordt en dat er een constante focus is op het minimaliseren van de uitstoot van CO2. Maar de menselijke ecologische gedachte is veel meer dan dit. Menselijke Ecologie is de studie van relaties tussen mens en natuur, alles nauw met elkaar verbonden in een web van interactie.[4] Het richt zich ook op de manier waarop mensen elkaar en de natuur beïnvloeden. Deze gedachte wordt in Bastøy toegepast door de medewerkers, doordat zij  gefocust zijn op relaties met en tussen de gevangenen en respect hebben voor elkaar. Maar daarnaast hebben zij ook respect voor het gebruik en beheer van het milieu. Dit zijn belangrijke waarden die in de gevangenis en binnen de gemeenschap worden gewaarborgd.

De meeste gevangenissen in Noorwegen hebben hetzelfde beleid, maar verschillen van Bastøy door een andere uitvoering. Een belangrijk beginsel dat hiermee verbonden is, is het normaliteitsbeginsel. Dit beginsel houdt in dat het leven in de gevangenis op een zo groot mogelijke manier moet lijken op het ‘normale’ leven. De aard van het gebouw bepaalt natuurlijk in grote mate hoe ver dit beginsel kan worden doorgevoerd. Het is vanzelfsprekend dat het leven op Bastøy meer lijkt op het ‘normale’ leven, dan het leven in een gesloten gevangenis. Het algemene gevangenissysteem gaat uit van sobere opsluiting, dit in tegenstelling tot het systeem op Bastøy. Het kent een regime dat gedetineerden bijna geen bewegingsvrijheid laat. Uit de hoge recidivecijfers trok Noorwegen echter de conclusie dat een andere aanpak wellicht meer vruchten zou afwerpen. Die aanpak lijkt te werken: van de gedetineerden op Bastøy recidiveert slechts dertig procent. Het percentage in de rest van West-Europa ligt tussen de zestig en zeventig.[5]

Er zijn grote verschillen tussen de gesloten gevangenis en Bastøy. Eén van de gedetineerden uit de documentaire geeft aan dat je in een gesloten zetting geen sociaal leven hebt, je leeft alleen op jezelf. Het lijkt niet op het ‘echte leven’, het leven in de samenleving. Tevens heb je alleen maar, naar zijn zeggen, ‘domme’ dingen te doen zoals kaarten. Je bent niet bezig met werkzaamheden die  later van toepassing kunnen zijn in de samenleving. Alles wat je doet is om de tijd te doden, om dichterbij dat punt te komen dat je weer vrij bent. In Bastøy daarentegen leef je samen met anderen in een huis. Je bent daarom ook verplicht om te socialiseren. Bovendien doe je goede werkervaring op die later van pas kan zijn bij het vinden van een baan. Er zijn geen tralies en geen gesloten deuren, je hebt daarom ook meer keuzevrijheid. Hoe je met die keuze om gaat is je eigen verantwoordelijkheid; zo leren de gevangen weer om de juiste keuzes voor zichzelf te maken. In een gesloten gevangenis hoef je niet na te denken, daar wordt voor je gedacht.

De gevangenen

Bastøy heeft op dit moment 115 gevangenen. De meeste van die 115 hebben eerst in gesloten gevangenissen gezeten. Sommige zijn rechtstreeks in Bastøy geplaatst. Het is een gevangenis voor veroordeelden die een lange termijn moeten uitzitten. De gemiddelde straf is ongeveer 5 jaar en de gemiddelde leeftijd is net onder de 40 jaar.[6] De gevangenen vormen een doorsnee van de Noorse gevangenispopulatie: er zitten zedendelinquenten, drugshandelaren, fraudeurs, maar ook moordenaars. Officieel weten de gevangenen niet van elkaar waarvoor ze zijn veroordeeld, maar in werkelijkheid weten ze het van iedereen. Dit komt in de documentaire ook duidelijk naar voren, één van de gevangenen geeft daarin aan dat als hij in een gesloten gevangenis met een zedendelinquent had gezeten, hij hem had doodgeslagen. Op Bastøy heeft hij nog nooit met zo iemand in een huis gewoond: dat zou dan ook niet goed gaan, zoals hij zelf aangeeft.

Het doel van Bastøy is om de gevangen te straffen voor hun daden, maar tegelijkertijd te werken aan verandering en motivatie. Om een overplaatsing mogelijk te maken dienen de gevangenen dit zelf aan te vragen. De aanvraag moet iets zeggen over je plannen en je motivatie. Belangrijke factoren die een rol spelen bij de beoordeling van een overplaatsing zijn onder andere de rol van de gevangenen bij de georganiseerde misdaad en het risico van ontsnapping.[7] In ruil voor een grote vrijheid, unieke kansen voor zelfontplooiing en een kans op een andere levensstijl, moeten de gevangenen zelf de verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen leven en zich houden aan de eisen die aan een verblijf aan Bastøy worden gesteld.

Ook voor veroordeelde drugsverslaafden biedt Bastøy een kans voor opvang en behandeling. Er is een eenheid van medewerkers aanwezig die gespecialiseerd is in de geestelijke gezondheid en de behandeling van deze verslaafden. Tijdens de detentie wordt een detentieplan uitgestippeld met de doelstelling om te werken aan goede vrijlating en de rechten van de gedetineerden te waarborgen, zowel tijdens als na detentie. Het doel is om de gevangenen te motiveren een drugsvrij leven te kiezen na de vrijlating, dit met een focus op de verbetering van de opvang en behandeling van drugsverslaafden in de gevangenis.[8] Voor de andere gedetineerden zijn er educatieve praatgroepen. De inhoud van de gesprekken is gericht op het motiveren en helpen om te veranderen en het aanpakken van probleemgedrag.

De gevangenen kunnen vrij rondbewegen op het eiland, maar met een paar uitzonderingen. Alle gevangenen moeten tussen 11 uur ‘s avonds en 7 uur ‘s ochtends verplicht in hun huizen aanwezig zijn en mogen die dan ook niet verlaten. Op vastgestelde tijden vindt er vier keer per dag een telling plaats. Het tellen van de gevangenen heeft een hoge prioriteit vanwege de veiligheid en de controle. Het doel hiervan is om de eigen veiligheid van de gevangenen te waarborgen en de gevangenen ten alle tijde onder controle te houden. Overdag zijn de gevangen vrij om te gaan waar ze willen, als ze geen werk verplichtingen hebben. Degene die op de boot werken, mogen zelfs het vasteland op om een krant te halen voor de directeur of een ijsje voor zichzelf. De gevangenis heeft vijf telefooncellen die de gevangenen op bepaalde tijden mogen gebruiken om te bellen. De gevangenen moeten hiervoor telefoonkaarten kopen in de winkel op Bastøy. Familieleden kunnen ook terug bellen, zodat de gesprekskosten niet in rekening worden gebracht. Mobiele telefoons zijn niet toegestaan. Alle post wordt eerst door de officieren ontvangen en de gevangenen mogen dit alleen openen in het bijzijn van een officier.

Gevangenen kunnen enkele kleine persoonlijke voorwerpen met hen meenemen in de gevangenis. Enkele voorbeelden hiervan zijn: eigen kleding, een dvd-speler, een eigen televisie of objecten die gerelateerd zijn aan vrije tijd en hobby-activiteiten. Camera’s zijn niet toegestaan. Bastøy wil de gevangenis drugsvrij maken/houden en de gevangenen in de gelegenheid stellen om een einde te maken aan hun eigen misbruik. Het is illegaal voor de gevangenen om middelen te gebruiken in de zin van alcohol en verdovende middelen. Om dit te controleren worden er elke dag urinemonsters afgenomen.[9]

De medewerkers

Er zijn op Bastøy een filiaal manager, een jurist, een adviseur en drie maatschappelijk werkers aanwezig. De afdeling van officiers behandelt alle verzoeken voor overplaatsing naar Bastøy. Zij zijn ook verantwoordelijk voor de toezicht op de verwerking van gerechtelijke stukken en de samenwerking met de rechter op dit punt. Zij kunnen de gevangenen doorverwijzen naar de drie maatschappelijk werkers. De maatschappelijk werkers hebben de gevangenen onderling verdeeld en zijn persoonlijk verantwoordelijk voor 25 tot 45 gevangenen. Ze werken nauw samen met de officieren om met name te werken aan een goed verloop van de vrijlating.

De bewakers op Bastøy zijn mensen met een professionele achtergrond in het gevangeniswezen. Hun belangrijkste taak is de controle en het bewaken van de veiligheid, toezicht houden op het te verrichten werk en gerichte inspanningen te leveren voor het milieu.[10] Alle verdachten worden toegewezen aan een contactpersoon in de vorm van een officier. Deze officier voert een eerste gesprek met de veroordeelde tijdens de eerste twee weken op Bastøy. Samen bespreken ze onder andere de kennis en de ervaring van de veroordeelde. De officier is er verder om informatie te verstrekken, helpen met aanvragen en hulp te verlenen bij het onderhouden van contacten met de buitenwereld.

De bewakers in gesloten gevangenissen staan vaak lijnrecht tegenover de gevangenen. Als je als gedetineerde met een bewaker praat, wordt je gezien als een verrader. Deze bewakers hebben veel macht, zij bepalen wat een gevangene op een bepaald moment mag doen. Dit machtsgevoel kan rare dingen met een mens doen. Op Bastøy wordt er anders met de gevangenen om gegaan. Ten eerste bepalen de bewakers niet wat de gevangenen mogen doen, dit doen de gevangenen zelf. Tevens worden de gevangenen met respect behandeld en mede daardoor behandelen zij de bewakers ook met respect. Een voorbeeld hiervan is dat de gevangenen ‘s ochtends niet bruut worden gewekt met een klap op de deur, maar er wordt netjes op de deur geklopt en ze worden altijd gewekt met een ‘goedemorgen’. Dit respectvol benaderen van elkaar is één van de belangrijkste succesfactoren. Een groot verschil tussen de bewakers in Nederland en die in Noorwegen, is dat de bewakers in Noorwegen veel hoger opgeleid zijn dan die in Nederland. In Nederland hebben de bewakers gemiddeld een MBO-diploma, terwijl de bewakers in Noorwegen een academisch niveau hebben.[11] Voorheen moest er zelfs na een academische opleiding nog een interne cursus worden gevolgd, voordat een bewaker in een gevangenis mocht werken.

Bezwaren uit de samenleving

Recentelijk vond op de universiteit van Tilburg een symposium genaamd ‘de toekomst van de gevangenis’ plaats, waar ook Michiel Kapteijns aanwezig was.[12] Hij hield daar een presentatie over Bastøy en naderhand werden de aanwezigen in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen. De vraag die daarbij steeds weer naar voren kwam was: “Is dit wel straf?”. Deze vraag is te beantwoorden aan de hand van hetgeen de gevangenen zelf zeggen: “Vergeleken met een gesloten gevangenis is het hier hemels. Vergeleken met vrijheid is het nog steeds de hel.” De gevangenen zitten een straf uit en zijn niet vrij om te gaan waar ze willen. Een voorbeeld hiervan is een van de hoofdpersonen van de documentaire die zijn beste vriend verliest aan zelfmoord. De gevangene vertelt dat als hij niet had vastgezeten hij dit misschien wel had kunnen voorkomen, en anders naar de begrafenis had kunnen gaan. Maar dat is nu niet mogelijk. Ook moeten de gevangenen zich aan alle regels houden, een overtreding heeft direct grote consequenties. Als er bijvoorbeeld drugs in je kamer wordt gevonden, wat absoluut niet mag, sta je binnen het kwartier weer op het vaste land en wordt je meteen terug gebracht naar een gesloten gevangenis. Daarom zijn er ook zelden incidenten, de consequenties zijn te groot als er wel wat gebeurd.

Een andere vraag die naar voren kwamen was: “Is het niet wrang dat de daders een (relatief) goed leven op Bastøy hebben, terwijl het leed van de slachtoffers zo groot is? Hoe wordt er met de slachtoffers rekening gehouden?” Door deze manier van straffen verklein je natuurlijk niet het directe leed, maar wel het indirecte. Doordat de recidive veel lager is, zijn er indirect minder slachtoffers en dus ook minder leed. Maar direct verklein je niet het slachtofferleed. Er bestaat ook geen extra compensatie voor de slachtoffers. Dit is in Nederland ook nog steeds niet goed geregeld.

De nieuwe Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, Fred Teeven, heeft benadrukt wat te willen doen aan het herstel van het ontstane leed. Deze herstelrechtelijke benadering heeft tot dusver in Nederland nog niet veel aandacht gekregen, dus het is interessant om te kijken wat er in de toekomst voor oplossingen voor dit probleem worden gevonden.[13]

Bastøy in Nederland?

Wat in Nederland het meest op Bastøy lijkt, zijn de half open of open inrichtingen. Dit type inrichtingen verschilt van gesloten inrichtingen door de aanwezigheid van minder beveiliging, meer vrijheden in de vorm van verlofmogelijkheden en contacten met de buitenwereld en een sterker accent op activiteiten ten behoeve van resocialisatie. Het gebruik van half open of open inrichtingen is een uitwerking van het beginsel van detentiefasering. Dit beginsel houdt in dat binnen detentie aan gedetineerden een perspectief op verbetering en (maatschappelijk) herstel wordt geboden. Belangrijk (oorspronkelijk) uitgangspunt bij de toepassing van een half open of open detentie in Nederland is dat met name langer gestraften niet of zo kort mogelijk in een gesloten gevangenis worden geplaatst en zodra dit verantwoord is, eventueel gefaseerd in een half open en of open inrichting worden geplaatst.[14] Zo worden er betere voorwaarden gecreëerd voor de terugkeer in de samenleving, door toenemende gradaties van vrijheid, openheid en contacten met de samenleving.

Er bestaan in Nederland dus wel vergelijkbare instellingen, maar het wezenlijke verschil tussen Bastøy en het beginsel van detentiefasering is dat een gevangene bij de detentiefasering in de laatste fase van zijn straf zit. Naarmate de gedetineerde dichterbij zijn vrijlating komt, krijgt hij meer vrijheden. Op Bastøy kan je je hele straf uitzitten, het is dus niet zo dat je pas na een paar jaar meer vrijheden krijgt, die zijn over je hele straf hetzelfde verdeeld. Hier werk je vanaf het begin van je straf aan een goede terugkeer in de samenleving, in Nederland begint dat meer aan het einde van je straf. Het principe van Bastøy zal in Nederland een mooi alternatief zijn voor de mensen die overbeveiligd in de gevangenissen zitten. Het grootste deel van de mensen die in de gesloten gevangenissen zitten, wachten het verdere verloop van hun zaak af en zijn dus nog niet onherroepelijk gestraft door de rechter. Het is daarom ook vreemd dat deze mensen wel op het hoogste niveau worden beveiligd. Voor deze mensen zou een gevangenissysteem als Bastøy een beter alternatief zijn.   

Tot slot

Bastøy is een voorbeeld van een alternatief voor de gesloten gevangenis. Door de gevangenen de regie over hun eigen leven terug te geven, leren ze weer voor zichzelf te zorgen en eigen keuzes te maken. De verschillen tussen Bastøy en een gesloten gevangenis zijn zeer groot. Waar bij de één gelijkwaardigheid, respect en keuzevrijheid voor op staat, is dat bij de ander ongelijkwaardigheid en eenzaamheid. Als je mensen met respect behandelt krijg je dit in de meeste gevallen ook terug: dit is een van de belangrijkste uitgangspunten van Bastøy.

De vraag of dit leven op het gevangeniseiland wel als een straf valt te kwalificeren is te beantwoorden aan de hand van hoe de gevangenen dit zelf ervaren. Vergeleken met een gesloten gevangenis is het de hemel, maar vergeleken met vrijheid is het nog steeds de hel. Je ontneemt personen nog steeds hun vrijheid, wat de gedachte is achter een gevangenisstraf. Het is bewezen dat deze methode werkt, de recidivecijfers van Bastøy zijn veel beter dan die in de rest van Europa. Een vraag die jij jezelf kunt stellen is de volgende: wie heb je liever naast je wonen, een persoon die vijf jaar in een gesloten cel heeft gezeten en alleen maar crimineler is geworden of een man die vijf jaar aan zichzelf en het contact met anderen heeft gewerkt en weer (normaal) kan functioneren in de samenleving?

Of een dergelijk project ooit in Nederland mogelijk zal zijn is toekomstmuziek, maar gelet op de hedendaagse politiek en de algemene vraag naar zwaardere straffen, lijkt het niet realistisch om te verwachten dat er in de nabije toekomst gestart wordt met een soortgelijk project in Nederland. Voordat er in Nederland een dergelijk project kan worden gerealiseerd zal er eerst voor moeten worden gezorgd dat de communicatie met de achterban wordt verbeterd. De slachtoffers, de burgers en ook de gedetineerden vormen samen het draagvlak in de samenleving en zonder dit draagvlak is verandering niet mogelijk.


[1]    http://www.bearheart.info.

[2]    http://www.bastoyfengsel.no.

[3]    http://www.bastoythemovie.com.

[4]    http://www.eci.ox.ac.uk.

[5]    National studies on recidivism: an inventory of large-scale recidivism research in 33 European countries.

[6]    http://www.bastoyfengsel.no.

[7]    http://www.bastoyfengsel.no.

[8]    http://www.bastoyfengsel.no.

[9]    http://www.bastoyfengsel.no.

[10]  http://www.bastoyfengsel.no.

[11]  http://www.krus.no.

[12]  http://www.magisterjft.nl.

[13]  P. Ph. Nelissen , A.A. van den Hurk, A.J.G. Daans, Detentie in essentie, p. 5.

[14]  P. Ph. Nelissen, Resocialisatie, Detentiefasering en het gebruik van minder beveiligde, halfopen en open inrichtingen, p. 1.


  • 0

Het verhaal van Henk H: onschuldig gevangen of koelbloedige moordenaar?

Door Stephanie Delauw

In het voorjaar van 2002 wordt het lichaam van Pim Overzier (verder te noemen: Pim) gevonden in een bos bij Dronten. Zijn lichaam ligt in een 95 centimeter diep graf. Henk H. (verder te noemen: Henk) wordt op 12 februari 2003 veroordeeld voor de moord op Pim en krijgt een straf van 20 jaar cel opgelegd. Dit oordeel wordt in hoger beroep bevestigd. De Hoge Raad verwerpt het cassatieverzoek, waardoor de veroordeling onherroepelijk wordt. Of de veroordeling terecht is, wordt betwijfeld.[1] Rechtsfilosoof en oud-hoogleraar Ton Derksen heeft de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) gevraagd de zaak te onderzoeken. De CEAS deelt zijn bevindingen in zijn rapport dat is geopenbaard op 26 januari 2011.

Het Openbaar Ministerie (OM) komt de laatste jaren niet erg positief in beeld door herzieningen waaruit blijkt dat de veroordeelde onschuldig is. Voorbeelden hiervan zijn de Puttense moordzaak, de Schiedammer parkmoord en de meer recente zaak van Lucia de Berk. De vraag die nu speelt is of Henk ook aan dit rijtje toegevoegd kan worden. Volgens de CEAS is dat niet nodig, zij vinden dat er geen manco’s zijn in de opsporing.[2] Aan de andere kant staat de visie van onder andere Derksen, die in zijn boek het ene manco na het andere aandraagt.[3] In dit artikel zal eerst de argumentatie van het OM en de verklaring van Henk kort uiteen worden gezet. Vervolgens zullen de punten die de CEAS in zijn rapport onderzoekt, worden besproken. Hierbij zal ook de visie van de verdediging worden weergeven. Tot slot zal worden besproken hoe het nu, na dit rapport van de CEAS, verder zal gaan met deze zaak.

De argumentatie van het OM

Het OM denkt dat de zaak als volgt in elkaar steekt: de vermoorde man, Pim, had een oogje op Henks vriendin, Rianne. In november 2001 stuurt hij haar een brief of een kaartje met een verzoek om elkaar te ontmoeten. Vervolgens leest Henk dit kaartje en houdt deze verborgen voor Rianne. Vervolgens belt Henk, gedreven door jaloezie naar Pim, waarbij hij zich voordoet als datingservice. Pim wordt door hem uitgenodigd voor een blind date met een vrouw. In deze vrouw meent Pim Rianne te herkennen. Op de bewuste avond haalt Henk Pim op met zijn auto en brengt hem om het leven. Vervolgens begraaft Henk het lijk in het Reve-Abbertbos te Flevoland.[4]

De verklaring van Henk

Henk ontkent de aantijgingen door het OM. Hij geeft de volgende verklaring: Pim zou met een 16-jarige jongen contact hebben gehad. De moeder van deze jongen, Ruth, wil dit contact stoppen en neemt contact op met de politie, maar dit mag niet baten. Daarop neemt ze een privédetective in de arm om op die manier een einde te maken aan het contact tussen Pim en de jongen. Deze detective ontdekt dat Pim regelmatig te vinden is in de buurt van het huis van Rianne. Daarom neemt Ruth contact op met Henk. Om Pim onopgemerkt te kunnen volgen, leent de detective de auto van Henk. Die avond gaat er van alles mis. Pim overlijdt aan een acute hartdood op een homo-ontmoetingsplaats. Er breekt paniek uit onder de aanwezige mannen, omdat zij bang zijn dat hun identiteit bekend wordt, wanneer zij naar de autoriteiten zouden stappen. Om dit te voorkomen brengen zij de overleden Pim naar een andere homo-ontmoetingsplek, waar zij hem begraven. Tijdens het proces wijzigt Henk zijn verhaal meerdere malen.[5]

Het CEAS-rapport

De CEAS is ingesteld naar aanleiding van het onderzoeksrapport van de Commissie Posthumus inzake de Schiedammer parkmoord. In deze strafzaak bleek achteraf dat de veroordeelde, ondanks alle beroepsprocedures doorlopen te hebben, toch onterecht veroordeeld was, zodat er sprake was van een justitiële dwaling. De CEAS is ingesteld door het College van procureurs-generaal en bestaat uit verschillende advocaten-generaal, strafrechtswetenschappers, voormalig politiefunctionarissen en (oud) advocaten. Uit deze groep wordt door het College voor elk toegewezen voorstel een driemanschap geformeerd dat het onderzoek uitvoert. De CEAS heeft tot doel om na te gaan of zich in de opsporing van strafbare feiten of in de behandeling van de daaruit voortgekomen strafzaken, ernstige tekortkomingen hebben voorgedaan, die een evenwichtige beoordeling van de feiten door de rechter in de weg hebben gestaan.[6]

De conclusies uit het CEAS rapport

Het College van procureurs-generaal benoemen het driemanschap, bestaande uit W.P.A. Korver, Th. A. de Roos en J. Wilzing (verder: het driemanschap) en geven hen een aantal onderzoeksopdrachten mee.[7] Deze zullen ieder afzonderlijk worden behandeld, waarbij ook de visie van de verdediging zal worden weergegeven.

Het proces-verbaal

Ongeveer vijf weken na de vermissing van Pim, op 9 januari 2002, vinden twee spelende jongens een jas in het Reve-Abbertbos. In de zakken van de jas vinden zij een mobiele telefoon, een sleutelbos en een flesje met parfum. De vondst van deze jas zou later in het onderzoek naar de vermissing van Pim van cruciaal belang blijken te zijn. Pim wordt namelijk pas een maand later gevonden. Het is dan door het lange tijdsverloop niet meer mogelijk de doodsoorzaak eenduidig vast te stellen. In het proces-verbaal staat dat er in januari al naspeuringen zijn verricht door de politie, maar Jurjan R., de vinder van de jas, heeft verklaard dat de politie pas in maart met hem de vindplaats heeft bezocht. Als dit waar is, dan zou de datum in het proces-verbaal niet kloppen.[8] Dit vermoedelijk meinedig handelen wordt voor het eerst opgeworpen door de particuliere rechercheurs J.H. Paalman en C.E.A. de Roy van Zuydewijn. Dit wordt vervolgens ook geopperd door dhr. Vis en prof. dr. van Koppen.[9]

In januari 2008 worden Jurjan R. en zijn moeder in één sessie en in elkaars aanwezigheid geïnterviewd door prof. dr. van Koppen, advocaat mr. Acda en dhr. Vis. Volgens het driemanschap is deze manier van interviewen niet correct geweest. Op grond hiervan en enkele andere onderzoekshandelingen, komt het driemanschap tot de conclusie dat het door de agent opgemaakt proces-verbaal geen valselijk opgemaakt proces-verbaal is.[10] Volgens het driemanschap heeft de agent enkel een vergissing gemaakt in het proces-verbaal, hij heeft namelijk een foute datum ingevoerd.[11]

De anonieme brieven

In deze zaak zijn er in totaal tien anonieme brieven ontvangen door verschillende instanties en personen. Deze brieven bevestigen het verhaal van Henk. Door Derksen worden deze brieven betrouwbaar geacht, onder meer omdat de bronnen onafhankelijk zijn, Henk als bron is uitgesloten en de gedeelde informatie geen publieke informatie bevat.[12] Hoewel de inhoud van sommige brieven interessant is, is het driemanschap van mening dat er weinig waarde aan de brieven kan worden gehecht, onder meer omdat de briefschrijvers nooit in de openbaarheid zijn getreden. De betrouwbaarheid van de bronnen kan dus niet worden vastgesteld.[13]

De uitnodiging van Pim

Op 30 november 2001 vindt Henk in de brievenbus van Rianne een kaartje van Pim. Pim nodigt in dit kaartje Rianne uit om een keer af te spreken. Henk zou vervolgens, verblind door jaloezie, vanuit een telefooncel Pim hebben gebeld en zich hebben voorgedaan als medewerker van een relatiebureau. Er wordt afgesproken dat Pim op 4 december een blind date heeft. Na deze datum is Pim spoorloos. Het wel of niet versturen en de datum en het tijdstip waarop de kaart door Pim is verstuurd, zijn dus belangrijke vragen voor het onderzoek. Als het kaartje namelijk niet is verstuurd of als Henk dit kaartje niet heeft gelezen, komt het aangedragen motief op losse schroeven te staan. Een getuige heeft volgens dhr. Vis verklaard dat Pim de kaart niet op 29 november 2001 heeft verstuurd. Deze getuige is bij Pim geweest op de dag dat de kaart verstuurd zou zijn. Volgens Vis zou deze verklaring echter niet in het proces zijn betrokken. Vis schrijft over deze getuige in zijn boek onder andere het volgende:

“(…) die waarheid stelt de aanleiding voor de moord op losse schroeven en pleit de vermeende moordenaar van zijn vriend dus vrij. Hoewel V. twee keer is verhoord – beide keren met dezelfde vragen en antwoorden – liet aanklager Wemes zijn verklaring buiten de rechtszaal. Geen wonder, want als V. voor de rechters zou herhalen wat hij de politie had verteld zou justitie ernstig in verlegenheid zijn gebracht.”[14]

Tegenover het driemanschap verklaart de getuige dat er die avond helemaal niet specifiek is gesproken over het tijdstip van het versturen van de kaart. De getuige zou enkel het gevoel hebben gehad dat Pim het kaartje de avond van 29 november 2001 nog niet had verstuurd. Volgens het driemanschap kunnen politie en justitie, op grond van andere verklaringen, dus tot de conclusie komen dat Pim het kaartje wel op 29 november 2001 naar Rianne heeft verstuurd.[15]

Ook de beschuldiging van Vis tegen de officier van justitie is niet correct. In zijn requisitoir besteedt de officier van justitie namelijk uitdrukkelijk aandacht aan de getuigenverklaring van V.:

“Er is slechts één getuige die verklaart dat Pim het kaartje op voornoemde donderdag 29 november 2001 niet op de post zou hebben gedaan”.[16]

De herkenning van Henk door een getuige

Op 27 maart 2002 meldt getuige S. zich bij de politie. Zij zou op de avond van de moord, vlakbij de plek waar Pim is gevonden, een man met een donkerblauwe Volvo hebben gezien. De auto stond vast in de modder. De bestuurder stond midden op de weg om haar te laten stoppen. Zij heeft deze man geholpen door zijn auto uit de modder te trekken. Toen de man de auto’s aan elkaar vastmaakte met een touw, heeft zij een goed beeld van hem kunnen krijgen. Op bevel van de rechter-commissaris heeft er een fotoconfrontatie plaatsgevonden.

Vis, Van Koppen en Derksen hebben kritiek op de fotoconfrontatie. De personen die voorkomen in de fotoconfrontatie zijn naar hun mening ten onrechte gebaseerd op het uiterlijk van Henk. De personen hadden geselecteerd moeten worden op basis van de omschrijving zoals die gegeven is door getuige S. Verder had de verbalisant, nadat getuige S. foto 4 aanwees, niet de vraag mogen stellen of getuige S. nog iets anders wilde verklaren dat van belang kon zijn.[17] Zij wees naar aanleiding van deze vraag foto 5, Henk, aan. Zij verklaart daarbij dat ze deze foto van Henk vindt lijken op de foto die ze in eerste instantie aanwees. Het driemanschap komt tot de conclusie dat het uiterlijk van Henk niet zoveel afwijkt van het door getuige S. opgegeven signalement als door de verdediging wordt beweerd. Getuige S. geeft namelijk alleen een ander signalement met betrekking tot het haar en de leeftijd. Bovendien wordt de foto van Henk terecht als uitgangspunt genomen, omdat men bij een bewijsconfrontatie uitgaat van het uiterlijk van de verdachte.[18] Wat betreft de vraag van de verbalisant aan de getuige of zij nog iets anders wil verklaren dat van belang kan zijn, komt het driemanschap tot de conclusie dat dit past in een verhoor na de confrontatie.[19]

De bats in Henks tuin

Er is een bats in de tuin van Henk gevonden waarop diatomeeën zijn aangetroffen van een soort die een zeer sterke overeenkomst vertoont met de soort diatomeeën die zijn gevonden in de diepere lagen van het graf.[20] Dit heeft zowel de rechtbank als het hof als bewijsmiddel gebruikt.[21] Henk stelt dat de bats niet van hem is en dat iemand anders de bats in zijn tuin heeft neergezet om hem te belasten.[22]

Het driemanschap komt tot de conclusie dat niet kan worden uitgesloten dat een derde de bats in de tuin van Henk heeft geplaatst, maar acht dit hoogst onwaarschijnlijk.[23] Dit baseert zij onder meer op het feit dat de bats twee maanden voordat het lichaam van Pim werd gevonden, in Henks tuin werd aangetroffen. Degene die de bats daar heeft geplaatst moet dan hebben geweten dat het graf van Pim zou worden gevonden, Henk als verdachte van de moord op Pim zou worden aangehouden en de diatomeeën, of in elk geval de soort grond op de bats, bij de bewijsvoering een rol zouden gaan spelen.

Het driemanschap heeft buiten de opdrachten van het College van procureurs-generaal om, nog enkele belangrijke punten onderzocht, namelijk de doodsoorzaak en de reconstructies.

De doodsoorzaak

Naar het oordeel van Derksen hoeft er geen sprake te zijn van een onnatuurlijke dood. Pim hoeft dus niet om het leven te zijn gebracht. Derksen wijst erop dat een acute hartdood ook een mogelijkheid is die binnen de onderzoeksbevindingen past.[24] Dr. Visser heeft aangegeven dat hij geen doodsoorzaak kon vinden. Verstikking past volgens hem binnen de onderzoeksbevindingen, hartfalen echter ook. Hij kan dus niet met honderd procent zekerheid vaststellen dat Pim door verstikking om het leven is gekomen. Het is dan ook niet alleen op grond van deze verklaring dat de rechtbank en het hof tot de conclusie komen dat Pim een onnatuurlijke dood is gestorven. Zij komen tot dit oordeel door de overige feiten en omstandigheden erbij te betrekken, zoals het feit dat Pim kilometers verwijderd is gevonden van zijn huis, op een afgelegen plek en in een diep graf.[25]

De reconstructies

Door de verdediging zijn in januari 2008 en februari 2009 reconstructies gemaakt waarbij werd onderzocht of Henk in staat was Pim te overmeesteren en het bos in te slepen of te dragen. Volgens de verdediging kunnen deze reconstructies maar tot één conclusie leiden: Henk is niet in staat geweest Pim te overmeesteren, het bos in te dragen en te begraven. Henk zou dus ten onrechte veroordeeld zijn. Volgens het driemanschap zijn de uitgangspunten van de reconstructies gebaseerd op onjuiste gegevens met betrekking tot de lengte en het gewicht van Pim.[26] Bovendien zijn de bevindingen tot stand gekomen met medewerking van Henk. Zijn aandeel hierin is niet controleerbaar. Verder is er geen controle geweest door een onafhankelijke rechterlijke autoriteit en tot slot zijn alternatieve scenario’s niet bij de reconstructie betrokken.[27] 

Hoe nu verder?

Duidelijk is dat over deze zaak het laatste woord nog niet is gesproken. Zoals gebleken uit het voorgaande staat de visie van het driemanschap lijnrecht tegenover de visie van de verdediging en sommige wetenschappers. Hoe dit afloopt kan alleen de toekomst uitwijzen. In een interview zegt mr. Knoops, de advocaat van Henk: “Jammer dat de CEAS tot dit advies komt, maar aan de andere kant is het niet meer dan een advies. Dat wil zeggen, dat wij als verdediging nog steeds naar de Hoge Raad kunnen gaan. En dat zullen we ook zeker doen”.[28]


[1] Merel Thie, ‘Is Henk H. dan toch onschuldig?’, NRC 25 januari 2011, p. 5.

[2] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 434.

[3] T. Derksen is hoogleraar wetenschapsfilosofie. Hij heeft meerdere boeken gepubliceerd waaronder Lucia de B. Reconstructie van een gerechtelijke dwaling en Het O.M. in de fout.

[4] T. Derksen, Het O.M. in de fout, Diemen: Veen magazines 2009, p. 102 en 103.

[5] T. Derksen, Het O.M. in de fout, Diemen: Veen magazines 2009, p. 101.

[6] www.om.nl/onderwerpen/commissie_evaluatie.

[7] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 30.

[8] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 64 t/m 66.

[9] J. Vis is de auteur van  Het Rijk van de Bok. Prof. van Koppen is als hoogleraar verbonden aan de faculteit der rechtsgeleerdheid van de Vrije Universiteit en de auteur van  De slapende rechter.

[10] Voor het complete onderzoek door de CEAS zie: Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 64 t/m 149.

[11] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 144 t/m 149.

[12] T. Derksen, Het O.M. in de fout, Diemen: Veen magazines 2009, p. 124, 127 t/m 133.

[13] Zie verder: Rapport zaak CEAS 2007/0031, blz. 201 t/m 288.

[14]  J. Vis, Het Rijk van de Bok, Arnhem: Ellessey 2007, p. 142.

[15] Zie verder: Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 150 t/m 159.

[16] Requisitoir officier van justitie, 19 december 2002.

[17] T. Derksen, Het O.M. in de fout, Diemen: Veen magazines 2009, p. 113 t/m 115 en J. Vis, Het Rijk van de Bok, Arnhem: Ellessey 2007, p. 162 en 163.

[18] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 183.

[19] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 179.

[20] Bats: grote schop met opstaande randen. Diatomeeën: verzamelnaam voor kiezelalgen of kiezeldieren, gekenmerkt door gepaarde schalen, eencellige wieren.

[21] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 185.

[22] T. Derksen, Het O.M. in de fout, Diemen: Veen magazines 2009, p. 121 en 122.

[23] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 190 t/m 192.

[24] T. Derksen, Het O.M. in de fout, Diemen: Veen magazines 2009, p. 117 t/m 119.

[25] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 363.

[26] Zie: J. Vis, Het Rijk van de Bok, Arnhem: Ellessey 2007, p. 194

[27] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 396.

[28] ‘EenVandaag’, TROS en AVRO Nederland 1, 26 januari 2011.


  • 0

In de bres voor de Roma en Unie-speelgoed: nieuwe economische- en financiële controlemiddelen

Door Dirk Kuiken

De Europese Unie (EU) kent een bewogen 2010. Er moest niet alleen vanwege de crisis op financieel en economisch gebied flink aan de weg worden getimmerd, ook de mensenrechten binnen Europa kwamen uitgebreid aan bod met de ‘Roma-kwestie’ in Frankrijk. Daarnaast blijft het harmoniseren van de gemeenschappelijke markt ook een altijd terugkerend aandachtspunt. Zoals elk jaar heeft de EU ook voor 2011 veel op de agenda staan. Het zal geen verbazing wekken dat de aanpak van de financiële crisis en de situatie van de Roma niet ontbreken op de Europese agenda. Een vooruitblik op dit jaar: hoe zal de EU de problemen het hoofd bieden, welk bestuurlijk/juridisch raamwerk heeft zij tot haar beschikking en hoe wordt dit eventueel aangepast en aangevuld. Daarnaast zal er in dit artikel ook (kort) aandacht zijn voor de verdere harmonisatie van de gemeenschappelijke markt, met in het bijzonder de harmonisatie van de veiligheidswetgeving omtrent speelgoed.

De economische en financiële crisis

Met de komst van monetaire eenheid in Europa werd verondersteld dat the sky the limit was, de eenwording van Europa op dit punt zou ‘gigantisch’ economisch voordeel geven voor alle lidstaten. Met de crisis bleek dit al snel een utopie: de economisch zwakkere landen in de Unie bleken een achilleshiel voor de rest van de EU. Met deze wetenschap wil de EU niet stil blijven zitten maar spijkers met koppen slaan. Naast een eerdere reeks van maatregelen is daar nu -naast het noodfonds- een nieuwe maatregel bijgekomen, gericht op de aanpak van de crisis. Deze maatregel voorziet in maar liefst vier financiële surveillanten. Alle vier de instanties zijn met ingang van 1 januari 2011 in werking getreden en zullen in 2014 op volle oorlogssterkte zijn. Met een budget van minstens 69 miljoen euro en een personeelsbestand van minstens 270 personen moeten deze instanties een nieuwe crisis in Europa voorkomen.[1] Deze surveillanten vormen samen de European System of Financial Supervision (ESFS).

De eerste surveillant is de European Banking Authority (EBA), ingesteld door  verordening Nr. 1093/2010 door het Parlement en de Raad. Volgens art. 1 van deze verordening heeft de EBA als taak de banken te controleren op hun bedrijfsvoering. De transacties moeten transparant zijn, de risico’s mogen niet onverantwoord zijn en de concurrentie moet eerlijk blijven. Hierbij heeft de EBA een aantal bevoegdheden die hoofdzakelijk bestaan uit het geven van adviezen, aanbevelingen en richtsnoeren.[2] Hierbij kunnen ze rechtstreeks de banken aanspreken. Bij de uitoefening van deze bevoegdheden werkt de EBA nauw samen met de Europese Commissie (hierna: de Commissie) en kan de Commissie de EBA te allen tijde overrulen (art. 1 lid 4) wanneer de taken van de Commissie en de EBA elkaar overlappen.[3] Tevens dienen alle ESFS-surveillanten verantwoording af te leggen aan het Parlement en de Raad.[4]

De tweede surveillant is de European Insurance and Occupational Pensions Authority (EIOPA), gegrondvest op verordening Nr. 1094/2010 door het Parlement en de Raad. De EIOPA dient ter vervanging van de Committee of European Insurance and Occupational Pensions Supervisors (CEIOPS) en heeft als doel het monitoren van verzekeringsmaatschappijen (art. 1). De bevoegdheden zijn vrijwel identiek aan die van de EBA en de relatie tussen de Commissie en de EIOPA is op dezelfde voet als tussen de EBA en de Commissie (art. 1 lid 5).

De derde surveillant is de European Securities and Markets Authority (ESMA). Verordening Nr. 1095/2010, ingesteld door het Parlement en de Raad, vormt het constitutionele document voor deze instantie. De taken van de ESMA richten zich tot de marktdeelnemers en zien op de controle van hun aandelenbeleid en -waar nodig- hun ondernemingsbestuur, auditing en financiële verslaglegging, om hiervan ‘effectieve en consistente toepassing’ te waarborgen. Tevens houdt de ESMA zich bezig met overnames van marktdeelnemers. Verder zijn ook hier de bevoegdheden en de relatie met de Commissie nagenoeg gelijk aan die van de EBA en de EIOPA.

De vierde surveillant is de European Systemic Risk Board (ESRB), hiervan is verordening Nr. 1092/2010 de juridische basis.  De ESRB is ingesteld door het Parlement en de Raad en houdt zich bezig met toezicht op het Europese financiële stelsel in zijn geheel. De bevoegdheden van de ESRB richten zich, anders dan bij de andere surveillanten, niet tot specifieke instanties, maar tot een systeem in het geheel. De ESRB beperkt zich dan ook tot het afgeven van waarschuwingen, aanbevelingen en het verstrekken van informatie. Ook de verhouding met de Commissie is anders: aangezien de ESRB zich beperkt tot het geven van adviezen en informatie verzameling en -verstrekking, is er geen bepaling in de verordening van de ESRB die de Commissie voorrang geeft bij een eventuele overlap van bevoegdheden. Hoewel de ESRB in art. 3 van de constitutionele verordeningen van de overige ESFS-instanties wel wordt genoemd als orgaan dat verantwoording schuldig is aan het Parlement en de Raad, kent de verordening van de ESRB deze art. 3 bepaling niet. Wel kent deze verordening art. 19 waarin de ESRB verplicht is tenminste eenmaal per jaar te rapporteren en eventueel verantwoording af te leggen.

Naast het noodfonds (en alle discussies daaromtrent) dient het ESFS gezamenlijk met specifieke middelen en doelgerichte instanties zich in te zetten tegen de dreiging van een nieuwe crisis, om het oude gezegde ‘dweilen met de kraan open’ in het kader van crisisbestrijding geen toepasselijk gezegde te laten worden. Banken zullen gecontroleerd worden, desnoods gedwongen worden deugdelijk te opereren, net zoals (andere) marktdeelnemers gecontroleerd zullen worden bij onder andere het uitgeven van aandelen en het overnemen van andere ondernemingen. Ook verzekeraars ontkomen uiteraard niet aan toezicht; investeringen zullen vanaf nu goed gescreend worden. Tenslotte zal het systeem in zijn geheel worden gescreend. Of het ESFS ook daadwerkelijk een nieuwe crisis kan beteugelen zal te zijner tijd blijken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verbetering voor de situatie van de Roma

Naast de crisis kwamen in 2010 ook mensenrechte uitgebreid aan bod. Toen de Franse regering in augustus Roma uitzette werd pijnlijk duidelijk dat de problematiek omtrent Roma in Europa nog altijd een heet hangijzer is. De uitzetting werd gepresenteerd als ‘vrijwillig vertrek’, maar de combinatie van summiere vergoeding en korte vertrektermijn doet vermoeden dat er weleens fundamentele rechten in de knel zouden kunnen zijn. Kort na de rel in Frankrijk bleken er meer landen te zijn die Roma, zij het op iets subtielere wijze, uit hun staat probeerden te krijgen. Met name Italië, Denemarken en Duitsland hebben dit geprobeerd.[6] Aanleiding voor de EU om de Roma-problematiek weer hoog op de agenda te zetten.

Allereerst is het belangrijk om een schets te maken van wat in Europa geldt als het Roma-probleem, of de Roma-problematiek. In 2008 is de problematiek door een rapport van de Commissie in kaart gebracht. In het rapport werd de problematiek omschreven als een met integratie gerelateerd probleem.[7] Debet aan de gebrekkige integratie zouden hierbij niet alleen de Roma zelf, maar ook de lidstaten zijn. Om te zorgen dat aan de punten gewerkt zou worden werd een EU-platform voor de inclusie van Roma in het leven geroepen. Dit platform heeft in 2009-2010 vier bijeenkomsten gehouden waarop (vanzelfsprekend) de Roma-problematiek centraal stond. Met ingang van 1 januari 2011 vallen de taken van dit platform binnen het beleidsgebied Justitie, Grondrechten en Burgerschap van de Commissie. Het platform viel voorheen onder het beleidsgebied Werkgelegenheid, Sociale zaken en Inclusie van de Commissie. Hoewel hieruit nog geen harde conclusies getrokken kunnen worden, lijkt het er wel op dat de verschuiving van beleidsgebied waaronder de Roma worden geschaard wel een duidelijk signaal van een veranderde kijk op de Roma-problematiek is. Waar voorheen de focus bij de aanpak van de Roma-problematiek op werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie lag, zal het vizier nu zijn gericht op justitie, grondrechten en burgerschap. Ook de felheid waarmee Viviane Reding, de Eurocommissaris voor Justitie en Mensenrechten, voor de Roma in de bres sprong tijdens de Franse uitzettingsacties laat geen misverstand over de intenties van de Commissie ontstaan.[8]

Naast de beleidskoers van de Commissie zal er ook worden gekeken naar de bescherming van de grondrechten van de Roma. Het moge duidelijk zijn dat de Commissie voor de uitvoering van haar voorgenomen intenties ook over het nodige juridisch kader zal moeten beschikken. De grondrechten voor de Roma staan daarbij centraal. Art. 19 van het werkingsverdrag voor de Europese Unie (VwEU), de non-discriminatie bepaling, is de belangrijkste bepaling op het gebied van de grondrechten bescherming van de Roma. Op basis van deze bepaling is reeds in 2000 een richtlijn opgesteld die de bepaling verder uitwerkt.[9] Deze richtlijn biedt minderheden, inclusief de Roma, recht op bescherming maar eist ook van lidstaten een actieve aanpak van gelijkheidsverschillen. Niet geheel verwonderlijk is de Commissie belast met de naleving van de regels uit deze richtlijn. Hoewel richtlijn 2000/43 EG dus al enige tijd bestaat is het interessant om te zien dat door een intensivering van de activiteiten van de Commissie omtrent de Roma, de richtlijn bij de aanpak van de Roma-problematiek veel actueler is geworden. Verder zal de tijd leren of de non-discriminatie bepaling en richtlijn 2000/43 EG effectieve middelen voor de Commissie zijn om de aanpak van de Roma-problematiek in goede banen te leiden. De intenties van de Commissie zijn in ieder geval duidelijk.

Harmonisatie van veiligheidswetgeving omtrent speelgoed

Naast de economische (en financiële) crisis en de Roma-problematiek, is er ook aandacht voor het altijd actuele harmonisatieproces. Ieder jaar worden er nog steeds tal van rechtsgebieden geharmoniseerd. Niet geheel verwonderlijk, aangezien harmonisatie van wetgeving voor het juridisch functioneren van de gemeenschappelijke markt onontbeerlijk is. Een van de belangrijkste harmonisaties in 2011 vindt plaats op het gebied van veiligheidswetgeving omtrent speelgoed. Het moge duidelijk zijn dat een goede ouder zijn kinderen zo veilig mogelijk wil laten spelen. Harmonisatie bleek hard nodig toen bijvoorbeeld in 2009 een sample van 576 stuks speelgoed mechanisch werd getest: 200 stuks presteerden daarbij onder de maat.[10]

Reeds in 1988 is er een begin gemaakt met de harmonisatie. 20 januari 2011 behoort de meest recente harmonisatie regelgeving geïmplementeerd te zijn.[11] De reden van de nieuwe harmonisatieregels is dat sinds 1988 op het gebied van technologie veel veranderd is, waardoor nieuwe eisen noodzakelijk zijn. Het belangrijkste wapenfeit van de nieuwe richtlijn is een verplichte CE-markering.[12] Deze markering houdt in dat de producent daarmee verklaart dat het door hen gefabriceerde speelgoed voldoet aan de harmonisatie wetgeving en daarmee ook de volledige verantwoordelijk hiervoor neemt.[13] De eisen die gesteld worden aan, de in art. 16 van de richtlijn, verplichte CE-markering worden verder uitgewerkt in de richtlijn. De CE-markering is echter niet uitsluitend bestemd voor speelgoed maar voor allerlei soorten goederen die op de gemeenschappelijke markt worden aangeboden. Al met al kan de nieuwste harmonisatiewetgeving omtrent speelgoed worden gezien als een vernieuwing van de oude richtlijn, met als belangrijkste wapenfeit de verplichte CE-markering. Duidelijk is dat deze nieuwe harmonisatiewetgeving grote implicaties voor zowel producenten, als verkopers van speelgoed op de gemeenschappelijke markt zal hebben.

Conclusie

Al met al kan worden geconcludeerd dat er met name op het gebied van financieel toezicht in de EU het nodige zal veranderen. Daarvoor heeft ‘Europa’ vier gespecialiseerde toezichthouders met een sterke arm gecreëerd die banken, verzekeraars en marktdeelnemers zullen gaan controleren op hun transacties en hun ondernemingen. Daarnaast zal ook het systeem in het geheel in de gaten worden gehouden. Hierbij zal de uitoefening van de laatstgenoemde taak zich beperken tot toezicht en aanbevelingen, terwijl bij de eerder genoemde taken ook daadwerkelijk sancties kunnen worden ingesteld. Verder blijkt dat Europa na de wantoestanden in Frankrijk vorig jaar de Roma-problematiek weer hoog op de Europese agenda heeft gezet. Hoewel er qua wetgeving niet veel verandert, lijkt de verschuiving van beleidsterrein binnen de Commissie toch een duidelijk signaal van beleidsverandering op het gebied van de aanpak van de Roma-problematiek. Tenslotte is er op het gebied van harmonisatie een belangrijke toevoeging aan het arsenaal van harmonisatie wetgeving toegevoegd. Alle speelgoedproducenten die in Europa speelgoed op de markt wensen te brengen zijn verplicht om speelgoed te voorzien van een CE-markering en daarbij te voldoen aan de eisen die de richtlijn stelt.

Kortom, er zijn zowel nieuwe regels als nieuwe instellingen gecreëerd. Op welke wijze deze in de praktijk zullen functioneren is zoals altijd bij Europa een vraag die mettertijd zal worden beantwoord. Europa is en blijft immers onderhevig aan politieke grillen.


[1] Zie Volkskrant 14 januari 2011, p. 24.

[2] Hoofdstuk II verordening Nr. 1093/2010.

[3] In het bijzonder op grond van art. 258 VWEU: wanneer de Commissie handelt om de naleving van het Unierecht te verzekeren.

[4] Zie art. 3 van de verordeningen (behalve bij ESRB).

[5] Schatting afkomstig van Berlin-Institut für Bevölkerung und Entwicklung, <http://www.berlin-institut.org>, te bereiken vanaf de homepage via ‘Online-Handbuch Demografie’, ‘Bevölkerungsdynamik’, ‘Regionale Dynamik’, ‘Roma in Europa’, voor het laatst bezocht op 14-02-2011.

[6] Zie NRC Handelsblad 28 augustus 2010, p 5.

[7] COM(2008)420.

[8] Destijds vergeleek Reding het Franse uitzettingsbeleid met de deportatie van Joden tijdens de tweede wereldoorlog (SPEECH/10/428, 14 september 2010).

[9] Richtlijn 2000/43/EG.

[10] Consumentenbescherming: RAPEX-jaarverslag 2009 laat zien dat EU samenwerking op het gebied van gevaarlijke producten doeltreffend is, Brussel, IP/10/434.

[11] Harmonisatie 1988: richtlijn 88/378/EEG, nieuwe harmonisatie regels: richtlijn 2009/48/EG.

[12] De CE-markering (Conformité Européenne) is een algemene markering en betekent dat een product verklaart te voldoen aan de normen die gelden voor de markt van de EU.

[13] Zie hoofdstuk IV Verordening 765/2008.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.