Category Archives: Jaargang 44 – Nummer 4

  • 0

Interview prof. mr. F.T. Oldenhuis: over ritueel slachten, Wilders en de grens van de vrijheid van godsdienst

Tekst Stephanie Delauw & Dirk Kuiken

Fokko T. Oldenhuis (Delfzijl, 1950) is sinds 2005 bijzonder hoogleraar Religie en Recht aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid en de Faculteit Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap. Hij is als universitair hoofddocent verbonden aan de vakgroep Privaatrecht en Notarieel Recht van de RUG. Daarnaast is hij sinds 1993 raadsheerplaatsvervanger in het Gerechtshof te Arnhem. In dit interview gaan we samen met hem op zoek naar de grenzen van de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting.

Bijzonder hoogleraar Religie en Recht, dat klinkt als een interessante combinatie. Hoe is uw interesse voor deze materie ontstaan?

Ik kom oorspronkelijk uit de Gereformeerd-vrijgemaakte kerk. Drie jaar geleden hebben mijn vrouw en ik ons aangesloten bij de Nederlands-Gereformeerde Kerk in Groningen; vanouds de Tehuis- Gemeente genoemd, omdat men kerkdiensten hield in het TEHUIS aan de Lutkeniersstraat. Vanuit die vrijgemaakte invalshoek adviseerde ik met enige regelmaat het Tweede Kamerlid Schutte (GPV). Het GPV is ontstaan vanuit de gereformeerd-vrijgemaakte kerken. Kerk en gemeentehuis vielen in zekere zin samen. Die gedachte heeft ongeveer 50 jaar standgehouden. Het was –achteraf gezien– een onzalige gedachte om vanuit de kerk politiek te gaan bedrijven.

Toen in de jaren negentig de Invoeringswet van het NBW werd behandeld belde Schutte mij vaak over Boek 2 BW. Ik was in die tijd intensief met dat snijvlak van kerk en privaatrecht bezig in het kader van te verrichten wetenschappelijk onderzoek. Ik vond dat art. 2:2 BW niet goed in elkaar stak. In de oude formulering van art 2:2 BW bezaten Kerken en hun zelfstandige onderdelen rechtspersoonlijkheid.

Maar die onderverdeling kwam voort uit een top-down benadering van kerkgenootschappen. Eigenlijk is dat een Rooms-katholieke of Hervormde benadering: één grote landskerk met locale onderdelen. Schutte en ik meenden dat ook de andere protestantse kerkgenootschappen zich moest kunnen terugvinden in dat wetsartikel en toen hebben we de ‘derde categorie’ ‘lichamen welke zij vormen’ bedacht. Bij een groot deel van de kleine protestantse kerkverbanden, is de locale plaatselijke kerk, de dorpskerk, zélf de zelfstandige rechtspersoon. Als die protestantse locale kerken verbanden met elkaar aangaan dan horen die ook rechtspersoon te zijn, maar zo’n verband – classis of provinciaal verband – kun je met goed fatsoen geen zelfstandig onderdeel meer noemen. Locale kerken vormen samen zo’n bovenlocaal verband. Die uitbreiding is er dan ook gekomen. Dat hebben Schutte en ik samen op de rails gezet. Een kleine fractie kan ‘groot’ zijn als je maar de boel strak delegeert. Ik heb altijd bijzonder veel respect voor Schutte gehad, met het GPV als politieke partij had ik veel minder affiniteit.

Mijn bijzondere interesse op dat snijvlak van kerk en recht is ontstaan toen ik in 1974 een scriptie over dat onderwerp heb geschreven. Na mijn meestertitel heb ik nog een vrij doctoraalexamen Rechten afgelegd. In dat kader moest ik een extra scriptie schrijven. Ik heb dat gedaan over kerkscheuringen. Het ging met name over de kerkscheuring in de ongedeelde gereformeerde kerken in en rondom 1944. In de provincie Groningen zijn er in die tijd veel civiele procedures geweest voor de rechtbank en ik wilde uitzoeken hoe dat precies ging en hoe dat kwam. Ik geloof nog steeds dat in kerkrechtelijke zin de vrijgemaakten het gelijk aan hun zijde hadden; zij het dat ik thans kritisch tegenover het feit van een kerkscheuring sta. Ieder mens maakt een ontwikkeling door.

In 1977 heb ik door bemiddeling van mijn oude leermeester wijlen prof. mr. O.K. Brahn (ja; die van het boek Zwaartepunten van Brahn-Reehuis!) die scriptie in de serie Kamper Bijdragen kunnen plaatsen, getiteld ‘Rechtsvinding van de burgerlijke rechter in kerkelijke conflicten’. Het was bijzonder dat iemand van 27 –en ook nog iemand van ‘buiten Kampen’–in die serie –waarin oraties van hoogleraren verschenen– mocht publiceren. Ik heb mij toen al verzet tegen de manier waarop de rechter de kerkelijke goederen verdeelde. De goederen gingen namelijk naar de meerderheid van de kerkenraad. Ik vond dat geen goede benadering. Dat wordt dus op de kerkenraadsvergadering ‘knopen (lees: koppen) tellen’, vermoedde ik. Ik vond dat niet respectvol voor de achterblijvende minderheid. Ik stelde een andere verdeling voor: verdeling van de goederen naar rato van het ledental. Ik heb om dat voorstel zakenrechtelijk helder te krijgen, veel steun gehad prof. O.K. Brahn. In 2000 is dat debat weer actueel geworden n.a.v. de totstandkoming van de PKN en de breuk met de Hersteld Hervormden. In de Rutgers-bundel (2002) heb ik over dát kerkconflict geschreven. Nadat mijn boekje uit 1977 in die Kamper Serie verscheen, werd in de Scholten- bundel (GJS) door A.G. Lubbers aan mijn voorstel een opstel gewijd. Daarna ging men mij gaande weg als deskundige zien. Dat was ik zeker niet hoor!

In uw artikel ‘Zet rem op uiting van geloof en andere opvattingen’ van 23 juni 2010 spreekt u over de samenhang van de mate van vrijheid waarmee iemand opvattingen kan uitdragen en de positie waarin hij verkeert. Wat bedoelt u daarmee?

Op die RuG column heb ik veel kritiek gekregen. Binnen de ChristenUnie riepen mensen dat de ambtenaar die het homohuwelijk niet wil sluiten, een plek moet hebben. In het laatste kabinet Balkenende werd dit ook gewaarborgd. Ik riep dat een ambtenaar en ook een rechter, een toga draagt. Hij draagt weliswaar daaronder een pak en mag dus best een eigen opvatting hebben, maar als hij de toga om heeft dan is dat allemaal niet zichtbaar. Dan is hij er voor iedereen. Als er bijvoorbeeld een griepgolf uitbreekt en die ambtenaar blijft als enige over, dan moet hij dat homohuwelijk sluiten. Dat moet hij doen omdat de wet aangeeft dat het huwelijk niet alleen voor man en vrouw is, maar ook voor mensen van hetzelfde geslacht. Daar heb ik dus behoorlijk veel reuring mee veroorzaakt. Ik ben wel bij dat standpunt gebleven. Naar aanleiding van die ophef ben ik mij verder gaan verdiepen in die materie en een stuk geschreven over het ‘Dempen’ van opvattingen binnen het publieke domein. Je moet m.i. bepaalde ‘lagen’ of ‘levels’ onderscheiden in dat debat. Burgers beroepen zich te pas en te onpas op vrijheid van godsdienst. De ambtenaar, die tegen het homohuwelijks is, roept dat ook. Dan zeg ik: wacht even, het grondrecht is begonnen binnen de muren van het huis. In je eigen huis mag je denken en uiten wat je wilt en de overheid moet dat ook beschermen. De grondwet is verticaal, de overheid moet met zijn handen van mijn huis, mijn haard en mijn privé- overtuiging afblijven. Ook als ik geen geloof wil aanhangen ben ik vrij in mijn eigen huis. Dat is de kern van het grondrecht. Dat geldt voor iedereen. Huisrecht en de kerk liggen daarin dicht bij elkaar. Binnen de muren van de kerk mag je dus ook heel veel zeggen. Het is een verlengstuk van het huisrecht.. Maar op het moment dat je je op het publieke domein van de overheid in functie beweegt, dan bevind je je op een heel ander ‘level’ en zul je moeten dempen met je eigen opvatting. En daarbij heb ik als voorbeeld gegeven de ambtenaar van de burgerlijke stand en ook de rechter. Op het publieke domein moet je dus dempen, maar dat iets anders dan dat je eigen opvatting moet ‘verdampen’. Je mag je eigen opvatting behouden. Ook voor de advocaat die niet wil gaan staan voor een rechter, omdat hij alleen voor God wil gaan staan, geldt hetzelfde. Daarvan zeg ik: die advocaat moet zich binnen het publieke domein houden aan de Nederlandse huisstijl die wij met elkaar hebben afgesproken. Ik zal nóg een voorbeeld geven. Als een Islamitische vrouw in een ziekenhuis moet bevallen en er komt een mannelijke gynaecoloog op haar af, maar haar echtgenoot zegt: “Ho, ho, handen af van mijn vrouw, alleen vrouwenhanden mogen aan mijn vrouw komen en geen mannenhanden aan het bed, dan zeg ik opnieuw: je moet dempen binnen dat domein; je bent gebonden aan de huisstijl zoals wij dat hier doen. Ik vind overigens niet dat je godsdienst uit het publieke domein moet weren. Als mensen daar hun zin aan ontlenen, dan moet je dat zoveel mogelijk respecteren.

Deze multi-religieuze tijd vraagt om doordenking van principes die jaren lang geen stof tot enig debat gaven. Ik geef het voorbeeld dat ik ook in mijn opstel heb gebruikt. De verzuilde samenleving functioneerde vroeger bijna probleemloos bij de gratie dat er maar enkele zuilen waren. Ik heb in dat verband het voorbeeld van het openbaar vervoer gebruikt. Als je met z’n drieën in de bus zit, een rooms-katholiek, een protestant en iemand die geen van beide geloven aanhangt, dan heb je veel ruimte in de bus. Je komt elkaar nauwelijks tegen. Je gaat je eigen gang. Maar de bus is overvol. Je zit nu met pakweg vijftien mensen in de bus. De mensen komen overal vandaan. Zij swingen als het ware met hun religie de bus uit. Al of niet met hun opiumhoudende thee. Je moet behoorlijk opschuiven. Jouw ruimte wordt dus kleiner, ook al ben je zélf niet veranderd. Ik heb in dat stuk eigenlijk geprobeerd te zeggen dat het probleem complex is en dat de oplossing niet steeds dezelfde is. Je moet in dat debat steeds die verschillende ‘levels’ voor ogen houden. Neem nou de bijzondere scholen. Die moet je dicht bij het huisrecht en het kerkgebouw situeren. Als ze op het Don Bosco College willen dat leerlingen op school het hoofddoekje afdoen, omdat dat niet in hun huisreligie past, dan heeft de bijzondere school in beginsel dat eigen recht. Dat islamitische meisje beriep zich op vrijheid van godsdienst, maar dan zit je m.i. vanuit een ander ‘level’ te praten. Het huisrecht van Don Bosco staat hier voorop.

De politieke partijen zitten weer verder in de richting van het echte publieke domein. Neem nu de SGP. Die zegt dat vrouwen wel mogen kiezen maar niet mogen worden verkozen worden. De SGP zelf is niet veranderd, maar de samenleving wel: m.a.w. de bus is veel voller geworden. Kortom: denkbaar is dat je op dit punt wat moet opschikken. Ik zit persoonlijk niet te wachten op een Islamitische partij in Nederland die enkel uit mannen bestaat. De vraag is of de inrichting van een politieke partij zo ver mag gaan dat je anno domini 2011 qua passief kiesrecht onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen. Dat je als overheid op dit snijpunt per se voor het religieuze argument moet wijken vind ik niet vanzelfsprekend. Dat de SGP niet veranderd is –ik verwijs naar mijn voorbeeld van dat busje– betekent niet dat steeds een beroep kan worden gedaan op verkregen rechten. Binnen het publieke domein gaat dat niet steeds op. In het privaatrecht zou de uitkomst geheel anders zijn. Ook het argument dat een SGP-vrouw bij de CU of CDA terecht kan volstaat m.i. niet. De kwestie ligt veel dieper.. Terzijde: persoonlijk begrijp ik niet dat je, vanuit het christelijk gedachtegoed redenerend, vrouwen terzijde kunt schuiven. De vrouwen waren op de Paasmorgen –de opstanding van Christus– de boodschappers van het heil! Dat je met een beroep op de letter (latere brieven van Paulus), de strekking van het Paas-evanglie, zo weg kan schuiven en aldus van zijn kracht beroven, gaat mijn geloof (ik gebruik hier met opzet niet het woord ‘verstand’) te boven.

Ik heb op een congres –een dag vóórdat het arrest van de Hoge Raad verscheen– verdedigd dat in deze tijd de Staat best die piketpaal mag slaan, nog daargelaten de uitleg van het Vrouwenverdrag. Het is m.i. zo elementair dat mannen en vrouwen gelijke rechten hebben op het gebied van politieke partijen, dat je dus als samenleving mag zeggen: zo doen wij dat hier. Ik ben het dus met de Hoge Raad op dat punt eens. Heel veel mensen uit mijn (christelijke) omgeving denken daar anders over. Wat ik niet juist vond, was, dat ‘Clara Wichmann’, als buitenstaander, namens alle vrouwen tegen de Staat actie voerde. Dan zeg ik: nee. De SGP hoeft niet onder die gesel door. Die bevoogding via de z.g.n. collectief belang-actie gaat mij hier veel te ver. Dus op dat punt heb ik mij scherp tégen dat arrest gekeerd. De Staat hoort zelf in te grijpen en wetgeving te maken. Maar in deze gedoog- fase zal dat er –politiek gezien– niet van komen. Die hele zaak wringt dus! Die collectief-belang constructie deugt hier niet.

In ‘PVV-politicus Wilders toonbeeld van verwerpelijke intolerantie’ zegt u dat de dagvaarding van Wilders volkomen terecht is. Bent u van mening dat wanneer een grondrecht in het geding is, de overheid degene moet zijn die daartegen optreedt?

Nee, niet alles van de overheid verwachten. De overheid bepaalt waar politieke partijen aan moeten voldoen. We hebben ook een Kieswet die dat regelt. Als iemand mij beledigt, dan kan ik zelf optreden en zeggen: ik vorder een verbod dat jij je mond moet houden. In dit polderlandschap laat je dus in eerste instantie het initiatief bij de burgers zélf om op te treden. Maar als de samenleving of de openbare orde in het geding is, dan komt de strafrechter in beeld. Wilders zegt dat als je een ongedeelde Koran bezit, in je huis of in je moskee, dat dat al strafbaar moet zijn. Dat klopt niet, in de Unie van Utrecht van 1579 is toen al bepaald dat je in je huis vrij bent om een godsdienst te beleven en te belijden die je zelf kiest. Dus ik vind eigenlijk dat Wilders op dat punt de poten onder de rechtsstaat vandaan zaagt. Dat je in een moskee niet uit de ongedeelde Koran mag voorlezen, dat je die niet mag bezitten, dat is absurd. Ik vind dat, vóórdat men als VVD en CDA met Wilders in zee ging, men hem had moeten dwingen dat punt terug te nemen. Je had de bal bij Wilders moeten leggen. Dan had je tevens meteen de angel van het haat zaaien uit dat proces gehaald. Maar achteraf weten we alles beter. Nu worden mensen achter de voordeur dus bedreigt. Het is juist op dit punt dat ik op 4 mei 2011 in het ND frontaal tegen Wilders en zijn PVV in de aanval ben gegaan.

Creëer je op zo’n manier geen ongelijkheid? Wilders vergelijkt regelmatig de Koran met ‘Mein Kampf’. Hij zegt dan dat als men thuis ‘Mein Kampf’ wil hebben, dat niet mag, maar als men thuis de Koran wil hebben dat dat wel mag. Dit terwijl men wetenschappelijk onderzoek heeft gedaan en er in de Koran minstens zoveel fascistische uitlatingen staan als in ‘Mein Kampf’.

Er bestaat in Nederland geen verbod van Mein Kampf. Wilders slaat op dat punt de plank mis. De auteursrechten op Mein Kampf, althans op de Nederlandse versie , zijn indertijd na de oorlog in beslag genomen en berusten bij de Staat. Dát is het verhaal. Dus dat verbod bestaat helemaal niet. Maar geen uitgever haalt het in zijn hoofd om dat boek uit te geven. Je kunt immers de markt niet op.

Wat die teksten betreft. Die teksten zijn 2000 jaar oud. In de Bijbel staan ook dingen in het Oude Testament (OT) die heftig zijn. Die geweldpassages worden vaak wat al te gemakkelijk door critici van het christelijk geloof aangehaald. We leren in het recht dat je moet beginnen bij de vraag welke strekking het geschreven woord heeft. In zich zijn woorden nooit duidelijk. (Haviltex-arrest). In zeker zin zul je ook met geschreven Bijbel – en Koranteksten die vertaalslag moeten maken. Je zult daarbij altijd voor ogen moeten houden dat God met mensen een weg wil gaan, waarbij het zoeken naar gerechtigheid, op zoek naar het welbevinden van je medemens de richting bepaalt. Je leeft hier op aarde niet voor je zelf. Christenen worden wel aangeduid als ‘mensen van de weg’. Kerken zijn altijd in beweging. Je bent dan al gauw het debat over die ‘geweldteksten’ voorbij. Dus dergelijke teksten één op één meenemen naar het heden, dat doe je met de Bijbel niet en dat doe je met de Koran ook niet. In de Koran heb je ook teksten, die vergelijkbaar zijn met de Bergrede, die als ik dat zo mag zeggen eeuwigheidswaarde hebben. Maar ook in het OT kom je teksten tegen die eeuwigheidswaarde hebben. Hoe snel wordt t.a.v. het OT een ‘= teken’ gezet met ‘geweld’. De Psalmist zegt: “Heer geef me niet te veel en niet te weinig”. Dat kun je in deze tijd goed aan een bankier aan de Zuid-As voorhouden. Niet te veel en niet te weinig. Want wanneer de Heer te veel geeft, ontspoor je –nou dat hebben we in het groot gezien!– en te weinig, dan ga je stelen. Je moet dus niet die geweldpassages een op een doortrekken naar het heden. Dat is absurd. Dat 9/11- Islam-activisten dat doen zegt niets over dé Islam. Op het protestantse erf, het rooms-katholieke en het joodse erf lopen ook ontspoorden rond. Kijk maar naar Ierland, Gaza, Syrië en Israël. Dan heb ik het nog niet gehad over onze eigen keetzuipers op de Veluwe, die misschien wel trouw elke zondagmorgen in de kerk zitten, maar zich in het weekend vol laten lopen. Dat heeft met christen- zijn niks te maken. Elke christelijke Veluwe-bewoner is daarom nog geen keetzuiper. Wat ik bedoel is, dat je één ding selectief uit de Koran pakt en dat uit z’n verband trekt. Goebbels deed dat ook met de Thora. En Wilders doet hetzelfde met de Koran in ‘Fitna’. Geert Mak trok die vergelijking. Iedereen viel over hem heen; maar hij had volkomen gelijk.

Hoe kijkt u tegen het wetsvoorstel voor het verbod op onverdoofd ritueel slachten?

Ik heb moeite met dit in te passen in mijn schaal van dempen zonder religie te laten verdampen. Mijn eerste reactie op de vier Rabbi’s die zeiden: “Het gordijn gaat in Nederland dicht”, was: hoe gaat Israël zélf om met zijn buren? Het gordijn tussen Israël en Gaza is al lang dicht. Ik vond het zo selectief wat die Rabbi’s zeiden… Maar als jurist moet je toch weer afstand nemen en bij de les blijven en zakelijk zijn. Toen ik hier wat langer over na dacht, dacht ik: de Dierenpartij zoekt het wel op de vierkante millimeter, zo aan het eind van het dierenleven. Mijn collega Dirk Boon, oud-hoogleraar Dierenrecht uit Groningen heeft n.a.v. dit debat in Trouw geschreven dat er tal van leed is in een dierenleven, waarom nou juist op dit punt (uitvergroten) en protesteren? Maar als er nieuwe kennis omtrent dierenleed is en kunde om dat te voorkomen, moet je daar m.i. goed naar kijken. Er moet enige bereidheid zijn om eens te reflecteren. Of die reflectie er aan joodse zijde voldoende is, dat betwijfel ik wel eens. Maar dat geldt ook voor de islamitische zijde. We moeten soms bereid zijn tot compromis en hoeven niet altijd een stap achteruit te doen omdat het een godsdienstige kwestie is. Iedereen moet binnen het publieke domein wel eens iets inleveren. Maar ook niet alles kan zomaar tot publiek domein worden verklaard. En dat past eigenlijk in mijn schaal van dempen. Je moet naar mate je dieper dat publieke domein betreedt steeds meer dempen. Het argument dat het hier maar om een kleine groep dieren gaat, gaat natuurlijk nooit op. Misschien zou je juist als gelovige moeten zoeken naar een compromis. Het vinden van een technische oplossing waarbij zowel het standpunt van de gelovige als ook het belang van het dier maximaal gewaarborgd is Maar laat een mens ook in zijn waarde, ook in zijn religieuze waarde. De Staat is van ons allemaal. De Staat staat uiteindelijk niet tegenover het volk, maar is die samenleving zélf. Een volk krijgt de wetten die het verdient. Uiteindelijk is de Nederlandse Staat nota bene uit een godsdienstconflict ontstaan.

Wijlen Thijs Wöltgens (PvdA), zei bijvoorbeeld dat wie zegt: de Staat kan geven; zal ook zeggen: de Staat kan nemen. Dan ben je met een staatsgeloof bezig, alsof de burgers ruimte krijgen voor zover de Staat ons dat vergunt. Je moet oppassen dat je mensen van de straat in hun waarde laat.

Dat maakt het ritueel slachten dus lastig vanuit dit oogpunt. Maar niettemin, als we meer kennis over dierenleed hebben, moeten we weer afwegen. Ook de gelovigen zouden iets meer in beweging moeten komen, je moet proberen als samenleving naar elkaar toe te groeien. Ik las in Trouw d.d. 14 mei 2011 een opstel van Bart Wallet, waarin hij liet zien dat SGP en GPV zich na de WOII keerden tegen het ritueel slachten, omdat het niet spoorde met de christelijke uitgangspunten waaraan een Staat hun inziens had te voldoen. De PvdA was toen vóór ritueel slachten, omdat op die wijze minderheden –joden en islamieten– gelijkwaardig zouden worden behandeld. De PvdA kwam toentertijd op voor de minderheden. De Nazi’s had het over ritueel ‘martelen’ van dieren en verboden onverdoofd slachten. Ook dit debat heeft dus een belast verleden. Zet er eerst maar eens een stevige commissie op van wijzen, voordat je hierover een besluit neemt! Het gaat mijn inziens te snel en het geheel maakt een te selectieve indruk.

U wilt voor gelovigen dat die ruimte, die vrijheid, er is, maar u geeft tegelijkertijd aan dat iedereen een bepaalde mate van vrijheid moet opgeven, hoe verhoudt dit zich?

Nou ja opgeven is het goede woord niet. Dempen is iets anders dan verdampen. En dat dempen hangt er vanaf, wáár je in dat publieke domein bevindt.

Maar stel nou dat ik op televisie zou roepen: “Ik heb een hekel aan alle joden”. Dan beperk ik daarmee de ‘vrijheid’ van joden. Maar vanuit mijn eigen vrijheid, stel dat ik een godsdienstige reden daarvoor heb, maak ik gebruik van die vrijheid. Wat mag dan wel, wat mag niet?

Die vrijheid is groot. Je mag zeggen dat je een hekel hebt aan joden; ook als je dat op religieuze gronden doet. Maar als je dat op religieuze gronden doet, zou ik dat persoonlijk anders zeggen. ‘Een hekel aan’, gaat in de richting van: ‘geen respect hebben voor’. Ik houd niet van die insteek. Mag ik er een Bijbeltekst tegenaan gooien?: ‘Uw vriendelijkheid zij bij alle mensen bekend’. Dat wil niet zeggen dat alles grijs is, maar dat je respect hebt voor je medemens als een geschapen werkelijkheid. Godsdienstkritiek mag en mag fel zijn! Je mag je bijvoorbeeld fel verzetten tegen vrouwenbesnijdenis. Ayaan Hirschi Ali ging daar mijn inziens erg ver in door te zeggen dat: “de moslimman in het algemeen zijn zinnelijke driften, gelijk een geitenbok, niet zou kunnen beheersen”, ik citeer uit de stukken. Daar werd ze privaatrechtelijk voor vervolgd. Het werd echter niet onzorgvuldig geacht, omdat ze het maatschappelijk debat diende. Ik vond die rechterlijke uitspraak niet juist. Het leek wel alsof er een recht om te kwetsen bestond. Dat vond Ayaan ook en Wilders vindt dat ook. Maar in Nederland wordt elk recht, ook elk grondrecht beperkt door de zorgvuldigheidsnorm. Bedenk dat een onbeperkt recht om te kwetsen haaks op de (joods-)christelijke traditie staat.

Vrijheid van belijden, maar ook vrijheid van godsdienstkritiek gaat ver: in huis en ook op straat en in het Tv-debat. Maar wanneer jij een publieke functie uitoefent of in een onderneming werkzaam bent, dan zal je moeten dempen. Dat geldt voor beide zijden van de medaille: vanuit het godsdienstig belijden, maar evengoed vanuit de vrijheid van meningsuiting om kritiek op godsdienst te geven.

Wat het godsdienstig belijden betreft: Als je in een ziekenhuis werkt, dan kun je niet zeggen: “De operatie moet even stoppen want ik moet eerst mijn kleedje naar Mekka wenden, we gaan later wel weer verder”. Uiteindelijk moet je je realiseren dat je de samenleving dient; gemeentehuis en kerk zijn gescheiden erven. Ik vind het ook buitengewoon lastig om het ritueel slachten in dat spectrum te plaatsen. Als het thuis gebeurt en niet in functie, zou je zeggen dat daarbij de vrijheid van het huis geldt. Maar aan de andere kant; zowel voor mensen als dieren moet je wel aandacht hebben. Uiteindelijk bepalen we gezamenlijk hoe we als land die keuze maken. Dus er gaat hier helemaal geen gordijn dicht; dat is onzin!

Dus eigenlijk zegt u dat aan één kant er een vrijheid van godsdienst is, maar ik lees ook in uw oratie (‘Exclusiviteit en (in)tolerantie; schurende relaties tussen recht en religie’, 23 mei 2006) dat anderen recht hebben op een zorgvuldige benadering. Gaat het daar dan meer om de vorm dan om de inhoud?

Ja, als een rechter een religieuze uiting moet toetsen, doet hij dat nooit op de inhoud. Een rechter brandt zich daar niet aan. Toen bijvoorbeeld meneer van Dijke (RPF) riep dat hij de homoseksuele praxis zondig vindt, maar daarbij ook aangaf dat voor hem alle zonden gelijk zijn, zodat dus een praktiserende homo op één lijn staat met een dief, viel het hele land over hem heen. Die vergelijking klopte van geen kant. Een dief kiest ervoor om te stelen en dat is een strafbaar feit. Dat gedrag kun je niet gaan vergelijken met iemand die vanwege zijn geaardheid besluit om met iemand van hetzelfde geslacht te gaan samenleven. Dat heeft met het strafrecht niets te maken. Ik begrijp niet hoe je dat in je hoofd haalt om die vergelijking te maken. Want het misverstand is snel gemaakt. Hij bedoelde alleen maar te zeggen dat hij op grond van zijn geloofsopvatting niet anders kan dan tot een afwijzing komen van de homoseksuele praxis. Kijk, dat is een geloofsstandpunt en die opvatting mag je best verwoorden, te meer omdat in dit geval hij vanwege zijn extreme opvatting werd geïnterviewd. Dat hij strafrechtelijk werd vervolgd en in eerste instantie ook nog werd veroordeeld, vond ik eveneens onjuist. Hof en HR hebben de uitspraak dan ook vernietigd. Het feit dat de meerderheid van de bevolking een opvatting kwetsend vindt, vormt op zichzelf genomen geen strafbaar feit.

Ook privaatrechtelijk zie ik geen grond voor een vordering. Ik ben het niet met Leen van Dijke eens, maar ik wijs anderzijds de vervolging die nadien werd ingezet scherp af. Khalil El Moumni zei hetzelfde vanuit de Koran en is uiteindelijk vrijgesproken door de Hoge Raad. Beiden zeiden het niet om iemand te pesten, maar ze geloofden dat ze het niet anders konden zeggen. Voor anders denken zou je niet vervolgd moeten worden. Dat zijn we tien jaar geleden vergeten. Dat zou volgens mij nu niet meer zo gebeuren.

Dus met andere woorden, stel dat ik hier op de Grote Markt op een zeepkistje zou gaan staan en ik ga roepen dat volgens mijn geloof homoseksuelen zondig zijn en homoseksualiteit een ziekte is, dan zou het een ander verhaal zijn, omdat ik in dat geval een andere vorm kies. Of maakt dat in dat geval ook niet uit?

Als je uitspraken in het openbaar doet moet je ook weer de effecten van je woorden wegen. Maar in beginsel, als iemand dat zou roepen, mag hij dat roepen. Het feit dat je iemand kwetst, betekent niet dat het onrechtmatig is. Als je het doet om te kwetsen, dan is het een ander verhaal.

Ik heb mij een jaar geleden in dat debat gemengd naar aanleiding van de weigering van een priester om een (praktiserende) homo ter communie te laten gaan. Ik heb daarover een stukje geschreven in het RD met als strekking dat als iemand zich een kind van God weet dat daarvoor nu juist het avondmaal en de communie bedoeld zijn. Als je ergens een schuilplaats behoort te vinden, is het wel in de kerk. Anderzijds vond ik de protestacties van de homobeweging en van sommige politieke partijen op die bewuste zondag tot en met in de kerkdienst toe, volstrekt ongepast.

Maar in de zaak Goeree, is dit echtpaar wel vervolgd. Waar ligt dan de grens? Mag je dan wel homoseksuelen beledigen maar joden niet?

Nee, de Goeree’s gingen hun boodschap in brievenbussen deponeren, dat was een vorm die ze niet mochten gebruiken.

Maar wat als ze dezelfde vorm hadden gebruikt om niet het jodendom te beledigen, maar om homoseksuelen te beledigen?

Dat komt op hetzelfde neer. Dat is nodeloos, dat is een vorm die niet is toegestaan. Maar het hebben en bekendmaken van die opvatting mag op zich. Zolang het maar niet nodeloos en grievend kwetsend is. De Goeree’s zijn ook strafrechtelijk vervolgd. Ook dat ging m.i. een stap te ver. Wederom, privaatrechtelijk dat snap ik, maar strafrechtelijk? Het was gewoon een exegese van deze mensen, een merkwaardige, maar dat is een ander verhaal. De vorm is bepalend voor de toelaatbaarheid. Maar die toelaatbaarheid blijft ‘fingerspitzengefühl’ voor rechters. Soms zegt één rechtbank A en de andere rechtbank B. Dat kan gebeuren. In appel trek je die ongelijkheid meestal wel weer recht.

Het aantal gelijke opvattingen is dus niet beslissend?

Nee, je bent vrij om zelf je opvattingen te hebben. Al vindt heel Nederland het achterlijk wanneer je een bepaald idee van homoseksualiteit hebt, het is en blijft jouw opvatting. De helft plus 1 heeft niet op grond daarvan het gelijk aan z’n zijde!

Maar als het dan gaat over de SGP en het standpunt over vrouwen, dan bent u weer van mening dat de SGP moet inschikken. Speelt daar dan het aantal wel een rol?

Bij Leen van Dijke en bij het echtpaar Goeree, ging het om persoonlijke opvattingen die zij als burgers hebben en mogen hebben; ook al wordt dat marginaal door het recht getoetst.

Een politieke partij staat midden in het politieke spectrum. Die bevindt zich op een ander ‘level’. Uiteindelijk heb ik geen lakmoesproef in mijn systeem. Ik ben begonnen om te kijken waar je wel en niet kan dempen. Hoe zich dat verhoudt met elementaire zaken. De islam heeft ervoor gezorgd dat in deze samenleving de scheiding tussen kerk en staat opnieuw op de agenda staat. Die multiculturaliteit in een geglobaliseerde samenleving geeft vaart en vuur aan mijn vak: Recht, religie en samenleving.


  • 0

Affectieschade: vergoeden of lijden in stilte?

Tekst Hilde van der Veen

Het zal je maar gebeuren: je vader of moeder wordt geopereerd aan een liesbreuk. Een simpele ingreep. Door een grove fout van de arts raakt hij of zij echter zwaar lichamelijk gehandicapt. Als kind zul je hier veel verdriet van hebben en dit leed wil je graag vergoed zien. Waarschijnlijk zal het je niet eens om het geld gaan, maar (bijvoorbeeld) om de arts te laten boeten voor het ‘onrecht’ dat hij jou en je familie heeft aangedaan. Helaas: je staat bij de rechter voor een dichte deur. Oneerlijk? De meningen zijn erover verdeeld. In dit artikel zal het onderwerp affectieschade besproken worden: een vorm van immateriële schade die op dit moment geen wettelijke grondslag heeft.

Affectieschade

Affectieschade is een vorm van immateriële schade, waarbij het gaat om het verdriet dat wordt veroorzaakt door het ernstig gewond raken of overlijden van een naaste als gevolg van een ongeluk waar een ander aansprakelijk voor is.[1] Het gaat bij het vergoeden van affectieschade niet om het letsel van het slachtoffer, maar om het leed van de naasten die hiermee geconfronteerd worden. Het Burgerlijk Wetboek geeft in artikel 6:106 BW aan wat onder immateriële schade moet worden verstaan:  een nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. Immateriële schade omvat meer dan alleen affectieschade: ook smartengeld valt hier bijvoorbeeld onder. In het Burgerlijk Wetboek wordt echter niet gesproken over de mogelijkheid van het vergoeden van affectieschade. Immateriële schadevergoeding kan slechts worden toegekend op basis van de gronden genoemd in artikel 6:106 BW in combinatie met de artikelen 6:107 jo. 6:108 BW. Betekent dit dat iemand voor een dichte deur staat bij de rechter, indien hij een kind verliest bij een tragisch ongeluk of medische fout? Het antwoord op deze vraag is niet eenvoudig te geven. In de wet wordt affectieschade namelijk niet erkend, waardoor de Hoge Raad weigert vorderingen tot vergoeding van affectieschade toe te kennen.

Wet
Men heeft er bij de herziening van het Burgerlijk Wetboek in 1992 voor gekozen om de vergoeding van affectieschade niet bij wet te regelen. Dit zou volgens de desbetreffende commissie namelijk tot ‘een claimcultuur’, ‘onsmakelijke procespraktijken’ en ‘commercialisering van verdriet’ leiden.[2]  Bij dit laatste moet worden gedacht aan het voorbeeld van een weduwe die tijdens het proces haar verdriet op peil moet houden om de toewijzing van haar vordering niet in gevaar te brengen. Toch gingen er enkele jaren geleden vanuit de politiek stemmen op om vergoeding van affectieschade toch een wettelijke basis te geven. Verderop in dit artikel meer hierover.

Jurisprudentie
Ondanks de weerstand van de Commissie tegen erkenning van affectieschade in het Nieuw Burgerlijk Wetboek is er in de jurisprudentie enige welwillendheid voor erkenning daarvan te vinden. De Hoge Raad heeft enkele arresten gewezen waarin ze aangaf dat het binnen het huidige wettelijke stelsel niet de taak van de rechter is om vergoeding van affectieschade toe te kennen.[3] Hierbij geeft ze overigens wel aan dat “niet valt uit te sluiten dat het wettelijk stelsel onvoldoende tegemoet komt aan de maatschappelijk gevoelde behoefte om de affectieschade te vergoeden van degenen die ernstige gevolgen ondervinden van het overlijden van een persoon tot wie zij in een affectieve relatie hebben gestaan en dit hen genoegdoening verschaft.”[4] De bekendste arresten op dit punt zijn waarschijnlijk het Baby Kelly-arrest en het Taxibus-arrest.[5] De arresten zijn beiden tragisch te noemen, maar verschillen desondanks flink van elkaar. In het Baby Kelly-arrest is er sprake van de geboorte van een zwaar gehandicapte baby, wat voorkomen had kunnen worden indien de verpleegkundige van het ziekenhuis een vruchtwaterpunctie had verricht. De ouders hebben beiden een vordering ingediend ter vergoeding van de immateriële schade die is ontstaan door de confrontatie met het leed van het meisje en de daardoor veroorzaakte ontwrichting binnen het gezin. De Hoge Raad oordeelt dat de moeder, door de fout van de verloskundige, er niet voor heeft kunnen kiezen de geboorte van een zwaar gehandicapt kind te voorkomen. Dit maakt een inbreuk op haar zelfbeschikkingsrecht. Deze ingrijpende aantasting van het zelfbeschikkingsrecht van de moeder wordt aangemerkt als aantasting in de persoon (art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW). Niet vereist is de vaststelling van geestelijk letsel bij de moeder. Ten aanzien van de vordering van de vader geeft de Hoge Raad eenzelfde oordeel: hij heeft recht op vergoeding van de immateriële schade die is ontstaan door de inbreuk op zijn zelfbeschikkingsrecht. Echter, de vader heeft geen recht op vergoeding van het nadeel van de overschaduwing van het gezinsleven door de problematiek die een zwaar gehandicapt kind met zich meebrengt. Voor de toewijzing  van deze schadevergoeding is wel geestelijk letsel van de vader vereist, maar dergelijk letsel is niet aan de vordering ten grondslag gelegd. De toekenning van immateriële schadevergoeding impliceert niet dat het bestaan van het kind een bron van leed voor de ouders is, maar berust uitsluitend op het feit dat de verloskundige een ernstige fout heeft gemaakt. Er is inbreuk op een fundamenteel recht gemaakt, waarbij vergoeding van de schade enige genoegdoening aan de ouders verschaft voor de gemaakte fout. De Hoge Raad geeft in dit arrest duidelijk aan dat er geen sprake is van affectieschade: ze kent wel schadevergoeding toe aan de ouders, maar doet dit op een andere grondslag dan waarop de ouders zich beroepen.

Het Taxibus-arrest schetst het tragische verhaal van een moeder die ernstig geestelijk letsel oploopt nadat haar dochter verongelukt bij een aanrijding met een taxibus. Het vijfjarige meisje is in een woonerf buiten aan het spelen en wordt aangereden door een achteruitrijdende taxibus. Haar moeder hoort de klap en rent zo snel mogelijk naar buiten, waarna ze probeert het hoofd van haar dochter te draaien. Waarbij ze -tot haar afschuw- vrijwel geheel met haar hand in de schedel van haar dochter verdwijnt. De substantie die onder het hoofdje van haar dochter ligt, blijkt geen braaksel te zijn, maar de schedelinhoud van haar dochter. Dit leid– zoals gezegd- tot ernstig geestelijk letsel bij de moeder. Zij stelt een vordering in tot vergoeding van deze immateriële schade tegen de bestuurder van de taxibus. Deze schade wordt ook wel shockschade genoemd. De Hoge Raad oordeelt dat de aard van de schade met zich meebrengt dat de schade alleen voor vergoeding in aanmerking komt indien (i) de betrokkene rechtstreeks wordt geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden en (ii) dit bij betrokkene een hevige schok teweeg heeft gebracht, hetgeen zich met name kan voordoen indien sprake is van een nauwe affectieve band tussen de betrokkene en degene die gewond geraakt is of is gedood. De immateriële schade van de moeder moet worden aangemerkt als aantasting van de persoon in de zin van art. 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW. De Hoge Raad overweegt dat het verlies van een kind voor de betrokken ouder verdriet en problemen van verwerking met het verlies van het kind opleveren, waardoor geestelijk letsel ontstaat dat aantasting van de persoon oplevert. In een dergelijk geval laat het wettelijk stelsel niet toe dat aan deze ouder een immateriële schadevergoeding wegens verdriet om de dood van het kind wordt toegekend. Het wettelijk systeem verzet zich echter niet tegen de toekenning van een  immateriële schadevergoeding ten gevolge van de (aan het onrechtmatig handelen van de veroorzaker toe te rekenen) schokkende confrontatie met de ernstige gevolgen van een ongeval.

Uit de voorgaande arresten blijkt duidelijk dat de Hoge Raad weigert schadevergoedingen voor affectieschade toe te kennen zolang hiervoor geen wettelijke basis bestaat. Wanneer men een vordering tot immateriële schadevergoeding wil indienen, zal men dit moeten baseren op het opgelopen geestelijk letsel als gevolg van de confrontatie met het ongeval. Dit leidt tot de -volgens velen- onsmakelijke praktijk dat het verdriet van de ouders compleet buiten beschouwing wordt gelaten.

Wetsvoorstel 28 781
De uitspraak van de Hoge Raad van 8 september 2000 in de Baby Joost-zaak vormt voor de Tweede Kamer aanleiding om een motie aan te nemen waarin de regering wordt verzocht om een wetsvoorstel tot vergoeding van affectieschade in te dienen.[6] In dit arrest is een vordering tot immateriële schadevergoeding, die was gegrond op het leed dat een echtpaar ervaart nadat hun baby zwaar gehandicapt is raakt door een simpele medische ingreep, afgewezen. Toenmalig minister van Justitie Donner heeft op 6 februari 2003 wetsvoorstel 28 781 ingediend bij de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel beoogt de vergoeding van affectieschade te regelen.[7] Volgens dit voorstel heeft iemand die immateriële schade lijdt recht op vergoeding hiervan. Het gaat hierbij om gevallen waarin degene met wie deze persoon een affectieve relatie heeft, ernstig (en blijvend) gewond raakt of overlijdt als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. De ‘kring van naasten’ komt in beginsel in aanmerking voor schadevergoeding. Onder naasten wordt verstaan: de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerd partner, de levensgezel, de ouder of adoptieouder, een in gezinsverband wonend (geadopteerd) kind. Ook niet-familieleden worden onder het begrip ‘naasten’ geschaard, waaronder personen die in gezinsverband door de gekwetste verzorgd worden of deze verzorgen en degenen die een nauwe persoonlijke relatie met de gekwetste hebben. Over de hoogte van de immateriële schadevergoeding wordt in het wetsvoorstel bepaald dat deze bij AMvB moet worden vastgesteld voor alle mogelijke gevallen. Deze zal voor alle rechthebbenden gelijk zijn. De opvolger van minister Donner, minister Hirsch Ballin stelde een bedrag van 10.000 euro voor.[8]

Het wetsvoorstel wordt op 22 maart 2005 met algemene stemmen aangenomen in de Tweede Kamer. Op 23 maart 2010 sneuvelt het voorstel echter in de Eerste Kamer met 30 stemmen vóór en 36 stemmen tegen. Vóór het wetsvoorstel stemmen de aanwezige leden van de PvdA, OSF, SP, GroenLinks, D66 en PvdD. Tegenstemmers zijn onder andere het CDA en de VVD.[9] Het CDA heeft moeite met het vertalen van leed in een bedrag voor de schadevergoeding en vreest de onduidelijkheid die kan ontstaan bij rubricering van het letsel. Wanneer is dit namelijk blijvend en ernstig? De VVD erkent de maatschappelijke behoefte aan de toekenning van vergoedingen voor affectieschade, maar heeft moeite met de ‘claimcultuur’ die volgens de partij door het wetsvoorstel zal ontstaan. Ook het vaste schadebedrag valt bij de partij niet in goede aarde. Het is niet duidelijk of dit het einde van de wettelijke regeling van affectieschade is. Tot nu toe zijn er geen verdere stappen ondernomen om het wetsvoorstel op het punt van de affectieschade nieuw leven in te blazen. Het is echter wel interessant dit wetsvoorstel in dit artikel verder te bespreken, vanwege het onderzoek dat ter voorbereiding hiervan is verricht en de uitkomsten daarvan.

Onderzoek
In de discussie omtrent het wetsvoorstel affectieschade hebben allerlei politieke partijen hun mening gegeven over de behoeften van slachtoffers, maar empirische gegevens om deze meningen te onderbouwen ontbraken grotendeels. Toenmalig minister Donner heeft daarom besloten een onderzoek laten verrichten naar de verwachtingen die slachtoffers en hun naasten van het aansprakelijkheidsrecht hebben (niet enkel ten aanzien van affectieschade) en wat daarbij hun behoeftes zijn. Een eerste verkennend onderzoek is gedaan door het Interfacultair samenwerkingsverband Gezondheid en Recht (IGER) van de Vrije Universiteit Amsterdam. De resultaten daarvan zullen hieronder besproken worden. Het onderzoek richt zich enerzijds op de vraag of het verstandig is om met een vast bedrag te werken. Anderzijds richt het zich op de vraag wat slachtoffers en naasten willen bereiken met het letselschadeproces en wat voor afwegingen ze hierbij maken. Onder meer de materiële en immateriële behoeften van deze mensen zijn onderzocht, zoals financiële compensatie en erkenning. Tevens is onderzocht hoe de procedure ervaren wordt en of deze voorziet in de verschillende behoeften van slachtoffers en naasten.

Bepalend voor de materiële behoefte tot financiële compensatie lijkt de mate waarin de gevolgen van het ongeval de financiële bestaanszekerheid bedreigen. Het is voor slachtoffers belangrijk hun leven weer op de rails te krijgen. Het veiligstellen van de financiële bestaanszekerheid is hiervoor een belangrijke stap. Tevens is het ondernemen van juridische stappen om erkenning te krijgen en de wederpartij verantwoordelijk te stellen een kostbare zaak. Bij de immateriële behoeften van slachtoffers en naasten speelt erkenning een grote rol. Hieronder vallen onder andere de erkenning van de aansprakelijkheid van de wederpartij, erkenning door de wederpartij en door de eigen sociale omgeving van de gebeurtenis, het toegeven door de wederpartij dat er een fout gemaakt is en te voelen wat daarvan de consequenties voor het slachtoffer zijn en de behoefte aan medeleven en excuses door de wederpartij. Andere immateriële behoeften zijn het weten  wat er precies is gebeurd en het willen voorkomen dat een ander hetzelfde overkomt.

Vraag is echter of een letselschadeproces wel het gewenste effect heeft. Naast de eventuele voordelen voor de slachtoffers en naasten zijn er namelijk enkele nadelen van het proces te noemen, die de voordelen teniet zouden kunnen doen. Er kan zich secundaire victimisatie voordoen: dit houdt in hernieuwd slachtofferschap ten gevolge van het letselschadeproces, in het bijzonder door de bejegening van het slachtoffer door de belangenbehartigers, verzekeringsmaatschappijen, de veroorzaker, verzekeringsmaatschappijen etc.[10] Slachtoffers kunnen het proces ervaren als ‘een ongeluk na het ongeluk’ en kunnen zich als een speelbal voelen van ontwikkelingen waar ze zelf geen vat op hebben. Bepaalde elementen worden zelfs als belastend, grievend of zelfs vernederend ervaren. Denk hierbij aan het door de wederpartij in twijfel trekken van de oprechtheid en geloofwaardigheid van het slachtoffer over de gevolgen van het ongeluk. Dit zou in het ergste geval kunnen leiden tot stagnatie van het herstelproces of tot verergering van de gevolgen van het ongeval.  Des te langer een proces duurt, des te groter de kans dat slachtoffers het proces als psychisch belastend ervaren en het hun gezondheid en welzijn negatief beïnvloed.[11]

Waarschijnlijk de belangrijkste inhoudelijke bevinding van het onderzoek is dat niet slechts de hoogte van de uiteindelijke vergoeding voor de geleden schade van belang lijkt te zijn voor het herstel van slachtoffers en naasten. Ook het proces waarlangs tot dat resultaat is gekomen is belangrijk. De motieven voor het instellen van een vordering tot (im)materiële schadevergoeding zijn blijkbaar niet slechts financieel: niet alleen de uitkomst, maar ook de weg daar naar toe is van belang. Het huidige letselschadeproces voldoet op dit moment niet aan de wensen van slachtoffers en naasten vanwege de vrijwel exclusieve focus op financiële compensatie, terwijl er grote behoefte bestaat aan compensatie van immateriële aard. De werkelijkheid strookt niet met de doelen van een dergelijk proces, aangezien één van de doelen van een dergelijk proces herstel van slachtoffers en naasten is. Geconcludeerd kan worden dat het huidige schadevergoedingsrecht op dit punt ernstig tekort schiet in het nastreven van zijn eigen doeleinden.

Uit een vervolgonderzoek onder Nederlandse slachtoffers en naasten en interviews met naasten en nabestaanden in België (België kent een wettelijke regeling voor affectieschade) blijkt het volgende. Slachtoffers en naasten hebben een duidelijke behoefte aan vergoeding van affectieschade. Een grote meerderheid van de ondervraagden geeft aan te verwachten dat vergoeding van affectieschade een positieve bijdrage zal leveren aan de bevrediging van hun immateriële behoeften. Tevens zien ze de vergoeding van affectieschade als middel om een doel te bereiken en niet als een doel op zich. Deze uitkomst sluit goed aan op de doelstelling van het wetsvoorstel, namelijk ‘erkenning en genoegdoening’.

In het vervolgonderzoek is ook gekeken naar de wenselijke hoogte van de vergoeding voor affectieschade. De meeste respondenten willen dat er rekening wordt gehouden met hun individuele omstandigheden bij het vaststellen van het bedrag. Zij geven de voorkeur aan een variabel of genormeerd bedrag. Het idee van het standaard bedrag van voormalig minister Hirsch Ballin blijkt dus niet goed aan te sluiten bij de voorkeuren van slachtoffers en nabestaanden. Een laatste conclusie uit het onderzoek dat de aandacht verdiend, is de wijze waarop het schadevergoedingsproces wordt ingericht. De uitkomsten van de Belgische interviews laten zien dat men behoefte heeft aan een persoonlijke behandeling en dat een zakelijke afhandeling als zeer pijnlijk wordt ervaren. Het is van belang dat men zich realiseert dat het om een mens gaat en niet over een geval van blikschade.

België
Zoals gezegd kent men in België al een soortgelijke vergoeding voor affectieschade, genegenheidsschade genaamd. Het is een vergoeding voor schade bij familieleden door het zien van het lijden van het slachtoffer.  Het moet hierbij gaan om zwaar blijvend lichamelijk letsel en het slachtoffer moet uitzonderlijke pijnen lijden. Denk hierbij aan blindheid, verlamming, amputatie of zware brandwonden. De omvang van de schadevergoeding hangt af van een aantal factoren, waaronder de leeftijd van het slachtoffer en de verwantschap. Hierbij moet opgemerkt worden dat praktisch alleen de verwanten die met het slachtoffer samenwonen hiervoor in aanmerking komen.

Conclusie
Vast staat dat men voorlopig nog voor een dichte deur zal staan bij de rechter met een vordering tot vergoeding van affectieschade. Wat denkt u: moeten we ook deze soort schade een wettelijke basis geven? De commissie die het Burgerlijk Wetboek in 1992 heeft herzien, sprak over een ‘ongewenste claimcultuur’. Slachtoffers en naasten geven echter aan veel baat bij vergoeding van affectieschade te hebben, omdat het met name hun herstelproces zou bevorderen. Wat de toekomst zal brengen voor deze groep is onduidelijk. De komende tijd zullen we het moeten doen met de wonderlijke uitspraken van de Hoge Raad, die toch de immateriële schade van deze groep op enigerlei wijze probeert te vergoeden.


[1] Kamerstukken II 2002/2003, 28 781, nr. 3, p. 1.

[2] Parlementaire geschiedenis p. 389, Parlementaire geschiedenis van het nieuwe burgerlijk wetboek (studenteneditie) W.H.M. Reehuis, E.E. Slob, Kluwer.

[3] HR 8 september 2000, NJ 2000, 734.                                                                                                            

[4] HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240, r.o. 4.2.

[5] HR 18 maart 2005, NJ 2006, 606; HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240.

[6] HR 8 september 2000, NJ 2000, 734.

[7] Wetsvoorstel 28 781.

[8] Kamerstukken II 2002/2003, 28 781, nr. 3, p. 7.

[9] EK 23 (23-1013), 23 maart 2010.

[10] A. Cotti e.a., ‘Medical law – Road traffic accidents and secondary victimisation: The role of law professionals’, Medicine and Law, 2004, p. 259-268.

[11] D.A. Alexander, R.A.J. Badial & S. Klein, ‘Personal injury compensation: no claim without pain?’ Psychiatric Bulletin,2006, p. 373-375; A. Cotti e.a., ‘Medical law – Road traffic accidents and secondary victimisation: The role of law professionals’, Medicine and Law, 2004; Stichting De Ombudsman, Letselschaderegeling: onderhandelen met het mes op tafel, of eenzoektocht naar de redelijkheid, 2003, p. 18.


  • 0

Gokken op liberalisering: een onderzoek naar de liberalisering van de kansspelmarkt

Tekst Eveline van der Slikke

Tot op de dag van vandaag balanceert de kansspelmarkt op de rand van legaliteit en illegaliteit. Legaliteit vanwege de verregaande regulering door de overheid, illegaliteit omdat zich ook veel activiteiten buiten het gereguleerde kansspelaanbod ontplooien. Een nieuw wetsvoorstel doet de gokwereld op zijn grondvesten schudden vanwege de plannen voor liberalisering van de kansspelmarkt. Wat is de visie van dit nieuwe kansspelbeleid en welke maatregelen dienen getroffen te worden? Een eeuwenlange traditie van kansspelregulering is aan dit wetsvoorstel vooraf gegaan. Wat is de lering die hieruit getrokken mag worden?

De vraag naar kansspelen bestaat al eeuwenlang. De kansspelmarkt is een brede markt die niet alleen wordt beheerst door het casino en speelautomatenhallen: ook de Staatsloterij en Postcodeloterij, de bingo in het buurthuis en elke willekeurige voetbalpoule maken er deel van uit. Een trend die de laatste jaren ook flink heeft doorgezet is het gokken op internet. Vooral het pokeren achter de computer heeft een grote vlucht genomen. Het is algemeen bekend dat gokspelen een aantal risico’s met zich meebrengen. Het gaat dan met name om gokverslaving en het in de hand werken van criminaliteit door bijvoorbeeld witwaspraktijken.  Daarnaast bestaat voor veel mensen het beeld van rokerige kelders waar je hardhandig wordt weggewerkt wanneer de opgelopen schulden niet meer worden voldaan.

Historie kansspelen
Al vóór 1800 werden de eerste verboden ten aanzien van gokspelletjes opgesteld en werden er ‘loterij-octrooien’ verleend om toezicht te kunnen houden op het kansspel.[1] Gokken werd op één lijn gesteld met prostitutie, drank en drugs. In het begin van de twintigste eeuw is onder het mom van ‘het beteugelen van de volksspeelhartstocht’ de Loterijwet tot stand gekomen.[2]
Hierin werd omschreven welke vormen van loterijspelen waren toegestaan en waarvoor een vergunning kon worden afgegeven. Omdat de loterij niet de enige vorm van gokken was, werd ook in het Wetboek van Strafrecht een artikel opgenomen dat het ‘hazardspel’ strafbaar stelde. De Hoge Raad moest er aan te pas komen om dit begrip in te vullen en het hazardspel te onderscheiden van de loterij. De criteria die hierbij geformuleerd werden: “1) de gelegenheid moet in het normale spraakgebruik worden aangemerkt als ‘spel’; 2) enig actief optreden van de deelnemers is vereist en 3) er dient sprake te zijn van een spelgemeenschap, waarbij de deelnemers met elkander in wedijver treden en de spanning van het spel verhogen”.[3] Kenmerkend voor alle regelgeving die in al die jaren is ontstaan, is dat het ‘aanbieden en exploiteren’ aan banden werd gelegd. Men moet er van overtuigd zijn geweest dat het verbieden van het gokken op zich, niet de juiste weg zou zijn om te bereiken dat de risico’s van kansspelen worden ingeperkt.

Omvang kansspelmarkt
De rechtspraak van de Hoge Raad was slechts het startsein voor de discussie over de vraag wanneer sprake is van een kansspel dan wel van een behendigheidsspel. Zo bestaat er al jarenlang onenigheid over de vraag in welke categorie poker valt.[4] Kenmerkend aan een kansspel is dat de winnaar wordt bepaald zonder dat de deelnemers een overwegende invloed kunnen uitoefenen op de einduitslag. Beslissend hierbij is welke resultaten de grote meerderheid van de spelers in de praktijk van het spel halen. De kansspelmarkt kan worden ingedeeld in de categorieën loterijen, sportprijsvragen en lottospelen, paardenwedden, speelautomaten en casinospelen. Daarnaast zijn er nog overige spelen als de bingo, winkelweekacties en prijsvragen.

Zoals gezegd wordt in de wetgeving de exploitatie van kansspelen aan banden gelegd. De huidige Wet op de kansspelen (verder: Wok) maakt echter in artikel 2 sub a een uitzondering wanneer het gaat om een besloten kring. De jurisprudentie heeft in de afgelopen jaren duidelijk gemaakt dat het niet eenvoudig is om de omvang van een ‘besloten kring’ te bepalen. Het lijkt logisch dat hieronder de huiselijke kring valt, maar hoe zit het met een pokertoernooi in de kroeg? In ieder geval is duidelijk geworden dat een door de KNVB georganiseerde voetbalpool met 400.000 leden-deelnemers niet meer als een besloten kring kan worden aangemerkt.[5]

Huidig kansspelbeleid in Nederland
Met het huidige kansspelbeleid wordt gestuurd op regulatie en controle door de overheid op het aanbod van kansspelen. De gedachten hierachter zijn het voorkomen van kansspelverslaving, de bescherming van de consument en het tegengaan van criminaliteit en illegaliteit.[6] De Wok, die dateert van 1964, verbiedt het aanbieden van kansspelen zonder daartoe verleende vergunning. Vrijwel alle vergunninghouders dienen op grond van de gestelde vergunningvoorwaarden een deel van de opbrengst af te dragen aan de Staat of goede doelen. Zo draagt Holland Casino bij aan de Staatskas en sponsort de Postcodeloterij een groot aantal goede doelen.

Het toezicht op de kansspelmarkt is tegenwoordig geconcentreerd bij het Ministerie van Justitie, de verantwoordelijkheid voor het beheer van de Staatsloterij en Holland Casino ligt bij het Ministerie van Financiën. Naast Justitie als toezichthouder is in 1996 het ‘College van toezicht op de kansspelen’ belast met toezicht en advisering over het verlenen van vergunningen.

Kritiek
Met name het monopoliebeleid is al jaren onderwerp van kritiek vanuit de samenleving. Deze kritiek is er vooral op gericht dat de overheid volgens een dubbele moraal handelt. Aan de ene kant wordt er een restrictief beleid gevoerd, maar aan de aan de andere kant vloeit een groot gedeelte van de opbrengst uit de goksector rechtstreeks in de staatskas. Toen Holland Casino in de gelegenheid werd gesteld om tot nieuwbouw van twee vestigingen over te gaan zagen veel mensen dit als dubbelspel.

Blik op Europa
In Europees verband is weinig kansspelwetgeving geharmoniseerd en er is veel ruimte overgelaten aan de nationale overheden om het beleid omtrent kansspelen in te vullen. Dit blijkt ook uit de verschillende kansspelculturen in de lidstaten. Voor België is het uitgangspunt van het kansspelbeleid het beschermen van de kansspelers. Er geldt een vergunningsplicht voor kansspelaanbieders, het beleid geeft maatregelen ter bescherming van gokkers en er zijn overtredingen van de kansspelenwet strafbaar gesteld. Er is een Kansspelcommissie opgericht die een toezichthoudende rol heeft ten aanzien van de speelgelegenheden. Het Verenigd Koninkrijk kent een relatief open kansspelmarkt. Er moet een vergunning worden verleend waar strenge eisen aan zijn gesteld, maar in principe kan iedereen kansspelen ontwikkelen en exploiteren. Het toezicht op de markt wordt uitgeoefend door de National Lottery Commission en de Gaming Board. Zweden kent een typische vorm van het aanbieden van kansspelen: de restaurantcasino’s. Het gaat vooral om het dineren, maar er kan ook met beperkte inzet worden gespeeld bij verschillende kansspelen. Zwitserland is in Europa een enigszins vreemde eend in de bijt. Waar tot 1993 casinospelen grotendeels verboden waren, zijn er sinds de invoering van de Wet op de Casinospelen pas in 2001 casino’s geopend. Zelfs speelautomaten mogen alleen nog binnen casino’s staan. Het toezicht wordt ook hier uitgevoerd door een kansspelcommissie.[7]

Het Verdrag van Lissabon (verder: VEU) is van invloed op de ontwikkeling van de kansspelmarkt in de afzonderlijke lidstaten. Zoals gezegd is er een discretionaire bevoegdheid voor lidstaten ten aanzien van het invullen van het beleid. Er zijn echter grenzen die zijn aangestipt door het Hof van Justitie van de Europese Unie (verder: HvJ). Het aanbieden van kansspelen wordt door het HvJ gezien als ‘dienst’ in de zin van het VEU.[8] Wanneer nationaal beleid een beperking inhoudt van het vrij verkeer van diensten, dient de belemmering te worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang.[9] De Nederlandse rechtspraak heeft bevestigd dat de huidige nationale regelgeving in overeenstemming is met het Europese recht.[10]

De nieuwe plannen
Met name de opkomst van het aanbieden van kansspelen op internet, denk aan poker, vereist een modernisering van onze huidige kansspelenwet. De huidige regering wil het kansspelbeleid dan ook op de schop nemen met het oog op een veilig en verantwoord aanbod van kansspelen. Een andere doelstelling van het nieuwe beleid is het beschermen van de burger tegen het risico van kansspelverslaving, met in het achterhoofd de eigen verantwoordelijkheid van enerzijds spelaanbiedende bedrijven en deelnemers aan kansspelen anderzijds.[11]

De maatregelen die de minister daarbij voor ogen heeft zijn: a) bevordering van de marktwerking door concurrenten toe te laten; het monopolie moet verdwijnen, b) consistente, transparante en non-discriminatoire wijze van vergunningverlening met een toezichthouder en c) nieuwe kansspelvormen – zoals via internet – wettelijk reguleren. Deze maatregelen laten duidelijk een nieuwe ontwikkeling zien. Waar het huidige beleid vooral ziet op het beperken van het aanbod, verschuift dit duidelijk naar het vormen van toezicht en het stellen van regels om de ongewenste risico’s van kansspelen in te perken.

Verdwijnen monopolie
Er is een aantal monopolisten op de kansspelmarkt. Bijvoorbeeld Holland Casino voor de speelcasino’s, de Staatsloterij voor de loterijen en Scientific Games Racing B.V. voor de weddenschappen op paardenrennen. Staatssecretaris Teeven van Justitie heeft aangegeven te willen onderzoeken wat de gevolgen zijn van het toelaten van meerdere aanbieders op deze markt. Het gaat hier dan om het liberaliseren van de kansspelmarkt. Er moet onder meer worden gekeken onder welke voorwaarden dat gebeurt en hoeveel bedrijven uiteindelijk in deze branche mogen toetreden. Mogelijk is ook de privatisering van Holland Casino hierbij aan de orde. Momenteel is Holland Casino eigendom van de overheid, maar in een potentieel geliberaliseerde markt is het wellicht aan de orde om Holland Casino te verkopen.

Het is de vraag of concurrentie op deze markt ook daadwerkelijk wenselijk is. Belangen van betrokken bedrijven en organisaties zullen zich op andere aspecten richten, zoals een aantrekkelijke uitgaansgelegenheid zijn en blijven en daarnaast spelers binnenhalen. Waar het voor bijvoorbeeld Holland Casino nu mogelijk is om zeer veel inspanning te steken in het preventiebeleid ten aanzien van gokverslaving, is het nog maar de vraag of dit onder de marktwerking ook nog als belangrijkste punt op de agenda staat. Om nog maar niet te speculeren over de grote reclameposters en vele spotjes op tv die bezoekers moeten trekken. Elk bedrijf zal rendabel moeten blijven en dat kan slechts door het genereren van voldoende bezoekersaantallen. De Tweede Kamer heeft zich dan ook uitgesproken over het belang van strak toezicht en stringente handhaving op deze ontwikkeling.[12] Er zullen dus ook regels moeten worden gesteld omtrent reclame. Er is hier een goede vergelijking te trekken met de tabaksindustrie.

Strikt vergunningenstelsel en toezicht
Middels het vergunningenstelsel moet worden tegemoetgekomen aan het wenselijke beschermingsniveau door het stellen van strenge regels. Een vergunninghouder zal aan een duidelijk, maar streng eisenpakket moeten voldoen voordat de vergunning wordt afgegeven. Het vergunningstelsel moet zich toespitsen op de vraag in de markt. De voorwaarden die zullen worden gesteld zijn gericht op integriteit en handelswijze van de aanvrager. Ook speelt de verhouding tussen fysiek en online kansspelaanbod op dat moment een rol bij het al dan niet verlenen van een vergunning.

Een belangrijk voorstel is het instellen van een zogenaamde Kansspelautoriteit (verder: Ksa) als toezichthouder. Het moet een daadkrachtig orgaan zijn dat verantwoordelijk is voor het afgeven van vergunningen, het geven van voorlichting en informatie, het toezicht op de naleving van de kansspelregelgeving en de handhaving daarvan. Ter ondersteuning moet de Ksa over handhavinginstrumenten gaan beschikken Hierbij wordt gedacht aan bestuursrechtelijke sancties en in de laatste plaats aan de inzet van het strafrecht als ultimum remedium.[13]

Wettelijke regulatie nieuwe kansspelen
Naar aanleiding van het eindrapport van de Adviescommissie Kansspelen via Internet is duidelijk geworden dat het gokken via internet een grote groei heeft doorgemaakt. Het overgrote deel van het aanbod is niet legaal en heeft betrekking op de spelvariant poker. In het rapport zijn aanbevelingen gedaan om een nieuw ‘internetregime’ in het leven te roepen

Het gokken via internet is vrij toegankelijk en daarmee zeer laagdrempelig voor potentiële spelers. Het risico op kansspelverslaving wordt hiermee dan ook eigenlijk vergroot. Er zullen waarborgen moeten worden gesteld om ook hier de controle, zoals deze bij de fysieke spelaanbieders wordt gehandhaafd, te kunnen toepassen en garanderen. Dat lijkt nog niet zo eenvoudig, omdat kwetsbare spelers geen houvast meer hebben wanneer zij een gokwebsite bezoeken. Gedacht kan worden aan het door de speler stellen van speel- en verlieslimieten en het monitoren van speelgedrag.

Conclusie
Al eeuwenlang is men zich bewust van de risico’s die kansspelen met zich meebrengen. Daar tegenover staat dat de mens toch gek is op het wagen van een gokje. De wetgeving die in de loop der jaren is ontstaan heeft zich dan ook vooral gebaseerd op het reguleren van het aanbod van de kansspelen. De rage van internetgokken heeft politiek Nederland geprikkeld om toe te werken naar nieuwe regelgeving. Afscheid van het monopolie en uitbreiding van het vergunningstelsel is hierbij een van de belangrijkste veranderingen waar het wetsvoorstel op ziet. De discussie over het feit dat Holland Casino en de Staatsloterij staatsdeelnemingen zijn wordt hiermee uit de weg gegaan. Het lijkt echter nog niet zo eenvoudig om de touwtjes strak in handen te houden wanneer de liberalisering van de kansspelmarkt een feit wordt. Toch houdt men op deze manier vast aan de regulatie van de exploitatie zoals die al eeuwenlang stand heeft gehouden. Het door staatssecretaris Teeven ingestelde onderzoek naar de mogelijkheden van marktwerking binnen de kansspelsector zal echter nog wel duidelijkheid moeten scheppen over de exacte vormgeving van eventueel nieuw beleid!


[1] A. van ’t Veer, H. Moerland en C. Fijnaut, Gokken in drievoud, Facetten van deelname, aanbod en regulering, Gouda Quint, Arnhem 1993, p. 110.

[2] A. van ’t Veer, H. Moerland en C. Fijnaut, Gokken in drievoud, Facetten van deelname, aanbod en regulering, Gouda Quint, Arnhem 1993, p. 116.

[3] HR 18 mei 1932, NJ 1932; HR 11 december 1951, NJ 1952,368.

[4] In 1998 is door de Hoge Raad uitgemaakt dat poker een kansspel is. Zie HR 3 maart 1998, NJ 1999,59. De discussie is echter blijven bestaan onder zowel juristen als pokerspelers en –aanbieders.

[5] HR 20 oktober 1953, NJ 1954, 51.

[6] Kamerstukken II, 2010/11, 24 557, nr. 124, p. 1.

[7] Rapport Wils & Oostdijk 2005, Toezicht op kansspelen, inventarisatie van toezichtarrangementen in Europa, Leiden, 19 december 2005.

[8] Zaak C-275/92, Schindler, r.o. 37.

[9] Zaak C-243/01, Gambelli e.a., r.o. 60.

[10] HR 18 februari 2005, NJ 2005, 404.

[11] Kamerstukken II, 2010/11, 24 557, nr. 124, p. 2-3.

[12] Algemeen overleg Commissie voor Veiligheid en Justitie, 13 april 2011.

[13] Kamerstukken II, 2010/11, 24 557, nr. 124, p. 7.


  • 0

Hulp bij zelfdoding: van barmhartigheid naar zelfbeschikking?

Tekst Nikki Wilmink & Pauline Lindeman

Het is niet iedereen gegeven om op 99-jarige leeftijd de voorpagina’s van nagenoeg alle kranten en de belangrijkste nieuws- en actualiteitenprogramma’s op de televisie te halen. Het lukte Moek Heringa in februari 2010. Niet omdat ze binnen afzienbare tijd de respectabele leeftijd van 100 jaar zou bereiken, maar juist omdat ze te kennen had gegeven die niet meer te willen halen. Haar wens was niet ingegeven door ziekte of ondraaglijk lijden, maar door het gevoel dat haar leven voltooid was. Haar zoon verschafte haar de middelen en zij overleed. In dit artikel wordt de strafbaarstelling van hulp bij zelfdoding besproken. Daarnaast aandacht voor de actualiteit en rechtspraak over dit onderwerp.  

Actualiteit

De laatste jaren is de roep om opheffing of aanpassing van het verbod op hulp bij zelfdoding toegenomen en wordt in verschillende media veel aandacht aan het onderwerp besteed. Zo ontstond in november 2009 ophef over het feit dat de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (hierna: NVVE) op haar website tips had geplaatst voor zelfdoding door middel van medicatie. In het programma Netwerk was in februari 2010 een indrukwekkende reportage te zien over de genoemde 99-jarige Moek Heringa.[1] Deze vrouw was voor haar leeftijd lichamelijk redelijk in orde, maar had het gevoel dat haar leven voltooid was en wenste niet meer verder te leven. Haar zoon besloot haar te helpen door haar een grote hoeveelheid pillen te verschaffen. Ook werd het burgerinitiatief ‘Voltooid Leven’ gestart. Dit is afkomstig van initiatiefgroep ‘Uit vrije wil’ die onder andere bestaat uit een aantal oud-politici, wetenschappers en juristen. Deze groep wil het mogelijk maken dat aan oude mensen, die hun leven voltooid achten en waardig willen sterven, hulp bij zelfdoding mag worden geboden. Het burgerinitiatief heeft inmiddels al meer dan 100.000 steunbetuigingen ontvangen. De initiatiefgroep heeft in februari van dit jaar een wetsvoorstel, genaamd ‘Wet toetsing stervenshulp aan ouderen’, aan de Tweede Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie aangeboden.[2] Het wachten is op agendering van het burgerinitiatief in de plenaire vergadering van de Tweede Kamer.

De roep om opheffing of aanpassing van het verbod op hulp bij zelfdoding is weliswaar de laatste jaren toegenomen, maar is geen verschijnsel van de laatste jaren. Al vanaf de jaren zeventig kennen we verschillende belangenorganisaties die zich richten op hulp bij zelfdoding. De NVVE, Stichting Vrijwillig Levenseinde (hierna: SVL) en Stichting de Einder zijn allen voorstander van het mogelijk maken van euthanasie en hulp bij zelfdoding voor mensen die ‘lijden aan het leven’.[3]

Hulp bij zelfdoding is strafbaar gesteld in artikel 294 lid 2 Sr. Artsen mogen op grond van deze wet onder bepaalde voorwaarden wel straffeloos hulp bij zelfdoding verlenen. De hierboven genoemde organisaties hebben gemeen dat zij met hun activiteiten de grenzen van het toelaatbare opzoeken onder artikel 294 lid 2 Sr.

Strafbaarstelling van hulp bij zelfdoding

De strafbaarstelling van hulp bij zelfdoding is in 1886 bij de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht ingevoerd. De zelfdoding op zich is nooit strafbaar geweest. De ontwikkeling van artikel 294 Sr blijkt nauw samen te hangen met de ontwikkeling die de strafbaarstelling van euthanasie heeft ondergaan. Er moet echter wel een strikt onderscheid worden gemaakt tussen euthanasie, strafbaar gesteld in artikel 293 Sr, en hulp bij zelfdoding, strafbaar gesteld in artikel 294 lid 2 Sr. Onder het begrip euthanasie wordt verstaan: het opzettelijk levensbeëindigend handelen door een ander dan degene die wenst te overlijden, op diens verzoek. Dit handelen kan ook uit nalaten bestaan. Hulp bij zelfdoding kan omschreven worden als opzettelijk hulp verlenen bij levensbeëindigend handelen door degene die wenst te overlijden zelf, op diens verzoek.[4] Deze hulp kan bijvoorbeeld bestaan uit het verschaffen van een dodelijke hoeveelheid medicatie.

Voor zover kan worden nagegaan heeft artikel 294 Sr tot de jaren zestig van de vorige eeuw nooit tot een behandeling voor de strafrechter geleid. Vanaf de jaren zestig veranderde de Nederlandse samenleving en ontwikkelde het denken over dood en sterven zich snel.[5] In de jaren zeventig en tachtig verschenen een aantal belangrijke rechterlijke uitspraken waarbij sterven op verzoek en hulp bij zelfdoding onder bepaalde voorwaarden door de rechterlijke macht werden aanvaard.[6] Deze voorwaarden hielden in dat de hulp alleen door een arts mag worden geboden, mits hij zich aan bepaalde zorgvuldigheidseisen houdt. Naar aanleiding van deze jurisprudentie werd in de jaren negentig gewerkt aan nieuwe wetgeving met betrekking tot euthanasie en hulp bij zelfdoding. Op 1 april 2002 trad uiteindelijk de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: WTL) in werking. Het huidige artikel 294 lid 2 Sr luidt:

‘Hij die opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam is of hem de middelen daartoe verschaft, wordt, indien de zelfdoding volgt, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie. Artikel 293, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.’

In de laatste zin wordt het tweede lid van artikel 293 Sr van toepassing verklaard. Artikel 293 Sr ziet op de strafbaarstelling van levensbeëindiging op verzoek, ofwel euthanasie. In het tweede lid van dit artikel is een kwalificatie-uitsluitingsgrond opgenomen voor de arts die levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast en daarbij voldoet aan bepaalde zorgvuldigheidseisen[7]:

‘Het in het eerste lid bedoelde feit is niet strafbaar, indien het is begaan door een arts die daarbij voldoet aan de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en hiervan mededeling doet aan de gemeentelijke lijkschouwer overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging.’

De belangrijkste eisen zijn dat er sprake moet zijn van een weloverwogen en vrijwillig verzoek en dat het moet gaan om ‘ondraaglijk en uitzichtloos lijden’. Daarnaast is een tweede oordeel van een onafhankelijke arts vereist.[8]

Bewijs, kwalificatie, strafbaarheid en straf

Zoals hierboven aangegeven, zijn verschillende organisaties op zoek naar de grenzen van het toelaatbare onder artikel 294 lid 2 Sr. In deze paragraaf bespreken we de rechtspraak over dit artikel aan de hand van de vier materiële vragen die door de rechter in een strafzaak beantwoord moeten worden.

Bewijs
De belangrijkste en waarschijnlijk ook lastigste vraag die door de rechter beantwoord moet worden, is wanneer sprake is van behulpzaamheid in de zin van artikel 294 lid 2 Sr. In de zaak Mulder, die in 1995 werd voorgelegd aan de Hoge Raad, ging het om een verdachte die als vertrouwensarts van de NVVE werd ingeschakeld bij een ernstig zieke en suïcidale patiënt.[9] De huisarts van de patiënt wilde ondanks herhaaldelijk verzoek niet meewerken aan euthanasie. Waarschijnlijk vanwege het feit dat de ziekte geen direct dodelijke bedreiging vormde. De patiënt besloot daarom zelf een einde aan zijn leven te maken. Verdachte had duidelijk gemaakt geen euthanasie te willen verlenen, maar was uiteindelijk wel betrokken bij de zelfdoding. De rechtszaak spitste zich toe op de vraag hoe het begrip ‘behulpzaamheid’ moet worden uitgelegd.

De feiten in de zaak waren als volgt. De patiënt heeft zelf medicijnen verzameld en deze met vla gemengd. Na het eten van deze vla, dronk hij zelf aangeschafte jenever. Vervolgens zei verdachte tegen de patiënt dat het tijd was om de, door patiënt zelf klaargelegde, plastic zak over zijn hoofd te doen. De patiënt heeft dit gedaan en overleed. De vraag was of de handeling van verdachte behulpzaamheid bij zelfdoding opleverde. Het Hof stelde voorop dat behulpzaamheid slechts dan strafbaar is, indien deze tijdens de zelfdoding plaatsvindt. Een aantal ten laste gelegde handelingen van de verdachte, voorafgaand aan de zelfdoding, leverde daarom volgens het Hof geen behulpzaamheid op. Vervolgens maakte het Hof onderscheid tussen het bieden van morele steun en het doen van louter informatieve mededelingen, die geen hulp in de zin van artikel 294 Sr opleveren, en het geven van een instructie. Dit laatste was volgens het Hof wel strafbaar. De enkele aanwezigheid van verdachte bij de zelfdoding moest worden opgevat als het bieden van morele steun. In deze zaak had de verdachte, volgens het Hof, echter ook een instructie gegeven door te zeggen dat het tijd was om de plastic zak over het hoofd te doen. Het Hof veroordeelde verdachte uiteindelijk tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand.
Uit het Mulder arrest van de Hoge Raad blijkt dat artikel 294 lid 2 Sr een eigensoortig karakter heeft, en dat er bij het begrip ‘behulpzaamheid’ aansluiting moet worden gezocht bij het algemeen spraakgebruik. Uit de rechtspraak en de parlementaire geschiedenis blijkt dat het bieden van morele steun en het doen van louter informatieve mededelingen geen strafbare hulp bij zelfdoding opleveren.

In de zaak Muns die in 2003 voor de Rechtbank Groningen diende, ging het om zelfmoordconsulent Muns van Stichting de Einder.[10] Betrokkene was een vrouw die zogenoemd ‘levensmoe’ was en bij wie geen sprake was van ondraaglijk en uitzichtloos lijden in de zin van de WTL. De verdachte heeft voor de betrokkene een lijst gemaakt met voor de zelfdoding benodigde zaken en materialen. Verdachte heeft water, biogarde, jam en een glas alcoholische drank klaar gezet. Deze waren bestemd voor het innemen van de voor de zelfdoding benodigde medicijnen. Ook gaf verdachte betrokkene te kennen dat de aanvankelijke hoeveelheid medicijnen niet voldoende was voor de door haar gewenste dood en dat een plastic zak om verstikking te bevorderen noodzakelijk was. Verdachte maakte voor de zelfdoding een elastiek en legde deze om de nek van de betrokkene. Daarnaast legde hij een plastic zak klaar. Verdachte heeft betrokkene vervolgens geholpen met het innemen van de alcoholische drank en hieromtrent een aanwijzing gegeven.

Volgens de rechtbank konden deze actieve, ondersteunende en voorbereidende handelingen voorafgaande aan de zelfdoding ook behulpzaamheid in de zin van artikel 294 lid 2 Sr opleveren. In hoger beroep en cassatie werd de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd. Het is, zo blijkt uit het Muns arrest van de Hoge Raad, niet van belang of de hulp tijdens of voor de zelfdoding plaatsvindt. Of er in een concreet geval sprake is van behulpzaamheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarvan de weging voorbehouden is aan de feitenrechter, aldus de Hoge Raad in de zaak Mulder.[11]

Uit voorgaande en verschillende andere uitspraken blijkt dat strafbare hulp wordt gezien als concrete, op de persoon gerichte aanwijzingen of instructies. Het moet gaan om situaties waarin de hulpverlener een regiefunctie vervult, het proces bewaakt of daarbij initiatieven neemt en in het algemeen actief en sturend optreedt.[12]

Kwalificatie
Bij de volgende vraag die de rechter moet beantwoorden komt de kwalificatie-uitsluitingsgrond uit artikel 294 lid 2 Sr aan de orde. Op grond van deze kwalificatie-uitsluitingsgrond zijn artsen niet strafbaar voor het verlenen van hulp bij zelfdoding als zij zich hebben gehouden aan de eisen uit de WTL. Zoals eerder aangegeven is een belangrijke eis dat sprake moet zijn van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. De Hoge Raad heeft in het Brongersma arrest beslist dat hiervan alleen sprake is als het lijden in overwegende mate voortvloeit uit een geclassificeerde somatische of psychische ziekte of aandoening. [13]  Dit leidt tot de conclusie dat artsen alleen aan personen met geclassificeerd leed straffeloos hulp bij zelfdoding kunnen verlenen en dat artikel 294 Sr niet ziet op enkel ‘lijden aan het leven’.  

Strafbaarheid
Voor niet-artsen geldt de kwalificatie-uitsluitingsgrond uit de WTL niet. Voor hen geldt het verbod op hulp bij zelfdoding dus zonder meer. Wanneer het gedrag van een niet-arts hulp bij zelfdoding oplevert, kan nog wel een beroep worden gedaan op de strafuitsluitingsgronden. De meeste verdachten van hulp bij zelfdoding beroepen zich op de strafuitsluitingsgrond overmacht-noodtoestand. Uit de rechtspraak blijkt echter dat een beroep op deze strafuitsluitingsgrond niet snel zal slagen.[14] Volgens de rechtbank Almelo is er voor de rechter namelijk weinig manoeuvreerruimte, omdat de wetgever de verschillende belangen al heeft afgewogen bij het formuleren van de wet en de kwalificatie-uitsluitingsgrond. Een beroep op overmacht-noodtoestand door een niet-arts kan slechts onder bijzondere omstandigheden succesvol zijn. Volgens de rechtbank moet je hierbij denken aan een situatie waarin door een ramp of oorlog geen arts beschikbaar is. Een arts die weigert euthanasie of hulp bij zelfdoding te verlenen, levert in elk geval geen noodtoestand op voor een niet-arts, hoe schrijnend de situatie ook is.[15]

Straf
De maximale gevangenisstraf die men voor hulp bij zelfdoding kan krijgen is drie jaar. Zelfmoordconsulenten krijgen doorgaans een gevangenisstraf van 10 tot 12 maanden, waarvan in de meeste gevallen acht maanden voorwaardelijk worden opgelegd. De straf in een zaak van hulp bij zelfdoding in de relationele sfeer lag beduidend lager.[16]

Zelfbeschikking

Zoals hierboven aangegeven zet een aantal belangenorganisaties zoals de NVVE, SVL en De Einder zich al jaren in voor een ruimere mogelijkheid tot hulp bij zelfdoding. Zij menen dat het zelfbeschikkingsrecht voorop moet staan en dat er geen ruimte meer is voor het huidige artikel 294 lid 2 Sr.[17]

Het is horizonverruimend om over grenzen te kijken en dat zullen de genoemde organisaties ook hebben gedaan. Ongetwijfeld namen zij kennis van de op het gebied van hulp bij zelfdoding zeer liberale wetgeving in Zwitserland. Artikel 115 van het Zwitserse Wetboek van Strafrecht stelt alleen de zelfzuchtige hulp bij zelfdoding strafbaar. Onzelfzuchtige hulp is niet strafbaar, omdat de zelfdoding op zich ook niet strafbaar is. Hieruit blijkt dat de Zwitserse wetgever veel waarde hecht aan het zelfbeschikkingsrecht.[18] In de Nederlandse wetgeving speelt het zelfbeschikkingsrecht alleen een rol met betrekking tot het essentiële vereiste dat er een verzoek aan de hulp bij zelfdoding vooraf moet gaan. Er bestaat dus een principieel verschil ten aanzien van de rechtvaardigende grond van de regelingen omtrent hulp bij zelfdoding. De Nederlandse rechtspraak is vooral gebaseerd op barmhartigheid en de rol van de arts. De plicht van de arts om het lijden van de patiënt te verzachten is af te leiden uit barmhartigheid en ook de eis van ondraaglijk en uitzichtloos lijden in de WTL vindt zijn grond in barmhartigheid en niet in zelfbeschikking. Vanuit deze achtergrond is in de Nederlandse regeling gekozen voor  een centrale rol voor de arts en is uitsluitend voor deze beroepsgroep een uitzondering gecreëerd om rechtmatig hulp bij zelfdoding te verlenen. Dat geeft aan dat het zelfbeschikkingsrecht niet de rechtvaardigende grond voor de WTL is, maar de barmhartigheid. Zwitserland kent geen voorbehoud met betrekking tot de mensen die de hulp straffeloos mogen verlenen, mits er geen sprake is van zelfzuchtige beweegredenen.

Het is evident dat de twee opvattingen wezenlijk verschillen. In het wetsvoorstel van initiatiefgroep ‘De vrije wil’ (let wel dat het ‘stervenshulp aan ouderen’ van >70 jaar betreft) speelt zelfbeschikking een belangrijke rol. In de memorie van toelichting staat dan ook: ‘Aan de vrije mens komt de ruimte toe zelf te beslissen over zijn leven én zijn sterven. Zelfbeschikking is immers een wezenlijk beginsel van onze beschaving.’[19] Daarnaast gaat het wetsvoorstel uit van een ander perspectief dan het strikt medische, waarmee ook anderen dan artsen (onder voorwaarden) in de gelegenheid worden gesteld deze hulp te verlenen.[20]

Ten slotte

De discussie over hulp bij zelfdoding duurt voort. Uit het voorgaande blijkt dat de Nederlandse wetgeving, zoals vastgelegd in de WTL, gekenmerkt kan worden als een medisch model waarin barmhartigheid en de rol van de arts belangrijke grondslagen zijn. Verschillende belangenorganisaties zetten zich echter in voor wetgeving waarbij de nadruk ligt op het zelfbeschikkingsrecht en waarbij de hulp niet uitsluitend door een arts mag worden geboden. Het wetsvoorstel dat dit jaar door initiatiefgroep ‘De Vrije Wil’ aan de Tweede Kamer is aangeboden, is dan ook eigenlijk niets minder dan een breuk met de grondslagen van de huidige wetgeving. Het is de vraag of de Nederlandse wetgever hier klaar voor is.


[1] Netwerk 8 februari 2010.

[2] www.nvve.nl.

[3] www.svleven.nl; www.deeinder.nl.

[4] H.J.J. Leenen, ‘Euthanasie en hulp bij zelfdoding’, NJB 1982-4, p. 103-106.

[5] D. van Tol, Hulp bij zelfdoding. Medische en juridische problemen, Amsterdam: Elsevier 1985, p. 52-53.

[6] Rb. Leeuwarden 21 februari 1973, NJ 1973, 183; Rb. Rotterdam 1 december 1981, NJ 1982, 63; HR 27 november 1984, NJ 1985, 106; HR 21 juni 1994, NJ 1994, 656.

[7] Kamerstukken II 1998/99, 26 691, nr. 3, p. 1 (MvT).

[8] Kamerstukken II 1998/99, 26 691, nr. 3, p. 1 (MvT).

[9] HR 5 december 1995, NJ 1996, 322 (Mulder; m.nt. ’t Hart).

[10] Rb. Groningen 10 april 2003, LJN AF7260 (Muns).  

[11] HR 5 december 1995, NJ 1996, 322 (Mulder; m.nt. ’t Hart).

[12] HR 5 december 1995, NJ 1996, 322 (Mulder; m.nt. ’t Hart); Rb. Groningen 10 april 2003, LJN AF7260 (Muns); Rb. ’s Hertogenbosch 10 juni 2003, LJN AF9725; Rb. Alkmaar 7 december 2005, LJN AU7519; HR 18 maart 2008, NJ 2006, 264; Rb. Amsterdam 22 januari 2007, LJN AZ6713; Rb. Almelo 29 mei 2009, LJN BI5890.

[13] HR 24 december 2002, NJ 2003, 167.

[14] Rb. Almelo 29 mei 2009, LJN BI5890; Rb. Alkmaar 7 december 2005, LJN AU7519; HR 9 november 2004, NJ 2005, 217.

[15] Rb. Almelo 29 mei 2009, LJN BI5890.

[16] Rb. Leeuwarden 20 juni 2006, LJN AX8950.

[17] www.svleven.nl; www.nvve.nl; www.deeinder.nl.

[18] C. Schwarzenegger, ‘Selbstsüchtige Beweggründe bei der Verleitung und Beihilfe zum Selbstmord (Art. 115 StGB)’, p. 97 <www.zora.uzh.ch>.

[19] www.uitvrijewil.nu.

[20] www.uitvrijewil.nu.


  • 0

Andere tijden, andere zeden: de golfbeweging in de wetgeving omtrent gemeenschap met kinderen

Tekst Ingrid Hekman

Nederland is voor de tweede keer in drie jaar tijd opgeschrikt door een grote kinderpornozaak. Robert M. misbruikte kinderen bij ouders thuis en op kinderdagverblijven. Zijn foto prijkte in kranten, bladen en op televisie. Verschillende ‘forumgangers’ op het internet zouden het door ons gelegitimeerde slachtoffer het liefst lynchen. De aandacht voor seks met kinderen is nog nooit zo groot geweest als nu en nieuws over grootschalige kinderpornozaken bepalen soms wekenlang het nieuws. Wie kijkt naar de massale verontwaardiging over dit onderwerp zal niet kunnen geloven hoe anders de situatie zo’n dertig jaar geleden was. In 1978 sprak PvdA-senator Edward Brongersma op de televisie over waarom het goed was dat kinderen relaties met volwassenen konden hebben. Destijds verhuurden seksshops nog kinderporno en had De Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH) vijftien werkgroepen voor pedofielen waarin werd gesproken over seks met kinderen.[1] Dit roept de vraag op of het verschil in denken over pedofilie ook veranderingen teweeg heeft gebracht in de wetgeving, hoe dit zit met betrekking tot kinderpornografie en wat we in de toekomst kunnen verwachten.

Pedofilie en pedoseksualiteit

In de volksmond wordt iedereen die ontucht pleegt met kinderen een pedofiel genoemd. Er is echter een verschil tussen pedofielen en pedoseksuelen. Pedofielen koesteren warme, al dan niet seksuele gevoelens voor kinderen, maar kunnen deze gevoelens wel onderdrukken. Pedoseksuelen hebben daadwerkelijk seks met kinderen.[2] De vraag is waarin de fascinatie voor kinderen moet worden gezocht. In de psychiatrie wordt pedofilie als een seksuele stoornis aangemerkt. Het valt onder de parafilie, dat is seksuele gerichtheid op niet-menselijke objecten, het lijden of vernederen van zichzelf, anderen of kinderen en anderen tegen hun wil.[3] Volgens DSM-IV (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders; een classificatiesysteem dat criteria aangeeft waaraan probleemgedragingen moeten voldoen, willen ze als stoornis geclassificeerd worden) is er sprake van pedofilie wanneer er onder andere over een periode van minimaal zes maanden herhaalde, intense en seksueel opwindende fantasieën, aandrang of handelingen aanwezig zijn gericht op seksualiteit met een of meer kinderen in de prepuberteit.[4] Er wordt hierbij wel onderscheid gemaakt tussen de aantrekkingskracht die binnen het gezinsverband geuit wordt, en de aantrekkingskracht die zich buiten het gezinsverband richt. We spreken namelijk van incest wanneer seksuele contacten binnen het gezin plaatsvinden.[5] Zo valt de zaak uit Groningen, waarbij een meisje van twaalf beviel van een kind waarvan haar vader de vader bleek te zijn, te classificeren als incest.

Er wordt wel geprotesteerd tegen het opnemen van pedofilie in de DSM-IV. De tegenstanders willen dat pedofilie uit de lijst van stoornissen wordt gehaald, net zoals homofilie ooit uit deze lijst is gehaald. Zij zien pedofilie als een normale variant van seksualiteit en stellen dat pedofilie een normale geaardheid is. Neurobioloog Dick Swaab zet in zijn studie ‘Wij zijn ons brein’ uiteen dat de fascinatie van de pedofiel voor kinderen moet worden gezocht in de hersenontwikkeling in de baarmoeder en de vroege ontwikkeling na de geboorte. Onze genetische achtergrond en de zich ontwikkelende hersenen voor de geboorte bepalen volgens hem onze seksuele oriëntatie.[6] Pedofilie valt dus op verschillende manieren te zien, maar over wat het nou precies is, is weinig bekend. Door onderzoekers wordt het onderwerp pedofilie vaak niet aangesneden en  pedofielen durven op hun beurt vaak niet voor hun ‘voorkeur’ uit te komen.[7] Feit blijft dat het tegenwoordig maatschappelijk niet aanvaard is om (seksuele) gevoelens voor kinderen te koesteren.

Wetgeving                                                                                                                            

Voor 1811 was alleen de geslachtsgemeenschap tussen man en vrouw in het huwelijk, met als doel de voortplanting, toegestaan in het christelijke Nederland. Andere vormen van seksualiteit werden afgewezen door de naaste omgeving, maar van vervolging van verboden seks was nauwelijks sprake. Nadat in 1811 de Franse strafwet was ingevoerd, kende Nederland een aantal artikelen met betrekking tot de zeden. Onder deze artikelen bevond zich een artikel dat aanzetten tot ontucht van personen onder de 21 jaar verbood. Toch was dit artikel niet van toepassing op pedoseksualiteit, gezien de jurisprudentie, die enkel gaat over het prostitueren van jongeren onder de 21 jaar. Wel was het gebruikelijk om seksuele handelingen met kinderen onder de 12 jaar gelijk te stellen met verkrachting. Dit was om kinderen onder de 12 jaar te beschermen ondanks het ontbreken van een wetsartikel over een leeftijdsgrens voor seksuele contacten.[8]

In 1886 kwam er een nieuw Nederlands wetboek van Strafrecht. Hierin werd seks met kinderen onder de zestien jaar strafbaar gesteld. Het hoorde rond de twintigste eeuw bij de perversiteiten: alles wat afweek van de heteroseksuele norm.[9] De eeuwwisseling betekende tevens een wisseling van de politieke leiding in ons land. De liberale politiek werd vervangen door voornamelijk christelijke partijen. Dit leidde in 1911 tot de Wet tot Bestrijding van de Zedenloosheid, waarin de kerkelijke normen met betrekking tot de zedelijkheid werden vastgelegd. De staat kreeg de taak om alle vormen van zedenbederf te bestrijden.[10] De nieuwe wet kende onder andere bepalingen tegen prostitutie en de beschermde leeftijdsgrens voor homoseksuele contacten en seksuele contacten in afhankelijkheidsrelaties werd op 21 jaar vastgesteld. De nieuwe wetten leidden tot de groei van controle-instanties en het aantal vervolgingen van zedendelicten. Toch was er in die tijd nog niet veel aandacht voor het plegen van ontucht met kinderen. Pas in de tweede helft van de twintigste eeuw, ten tijde van de ‘seksuele revolutie’, werd er veel over het onderwerp gesproken. Seks werd bespreekbaar, de pil kwam beschikbaar en voorechtelijke seks nam een hoge vlucht.[11] Verschillende commissies bogen zich over de wetgeving en een aantal wetten met betrekking tot de zeden werden geschrapt of gewijzigd. In de jaren ‘80 en ‘90 kwamen hierdoor verdere veranderingen, zoals de acceptatie van homoseksualiteit. Er was ruimte voor discussie over allerlei soorten seksuele voorkeuren die afweken van de heteroseksuele norm. Edward Brongersma, destijds eerste Kamerlid van de PvdA, pleitte voor verlaging van de leeftijdsgrenzen voor seksuele contacten tussen ouderen en jongeren; hij had een openlijke liefde voor jongere jongens. Verschillende bekende Nederlanders verklaarden destijds in interviews dat zij graag naakt rond liepen, dat zij met hun kinderen douchten of zelfs vrijden. Het kon allemaal.[12] De pedofielen hoopten de homo-emancipatie te volgen, maar (onder meer) de vrouwenbeweging in de jaren ‘80 stak hier een stokje voor. Deze feministische groepering had zich eerst ingezet voor een wet met betrekking tot abortus. Na de aanname van de Wet afbreking Zwangerschap in 1981 vestigde de feministische stroming haar aandacht op onder andere seksueel geweld. Ontucht met kinderen werd in verband gebracht met seksueel misbruik binnen het gezin. Door het door hen geschapen beeld van vaders die het met hun dochters deden, maar ook door een reeks van schandalen waaronder de zaak Oude Pekela in 1987 en Dutroux in 1996, werd de visie op ‘pedofilie’ steeds slechter. De seksuele vrijheid werd weer ingeperkt en de wetgeving ging hierdoor op de schop. Tussen 1991 en 2002  was het nog feitelijk gedoogd om seksuele omgang te hebben met kinderen tussen de 12 en 16 jaar. Strafrechtelijke vervolging kon alleen plaatsvinden als het kind zelf of de wettelijke vertegenwoordiger een klacht indiende bij justitie. In 2002 werd dit klachtvereiste afgeschaft waardoor de beschermde leeftijdsgrens naar 16 jaar werd verhoogd en in sommige artikelen werd de beschermde leeftijd 18 jaar.[13]  Tegenwoordig kan bijna ieder seksueel contact tussen een volwassene en een kind  worden vervolgd. In artikel 244 Sr is gemeenschap met een persoon beneden de 12 jaar strafbaar gesteld en in artikel 245 Sr zijn ontuchtige handelingen met een persoon beneden de 16 jaar strafbaar gesteld. Hierbij moet in acht genomen worden dat de leeftijd is geobjectiveerd. Dat betekent dat de dader niet hoefde te weten of vermoeden dat de jongere de leeftijd van 12 respectievelijk 16 jaar nog niet heeft bereikt. Het gaat bij deze artikelen om de bescherming van (zeer) jeugdigen tegen ernstige seksuele handelingen. Het maakt daarom ook niet uit van wie het initiatief is uitgegaan. Overigens moet er wel bedacht worden dat sommige gevallen geen ‘ontuchtige handelingen’ opleveren. Zo zou het ontuchtige karakter kunnen ontbreken in het geval een 28-jarige seksueel binnendringt bij een 15-jarige waarbij zij een relatie hebben, van plan zijn te gaan trouwen en de 15-jarige hiervoor al de nodige dispensatie heeft ontvangen. Ook kan het ontuchtig karakter ontbreken indien die handelingen plaatsvinden tussen personen die in geringe mate in leeftijd verschillen.

Kinderporno                                                                                                                           

Kinderpornografie is strafbaar gesteld in artikel 240b Sr. Om kinderporno te kunnen maken, worden er kinderen misbruikt. Het beleid in Nederland is op de vorige trieste conclusie gericht: het bekijken van kinderporno wordt aangepakt zodat de makers van de kinderporno indirect ook worden aangepakt.[14]

Hoe anders was dit vroeger. De seksuele revolutie vanaf de jaren ’60 wees seks tussen kinderen en ouderen niet zonder meer af en de vraag naar pornografisch materiaal werd in deze tijd groter. Er werden kinderpornotijdschriften geproduceerd en om kinderporno te bemachtigen kon men dit per post bestellen of naar seksshops gaan. Kinderporno was zelfs bijna helemaal vrijgegeven. In 1979 stond in een wetsvoorstel ondermeer: ‘Afschaffing van het verbod op het vervaardigen, het verspreiden, en het in voorraad hebben met de bedoeling van verspreiding van alle soorten pornografische teksten, afbeeldingen en voorwerpen’.[15] In 1984 besliste de Tweede Kamer echter anders. Vanaf de jaren ’80 vond namelijk een mentaliteitsverandering plaats. Deze verandering kwam door verschillende factoren. In de media werden pedofielen afgebeeld als mensen die jacht maken op de kinderen van burgers. De vrouwenbeweging, politie en justitie wezen destijds op de schadelijke effecten van kinderporno op het kind en de Verenigde Staten oefenden politieke druk uit op Nederland om ons een actiever beleid tegen kinderpornografie te laten voeren. Ook de zaak van Thea Pumbroek speelde waarschijnlijk een belangrijke rol bij de verandering van mentaliteit. Op 27 augustus 1984 overleed Thea Pumbroek op 6-jarige leeftijd tijdens een ‘fotografische sessie’ aan een overdosis cocaïne. Het grootste deel van haar 6-jarig bestaan werd zij misbruikt voor de productie van kinderporno.[16] Dit alles leidde in 1985 tot de aanname van een nieuw wetsvoorstel. De nieuwe wet (artikel 240b Sr) die kinderporno verbood, trad in 1986 in werking. Degene die een afbeelding of een informatiedrager met een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij iemand de leeftijd van zestien jaar nog niet bereikt heeft, verspreidde, openlijk tentoonstelde, vervaardigde om te verspreiden of tentoon te stellen, invoerde, doorvoerde, uitvoerde of in voorraad had, kon destijds worden gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden of een geldboete van de derde categorie. Toch bood dit wetsartikel een onvoldoende basis voor de opsporing en vervolging van kinderporno. In 1994 werd dit wetsartikel flink aangescherpt door het wetsvoorstel van de toenmalige Minister van Justitie Hirsch Ballin. De strafmaximum van artikel 240b Sr werd verhoogd naar vier jaar en er kon een straf van zes jaar gevangenisstraf worden opgelegd bij gewoonte van de strafbare gedraging van artikel 240b Sr. Er wordt van een gewoonte gesproken wanneer de verdachte gedurende langere tijd afbeeldingen voorhanden heeft waarop minderjarigen staan die betrokken zijn bij een seksuele gedraging.[17] Door de strafverzwaring werd de ernst van het feit tot uiting gebracht en het bracht tevens de mogelijkheid om financieel onderzoek te kunnen doen. In de jaren ’90 veranderde het ‘in voorraad hebben’ in artikel 240b Sr in ‘in bezit hebben’ en door het maatschappelijk debat en de maatschappelijke woede over kinderporno is het artikel de afgelopen decennia nog verder aangescherpt. In 2002 werd het bezit van kinderporno expliciet strafbaar gesteld, de leeftijdsgrens van zestien jaar werd verhoogd naar 18 jaar en door de implementatie van het Cybercrime Verdrag werd artikel 240b Sr uitgebreid met de toevoeging van de zinsnede ‘of schijnbaar betrokken’. Hiermee werd ook virtuele kinderporno (animaties of tekeningen) strafbaar gesteld omdat hier een wervende werking van uit kan gaan. In 2009 werd ten slotte opnieuw de strafmaat verhoogd en vanaf 2010 is ook de toegang verschaffen tot kinderporno strafbaar gesteld in artikel 240b Sr. Naar kinderporno kijken zonder sporen achter te laten op de harde schijf is daardoor ook strafbaar. Vereist is wel dat er een actieve handeling moet zijn verricht om de toegang tot deze porno te verkrijgen.[18]

Toekomst

In 2009 weigerde de gemeente Eindhoven een veroordeelde pedoseksueel terug te laten keren naar zijn woonplaats. In datzelfde jaar werden op de (Amerikaanse) website van stichting Stop Kindersex foto’s en adressen van Nederlandse veroordeelde pedoseksuelen geplaatst.[19] Beide zijn wellicht te zien als een vorm van eigenrichting jegens pedoseksuelen.

Nederland heeft een wet die strenge eisen stelt aan het publiceren van persoonsgegevens: de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Om persoonsgegevens openbaar te maken moet er toestemming zijn gegeven door de desbetreffende persoon of moet er een belangenafweging hebben plaatsgevonden tussen het publiek belang en het geschade belang van de persoon in kwestie.[20] De veiligheid neemt wellicht toe met het publiceren van de persoonsgegevens van een pedoseksueel, maar aan zijn of haar privacy wordt ernstige schade toegebracht. In Amerika is het toegestaan om persoonsgegevens online te zetten. Er bestaat zelfs een non-profit burgerorganisatie die zich inzet tegen pedoseksuelen. Deze organisatie maakt letterlijk jacht op hen; zij struinen databases en buurten af om mensen te waarschuwen voor pedoseksuelen. Ook zoeken zij gezochte pedoseksuelen op om deze uit te leveren aan de politie.[21] In Nederland werd na publicatie van zijn gegevens de ramen van het huis van een pedoseksueel ingegooid. Blijkbaar voldoet voor velen het strafrechtelijk systeem niet bij het bestraffen van deze mensen en bestaat de neiging tot eigenrichting. We lijken op weg te zijn naar hoe men in de VS omgaat met veroordeelde pedoseksuelen.

De roep om strengere wetten wordt dan ook steeds groter; op internet is een oproep gedaan om ontucht met baby’s, peuters, kleuters en kinderen tot 12 jaar voortaan altijd als verkrachting in plaats van ontucht aan te merken. Deze oproep vindt massaal weerklank; inmiddels hebben bijna 150.000 mensen een petitie met betrekking tot dit onderwerp ondertekend. Bovendien vinden de ondertekenaars dat de maximale straf van 12 jaar voor verkrachting van een kind moet worden vervangen door TBS met dwangverpleging.[22] De vraag is of dit alles opnieuw een wetswijziging zal opleveren.

Ten slotte

De wijze waarop naar zedendelicten is gekeken, is vanaf de totstandkoming van het wetboek van Strafrecht aan een golfbeweging onderhevig geweest. De wetten met betrekking tot het plegen van ontucht met kinderen en met betrekking tot kinderpornografie illustreren dit goed. Van kerkelijke normen aan het begin van de negentiende eeuw, naar ruimte voor discussie over pedofilie tijdens de ‘seksuele revolutie’, tot uiteindelijk de maatschappelijke verontwaardiging en afschuw over dit onderwerp. Het is waarschijnlijk een kwestie van tijd dat de volgende verandering in deze zedenwetgeving plaatsvindt.


[1] A. Boer, ‘Het grote kwaad van kinderporno’, de Stentor Spectrum 26 maart 2011, p. 12.

[2] ‘Pedofilie en pedoseksualiteit’, Parool 27 januari 2009, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.parool.nl/parool/nl/1044/Nationale-Scriptieprijs/article/detail/137762/2009/01/27/Pedofilie-en-pedoseksualiteit.dhtml>.

[3] H.J.C. Ras e.a.,  Wegwijs in de psychiatrie, Amsterdam: Boom 2008, p. 241.

[4] B.C.M. Raes & F.A.M. Bakker,  De psychiatrie in het Nederlandse recht, Deventer: Kluwer 2007, p. 249.

[5] J. Janssen, ‘Pedofilie en bestialiteit in vergelijk. Ook ontucht met dieren strafbaar gesteld’,  Crimelink. Over misdaad en veiligheid, januari 2011 jaargang 4 nr. 1, p. 32-34.

[6] H. Visser, ‘Pedofilie is geen ziekte maar een geaardheid’, Trouw 2011, geraadpleegd op 9 mei 2011via <http://www.trouw.nl/tr/nl/4324/Nieuws/article/detail/1839533/2011/02/19/Pedofilie-is-geen-ziekte-maar-een-geaardheid.dhtml>.

[7] H. Koelmans, ‘Zijn pedofielen oud, vies en seksverslaafd?’, Tijdschrift voor sociale vraagstukken 2009, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.zilverenkracht.nl/eCache/DEF/1/25/531.html>.

[8] G. Hekma, ‘Seks en de wet’, Blind. Interdisciplinair tijdschrift 2007, geraadpleegd op 9 mei 2011 via  <http://www.ziedaar.nl/article.php?id=286>.

[9] H. Berghuis, ‘Visie op pedofilie in 20e eeuw veranderd’, Plaats-Delict 2011, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.plaats-delict.net/2011/01/visie-op-pedofilie-in-20e-eeuw-veranderd/>.

[10] G. Leistra, ‘Moraal: nieuwe zedenmeesters’, Elsevier 2007, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.elsevier.nl/web/Artikel/177728/Moraal-Nieuwe-zedenmeesters.htm>.

[11] R. Veenhoven, ‘Wat bracht de seksuele revolutie?’, Erasmus Universiteit Rotterdam 2005, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www2.eur.nl/fsw/research/veenhoven/Pub2000s/2005i-fulln.pdf>.

[12] R. Bouwman, ‘Hoe bevrijdend was de seksuele revolutie?’, Tegenwicht  2005, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.tegenwicht.org/40_kleine_seksuologie/seksrev.htm>.

[13] G. Hekma, ‘Seks en de wet’, Blind. Interdisciplinair tijdschrift 2007, geraadpleegd op 9 mei 2011 via  <http://www.ziedaar.nl/article.php?id=286>.

[14] A. Boer, ‘Het grote kwaad van kinderporno’, de Stentor Spectrum 26 maart 2011, p. 12.

[15] ‘Ruimte voor de pedofiel. Wetsvoorstel’, Andere tijden 2010-2011, geraardpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.geschiedenis24.nl/andere-tijden/afleveringen/2010-2011/Ruimte-voor-de-pedofiel/Wetsvoorstel.html>.

[16] J.J. Oerlemans, ‘Kinderpornografie op internet. Dweilen met de kraan open’, Defence for Childeren 2010, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.defenceforchildren.nl/images/13/1089.pdf>.

[17] J.J. Oerlemans, ‘Kinderpornografie op internet. Dweilen met de kraan open’, Defence for Childeren 2010, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.defenceforchildren.nl/images/13/1089.pdf>.

[18] J.J. Oerlemans, ‘Kinderpornografie op internet. Dweilen met de kraan open’, Defence for Childeren 2010, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.defenceforchildren.nl/images/13/1089.pdf>.

[19]‘Eindhoven moet pedofiel toelaten’, RTL Nieuws jaartal onbekend, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.rtl.nl/(/actueel/rtlnieuws/binnenland/)/components/actueel/rtlnieuws/2009/10_oktober/27/binnenland/eindhoven-moet-pedofiel-toelaten.xml>.

[20] S. Arends, ‘Amerikaanse wet maakt antipedofielensite mogelijk’, Verspers  2009, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.verspers.nl/?categorie=5&soort=artikel&id=193>.

[21] P. Boon, ‘Lauren verslaat 12 april de jacht op pedofielen in de VS’,  Piet Boon’s Blog  2011, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://pietboon.wordpress.com/2011/04/11/lauren-verslaat-12-april-de-jacht-op-pedofielen-in-de-vs/>.

[22] A. Karimi, ‘Ontucht is verkrachting’,  Spits  2011, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.spitsnieuws.nl/archives/binnenland/2011/04/ontucht_is_verkrachting.html>.


  • 0

Een dag in het leven van… Meike Scheepstra (Directielid Penitentiair Psychiatrisch Centrum)

Tekst Nikki Koops

Mevrouw Scheepstra is plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de Penitentiaire Inrichting (PI) Amsterdam Over-Amstel, beter bekend als de ‘Bijlmerbajes’. Zij maakt tevens deel uit van de directie van het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC), één van de onderdelen van de PI. Deze afdeling werd voorheen de Forensisch Observatie en Begeleidings Afdeling (FOBA) genoemd. Voordat zij de lezer van het blad een kijkje gunt in haar dagelijkse bezigheden, vertelt ze eerst hoe ze bij deze functie is terechtgekomen.

Scheepstra: “Ik heb van 1991 tot 1996 Nederlands Recht gestudeerd in Maastricht. Ik volgde allerlei vakken, maar mijn interesse lag bij het privaatrecht. Vooral de problematiek rond de ‘overeenkomst’ en de ‘redelijkheid en billijkheid’ sprak mij erg aan. Deze begrippen zijn niet zwart-wit: het gaat om de interpretatie. Ik heb voor de studie Rechten gekozen omdat ik het boeiend vind om te kijken naar waarden en normen, waarden en normen die voor ons allen gelden. Daarnaast vind ik het belangrijk om maatschappelijk betrokken te zijn. Wet- en regelgeving zijn, als het goed is, een goede weerspiegeling van de maatschappij. Na mijn studie werkte ik onder andere in de verslavingszorg in Rotterdam. Destijds heb ik gesolliciteerd voor de functie van afdelingshoofd binnen de FOBA. Naar aanleiding van deze sollicitatie benaderde de toenmalig directeur mij echter voor een plek als managementtrainee. Na een jaar kwam er een directiefunctie vrij en heb ik gesolliciteerd.”

Mevrouw Scheepstra vormt samen met onder andere een psychiater en chef de clinique de directie van het PPC. PPC’s zijn bedoeld voor gedetineerden die psychiatrische zorg nodig hebben. Het criterium is dat de gedetineerde een stoornis heeft en niet meer te handhaven is binnen de inrichting waar hij/zij verblijft. Scheepstra: “Er zijn in Nederland vijf PPC’s. Wat dit PPC bijzonder maakt is de crisisafdeling, die de landelijke opvang verzorgt voor gedetineerden die in een acute psychiatrische crisis zijn beland. Vroeger was de FOBA, als enige in Nederland, een plek waar patiënten werden opgevangen die in een crisis verkeerden. Door de uitbreiding naar vijf PPC’s door het hele land zijn de plekken voor patiënten met een wat minder ernstige problematiek gecentreerd.”

Vervolgens vertelt mevrouw Scheepstra over haar functie als directielid en beschrijft zij enkele van haar dagelijkse bezigheden en bijzondere bevoegdheden. Daarnaast vertelt ze over wat haar baan zo interessant maakt.

Scheepstra: “Heel algemeen beschreven proberen wij als directie leiding te geven aan dat wat er in het primaire proces gebeurt rondom gedetineerden en medewerkers. Dat is zorg geven aan de patiënten, maar ook aan de medewerkers. Als directie wordt je geacht om met alle ontwikkelingen die er zijn, in de maatschappij maar ook in de politiek, rekening te houden. Op basis daarvan schrijf je een jaarplan, bepaal je het beleid. Je moet daarnaast ook rekening houden met wat de gedetineerdenpopulatie vraagt en wat de medewerkers belangrijk vinden. Op basis daarvan probeer je prioriteiten te stellen. Het beleid wordt deels bepaald op het hoofdkantoor, deels in overleg, maar ook door onszelf en door een vertaalslag te maken voor onze eigen inrichting.

Ik ben veel in gesprek met mensen over dingen die je op een dag tegenkomt en houd mij dagelijks bezig met een aantal projecten. Eén van die projecten is de Modernisering van het Gevangeniswezen. Voor het deelproject onderwijs overleg ik onder andere met onze onderwijzers hoe het beleid is geformuleerd en hoe we dat het beste kunnen toepassen. We willen graag een mooie schakel zijn tussen detentie en terugkeer in de samenleving. Onderwijs bieden tijdens een kort verblijf is dus een belangrijk onderwerp. Daarnaast zijn er een aantal overlegvormen die wekelijks terugkomen. Dit kan teamoverleg zijn, maar ook overleg met het secretariaat om te kijken wat voor afspraken je hebt.

Eens per maand staat de beklagzitting van de commissie van toezicht op het programma, met daaraan gekoppeld de vergadering. Tijdens de beklagzitting kunnen patiënten klagen over beslissingen van de directeur. Nu is het beleid in het PPC niet zo dat dit alleen maar beslissingen van de directeur zijn. Formeel zouden klachten over beslissingen die niet van de directeur afkomstig zijn, niet-ontvankelijk zijn. Wij vinden het echter belangrijk dat deze kwetsbare patiënten ook over andere ongenoegen kunnen klagen. Tijdens die zitting kunnen de directeur en de patiënt hun zegje doen en doet de commissie van toezicht uitspraak over wie gelijk heeft. Deze commissie bestaat uit onafhankelijke mensen uit verschillende werkvelden. Meestal is de voorzitter een rechter en in ons geval zitten er ook een psychiater en een huisarts in de commissie en bijvoorbeeld maatschappelijk werkers. Als een van de partijen niet tevreden is met de uitspraak, kan die partij in hoger beroep.

Naast de beklagzitting is er ook een vergadering met de commissie waarin je het gevoerde beleid en de ontwikkelingen met hen bespreekt. De commissie is eigenlijk het toetsende orgaan van de directie, zij kijken of je het werk doet zoals het in de Penitentiaire Beginselenwet staat beschreven. Zij kunnen ongevraagde en gevraagde adviezen geven. Daarnaast is een lid van de commissie elke maand maandcommissaris. Die komt dan naar de inrichting en kan met de patiënten die dat willen en hebben aangegeven een gesprek hebben over wat er ook maar speelt.

De wettelijke bevoegdheden van een gevangenisdirecteur staan beschreven in de Penitentiaire Beginselenwet. Hierbij is door de wetgever meer uitgegaan van een reguliere penitentiaire setting en wat minder rekening gehouden met een psychiatrische populatie. Daarom moeten we als managementteam vaker de vertaalslag maken van de wet naar onze praktijk. Ook dit is onderwerp van gesprek met de commissie van toezicht. De directie heeft de bijzondere bevoegdheid om te beslissen  of een gedetineerde in een isolatiecel moet verblijven. Ook beslist de directie of een gedetineerde tegen zijn/haar wil in medicijnen worden toegediend. De directie wordt hierbij geadviseerd door de psychiater die inschat of er uit de psychiatrische stoornis een gevaar voortkomt voor de patiënt zelf of diens omgeving. Alleen als dit aantoonbaar is en er op dat moment geen andere middelen aanwezig zijn om het gevaar af te wenden, is gedwongen medicatie mogelijk.

Ik vind mijn baan heel interessant omdat ik aan de ene kant te maken heb met personeel en aan de andere kant met de gedetineerden. Je neemt mensen aan en leidt ze vervolgens ook goed op. Een belangrijk vraagstuk is hoe je in dit werk de medewerkers gezond houdt. Wat moet het management regelen om te zorgen dat het personeel gezond het werk kan blijven doen? Wij noemen dit het managen van de parallelle processen. Dat is een heel complexe maar boeiende kant van het werk.

Daarnaast vind ik het ook heel belangrijk om samen met mijn collega’s een bijdrage te leveren aan een mogelijk betere levensloop van de patiënt, na zijn/haar verblijf bij ons. Dit kan ook van invloed zijn op het criminele gedrag. Vaak bewerkstellig je dit al door goede nazorg te bieden. Soms verblijven patiënten hier, maar wordt er in de strafzaak bepaald dat er te weinig bewijs is en volgt geen veroordeling. Als die persoon dan wel een stoornis heeft, kunnen wij een rechterlijke machtiging aanvragen om opname in de gezondheidszorg te bewerkstelligen. Zo krijgt de patiënt wel goede zorg, ook als hij/zij hier weggaat. Wij hebben medewerkers maatschappelijke dienstverlening in dienst, die tijdens detentie in kaart brengen of basisbehoeften zoals woning, inkomsten en werk geregeld zijn. Dergelijke zaken kunnen op deze wijze mogelijk beter op de rit komen. Daarnaast wordt geprobeerd om het contact met de familie zo veel mogelijk te herstellen. Vaak is er sprake van een verstoorde relatie. Gedetineerden hebben meer kansen in de maatschappij en vallen minder snel in herhaling als er een sociaal netwerk is dat voor ondersteuning zorgt.

Onvoorspelbaarheid hoort bij mijn werk. Ik begin ‘s ochtends met een planning, maar deze wordt meerdere malen per dag overhoop gehaald. Er kan bijvoorbeeld iets gebeuren met een van de patiënten, soms raken medewerkers erbij betrokken. Daar gaat je aandacht dan als eerste naar uit. Het is belangrijk om vooral flexibel ingesteld te zijn. Je moet wel goed om kunnen schakelen. Wat daarnaast belangrijk is, is dat je goed met mensen kunt werken.”

Afsluitend heeft mevrouw Scheepstra nog een korte boodschap voor de huidige rechtenstudenten. Scheepstra: “Je kunt met deze studie zoveel meer dan je in eerste instantie zou denken. Je hoeft niet per se advocaat te worden. Ik ben bijvoorbeeld dagelijks niet heel juridisch bezig. Het is management, maar het kan wel met deze studie. Ik zou zeggen; realiseer je dat de werkende wereld juristen meer te bieden heeft dan de geëigende paden.”


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.