Category Archives: 2011- 2012

  • 0

Komt een baby bij de dokter… Interview met dhr. J. Legemaate, hoogleraar gezondheidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam

Komt een baby bij de dokter…
Over de doorbreking van het beroepsgeheim

Door: Laetitia Goor en Anne Elburg

Twee jonge ouders komen met hun baby bij een arts. Ze leggen uit dat het kindje van de commode is gevallen en ze zijn bang dat het, naast wat blauwe plekken, misschien iets heeft gebroken of gekneusd.

De arts onderzoekt de baby en ontdekt dat twee van zijn ribjes zijn gebroken. Erg vreemd, gezien het feit dat de botten bij kleine kinderen nog erg soepel zijn en eerder zullen buigen dan breken. Bovendien stuit de arts op vreemde blauwe plekken. Het zit hem niet helemaal lekker en hij vermoedt dat het kindje wordt mishandeld. De arts wil graag ergens melding doen van zijn ontdekkingen, maar heeft een geheimhoudingsplicht op grond van artikel 7:457 BW. Dit betekent dat hij in beginsel geen informatie over zijn patiënten aan derden mag verstrekken. De ratio van de geheimhoudingsverplichting is te voorkomen dat zieken ervan zouden worden weerhouden geneeskundige hulp in te roepen uit vrees dat hetgeen aan de geneeskundige zou blijken, openbaar zou kunnen worden.[1] Wat moet de arts uit de hierboven beschreven casus doen?

Interview met dhr. J. Legemaate, hoogleraar gezondheidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam.

Wat houdt de geheimhoudingsplicht van een arts precies in?
Artsen leggen een eed af waarin zij zichzelf onder andere verplichten om hetgeen patiënten hen in vertrouwen vertellen, geheim te houden. Dit ‘beroepsgeheim’ van een arts bestaat al heel erg lang. Het is begonnen als de ‘eed van Hippocrates’, die is opgesteld in het oude Griekenland. De gedachte achter het beroepsgeheim is tweeledig. Allereerst heeft ieder individu recht op privacy. Het tweede en belangrijkste motief voor de geheimhoudingsplicht is de toegankelijkheid tot de gezondheidszorg. Iedereen die medische zorg nodig heeft, moet zich zonder problemen tot een arts kunnen wenden. Het zou ten nadele van de gezondheid zijn, als iemand niet naar een arts gaat omdat hij bang is dat zijn geheim misschien zal worden doorverteld.

Is de geheimhoudingsplicht absoluut?
Nee, de geheimhoudingsplicht van een arts is erg belangrijk, maar niet absoluut. Er zijn drie verschillende situaties, waarin een arts zijn geheimhoudingsplicht kan doorbreken. Allereerst kan een patiënt toestemming geven tot het doorgeven van bepaalde informatie. Deze situatie is heel gebruikelijk, denk maar aan de verzekeringsmaatschappij die wil weten welke medische ingrepen een persoon precies heeft gehad. Daarnaast is er soms een wettelijke plicht tot doorbreking van de geheimhoudingsplicht. Er bestaat bijvoorbeeld een lijst met besmettelijke ziekten en indien een arts zo’n ziekte bij een patiënt constateert, is hij verplicht om hiervan melding te maken bij de overheid. Dit is ter voorkoming van verdere uitbreiding. Het bestrijden van zeer besmettelijke ziekten wordt door de wetgever belangrijker geacht dan de geheimhouding. Ten derde bestaat er de situatie waarin er sprake is van een conflict van plichten. De arts moet aan de ene kant zijn beroepsgeheim naleven, maar aan de andere kant is hij bijvoorbeeld van iets op de hoogte wat schadelijk kan zijn voor iemand. Bovendien is hij de enige die hiervan weet. In dat geval kan de arts besluiten om zijn geheimhoudingsplicht te doorbreken.

Met deze laatste situatie bedoelt u bijvoorbeeld het geval dat een arts vermoedt dat er sprake is van kindermishandeling?
Ja. De arts heeft aan de ene kant zijn beroepsgeheim ten aanzien van de ouders en mag dit in beginsel niet doorbreken. Maar het tegenovergestelde belang is de kindermishandeling. Er is sprake van een ernstige dreiging voor het kind. Dit is juridisch gezien een gelegitimeerde reden om de geheimhoudingsplicht te doorbreken. Er moet wel sprake zijn van een ‘ernstig vermoeden’ van kindermishandeling. De arts heeft in dat geval de mogelijkheid om zijn geheimhoudingsplicht te doorbreken, maar hij is dit niet verplicht. Hij moet zelf een afweging maken.

Wat kan een arts doen als hij vermoedt dat er sprake is van mishandeling?
Als een arts er zeker van is of in ieder geval een ernstig vermoeden heeft dat er sprake is van kindermishandeling, kan hij hiervan melding maken bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. Er bestaat ook een meldpunt voor huiselijk geweld. Als er sprake is van ander geweld, of een ernstige dreiging van geweld binnen een relatie, dan kan een arts melding maken bij de politie.

Hoe gaat een arts in de praktijk om met de situatie waarin hij een ernstig vermoeden heeft dat er sprake is van mishandeling?
Voor een arts is het beroepsgeheim ‘heilig’. Hij zal van nature zeer terughoudend zijn bij het doorbreken daarvan. Hij zal eerst collega’s raadplegen en kan ook de helpdesk van de artsenorganisatie KNMG om advies vragen. Een arts zal altijd met anderen proberen af te stemmen wat hij moet doen. Maar als een arts een ernstig vermoeden heeft dat een jong kindje wordt mishandeld, dan zal hij wel altijd melding doen.

Stel, er komt een vrouw bij een arts en de arts vermoedt dat er sprake is van huiselijk geweld. Wat zal een arts dan doen?
Als er sprake is van kindermishandeling, zal een arts altijd zelf een afweging moeten maken, omdat het kindje weerloos is. Maar een volwassen vrouw kan zeggen “ik wil niet dat u er iets mee doet, ik ben bang voor mijn man”. De arts zal in dat geval in overleg treden met de vrouw die bedreigd en mishandeld wordt. Hij kan bepaalde hulpverleningsinstanties aanraden en de vrouw proberen te overtuigen dat ze bij de man weg moet gaan of aangifte moet doen. Maar hij zal in dit geval minder snel zijn geheimhoudingsplicht doorbreken.

Wat kunnen de gevolgen zijn als mensen denken dat het beroepsgeheim niet zal worden nageleefd?
Ongeveer tien jaar geleden vond er in de Tweede Kamer een discussie plaats over het voorstel dat een arts melding moest maken bij de Vreemdelingenpolitie, indien een illegaal op zijn spreekuur kwam. Artsen merkten dat er meteen veel minder mensen op hun spreekuur kwamen. Als mensen geen hulp zoeken, heeft dit ernstige gevolgen voor de volksgezondheid. Gelukkig is dit voorstel nooit ingevoerd. Dit laat wel zien hoe belangrijk de geheimhoudingsplicht van een arts is en hoe terughoudend hij moet zijn met de doorbreking van deze plicht.

Wat zijn de risico’s voor een arts indien hij zijn beroepsgeheim schendt?
Stel dat een arts zijn beroepsgeheim schendt, omdat hij ernstig vermoedt dat er sprake is van kindermishandeling. Dan kunnen de ouders van het kindje zo boos zijn op de arts, dat zij zich met geweld of bedreiging met geweld tot de arts richten. Dit gebeurt niet veel, maar het is wel mogelijk. Ook kan het gebeuren dat zij tegen de arts een tuchtklacht indienen. Dit is de afgelopen jaren een aantal keer voorgekomen, met name naar aanleiding van meldingen dat er sprake zou zijn van kindermishandeling. Maar als een arts ervan overtuigd is dat een kindje in gevaar is, dan zal hij die mogelijkheid van een tuchtzaak altijd op de koop toe nemen. Het grootste risico is dat de ouders het kindje zullen onttrekken aan medische zorg. In dat geval heeft de melding alleen maar averechts gewerkt en zijn we weer terug bij af.

Stel, een arts maakt geen melding en achteraf blijkt dat er al lange tijd sprake was van kindermishandeling. Kan dat dan gevolgen hebben voor de arts?
Een arts heeft geen meldingsplicht. Er bestaat slechts de mogelijkheid om melding te maken, maar hij mag ook besluiten om niets met zijn vermoeden te doen. Achteraf kan dan blijken dat de arts wel iets wist, maar er niets mee heeft gedaan. Dit kan leiden tot grote verontwaardiging binnen de maatschappij. Juridisch gezien kan de arts niets worden gemaakt, omdat hij geen meldingsplicht heeft. De praktijk is echter, dat een arts wel melding maakt indien hij een ernstig vermoeden heeft.

Komt het vaak voor dat een arts vermoedt dat er sprake is van (kinder)mishandeling?
Hier zijn geen cijfers van, dus ik kan hier helaas niets over zeggen.


 

[1]C.J.J.M. Stolker 2011, (T&C Burgerlijk Wetboek), art. 7:457 BW, aant. 1.


  • 0

De illegale bestrijding van terrorisme

De illegale bestrijding van terrorisme
De risico’s van het onrechtmatig verruimen van art. 51 Handvest van de Verenigde Naties

Door: Inge de Weerd

Terrorism, and the ‘war on terrorism’ has possibly become the most important security theme of the twenty-first century.[1] Door de tijd heen heeft men manieren moeten vinden om terrorisme zo goed mogelijk te bestrijden. Echter, een duidelijke bepaling omtrent de bestrijding van terrorisme bestaat er nog niet. Als gevolg hiervan nemen sommige landen het heft in eigen handen en beroepen zich op bestaande bepalingen waar de situatie wellicht onder zou kunnen vallen. Een risico hiervan is dat bepalingen die eigenlijk niet voor dat doel zijn bedoelt een andere betekenis krijgen in het licht van de bestrijding van terrorisme. Gebruik van geweld door staten is verboden op grond van art. 2 (4) van het Handvest van de Verenigde Naties (Hv). De uitzonderingen hierop worden gebruikt door staten om het geweld dat zij uitoefenen tegen terrorisme te rechtvaardigen. In dit artikel zal het beroep op zelfverdediging behandeld worden, aangezien dit de grond is waarop steeds meer staten zich beroepen. Hierdoor ontstaan er grote risico’s omtrent de interpretatie. Art. 51 Hv zal grondig worden uitgelegd. Verder zullen de risico’s van bestrijding van terrorisme in dit artikel worden besproken en zullen er oplossingen worden aangedragen voor dit groeiende probleem.

War on Terror

De bestrijding van terrorisme is een controversieel onderwerp, de grondslag voor de bestrijding is nog steeds niet duidelijk. Terrorisme heeft altijd een grote invloed gehad op ons internationaal rechtssysteem. Echter pas na de aanvallen op de Twin Towers in Amerika op 11 september 2001 werd op 12 september de ‘war on terror’ uitgeroepen door George W. Bush.[2] Als antwoord hierop gaf de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties Resolutie 1368 uit waarin het recht op zelfverdediging tegen de terroristische aanvallen werd bevestigd.[3] Ook de NAVO liet weten dat de aanslag in Amerika als een aanval op alle leden van de NAVO kon worden gezien en dat er voorbereidingen zijn getroffen om in collectieve zelfverdediging te handelen.[4] Al kort daarna begon de Amerikaanse oorlog tegen Al Qaida in Afghanistan. Deze oorlog betekende ook een strijd tegen de Taliban regering die Al Qaida strijders onderbracht, volgens Amerika. Deze strijd werd de ‘Operation Enduring Freedom’ genoemd. In mei 2011 werd Osama Bin Laden gedood, dit was begin van het einde van de operatie. Naast de gevechten kreeg de ‘war on terror’ ook nog een bestuurlijke tint. Zo werd in Amerika de Patriot Act ingevoerd, er kwam een speciaal Department of Homeland Security en de beruchte gevangenis Guantánamo Bay werd opgericht.[5] De aanslagen op de Twin Towers was niet enkel voor Amerika een aanleiding om actie te ondernemen, ook in de Europese Unie leidde dit tot strengere maatregelen en privacy beperkingen. Zoals in de inleiding genoemd, kan worden gesteld dat terrorisme meer onder de aandacht is gekomen de laatste jaren. De media heeft hierin een grote rol gespeeld door er sterk de aandacht op te vestigen en door angst aan te jagen. Vooral onder staten is de bestrijding van terrorisme één van de hoofddoelen van hun buitenlands veiligheidsbeleid geworden. Deze prioriteit is ontstaan vanuit de verplichting om de burger te beschermen, maar natuurlijk ook uit eigen politiek belang. De grootschalige ontwikkeling van wapens heeft door de tijd niet meegeholpen om het angst gevoel en gevoel van bescherming te verkleinen. We kunnen dit op het moment zien in de spanning met Iran. Door deze ‘war on terror’ is de grootschalige bestrijding van terrorisme ingezet. Deze bestrijding is noodzakelijk voor onze vrede en veiligheid en daarom is het ook belangrijk dat hier aandacht aan besteed wordt. Echter, wanneer de bestrijding geen grond heeft om zich op te beroepen kunnen er problemen ontstaan.

Het verbod op geweld

Op grond van art. 2 (4) Hv is het gebruik van geweld verboden. Het Handvest legt nadrukkelijk vast dat gebruik van geweld verboden is voor alle leden, ze moeten elkaars soevereiniteit, territoriale integriteit en politieke onafhankelijkheid respecteren.[6] We kunnen dan ook stellen dat het verbod op geweld een grondbeginsel is van de Verenigde Naties. Dit betekent dat er weinig uitzonderingen zijn en dat het beginsel te allen tijden gewaardeerd en gerespecteerd moet worden. Echter, de uitvoering van dit artikel is niet eenvoudig; het is bijvoorbeeld nog niet duidelijk wat ‘geweld’ precies inhoudt. In de wet zijn er enkele uitzonderingen vastgelegd op het verbod op geweld. De belangrijkste uitzondering is art. 51 Hv; het recht op zelfverdediging. 

Zelfverdediging en de problematiek bij de onjuiste toepassing

In art. 51 Hv staat dat niets in het huidige Handvest het inherente recht op zelfverdediging, als een gewapende aanval plaatsvindt, zal schaden, totdat de Veiligheidsraad de noodzakelijke maatregelen genomen heeft om internationale vrede en veiligheid te bewaren. Maatregelen die genomen worden door de leden als uitvoering van hun recht op zelfverdediging moeten direct aangegeven worden bij de Veiligheidsraad en zullen op geen enkele manier de autoriteit en verantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad beschadigen.[7] Door de tijd heen zijn er vele discussies over dit artikel geweest. Ten eerste is er een groep die er vanuit gaat dat de verwijzing naar ‘inherent’ in het artikel verwijst naar het eerdere recht op zelfverdediging onder het internationale gewoonterecht.[8] Deze groep geeft een brede uitleg aan art. 51 Hv en accepteert anticiperende zelfverdediging, dat wil zeggen een onmiddellijke dreiging als aanleiding voor zelfverdediging . De tweede groep interpreteert het recht op zelfverdediging op een dusdanige wijze dat er daadwerkelijk een gewapende aanval moet plaatsvinden.[9] Doordat er zoveel verwarring is over de juiste betekenis van art. 51 Hv, hebben veel landen er een gewoonte van gemaakt om het toe te passen op de manier die voor hen op dat moment het beste uit komt. Door de geschiedenis heen is er al een paar keer een beroep op zelfverdediging gedaan, deze waren niet geheel zuiver: Israël in 1968 tegen Beirut en in 1985 tegen Tunesië, Amerika tegen Libië in 1986 en Irak in 1993 en Sudan en Afghanistan in 1998, er zal verder niet op deze voorbeelden ingegaan worden. Recent kunnen wij de oorlog in Afghanistan vanaf 2001 als zelfverdediging aanduiden. Dit werd ook officieel door de Veiligheidsraad aangenomen in Resolutie 1386 (2001).[10] In verhouding tot andere staten kan er over het algemeen gesteld worden dat Amerika vele malen gebruik heeft gemaakt van het recht op zelfverdediging. Wanneer staten zich op de juiste grond hadden beroepen, dan had er sprake kunnen zijn van een legitiem beroep op art. 51 Hv. Nu is het echter het geval dat art. 51 Hv zich enkel beperkt tot gebruik van geweld tussen staten. Desalniettemin heeft het Internationaal Gerechtshof in de Nicaragua Case bepaald dat de ‘Definitie van Agressie’ ook toepasbaar is op het begrip ‘gewapende aanval’; dat wil zeggen dat aanvallen van groepen ook toegerekend kunnen worden aan de staat.[11] In deze ‘Definitie van Agressie’ werd aangenomen dat het gebruik van geweld dat heeft plaats gevonden door een individu, als een gewapende aanval van de staat gezien kan worden wanneer het door de staat was gestuurd, er steun was van de staat of het op verantwoording van een staat was.[12] In de praktijk hanteert het Internationaal Straftribunaal voor het voormalig Joegoslavië een lage drempel. In de Tadic zaak heeft het tribunaal bepaald dat algemene controles over de niet statelijke-actor of militaire groep al genoeg zijn om steun aan te nemen.[13] Kortom er kunnen twee belangrijke punten gemaakt worden. Ten eerste , zelfverdediging mag alleen aangenomen worden wanneer een gewapende aanval heeft plaatsgevonden.[14] Ten tweede, alleen wanneer de aanvallen van gewapende bendes of huurlingen in opdracht zijn van de staat of wanneer de staat grote invloed had, kan er een gewapende aanval worden aangenomen op verantwoordelijkheid van de staat.[15] Het is zeer bruikbaar dat deze groepen nu onder art. 51 Hv kunnen vallen, doch, de terroristische groepen die geen steun krijgen van een staat kunnen nog niet bestreden worden op grond van dit artikel.

De situatie tussen Israël, Libanon en Syrië tussen 2002 en 2003 is in dit geval ook zeer relevant; deze situatie laat zien dat ook andere factoren kunnen meespelen in de legaliteit van zelfverdediging . In dit conflict ging het om de terroristenorganisatie Hezbollah die vanuit Libanon opereerde en aanvallen pleegde op Israëliërs. Israël beweerde dat Libanon de terroristische organisatie ondersteunde, evenals Syrië en Iran.[16] Het probleem was echter, dat Israël nog steeds land bezet hield dat oorspronkelijk van Libanon was en dat ook officieel was teruggegeven aan Libanon. Op dit stuk grondgebied vond de opstand tegen deze bezetting plaats en dus werden de terroristische aanslagen niet uitgevoerd op Israëlisch grondgebied maar op bezet grondgebied.[17] Als gevolg hiervan vallen de acties niet onder Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad (terrorisme), maar moeten ze onder de Algemene Vergadering Resolutie 46/51 (1991) worden geplaatst.[18] Onder deze Resolutie is het gebruik van geweld wel degelijk toegestaan en had Israël zijn beroep op zelfverdediging niet mogen doen. Israël ging desalniettemin door met het aanvallen van Libanon en Syrië. Dit geweld werd streng afgekeurd door de internationale gemeenschap. Hieruit kan geconcludeerd worden dat misbruik van art. 51 Hv al heeft plaatsgevonden en dat door de ‘Definitie van Agressie’ het probleem nog niet opgelost is, er kunnen ook andere factoren meespelen. Voor de toekomst kan dit betekenen dat meerdere landen zullen proberen een inbreuk te maken op staatsoevereiniteit en territorialiteit. Israël pleegde weer aanslagen op grond van zelfverdediging in 2006. Ook in dit geval klopten de gronden en motieven van Israël niet.

Ongeschreven vereisten

Proportionaliteit en noodzakelijkheid zijn twee ongeschreven vereisten waaraan de zelfverdediging ook moet voldoen. Geweld moet in verhouding tot het voorafgaande geweld noodzakelijk en proportioneel zijn. Wanneer de schade  in het kader van zelfverdediging al is toegebracht aan de voorafgaande aanvaller is het niet meer noodzakelijk om door te gaan met aanvallen.[19] De genoemde criteria zijn lastig te hanteren aangezien er geen regels zijn wat betreft een geschikte reactie op een terroristisch aanval. Dit zal zeer waarschijnlijk in de toekomst voor problemen zorgen.

Om deze criteria beter uit te leggen kunnen we kijken naar de ‘Operation Enduring Freedom’. Deze operatie, uitgevoerd door Amerika in Afghanistan, gaat rakelings langs de grens tussen toegestane en niet toegestane vormen van het gebruik van geweld. Op 7 oktober 2001 begon Amerika het verzet tegen de eerdere aanslagen op de Twin Towers.  Amerika deed dit door bommen te werpen op verschillende steden in Afghanistan. Over deze bomaanslagen kan getwist worden. Zoals voorheen al genoemd moet het voorafgaande geweld afkomstig zijn van een staat en niet een niet-statelijke actor of een groep individuen. Echter, dankzij de ‘Definitie van Agressie’ is de Taliban medeverantwoordelijke voor de aanvallen van Al Qaida en kunnen de aanvallen wel degelijk gerechtvaardigd worden. De proportionaliteit is eerder een criterium dat hier problemen oplevert. Er kan worden beargumenteerd dat het niet proportioneel was om naar aanleiding van de aanslagen in New York het hele land zo zwaar te straffen. Ook kunnen er vraagtekens gezet worden bij de duur van de operatie. De dood van Osama Bin Laden op 2 mei 2011 kan worden gezien als  een einde van de oorlog. Op 7 juni 2011 heeft president Obama uitgesproken de troepen terug te trekken uit Afghanistan. Engeland, Frankrijk en de NAVO volgden dit voorbeeld.[20] Dit betekent dat de duur van de \ ‘Operation Enduring Freedom’ tien jaren is geweest. Er kan kritisch gekeken worden naar de noodzakelijkheid en proportionaliteit van deze duur. Doordat het zoveel jaren heeft geduurd is er steeds verder van het oorspronkelijke basis, namelijk zelfverdediging, afgeweken.[21] Amerika is in zijn operatie tactisch geweest door te zorgen dat er grote participatie van andere landen aan deze operatie was. Op deze manier kunnen vele staten niks tegen de acties van Amerika inbrengen, aangezien zij er zelf aan mee werken of hebben gewerkt.[22]  Kortom, er kan gezegd worden dat de ‘Operation Enduring Freedom’ niet zuiver van aard is geweest en dat dit negatieve gevolgen kan hebben voor zelfverdediging acties in de toekomst. Hoe terecht misschien de Operation Enduring Freedom in het begin was, hoe meer het nu een verkeerd voorbeeld geeft aan andere landen

Hieruit blijkt dat wanneer de terreurgroeperingen gesteund worden door een staat en er op deze manier een gegrond beroep op art. 51 gedaan kan worden dit alsnog problemen kan opleveren bij de overige criteria. Het blijft de vraag welke tegenaanval proportioneel is aangezien het bij een terroristische aanval minder goed te beoordelen is.

Van anticiperend naar preventief?

Een ander probleem komt tot stand bij de interpretatie van het tijdstip van de zelfverdediging. Amerika legt art. 51 Hv ruimer uit zodat ook een enkele dreiging als een gewapende aanval te  beschouwen valt. Amerika heeft aangenomen dat niet enkel de anticiperende zelfverdediging is toegestaan maar ook de preventieve, wat inhoudt dat er bij een enkele dreiging van een gewapende aanval ook al zelfverdediging uitgeoefend kan worden. Preventieve zelfverdediging is nog niet algemeen geaccepteerd als legale zelfverdediging. Dit maakt het dan ook lastig om dreigingen van terroristische aanvallen direct aan te pakken en zo een aanslag te voorkomen. Wanneer de dreiging onmiddellijk is mag er wel een tegenaanval plaatsvinden.

Veel mensen zullen zich afvragen waarom het een probleem zou zijn wanneer het begrip ‘zelfverdediging’ verruimd wordt. Het gevaar schuilt in het misbruik van deze uitzondering op het gebruik van geweld.  Dit wil zeggen dat niet alleen de landen die het begrip nu al oprekken, Amerika en Israël, hun recht op zelfverdediging kunnen misbruiken. Ook landen die slachtoffer zijn geworden van deze uitoefeningen van het recht op zelfverdediging kunnen hun eigen recht op zelfverdediging eenvoudiger gaan gebruiken. Wanneer we preventieve zelfverdediging gaan aannemen is er niet zoveel meer voor nodig op een ‘tegenaanval’ te leveren, zeker wanneer een aanval van een groep in plaats van een staat al genoeg is. Gevaren zijn er dus wel degelijk. Natuurlijk moet terrorisme bestreden worden, alleen is het niet zeker of dit wel via art. 51 Hv gedaan moet worden. Hierna zal er worden ingegaan op voorbeelden uit het verleden en andere redenen waarom de bestrijding die we nu gebruiken niet geschikt is.      

Mogelijke oplossingen voor de bestrijding van terrorisme

Al met al kan gesteld worden dat de bestrijding van terrorisme via art. 51 Hv voor problemen kan zorgen. Ook de Veiligheidsraad lijkt het hier mee eens te zijn; in zijn resoluties die na 9/11 zijn uitgegeven zijn geen verwijzingen meer gemaakt naar het recht op zelfverdediging. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de Veiligheidsraad duidelijk wil maken dat zelfverdediging tegen voorafgaande terroristische aanslagen alleen met hoge uitzondering wordt toegestaan.[23] Het is lastig om voor de bestrijding van terrorisme in oplossingen te denken, desalniettemin zijn er wel kleine oplossingen die ingevoerd kunnen worden. Ten eerste, een mogelijke oplossing kan een strikte opvatting voor het begrip ‘gewapend conflict’ zijn, zodat niet elke terroristische aanslag een grond is voor zelfverdediging. Hiermee wordt het aantal mogelijkheden om geweld te gebruiken terug gedrongen. Ten tweede, de controle over staten die een terroristische groep op hun grondgebied hebben moet groter worden. Wanneer deze controle verhoogd wordt bestaat er veel minder twijfel of een staat zich wel met de bestrijding van die groep bezig houdt. Ten slotte zou de Veiligheidsraad strenger moeten optreden bij meldingen van zelfverdediging. Het zou een oplossing zijn om de Veiligheidsraad sommige acties tegen te laten houden. Het risico bij het recht op zelfverdediging is dat de aanval zo snel is dat het altijd al te laat is en achteraf pas wordt veroordeeld. Wanneer bij het begin van de zelfverdediging er een strengere controle komt kunnen onterechte acties voorkomen worden.

Als gevolg van de grote onduidelijk omtrent de betekenis van het begrip zelfverdediging dreigen de regels hieromtrent meer gebroken te worden dan ooit tevoren. De aanvallen op Afghanistan, Libanon en Syrië zijn nog maar het begin van de illegale bestrijding van terrorisme. Het grootste gevaar is dat de verruiming van art. 51 ook voor de verkeerde doeleinden kan worden gebruikt. Het onderscheid tussen goed en fout vervaagt langzaam, omdat de regels omtrent terrorisme nog niet geheel duidelijk zijn. De beperking van de betekenis van art. 51 is belangrijk. Wanneer dit artikel ruim blijft worden opgevat bestaat de kans dat staten het recht in eigen handen nemen en te veel macht krijgen in onze internationale rechtsgemeenschap. Ook moet er gekeken worden naar de problemen op de langere termijn. Als bepaalde staten meer macht krijgen dan anderen, is één van de risico’s dat ons machtevenwicht uit balans raakt en ons internationale systeem dat we tot nu toe hebben opgebouwd in elkaar valt. Eén ding is zeker: we moeten niet terug naar complete liberalisatie van het gebruik van geweld. Helaas gaat het met de huidige manier van bestrijding van terrorisme wel deze richting op.


[1] M. Williamson, Terrorism, War and International Law: The Legality of the Use of Force Against Afghanistan in 2001, Farnham: Ashgate Publishing Limited 2009 p. 37.

[2] ‘2001:US declares war on terror’, BBC NEWS 12 September 2001, <http://news.bbc.co.uk/onthisday /hi/dates/stories/september/12/newsid_2515000/2515239.stm>.

[3] C. Gray, International Law and the Use of force, New York: Oxford University Press 2004, p. 159; UN Doc S/RES/1368.

[4] C. Gray, International Law and the Use of force, New York: Oxford University Press 2004, p. 159; 40 ILM (2001) 1267.

[5] C. Sidoti, ‘Human rights and the War on Terrorism’, 25 Maart 2003, <http://www.hrca.org.au/ hurights%20and%20terrorism.htm>.

[6] Art. 2 (4) Handvest van de Verenigde Naties, <http://www.un.org/en/sc/repertoire/principles.shtml>.

[7] Art. 51 Handvest van de Verenigde Naties <http://www.un.org/en/sc/repertoire/principles.shtml>.

[8] C. Gray, International law and the use of force, New York: Oxford University Press 2004, p. 98.

[9] C.Gray, International law and the use of force, New York: Oxford University Press 2004, p. 98.

[10] UN Doc S/RES/1368.

[11] IGH 27 Juni 1986, Nicaragua Zaak, (Nicaragua/ the United States of America), r.o. 195.

[12] C. Gray, International law and the use of force, New York: Oxford University Press 2004, p. 165.

[13] ICTY 15 Juli 1999, Prosecutor v. Dusko Tadic, http://www.un.org/icty, r.o. 97-145; F. Naert, ‘De impact van de strijd tegen het terrorisme op het ius ad bellum : evolutie of revolutie?’, Instituut voor Internationaal recht Working Paper NR. 43 februari 2004,<http://www.law.kuleuven.be/iir/nl/onderzoek/wp/WP43ned2.pdf> blz. 10.

[14] M. Williamson, Terrorism, War and International Law, Farnham: Ashgate Publishing Limited, 2009, p. 110.

[15] Williamson 2009, p. 110; M. E. O’Connell, ‘The Myth of preemptive Self-defence, ASIL 2002, <http://www.asil.org/ taskforce/oconnell.pdf>, p. 7-8.        

[16] C. Gray, International law and the use of force, New York: Oxford University Press 2004, p. 172.

[17] C. Gray, International law and the use of force, New York: Oxford University Press 2004, p. 173.

[18] C. Gray, International law and the use of force, New York: Oxford University Press 2004, p. 173.

[19] C. Gray, International law and the use of force, New York: Oxford University Press 2004, p. 167.

[20] K. Welker. ‘Obama decision on Afghanistan troop withdrawal to come soon’, First Read 6 Juni 2011, <http://firstread. msnbc.msn.com/_news/2011/06/06/6798666-obama-decision-on-afghanistan-troop-withdrawal-to-come-soon->.

[21] C. Gray, International law and the use of force, New York: Oxford University Press 2008, p. 206.

[22] Murphy, ‘Contemporary Practice of the United States relating to international Law’, AJIL 2003, 97 419-428.

[23] C. Gray, International Law and the use of force, New York: Oxford University Press 2008, p. 228.


  • 0

Een dag uit het leven van Nationale ombudsman Alex Brenninkmeijer

Een dag uit het leven van Nationale ombudsman Alex Brenninkmeijer

Door: Silvie Benerink

Alex Brenninkmeijer, een opgetogen en vriendelijke man, geboren in 1951 te Amsterdam is momenteel dé ombudsman van Nederland. Na reeds een lange loopbaan waarin hij onder andere studeerde aan de Rijksuniversiteit Groningen, rechter was bij verschillende rechterlijke colleges, als hoogleraar vele studenten het vak staats- en bestuursrecht bijspijkerde en daarnaast nog als redacteur bij verschillende juridische tijdschriften werkzaam was, bekleedt hij sinds 1 oktober 2005 het ambt van Nationale ombudsman. Als specialist op het gebied van conflictbemiddeling en mediation is hij de geschikte man voor deze interessante juridische functie. Tijd om een dagje in zijn leven te gaan bekijken.

De werkdag van de heer Brenninkmeijer begint vroeg, namelijk om 6:45 uur, wanneer hij door een chauffeur wordt opgehaald om vanuit zijn stulpje in Utrecht naar zijn werkplek in Den Haag te reizen. ‘Mooi voor de file uit’, zoals hij zelf tevreden zegt. Maar dat is niet de enige reden van zijn vroege vertrek. Wanneer hij om 7:30 uur het gebouw van de Nationale ombudsman opent, is het gebouw nog leeg en stil, zodat Alex het voor hem ontspannende (doch voor ons interessante) ritueel kan uitoefenen, namelijk het luisteren naar klassieke muziek. Tijdens het luisteren kan hij alvast wat lastige brieven bekijken en waar nodig over een rapport een slotbeschouwing schrijven.

Een uur later komt het gebouw tot leven en arriveren zijn collega’s, want ja, ondanks dat dhr. Brenninkmeijer een zeer slimme man is en de naam van de organisatie het niet meteen doet denken, doet ook hij zijn werk niet alleen. Op zijn afdeling werken de direct aan zijn zijde staande substituut-ombudsmannen: mr. F. van Dooren en mr. A. Stehouwer en het secretariaat bestaande uit drie secretaresses. Hij wordt hiernaast nog ondersteund door ongeveer 110 werknemers, veelal juristen, die elk in een onderzoeksteam zijn opgedeeld. Wanneer wij het over zijn collega’s hebben, praat hij over een prettige club mensen die open en eerlijk met elkaar samenwerken. ‘De ombudsman staat voor behoorlijkheid, het gaat om wat mensen in redelijkheid van elkaar kunnen verwachten. Dat moet ook intern, binnen de organisatie gelden’, zo vindt hij.

De Nationale ombudsman is een onafhankelijk en onpartijdig Hoog College van de staat. Het is een instantie waar burgers terecht kunnen wanneer ze een klacht hebben over of een probleem hebben met de overheid. Het is een voorziening ‘in de tweede lijn’. Men dient eerst gebruik te maken van de klachtregeling bij de overheidsinstantie zelf. De Nationale ombudsman kan een onderzoek starten naar aanleiding van de klachten of op eigen initiatief. Naast het behandelen van klachten legt ze overheidsinstanties ook uit hoe ze in concrete gevallen moeten handelen. Onderzoekers hebben vaak direct contact met de overheidsinstantie. Zij zullen eerst kijken of het probleem zonder onderzoek, door middel van interventie, opgelost kan worden. In de meeste gevallen is dat zo en kan veel tijd en papierwerk worden bespaard. Zowel de burger als de overheid is hierbij gebaat. Een onderzoek resulteert in een rapport waarin de feitelijke gang van zaken naar voren komt. De kernvraag wordt beantwoord: wat mochten de burger en de overheid in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van elkaar verwachten? Een goede rechtvaardige oplossing wordt vaak gevonden, ofwel de overheid past zijn werkwijze aan waardoor toekomstige problemen kunnen worden voorkomen.

De klachten komen eerst binnen bij het Frontoffice vanwaar ze worden ondergebracht bij het juiste onderzoeksteam. Een onderzoeksteam beschikt over een groot aantal bevoegdheden en kan binnen een eigen wettelijk kader de zaak vaak zelf afhandelen. De wat belangrijkere en ingewikkelde zaken komen eerst bij de teamleider, ook wel senior genoemd, terecht. Daarna wordt er eventueel doorverwezen naar de substituut-ombudsmannen en uiteindelijk kan een zaak op het bureau van de Nationale ombudsman terechtkomen, die dan zal discussiëren over een mogelijke oplossing.

Omstreeks 10:00 uur stap ik het gebouw van de organisatie binnen. Ik word hartelijk ontvangen door de secretaresses van Alex. Voor mijn aankomst heeft de Nationale ombudsman al vele rapporten getekend, concrete zaken bekeken en belangrijke telefoontjes gepleegd. Waaronder die met Eerste Kamerlid Henk Krol, ook wel bekend als hoofdredacteur en oprichter van de Gay Krant. Hij zal omstreeks 12:30 uur op bezoek komen, een bijzondere bijeenkomst waar ik verderop in deze rubriek nog over zal schrijven.

Mij wordt verteld dat de heer Brenninkmeijer nog in een korte bespreking zit met een van de teamleiders, maar ik mag mij er vrijwel direct bij aansluiten om alvast een eerste indruk te verwerven. Na deze bespreking heeft hij even de tijd om wat over zichzelf en zijn baan te vertellen. We zitten in zijn kantoor op de hoogste verdieping van het gebouw, vanwaar men een groot deel van Den Haag kan bewonderen. Het is ruim, simpel maar gezellig ingericht en van alle gemakken voorzien. De woorden luxueus en modern, zoals misschien verwacht, komen er echter niet aan te pas. Maar wanneer we het later onder andere over lunchen en diners hebben, laat Alex blijken dat die woorden niet passen bij een ombudsman. Hij houdt het liever wat eenvoudig en sober. We praten over verschillende zaken en hoe zijn dag verder zal verlopen. Hij laat mij weten dat hij het een geweldige kans vindt om een baan als deze te hebben. Mensen, daar houdt hij zich het liefst mee bezig. Vooral om te begrijpen hoe mensen in bepaalde situaties terecht komen en hoe ze daarop reageren. Als ombudsman is het belangrijk om actief te kunnen luisteren en te kunnen begrijpen waar het de burger daadwerkelijk om gaat. Vaak is dan persoonlijk contact en snel handelen van belang om een vervelende situatie zo snel mogelijk op te lossen. Daarnaast is het essentieel om, zo zegt hij: ‘een sterke ruggengraat te hebben, zodat je, wanneer je ergens voor gaat staan, je niet weg laat duwen’.

Ons gesprek gaat over in een inloopspreekuur. Medewerkers kunnen in deze tijd Brenninkmeijer allerlei dingen voorleggen die op dat moment spelen. Maar soms maakt hij er zelf een uitloopspreekuur van, zoals vandaag. We gaan naar verschillende medewerkers toe. Ondertussen krijg ik een persoonlijke rondleiding door de gebouwen. Gebouwen, want de organisatie groeit en dan is uitwijking naar een ander gebouw (aan de overkant van de straat) een onoverkoombare zaak. Voor het einde van het spreekuur, wanneer we al weer in zijn kantoor zijn aangekomen, komen nog de kinderombudsman Marc Dullaert en substituut-ombudsman Addie Stehouwer met een van de teamleiders langs.

Na een vergadering over een vernieuwde indeling van het jaarverslag arriveert om 12:30 uur Henk Krol voor een korte bespreking, tevens lunch. Het gaat over de Gay Krant. Henk Krol had hierin een meldpunt geopend voor homopesterijen. Hierop zijn onvoorstelbaar veel klachten binnengekomen, wel meer dan honderd klachten! Deze behoeven uiteraard een juiste en rechtvaardige afhandeling. Hoewel al veel op een rijtje was gezet werden er tijdens deze bespreking nog wat concrete dingen vastgelegd om dhr. Krol en de Gay Krant te ondersteunen. Wat Henk ook even aanstipte was het volgende: op 9 december is het Paarse Vrijdag, er wordt dan net als vorig jaar een actie gehouden tegen homofobie. Iedereen wordt opgedragen paars te dragen. Mijns inziens een goed initiatief om de homo’s in ons land te steunen, dus ik zeg doen!

Ook de middag van de Nationale ombudsman staat in het teken van vele afspraken waaronder een aantal bijzondere. Nadat Henk Krol en ook ik afscheid van hem hebben genomen, gaat hij op zijn fiets naar het Ministerie van Sociale zaken om de resultaten van een onderzoek naar de omgang met brieven van burgers te bespreken. Dhr. Brenninkmeijer waardeert de mogelijkheid om mee te praten over de resultaten van een onderzoek waarin de belangen van burgers centraal staan. Even later heeft hij een afspraak met een Tweede Kamerlid die de Minister van Economische Zaken heeft voorgesteld dat er een ombudsman komt voor ondernemers. Hij gaat met de heer Brenninkmeijer bespreken in hoeverre de Nationale ombudsman die rol zou kunnen vervullen. Er volgt dan misschien een initiatief wetsontwerp, zoals die nu ook speelt voor een veteranenombudsman en eerder speelde voor een kinderombudsman. Deze laatste initiatieven zijn beide bij de Nationale ombudsman ondergebracht. Ook heeft Brenninkmeijer het met de Tweede Kamer over een mogelijk toekomstig advies- en verwijspunt ter bescherming van zogenaamde klokkenluiders: personen die bij bedrijven of de overheid een misstand aan de orde stellen. Als wens heeft Alex dat hij in de toekomst nog ombudsman van de Rechterlijke macht wordt. Zodat ook klachten over de rechtspraak onafhankelijk kunnen worden behandeld.

Aan het eind van de werkdag van de Nationale ombudsman houdt hij nog een briefing in de Tweede Kamer over een rapport naar aanleiding van een onderzoek naar de waarborgen bij preventief fouilleren. Er is een wetsontwerp met betrekking tot dit onderwerp. De Raad van State heeft hier reeds een advies over uitgebracht en het ontwerp gaat dan terug naar het Kabinet. Dhr. Brenninkmeijer zal aan de Tweede Kamer, in dit geval de commissie voor veiligheid en justitie informatie geven over dit rapport en aangeven waar ze op moeten letten bij die wet. Hij ziet het als een mooie kans om het wetgevingsproces te beïnvloeden.

Omstreeks 18:00 uur eindigt de werkdag voor Alex Brenninkmeijer. Hij wordt weer teruggebracht naar zijn woning in Utrecht waar hij voor zichzelf wat zal koken en verder geen werkzaamheden meer zal verrichten. Wel zo vertelt hij, werkt hij in de weekenden en vakanties in de ochtend. Het gaat dan echter om het schrijven van artikelen, het beschouwend bezig zijn, zoals hij dat noemt, om zo even aan de dagelijkse werkzaamheden te ontkomen.

Het was al met al een bijzondere dag. Ik wil de heer Brenninkmeijer en zijn collega’s hartelijk bedanken voor de gastvrijheid. Tijdens mijn bezoek aan de Nationale ombudsman heeft hij mij nog op iets moois gewezen en daar wil ik dan ook graag deze rubriek mee afsluiten.
‘Om eerlijk en open met elkaar om te kunnen gaan, moet je ’s ochtends voor de spiegel gaan staan en jezelf afvragen: waarvoor doe ik het en voor wie doe ik het? Vaak komen dan lelijke eigen belangen naar voren, het is de kunst om die achter je te houden.’

Geraadpleegde bronnen:

www.nationaleombudsman.nl


  • 0

Aanpassingen Burgerlijk Wetboek: de enquêteprocedure in beweging

Aanpassingen Burgerlijk Wetboek: de enquêteprocedure in beweging
Op weg naar een verbetering van een populaire procedure?

 Door: Chanttal Westerhof

In elke situatie waar personen met elkaar te maken hebben, bestaat de kans dat er op een bepaald gebied onenigheid ontstaat. Het belangrijke onderscheid tussen een geschil binnen een onderneming zelf en een geschil tussen partij A en partij B is dat bij een geschil tussen organen van een onderneming sprake is van een naar binnen gericht conflict. De onderneming als rechtspersoon ligt dus met zichzelf overhoop. Hiervoor biedt de enquêteprocedure mogelijk uitkomst. De minister van Veiligheid en Justitie heeft een wetsvoorstel ingediend om het enquêterecht te wijzigen.1 In dit artikel staat een korte uiteenzetting over de huidige inhoud van het enquêterecht en de huidige problemen in de praktijk. Vervolgens zullen de voorgestelde wijzigingen van het enquêterecht besproken worden om ten slotte te komen tot de beoordeling of deze wijzigingen de huidige problemen van de enquêteprocedure op zullen lossen.\

Enquêterecht

Wanneer een orgaan van een onderneming bepaalde handelingen verricht of bepaalde besluiten neemt, kan een ander orgaan van mening zijn dat er sprake is van een situatie waar aan het beleid of aan de gang van zaken binnen de onderneming getwijfeld kan worden. In de enquêteprocedure onderzoekt de Ondernemingskamer of er gegronde redenen zijn om te twijfelen over het beleid of de gang van zaken binnen een onderneming. Hierna kan vervolgens met eventuele voorzieningen ingegrepen worden, wanneer dit door de verzoekers van de enquêteprocedure is verzocht en de Ondernemingskamer een dergelijke voorziening nodig acht. In het Ogem-arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat een enquêteprocedure verschillende doelen heeft.2 Allereerst de sanering van en het herstel van verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen een onderneming. Daarnaast acht de Hoge Raad als doel van de procedure het geven van een methode om zaken te openen, om eventueel later vast te stellen wie verantwoordelijk is voor mogelijk wanbeleid en de gevolgen daar van. Ten slotte heeft de procedure ook als doel een preventieve werking te hebben tegen wanbeleid.

De huidige enquêteprocedure

De enquêteprocedure vangt aan met een verzoekschrift ingediend bij de Ondernemingskamer met daarin het verzoek om een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken binnen een onderneming. De procedure kan onderverdeeld worden in drie verschillende fases. In de eerste fase komt uiteindelijk vast te staan of er gegronde reden is om te twijfelen aan juist beleid of een juiste gang van zaken binnen een onderneming. Vervolgens dient in de tweede fase door middel van onderzoek vast komen te staan of er daadwerkelijk sprake is van een probleem. De Ondernemingskamer benoemt in deze fase personen die belast zijn met het onderzoek. Uiteindelijk volgt uit dit onderzoek een onderzoeksverslag. Dit onderzoek wordt door de Hoge Raad gezien als de kern van de enquêteprocedure, omdat hier vastgesteld wordt of er sprake is van wanbeleid of een onjuiste gang van zaken binnen een onderneming.3 Hiervan is sprake indien er strijd is met beginselen van elementair ondernemerschap. Hierbij valt te denken aan belangenverstrengeling, niet naleven van de statuten en verlammen van de besluitvorming als gevolg van conflicten tussen bestuurders en aandeelhouders.4  In de derde fase kan de Ondernemingskamer, indien uit het onderzoeksverslag van wanbeleid is gebleken, een declaratoire uitspraak doen of een eindvoorziening treffen. Het kan hierbij gaan om schorsing of vernietiging van een besluit, schorsing of ontslag van een of meerdere bestuurders of commissarissen, de tijdelijke aanstelling van een of meer bestuurders of commissarissen, een tijdelijke afwijking van de statuten van een onderneming, de tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer of de ontbinding van de rechtspersoon zelf.

Huidige praktijkproblemen bij gebruik van de enquêteprocedure

Een enquêteprocedure kan een verlammende werking hebben op de besluitvorming en het verrichten van andere handelingen binnen een onderneming. Dit effect is het grootst wanneer het een grote NV of BV betreft, waar  door een relatief kleine groep belanghebbenden om een procedure kan worden verzocht met eventuele voorzieningen als gevolg. De stijgende populariteit van de enquêteprocedure roept daarnaast vragen op met betrekking tot de rechterlijke waarborgen waarmee deze procedure is omkleed. De Ondernemingskamer is immers een feitenrechter, waarbij enkel cassatie bij de Hoge Raad mogelijk is. Nu veel gebruik gemaakt wordt van deze rechtsingang, is een dubbele toets met betrekking tot de feiten niet aan de orde. Te meer nu de gevolgen van de getroffen voorzieningen tijdens een enquêteprocedure onomkeerbaar kunnen en mogen zijn, is het de vraag of een dergelijke constructie nog langer gewenst is.5 De financiële belangen van partijen die in enquêteprocedures zijn betrokken zijn vaak groot en de geschillen zijn in de loop van de tijd ook complexer geworden.6 Tot slot blijkt dat er in de periode van 1971 tot 2007 slechts in 13% van het totale aantal verzoeken een eindvoorziening in de zin van art. 2:356 BW is getroffen.7 Vaak is de procedure dus niet verder gegaan na toewijzing van een onmiddellijke voorziening. De Ondernemingskamer kijkt bij het toewijzen van een onmiddellijke voorziening enkel naar de toestand van de rechtspersoon. Een afweging van de belangen van de betrokken partijen bij een verzoek om een onmiddellijke voorziening is zodoende niet aan de orde. Ook hier rijst de vraag of de procedure nog wel met genoeg rechtswaarborgen is omkleed nu blijkt dat er vaak geprocedeerd wordt voor het verkrijgen van een onmiddellijke voorziening en de procedure verder niet voortgezet wordt.

De voorgestelde wijzigingen

Het wetsvoorstel 32 887 van 9 september 2011 bevat een aantal wijzigingen van het enquêterecht.

Bevoegdheid tot het indienen van een enquêteverzoek.
Allereerst zal er een onderscheid gemaakt worden tussen grote en kleine vennootschappen en beursgenoteerde vennootschappen bij de indiening van een enquêteverzoek. Er zal voortaan onderscheid gemaakt worden tussen een vennootschap met een geplaatst kapitaal van maximaal € 22,5 miljoen euro en een vennootschap met een geplaatst kapitaal boven dit bedrag. Bij de kleinere vennootschappen geldt de huidige ondergrens, maar voor de grotere vennootschappen zullen voortaan de aandeelhouders moeten voldoen aan de ondergrens van een honderdste van het geplaatste kapitaal. Indien het aandelen van een beursgenoteerde vennootschap betreffen, geldt de ondergrens dat de aandelen/certificaten tenminste een waarde van € 20 miljoen moeten hebben.8 Het verzoek kan daarnaast namens de rechtspersoon zelf ingediend worden door de Raad van Commissarissen (RvC) of de (niet uitvoerende) bestuurders.9 Een situatie waarin een rechtspersoon zelf een enquêteverzoek kan indienen is bijvoorbeeld denkbaar in het geval dat een onderneming deel uitmaakt van een concern. Het bestuur van een concernvennootschap is gehouden om het eigen vennootschappelijk belang als toetssteen te hanteren en mag het concernbelang niet op voorhand de doorslag laten geven.10 Ten slotte kan in geval van faillissement van de rechtspersoon tevens de curator een verzoek indienen. Dit om bijvoorbeeld een declaratoire uitspraak te krijgen voor eventueel nadere aansprakelijkheidsprocedures.

Aanvulling voor niet-ontvankelijkheidsverklaring enquêteverzoek.
Wanneer een enquêteverzoek binnenkomt en blijkt dat de indieners niet schriftelijk van tevoren hun bezwaren kenbaar hebben gemaakt aan de onderneming, dan worden zij niet ontvankelijk verklaard. Er zal een toevoeging aan dit artikel plaatsvinden nu de rechtspersoon zelf de bevoegdheid krijgt om een enquêteverzoek te doen. De bepalingen in dat lid gelden niet indien het verzoek is gedaan door de rechtspersoon. In dat geval worden de RvC onderscheidenlijk het bestuur en de Ondernemingsraad zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld van het voornemen om het verzoek in te dienen onderscheidenlijk het indienen van het verzoek.

Hoor en wederhoor met betrekking tot de onderzoeksfase
Wanneer een enquêteverzoek ingediend wordt, dan zal voortaan uitdrukkelijk worden afgeweken worden van art. 282 lid  Rv. In tegenstelling tot het bepaalde in art. 282 lid 1 Rv, kunnen verweerschriften van iedere belanghebbende in de enquêteprocedure worden ingediend tot een door de Ondernemingskamer te bepalen tijdstip voorafgaand aan de zitting. Dit is een verruiming ten opzichte van de huidige regeling omdat daar enkel bepaald is dat de Ondernemingskamer het verzoek met de meeste spoed zal behandelen. De met het onderzoek belaste personen stellen pas een rapport op met daarin hun bevindingen, wanneer zij degenen die in het verslag worden genoemd in de gelegenheid hebben gesteld om opmerkingen te maken ten aanzien van de wezenlijke bevindingen die op henzelf betrekking hebben.

Onmiddellijke voorziening
Hier is sprake van een verruiming om een onmiddellijke voorziening te treffen. Wanneer uit het voorlopige oordeel van de Ondernemingskamer blijkt dat er redelijke gronden zijn om te twijfelen aan een juist beleid, kan er reeds een onmiddellijke voorziening getroffen worden. Dit houdt dus in dat er zelfs wanneer er geen onderzoek is gelast, een onmiddellijke voorziening getroffen kan worden. Ook wordt toegevoegd dat tevens gekeken wordt naar de gang van zaken en niet enkel het beleid zoals in de huidige wettelijk bepaling vermeld staat. Dit voor situaties die geen betrekking hebben op het beleid binnen een onderneming, zoals het gedrag van een aandeelhouder. Bij het treffen van een onmiddellijke voorziening, dient de Ondernemingskamer in haar voorlopige oordeel wel van mening te zijn dat het enquêteverzoek toegewezen zal worden. Vervolgens dient de Ondernemingskamer binnen een redelijke termijn te besluiten of er een enquêteonderzoek plaats zal vinden of niet. Ten slotte wordt de belangenafweging, welke de Ondernemingskamer dient te maken bij de beoordeling of een onmiddellijke voorziening getroffen moet worden,vastgelegd in de wet. Momenteel is slechts bepaald dat de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek een onmiddellijke voorziening rechtvaardigen. Met de nieuwe bepaling wordt er daarnaast gelet op de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken. De Ondernemingskamer heeft nu dus ruimte gekregen voor het maken van een belangenafweging bij een beslissing omtrent een voorlopige voorziening. Dit is in overeenstemming met de zienswijze van de Hoge Raad.11

Toezicht raadsheer-commissaris
In het voorstel wordt een nieuwe speler aan de enquêteprocedure toegevoegd, namelijk de raadsheer-commissaris. Deze persoon houdt toezicht op de gang van zaken binnen de procedure. Voor de raadsheer-commissaris is dus een procesmatige rol weggelegd, waardoor partijen naar hem toe kunnen gaan om bepaalde beslissingen met betrekking tot het onderzoek te vragen. Tegen de beslissingen van de raadsheer-commissaris staat geen beroep in cassatie open.

 Verduidelijking aansprakelijkheidsnorm voor de met het onderzoek belaste personen
In het wetsvoorstel wordt vastgesteld dat de personen die belast zijn met het onderzoek tijdens de enquêteprocedure worden uitgesloten van aansprakelijkheid voor de door hen verrichtte werkzaamheden. Uitzondering in dit geval zal zijn wanneer er sprake is van opzettelijk onbehoorlijk handelen met betrekking tot het onderzoek of wanneer sprake is van een grove miskenning van een behoorlijke taakvervulling. Met deze bepaling is aansluiting gezocht bij de aansprakelijkheidsregeling van arbiters.12

 Kosten enquêteprocedure
De kosten van het onderzoek kunnen reeds in de huidige regeling geheel of gedeeltelijk worden verhaald op de rechtspersoon. Daarnaast kan de rechtspersoon in de nieuwe regeling verplicht worden om gemaakte kosten tijdens de vaststelling van aansprakelijkheid van tijdelijk aangestelde bestuurders, commissarissen of beheerders van aandelen te betalen. Dit met het oog op het feit dat de personen die tijdelijk worden aangesteld als voorziening in de enquêteprocedure niet uiteindelijk opdraaien voor kosten in een naderhand aangespannen zaak.

Toevoeging Stichting Autoriteit Financiële markten en gelijkwaardigheid met de Nederlandsche Bank NV
De huidige regeling houdt geen rekening met de omstandigheid dat de Stichting Autoriteit Financiële markten (AFM) optreedt als gedragstoezichthouder van de beursvennootschappen. Het toezicht strekt zich onder meer uit tot de jaarrekening van de vennootschap en de wijze waarop met koersgevoelige informatie wordt omgegaan. Indien er aanleiding is voor een enquêteonderzoek, is dat als zodanig koersgevoelige informatie en is er een belang voor de AFM om van het verzoek kennis te nemen. In het wetsvoorstel wordt de rol van de AFM onderkend. De informatiepositie van de AFM en De Nederlandsche Bank NV wordt gelijkgesteld.13

 Gevolgen van het wetsvoorstel met betrekking tot de huidige praktijkproblemen

Het wetsvoorstel brengt geen grote wijzigingen in de procedure teweeg. Er is voornamelijk aandacht besteed aan de procedurele waarborgen. Daarnaast is de drempel voor het enquêteverzoek bij grote (beursgenoteerde) vennootschappen omhoog getrokken. Dit zal er toe leiden dat een minderheid voortaan minder snel een verlammend effect kan hebben op besluitvorming en/of het handelen binnen de vennootschap. Met betrekking tot de procedure is gewerkt aan de rechtswaarborgen van de enquêteprocedure en van de onmiddellijke voorziening daarin. Allereerst is er een ruimere mate van hoor en wederhoor door het wijzigen van art. 2:351 BW. Onderzoekers dienen de betrokken partijen/personen in gelegenheid te stellen hun zienswijze te geven. Bovendien is er een raadsheer-commissaris aangesteld met een toezichthoudende rol. De minister heeft echter niet uitgekristalliseerd in hoeverre deze raadsheer-commissaris lijdelijk dient te zijn. Uit het wetsvoorstel komt de wens naar voren om af te wachten welke resultaten uit de rechtspraktijk naar voren zullen komen. De enquêteprocedure is een procedure waarbij sprake moet zijn van voortvarendheid, de onmiddellijke voorziening past dan ook in dit plaatje. Echter, doordat de onmiddellijke voorziening snel getroffen kan worden, is het de vraag of de procesrechtelijke belangen van betrokkenen wel zijn gewaarborgd. In art. 19 Rv is immers bepaald dat de rechter bij een beslissing zijn oordeel, ten nadele van een van de partijen, niet baseert op gegevens waarover de partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten. Men kan zich dus afvragen hoe dit zich verhoudt tot de wijziging dat een onmiddellijke voorziening zelfs voor het onderzoek kan worden getroffen. Ik wijs hierbij naar het ATR-leasing-arrest14: geen onmiddellijke voorzieningen zullen worden getroffen waarop betrokken partijen, gelet op het verloop van het geding en het processuele debat, niet bedacht hoefden te zijn en zij zich niet hebben kunnen uitlaten. Wanneer geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, hebben partijen mogelijk niet voldoende gelegenheid gehad om zich uit te laten over de gevolgen van die voorziening. In een dergelijk geval is ook geen mogelijkheid tot een tegenverzoek voor een onmiddellijke voorziening, nu deze optie alleen open staat voor de indiener van het enquêteverzoek. Strookt dit met de gedachte dat nu tevens de rechtspersoon bevoegd is tot het indienen van een verzoek wanneer deze geen tegenverzoek voor een voorlopige voorziening in kan dienen? In de literatuur wordt geopperd dat er een aparte procedure voor een onmiddellijke voorziening moet bestaan naast het enquêteverzoek en het daarbij behorende onderzoek.15 Door het wetsvoorstel zal er ook geen berechting in twee feitelijke instanties plaatsvinden. Enkel cassatie bij de Hoge Raad blijft mogelijk. De Sociaal Economische Raad had een berechting in twee feitelijke instanties aangeraden.16 Uiteraard is hier wat voor te zeggen, maar wellicht is het beter om naar de behoefte te kijken. Verschillende keren is een beslissing van de Ondernemingskamer gecasseerd. Dat aantal is echter niet opmerkelijk groot. Zo is in twee zaken (0,7% van het totale aantal zaken waarin om een onmiddellijke voorziening is verzocht) een cassatieberoep toegewezen.17 Mijns inziens is dus de berechting in een feitelijke instantie niet een groot struikelblok. Men moet zich wederom bedenken dat in enquêtesituaties vaak een snelle procedure gewenst is.

Conclusie

Het wetsvoorstel zal de enquêteprocedure niet rigoureus wijzigen. Het wetsvoorstel kan gezien worden als een verbetering van een procedure waar in de praktijk een grote vraag naar is vanwege de voortvarende behandeling. De praktische toepasbaarheid van de enquêteprocedure is groot en de bevoegdheden van de Ondernemingskamer reiken ver, met name met betrekking tot de onmiddellijke voorziening. Daarom is het goed dat de processuele waarborgen zijn verbeterd door middel van het invoeren van extra bepalingen met betrekking tot hoor en wederhoor en toezicht. Echter, er zal nog steeds een discussie kunnen worden gevoerd of de snelheid waarmee een onmiddellijke voorziening voortaan getroffen zal kunnen worden niet juist een knelling met de processuele waarborgen uit het Wetboek voor Burgerlijke Rechtsvordering ontstaat. Tegenover dit probleem staat dat de belangenafweging bij de toewijzing van een onmiddellijke voorziening gecodificeerd is, waardoor de Ondernemingskamer verder kan kijken dan alleen de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek. Wat weer ten goede komt aan de rechtswaarborgen in een situatie waar een onmiddellijke voorziening getroffen wordt.


 1Kamerstukken II 2011, 32887, nr. 2: Wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het recht van enquête.

2HR10 januari 1990, NJ 1990, 466.

3HR 27 september 2001, NJ 2001,221 (Gucci).

4Mr. P. van Schilfgaarde, Van de BV en de NV, Deventer: Kluwer 2009, p. 368.

5 HR 19 oktober 2001, NJ 2002, 92 (SkyGate).

6Sociaal Economische Raad, Evenwichtig ondernemingsbestuur, 15 februari 2008.

7 Mr. J.C. Schouten, Ondernemingsrecht, een empirisch onderzoek naar het enquêterecht en de toekomst van de geschillenregeling, Ondernemingsrecht 2009, 126.

8HR 8 juli 2011, NJ 2011, 306: Minimumeis uit art 2:346 BW geldt tot op moment van beslissing.

9De Hoge Raad heeft eerder in de uitspraak van 1 februari 2002, NJ 2002, 225 (de Vries Robbé) bepaald dat art 2:345 BW limitatief opgesteld was, waardoor de rechtspersoon geen bevoegdheid had.

10Kamerstukken II 2011, 32887, nr. 3 (MvT), p. 16.

11HR 14 december 2007, NJ 2008, 105 (DSM).

12 HR 4 december 2009, LJN: BJ 7834.

13Kamerstukken II 2011, 32887, nr. 3 (MvT), p 30.

14 HR 30 maart 2007, JOR 2007/138 m.nt. MW Josephus Jitta.

15Zie voor meer informatie Mr. F. Veenstra, Onmiddellijke voorzieningen in het enquêterecht; het conceptwetsvoorstel tot aanpassing van het enquêterecht nader beschouwd, Ondernemingsrecht 2011, 27.

16Sociaal Economische Raad, Evenwichtig ondernemingsbestuur, 15 februari 2008, p. 52.

17Kamerstukken II 2011, 32887, nr. 3 (MvT), p. 22.


  • 0

Acht Cola, Acht Bier

Acht Cola, Acht Bier
Een onderzoek naar de ontwikkelingen in de rechtspraak omtrent de afkorting “A.C.A.B.” als belediging van een politieambtenaar.  

Door: Eveline van der Slikke

Originaliteit kan lonen, ook in de rechtszaal. In ieder geval kan een onverwacht argument tot een discussie leiden waar je als verdachte bij bent gebaat. Zo voerde een verdachte in zijn zaak aan dat de door hem getoonde afkorting “A.C.A.B.” hem hielp bij een grote bestelling van “Acht Cola, Acht Bier”. De agent die echter een andere betekenis toeschreef aan de afkorting, namelijk “All Cops Are Bastards” voelde zich beledigd en maakte een proces-verbaal op. Deze situatie heeft geleid tot een interessante discussie omtrent het delict belediging. In dit artikel bespreek ik naast het delict eenvoudige belediging, de lijn die zich in de rechtspraak heeft ontwikkeld ten aanzien van belediging door middel van de afkorting A.C.A.B.

In een aantal strafzaken kwam het tot de discussie over de betekenis van de afkorting A.C.A.B. De uitkomst van de discussie was hierbij van belang voor de strafbaarheid van de uitlating als belediging. Echter, in een zaak die zich afspeelde voor de Rechtbank Utrecht waren zowel de politieagent als de verdachte op de hoogte van de werkelijke betekenis van de afkorting en beiden verklaarden dat die betekenis beledigend is.[1] De verdachte had de afkorting rond zijn navel laten tatoeëren. Ten overstaande van de agent trok hij zijn shirt omhoog en hij wees naar de tatoeage terwijl hij de agent recht aankeek. De verdachte had de tatoeage laten zetten om de betekenis van de afkorting. Of sprake is van belediging stond hier dus niet ter discussie, immers beide partijen waren van mening dat er sprake was van belediging. Tot een bewijsvraag heeft deze Utrechtse kwestie dus niet geleid. In de zaken die in dit artikel worden besproken, werd echter wel betwist wat de betekenis is van de afkorting A.C.A.B. en hierin speelt de bewijsvraag een significante rol.

Uitingsdelicten
Belediging is een uitingsdelict en opgenomen in titel 16 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In art. 266 Sr staat de eenvoudige belediging omschreven. Door de negatieve formulering is de bepaling enigszins vaag. Het enige dat concreet staat omschreven is dat een belediging niet het karakter van smaad of smaadschrift heeft. Van smaad is volgens art. 261 Sr sprake wanneer er een bepaald feit tegen het slachtoffer in het openbaar tegen het slachtoffer wordt gebruikt, oftewel het zwartmaken van iemand anders. Smaadschrift is hetzelfde, alleen is de uitingsvorm via het publiceren van tekst of afbeeldingen. Een ander uitingsdelict is laster (art. 262 Sr). Het verschil met de andere uitingsdelicten is dat het bij laster feiten betreft waarvan degene die ze openbaart, weet dat ze níet waar zijn.

Belediging
De term belediging op zich wordt in de wet niet nader uitgewerkt. De delictsomschrijving bevat wel een aantal bestanddelen, dat eisen stelt aan de belediging. Allereerst vereist belediging een vorm van openbaring. Dit kan direct tegen de persoon zijn; mondeling of door feitelijkheden. Bij feitelijkheden kun je denken aan het opsteken van een middelvinger. Een belediging kan ook in het openbaar plaatsvinden; mondeling, bij geschrift of door een afbeelding. Als laatste kan ook een toegezonden of aangeboden afbeelding of het geschrift een vorm van openbaring zijn. De term geschrift wordt daarbij zo uitgelegd dat ook een afkorting daar onder valt, het betreft immers lettertekens met een betekenis. In de A.C.A.B.-zaken die voor de rechter zijn gekomen, stond de afkorting bijvoorbeeld op een jas en als tatoeage rond de navel van verdachte.[2]Het feit dat de letters niet op papier zijn gezet doet daaraan niet af, de term geschrift moet ruim worden opgevat.[3]Op deze manier kan de afkorting A.C.A.B. als een openbaring van een belediging worden opgevat.

Belediging van een ambtenaar in functie
Het delict waar het om gaat in de A.C.A.B.-zaken, is specifiek geformuleerd in art. 267 lid 2 Sr. belediging van een ambtenaar in functie. Hieronder valt de politieagent in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, kortom de agent die dienst heeft. Het feit dat de belediging wordt gebezigd ten overstaande van een politieagent geldt als strafverzwarende omstandigheid en is geobjectiveerd. Om die reden hoeft de opzet op het beledigen van uitgerekend een politieambtenaar niet aangetoond te worden.

Opzet
Van belediging is pas sprake als opzet is aangetoond. Volgens de memorie van toelichting bij art. 266 Sr moet het opzet zien op de belediging zelf, maar ook op de openbaarheid van de belediging. Het opzetvereiste in de bepaling van art. 266 Sr. is lange tijd geleden door de Hoge Raad uitgelegd. Er is al sprake van opzet wanneer de verdachte zich voldoende bewust is van het beledigende karakter van de uitlating.[4]
Een verweer ten aanzien van het opzetvereiste heeft daarom niet snel kans van slagen. In de al eerder aangehaalde strafzaak die zich afspeelde voor de rechtbank Utrecht, is door verdachte betoogd dat de afkorting stond voor ‘Acht Cola, Acht Bier’.[5] Dit zou een legitiem argument kunnen zijn, ware het niet dat uit zijn verklaringen bleek dat hij wel degelijk op de hoogte was dat de afkorting ook voor ‘All Cops Are Bastards’ stond. Ontbreken van opzet werd dan ook niet aangenomen.

Beledigend karakter
Een zeer wezenlijk onderdeel van de eenvoudige belediging is het beledigend karakter van de uitlating. Dit lijkt een behoorlijk subjectief en onduidelijk vereiste; wanneer kan iets als beledigend worden aangemerkt? Het rechtsgoed van de bepaling van art. 266 Sr is de ‘uiterlijk waarneembare morele integriteit’. De rechtspraak heeft het ‘beledigend karakter’ een kader gegeven en naar aanleiding daarvan valt er onderscheid te maken tussen vier typen van uitlatingen met een beledigend karakter.[6]In de eerste plaats hebben scheldwoorden in beginsel een beledigend karakter, zeker wanneer er sprake is van een zekere minachting ten opzichte van de persoon waar de uitlating tot gericht is. Daarnaast bestaat er een type van belediging waarbij zonder daadwerkelijk gebezigd scheldwoord een beledigend karakter kan uitgaan van beweringen en uitlatingen die in een bepaalde context naar voren worden gebracht. Deze vorm van belediging zie je vaak terug wanneer het gaat om een feit als in art. 137c Sr, belediging van een groep mensen wegens hun ras, godsdienst, levensbeschouwing of seksuele gerichtheid. De derde categorie wordt gekenmerkt door het soort uitlatingen die niet in de sfeer van beschuldiging ligt, maar die een vermeende en als negatief beschouwde karaktertrek van de benadeelde benadrukt. Als laatste kan het type uitlating worden genoemd waarin de gedragingen of denkbeelden van de ander worden bekritiseerd. Dat wil niet zeggen dat elke negatieve beoordeling als belediging is aan te merken, dit zou ook teveel inbreuk maken op de vrijheid van meningsuiting. Meer algemeen kan worden gezegd dat van degene die de uitlating doet een minachting moet uitgaan richting het slachtoffer.
De rechter kan uiteindelijk aan de hand van twee methoden oordelen of er sprake is van een uitlating met een beledigend karakter. Zo blijkt in eerste instantie uit het ‘Kraai-arrest’ een abstracte toetsing waarbij de rechter beoordeelt of de uitlating los van de omstandigheden van het geval een beledigend karakter heeft.[7]De rechter weegt echter steeds vaker de gehele context mee waarin de uitlating is gedaan.[8] Bij deze toetsing is het ook van belang of de dader de kennelijke bedoeling had om te beledigen en of de bedoeling van de dader ook naar buiten kenbaar is.[9]
Of de afkorting A.C.A.B. een beledigend karakter heeft, is betwist door de raadsman van verdachte in de zaak HR 11 januari 2011, NJ 2011/116. De raadsman voert aan dat de betekenis van de afkorting niet vaststaat. Met name omdat het een afkorting van een uitdrukking in de Engelse taal is, is het maar de vraag of het in het Nederlands taalgebruik ook als beledigend kan worden aangemerkt. De zuivere vertaling van ‘bastard’ in het Nederlandse ‘bastaard’ is niet zodanig beledigend aangezien bastaard staat voor ‘onwettig kind’. De Engelse uitdrukking strekt er meer toe iemand uit te maken voor schelm, deugniet; geen ernstige aantijging en niet per definitie een belediging.

Belediging ten aanzien van een politieambtenaar; beroepsrisico?
Een politieagent staat beroepshalve vaker bloot aan agressiviteit en is hier ook voor opgeleid. Betekent dit dat er minder snel sprake kan zijn van belediging? Hier heeft de Hoge Raad zich ook over uitgelaten, naar aanleiding van een arrest van het Hof Leeuwarden. Het betrof een situatie waarin politieagenten door een dronken Groningse studente werden uitgemaakt voor “sukkels, losers, klootzakken en kankerlijers”, woorden die op zichzelf beledigend kunnen zijn. Het Hof oordeelde dat van politieambtenaren echter een zeker incasseringsvermogen mag worden verwacht. De woorden kunnen wel beledigend worden geacht, maar het Hof vond in deze situatie dat de uitlating niet strafbaar was omdat de politie tegen een stootje moet kunnen.[10] De Hoge Raad oordeelde inderdaad dat sprake was van een beledigend karakter, maar voorts: “De opvatting van het Hof dat van politieagenten een zeker incasseringsvermogen mag worden verwacht vindt echter geen steun in het recht”.[11] Een politieambtenaar mag derhalve niet zomaar voor rotte vis worden uitgemaakt.

Feit van algemene bekendheid
De meest interessante discussie in de A.C.A.B.-zaken gaat echter niet over de inhoud van het bewijs ten aanzien van het beledigend karakter. De nadruk ligt op de vraag of er überhaupt bewijs moet worden opgevoerd, of dat er sprake is van een feit van algemene bekendheid als bedoeld in art. 339 lid 2 Sv. Een dergelijk feit behoeft namelijk geen bewijs. Het Hof heeft geoordeeld dat de betekenis van de afkorting een feit van algemene bekendheid is.[12]Frappant aan dit oordeel is, dat het Hof in eerste instantie zelf niet op de hoogte was van de betekenis van de afkorting. Het Hof heeft de term ‘gegoogeld’ en aan de hand van het behoorlijke aantal hits, deed het Hof de term als algemeen bekend af en verdachte werd veroordeeld.

In een klein onderzoekje dat ik in mijn eigen omgeving heb uitgevoerd blijkt dat men lang niet altijd op de hoogte is van de originele betekenis van de afkorting A.C.A.B. Van de 31 mensen die gereageerd hadden op de vraag ‘Weet je wat er bedoeld wordt met “A.C.A.B.”?’ antwoordden 18 mensen met ‘Ja, dat is me wel bekend’; 12 mensen met ‘Nee, geen enkel idee’ en 1 persoon met ‘Het komt me wel bekend voor, maar wat het ook alweer betekent?’. Slechts een kleine meerderheid die op de hoogte is van de betekenis van de afkorting. Hierdoor wordt voorzichtig bevestigd dat de algemene bekendheid van de betekenis van A.C.A.B.valt te betwisten.

De ‘googelende’ rechter
De Hoge Raad keurt de motivering van het Hof af.[13] Doordat het googelen in de raadkamer had plaatsgevonden, heeft het Hof in strijd gehandeld met het principe dat al het relevante bewijs op de zitting moet worden besproken, en partijen moeten hierop kunnen reageren. Het Hof heeft dus niet zonder meer de algemene bekendheid van de betekenis van de afkorting ACAB mogen aannemen.

Daarnaast heeft de Hoge Raad ook commentaar op de inhoud van de motivering. Het Hof was bij het googelen uitgegaan van het aantal hits naar aanleiding van de combinatie van zoektermen ‘A.C.A.B.’ en ‘cops’. Deze zoekactie leverde circa 190.000 hits op, maar dit was het resultaat wereldwijd. Als de zoekopdracht was beperkt tot de pagina’s geschreven in het Nederlands, was het aantal hits significant lager. De Hoge Raad oordeelt hierover dat het in het geschil moet gaan om een feit dat in Nederland van algemene bekendheid is. Het aantal treffers bij andere, anderstalige websites is daarbij niet zonder meer redengevend, zeker niet zonder te verduidelijken op welke of wat voor soort internetsites die treffers betrekking hebben. Ook is van belang dat het gaat om algemene bekendheid ten tijde van het ten laste gelegde feit. Toevoegen van de datum van het delict aan de zoekopdracht leverde nog minder resultaten op. Op dit moment zou dat anders kunnen liggen, immers door alle media-aandacht voor de ACAB-zaken, is inmiddels breder bekend waar de afkorting werkelijk voor staat.

Nieuwe beoordeling
Het Hof moet opnieuw over de zaak oordelen met het commentaar van de Hoge Raad in het achterhoofd. Het Hof buigt zich over de vraag of het tonen van de lettercombinatie als belediging kan worden aangemerkt. In antwoord hierop stelt het Hof dat de lettercombinatie als zodanig geen beledigend karakter heeft aangezien het geen bestaand woord vormt.
Een lettercombinatie die een afkorting inhoudt, met name een afkorting van woorden die een belediging zijn, kan wel een beledigend karakter hebben. De politieagent die in deze zaak de aangever is, heeft zijn stelling dat hij beledigd is niet voldoende onderbouwd. De omstandigheid dat de betekenis van de afkorting een feit van algemene bekendheid is, is niet voldoende vast komen te staan. Het bewijs is om die reden niet rond en verdachte wordt vrijgesproken.[14]

A.C.A.B.: strafbaar of niet?
Uit de besproken jurisprudentie is gebleken dat de letters A.C.A.B. een beledigend karakter kan hebben, aangezien het een afkorting is van woorden die in hun verband wel een beledigend karakter kan hebben. Het is dus zeer waarschijnlijk dat een veroordeling voor belediging kan volgen, wanneer een persoon wordt vervolgd voor het tonen van deze afkorting, in welke vorm dan ook, aan een politieambtenaar. Wel moet het opzet op zowel de belediging als op de openbaring daarvan worden bewezen. De crux van de in dit artikel besproken rechtszaken zat echter in de bewijsoverweging en het aannemen van het feit van algemene bekendheid door het Hof. Doordat het Hof in raadkamer heeft gegoogeled heeft zij het vonnis niet voldoende kunnen motiveren.
Een goed argument kan leiden tot discussie in de rechtszaal, immers; A.C.A.B. staat toch voor ‘Always Carry A Bible’ of nog mooier: ‘All Cops Are Beautiful’?!


[1] Rb. Utrecht 22 augustus 2011, LJN BR5832

[2]Rb. Utrecht 22 augustus 2011, LJN BR5832, Hof ’s-Gravenhage 13 mei 2011, NJ 2011/299

[3]Dit mag blijken uit de memorie van toelichting bij art. 225; de valsheid in geschrifte.H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink, 1891 p. 261-22

[4] HR 16 juni 1953, NJ 1953/618

[5]Rb. Utrecht 22 augustus 2011

[6]A.L.J.M. Janssens, Strafbare belediging, diss. Rijksuniversiteit Groningen, Amsterdam: Thela Thesis, 1998 p. 192-210

[7] HR 21 april 1902, W. 7764: ‘Kraai’

[8]A.L.J.M. Janssens, Strafbare belediging, diss. Rijksuniversiteit Groningen, Amsterdam: Thela Thesis, 1998 p. 192-210

[9]HR 21 februari 1995, NJ 1995/452

[10]Hof Leeuwarden, 6 februari 2007, NBSTRAF 2007/307

[11] HR 22 september 2009, LJN: BI562307

[12] Hof ’s-Gravenhage 20 februari 2009, LJN BH3651

[13]HR 11 januari 2011, NJ 2011/116

[14] Hof ’s-Gravenhage, 13 mei 2011, NJ 2011/299


  • 0

Interview met Betty de Boer, Tweede Kamerlid

Door: Hilde van der Veen en Eveline van der Slikke

Sinds de parlementsverkiezingen van 2010 heeft Betty de Boer plaatsgenomen in de Tweede Kamer voor de VVD. Zij is verantwoordelijk voor de portefeuille ‘Grote Stedenbeleid/wijkaanpak’ en ‘Volkshuisvesting,  bouwen en wonen’. Betty de Boer is altijd al politiek geïnteresseerd geweest. Haar voorkeur voor staatsrecht heeft haar doen kiezen voor de studierichting bestuurswetenschappen (nu: Recht en Bestuur) aan de Rijksuniversiteit Groningen. Gedurende haar studietijd was ze actief bij Student en Stad. Tijdens haar loopbaan bij de provincie Groningen raakte ze actief betrokken bij de lokale VVD en mocht ze uiteindelijk in de gemeenteraad plaatsnemen. Na een telefoontje van Ivo Opstelten kwam ze op plek 10 op de landelijke verkiezingslijst terecht. In dit interview vroegen wij haar naar haar politieke loopbaan en naar de actualiteiten rondom de woningmarkt.

Hoe bent u in de Tweede Kamer terecht gekomen?
Door actieve inzet binnen de partij en het bezoeken van congressen en trainingen raak je min of meer bekend binnen de partij, leer je veel mensen kennen en krijg je de kans om een breed netwerk op te bouwen. Ook heb ik op de lijst gestaan voor de Europese parlementsverkiezingen. Ik heb destijds een half jaar heel actief campagne gedraaid en heb uiteindelijk ook best groot een aantal stemmen gehaald. Mede hierdoor ben ik ook landelijk enigszins in de kijker geraakt.

Het lijkt een intensieve baan, hoe ziet het er voor u uit en hoe bevalt dat?
Inmiddels bevalt de Tweede Kamer steeds beter, in het begin moet je natuurlijk inwerken. Doordeweeks woon ik in een appartement. Op maandag heb ik onderweg naar Den Haag werkbezoeken in het land. Dit zijn over het algemeen wijkbezoeken, afspraken met bestuurders, bouwers en woningcorporaties. Heel gevarieerd en een leuke afwisseling voor de rest van de week wanneer ik in Den Haag zit en de kameragenda heb. Op dinsdagochtend heb ik fractievergaderingen en het wekelijkse vragenuurtje. Dinsdagavond, woensdag en donderdag staat vol gepland met commissievergaderingen en afspraken. Soms heb ik dan nog meer afspraken, maar deze mensen komen dan naar Den Haag. Op donderdagavond ga ik weer richting het Noorden waar ik op vrijdag weer afspraken in de regio heb. Partijactiviteiten van de VVD zijn altijd op zaterdag en de zondag gebruik ik meestal om stukken door te nemen, mijn agenda te checken, de e-mail bij te werken en een column te schrijven. Soms moet je bewust een keer een weekend schoonvegen, anders heb je nooit vrije tijd.

U komt uit de buurt en blijft in de Groningen wonen; heeft het noorden speciale betekenis voor u?
Ik ben afkomstig uit Friesland, maar woon met veel plezier in Groningen. Mijn privéleven en het gehele sociale gebeuren spelen zich hier af en niet in Den Haag. Ik werk met veel plezier in het mooie Den Haag maar er gaat nou eenmaal niets boven Groningen! Ik heb hier een drukke, maar leuke studententijd beleefd. Ik heb altijd veel gewerkt naast mijn studie, dus voor een studentenvereniging bleef weinig tijd over. Achteraf is het misschien jammer dat ik nog niet politiek actief was bij de jongerenafdeling van de VVD (redactie: de JOVD), ik weet nu dat er een goede wisselwerking is tussen de partij en de actieve jongerenafdeling. Zij houden de partij scherp met hun kritische blik.


U bent woordvoerder Volkshuisvesting, bouwen en wonen en grote stedenbeleid/wijkaanpak.  Wat houdt dit in?
Mijn portefeuille bevat alles wat met wonen en bouwen te maken heeft. Nu de woningmarkt en woningbouw enigszins stil ligt focussen we vooral op maatregelen om de markt weer op gang te brengen. Een succespunt hierin is de verlaging van de overdrachtsbelasting. Ook houd ik mij bezig met bouwbesluiten en bouwregelgeving. Vanuit Europa komen veel regels zoals op het gebied van energielevering van woningen. Bij het uitvoeren van mijn werk speelt voor mij altijd het dilemma van keuzevrijheid voor burgers en minder regeldruk vanuit de overheid. Uiteraard zijn regels over veiligheid van groot belang, maar door meer marktwerking en minder regels kun je de markt uitdagen om met innovatieve oplossingen te komen.

Een ander actueel onderwerp is de koop- en huurmarkt. De verschillen binnen Nederland zijn aanzienlijk. Hiervoor heb ik met woningcorporaties te maken die verantwoordelijk zijn voor de sociale woningbouw. Naar aanleiding van een paar misgelopen commerciële projecten voeren we nu de discussie wat woningcorporaties wel en niet mogen. Andere punten zijn fiscale aspecten bij de woningbouw en de verstedelijking- en krimpproblematiek. Aangezien ik uit een gebied kom waar dit ook speelt, heb ik ook affiniteit met de krimpproblematiek. Daarnaast is er aandacht voor bouw van kantoren, leegstand en studentenhuisvesting. Ook houd ik mij bezig met juridische constructies als erfpacht; hoe gaan we dit inrichten in de toekomst?

Krimpproblematiek, wat wil de VVD hier aan doen?
De VVD stelt zich de vraag hoe je creatief met lege plekken kunt omgaan en ervoor kunt zorgen dat hier bijvoorbeeld een aantal kunstenaars bij betrokken wordt; het creatieve stadsidee. Als je kijkt naar de krimp op zich, hoe kan regelgeving worden versoepeld? Daarnaast is een buitenhuisje in een krimpgebied verhoudingsgewijs heel goedkoop. Een huis in het buitengebied wordt aantrekkelijk als je kinderen lekker buiten kunnen spelen, door kwaliteit van wonen en rust. Om wonen in het buitengebied aantrekkelijk te maken zijn er basisvoorzieningen nodig zoals onderwijs en vervoer. De VVD is echter een liberale partij en ik geloof dan ook iets minder in de ‘maakbare maatschappij’, dat je alles van boven kunt opleggen. Laat mensen zelf maar lekker creatief zijn door ze ruimte te geven bij de welstandstoets of in de eisen van een bestemmingsplan.

Kan het wel uit voor mensen om een tweede woning in een krimpgebied te kopen?
Ja, het kan vrij snel uit om een kleinere woning in de Randstad te hebben en er een tweede woning naast te hebben in een landelijk gebied. Mensen kunnen dan op momenten dat ze vrij zijn of wanneer ze thuis werken in de krimpgebieden wonen. Vaak gelden er echter nog bestemmingsplanbeperkingen. Denk hierbij aan de eis dat huizen in dorpen permanent bewoond moeten worden, in plaats van dat ze kunnen worden gebruikt als buitenhuisje; het zogenaamde ‘jojo-wonen’. Wij pleiten dan ook voor minder regels en meer verantwoordelijkheid voor de lokale gemeente. Minder uit Den Haag en dus meer ‘bottom-up’.

Wat speelt er momenteel op de huurmarkt?
In Nederland is veel sprake van het zogenaamde ‘scheefwonen’. Op het moment dat je met een verhoudingsgewijs laag inkomen een woning toegewezen krijgt bij de woningcorporatie wordt op dat moment de huur vastgesteld, maar daarna vindt er nooit meer een inkomenstoets plaats. In de loop van de tijd kun je best meer gaan verdienen. Je bent jong, net afgestudeerd en na verloop van tijd stijgt je inkomen. Je ziet dat er heel veel mensen in een sociale huurwoning blijven wonen vanwege de lage kosten. De huurprijs gaat niet omhoog vanwege de huurbescherming. Wel wordt de huurprijs jaarlijks met een inflatieafhankelijk percentage verhoogd, maar je ziet dat de waarde van een groot aantal woningen veel sneller stijgt, vooral in grote steden als Amsterdam. Die mensen kunnen met hun inkomen best een wooncarrière doormaken, maar doen dat niet uit financiële overwegingen. Daarom zullen we de huurbescherming een keer moeten loslaten, maar dat zie ik in de huidige coalitie niet snel gebeuren. Ik ben ervoor dat men een marktconforme huurprijs betaalt en dat mensen met een laag inkomen worden gecompenseerd door een hogere huurtoeslag. Dit betekent een hogere uitgave op het gebied van de huurtoeslag. Alleen de huurprijzen zijn ook veel hoger; er komt veel meer geld binnen bij de woningcorporaties. Je zou het dus in de vorm van een toeslag weer terug kunnen geven aan de mensen met een lager inkomen, die hebben nou eenmaal echt die woningen nodig. Het recht op wonen is een recht uit het EVRM, een woonrecht. De taak om hierin te voorzien heb je als overheid.

Middeninkomens moeten volgens u in staat worden gesteld een woning te kopen, welke gedachte zit hier achter?
Er zijn in Nederland 2,4 miljoen sociale huurwoningen en deze zijn het bezit van de woningcorporaties, dat is ongeveer een derde van het totale woningbestand. De doelgroep voor een sociale huurwoning wisselt, maar het gaat om circa 1 miljoen huishoudens. Van het totale aantal sociale huurwoningen zou best een groep woningen kunnen worden afgestoten. In het regeerakkoord hebben we het ‘recht op koop’ opgenomen. Dit recht houdt in dat mensen die in een dergelijke woning wonen, het recht hebben deze woning van de woningcorporatie te kopen. Mensen moeten volgens ons een keuze hebben. Je kunt door middel van woningbezit een stukje vermogen opbouwen, dit vind ik liberaal, sociaal en emanciperend. Ik heb liever dat dit kapitaal bij de burgers ligt dan bij de woningcorporaties.

Willen jullie corporaties verplichten om te verkopen?
Nou, zo staat het in feite wel in het regeerakkoord; als recht op koop. Of het uitvoerbaar is, is een tweede. In feite ga je op die manier als publiekrechtelijk orgaan op de stoel van de woningcorporatie zitten. Een andere uitvoering zou kunnen zijn dat woningcorporaties een deel van hun bezit aanwijzen dat ze kunnen verkopen. Wanneer er dan een huis vrij komt, wordt die woning eerst op de markt gezet zodat middeninkomens de mogelijkheid hebben een woning te kopen. Corporatiewoningen zijn gezien de prijs ideaal als starterwoning. Het recht op koop is opgenomen in het regeerakkoord en wordt dus ook gesteund door de andere partijen. Het verschil ligt erin dat de linkse partijen meer aan huren en huurders hechten, terwijl wij meer waarde hechten aan het mensen in staat kunnen stellen een bezit op te bouwen.

Denkt u dat die groep mensen met een laag inkomen een hypotheek kan krijgen voor een dergelijke woning?
In de huidige economische situatie is dat wel lastiger. In de jaren ’80 was het gebruikelijk dat mensen gewoon 30% van de woningwaarde al bij elkaar hadden gespaard, maar in de loop der jaren zijn er steeds meer tophypotheken verstrekt waarbij 110% van de woning wordt gefinancierd. In Nederland worden er te weinig huizen aangeboden, waardoor de prijzen door de grote vraag zijn gestegen. Dit komt niet door de hypotheekrenteaftrek, die bestaat al sinds 1983, maar er is gewoon sprake van een prijsstijging door marktwerking. Banken zijn terughoudender geworden in het verstrekken van hypotheken, om niet in de problemen te raken. De VVD is het hier wel mee eens, maar mensen moeten wel in staat worden gesteld een woning te kopen zonder onnodig in de problemen te komen. Nu kun je 104% van de woningwaarde lenen. In de gedragscode voor banken die per 1 augustus is ingegaan, is geregeld dat je aan het einde van de looptijd van een hypotheek van 30 jaar de helft moet hebben afgelost. Hier zijn we dus strenger in geworden. Veel woningcorporaties hebben een terugkoopplicht voor het geval dat iemand de woning wil verlaten. Wellicht is het verstandig dit lost te laten, aangezien woningcorporaties daarvoor dan altijd een bepaald bedrag paraat moet hebben.

Heeft u actief meegewerkt aan de verlaging van de overdrachtsbelasting?
Actief in die zin dat ik op de achtergrond op de verlaging van de overdrachtsbelasting heb gehamerd, maar uiteindelijk zijn de ministers en staatssecretarissen daarin leidend. De discussie ging echter over de financiering van de verlaging. De verlaging van de overdrachtsbelasting levert namelijk een staatsschuld op, terwijl we ook wat willen doen aan de hoge staatsschuld; je slaat toch een gat in de begroting. Ik heb altijd gewezen op het feit dat je zo de huizenmarkt weer los krijgt, wat goed is voor de economie. Het mes snijdt aan twee kanten. Door meer doorstroom op de huizenmarkt krijg je ook automatisch meer nieuwbouwactiviteiten en meer verhuizingen. Ze zeggen wel eens: “Eén verhuizing lokt vier andere uit”. De regeling is opzettelijk met terugwerkende kracht van een paar weken ingevoerd, anders gaan mensen afwachten en ligt de markt tot de invoering stil.

Er is een proces aangespannen door een Nijmeegs advocatenkantoor, omdat de overdrachtsbelasting strijdig zou zijn met het recht op vrije eigendom als neergelegd in het EVRM. Hoe denkt u over dit standpunt?
Ik ben heel benieuwd naar de uitkomst van dit proces. In Nederland kennen we ook het stelsel van de BTW, waarmee belasting over de overdracht van roerende goederen wordt geheven. Als de rechter oordeelt dat de overdrachtsbelasting inderdaad in strijd is met het recht op vrije eigendom, dan zou dit ook moeten gelden voor de BTW.

Wat verwacht u van de politiek in de nabije toekomst?
Er staat natuurlijk heel veel niet in het regeerakkoord wat wel in ons verkiezingsprogramma stond. Het vrijlaten van de huurprijzen bijvoorbeeld. Om deze punten te verzilveren treffen we nu al voorbereidingen. Maar aan de andere kant zitten we met de toestand in de wereld inmiddels in orkaankracht 5. Dandoen we het in Nederland lang zo slecht nog niet. Ik denk dat we de juiste keuzes hebben gemaakt door te willen bezuinigen, helemaal als je nu kijkt naar de situatie in Griekenland, Portugal of Ierland. Bezuinigingen zijn geen leuke keuzes, maar het is nou eenmaal noodzakelijk. Hierin verschilt de VVD van de linkse partijen. Hun uitgangspunt is dat een overheid die geld uitgeeft de economie stimuleert. Ik ben benieuwd wat er economisch en politiek gezien de komende jaren gaat gebeuren. Ook ben ik benieuwd naar de ontwikkeling van de andere partijen en natuurlijk hoe onze partij de komende verkiezingen wordt gewaardeerd. Politiek is toch macht; hoe meer zetels, hoe meer je te vertellen hebt.

Heeft u nog een advies dat u aan de huidige rechtenstudenten wil meegeven?
Ik vind dat je naast je studie actief moet zijn, met alleen maar achten halen kom je er ook niet meer. Zelf heb ik één jaar in de redactie van de Dorknoper (red: studievereniging Recht & Bestuur) gezeten. Door naast je studie actief te zijn bouw je niet alleen je CV op, maar je doet ook praktijkervaring op. Het is goed om op deze manier inhoud aan je studie te geven.


  • 0

Een dag in het leven van strafpleiter Wim Anker

Door: Stephanie Delauw

De heer Wim Anker is samen met zijn broer, Hans Anker, in 1991 de maatschap Anker & Anker Strafrechtadvocaten begonnen. Hij is daar werkzaam als strafpleiter. Vandaag, 14 september, heeft hij eerst een zitting in de zaak Robert M. en daarna geeft hij een cursus jeugdstrafrecht in Utrecht. Ik mocht deze dag met hem mee.

In de Amsterdamse rechtbank ‘de Bunker’ vindt vandaag de derde pro-formazitting plaats in de zaak Robert M. Deze zaak is de afgelopen maanden veel in de belangstelling geweest en staat intussen bekend als ‘De Amsterdamse zedenzaak’. Robert M. wordt ervan verdacht meerdere kinderen seksueel te hebben misbruikt. Volgens zijn eigen verklaringen zou het gaan om 87 gevallen van kindermisbruik. Vandaag betreft het dus de derde pro-formazitting. In een pro-formazitting wordt de stand van zaken in het onderzoek besproken. Vandaag worden eerst de regels voor de media behandeld, waarna het Openbaar Ministerie (OM) aan het woord komt. De officieren van justitie kondigen aan dat er nog meer kinderpornografische bestanden op de computer van Robert M. zijn aangetroffen. Ook verklaren zij dat eind oktober de definitieve tenlastelegging zal verschijnen. Vervolgens is de verdediging aan het woord. Een collega van Anker, de heer Tjalling van der Goot, voert het woord. De verdediging vindt vooral de detentiesituatie van hun cliënt een punt van aandacht. Op dit moment verblijft hij namelijk in het Pieter Baan Centrum, waar hij, net als de maanden daarvoor in de Penitentiaire Inrichting  te Vught, onder 24-uurs cameratoezicht staat. De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) heeft hierover op 17 augustus 2011 geoordeeld. Zij besliste dat de cameraobservatie voor de periode van 9 februari 2011 tot 23 februari 2011 onredelijk is.[1] De verdediging stelt dat een dergelijke uitspraak van de RSJ veel invloed zou moeten hebben, maar sindsdien is er niet veel veranderd. Robert M. verkeert namelijk nog steeds in een situatie met 24-uurs cameratoezicht. Na het sluiten van de zitting, is er een moment waarop de pers vragen kan stellen. Zowel Anker als ook Van der Goot staan de pers te woord.

Na deze zitting vertrekken we naar Utrecht. In voormalig klooster ‘De Lantaern’ geven beide heren Anker samen met collega de heer Jan Boksem, een cursus over jeugdstrafrecht en jeugdstrafprocesrecht.[2] Hierin komen onder meer de meest recente jurisprudentie op dit gebied, de Salduz-problematiek en de wet van 13 december 2010 tot wijziging van de pij-maatregel ter sprake. Hierna begeven wij ons richting de bar van ‘De Lantaern’ waar een gezellige borrel plaatsvindt.

Rond half zeven keren wij terug richting het noorden. Aangezien ook advocaten moeten eten, stoppen we bij ‘Tapperij de Zwijger’ te Houten om een maaltijd te nuttigen. Hierna vervolgen wij onze reis naar Friesland. Al met al was het een zeer boeiende dag. Ik wil de heer Anker vanaf deze plek dan ook zeer bedanken voor zijn gastvrijheid, waardoor ons een kijkje in de dagelijkse advocatenpraktijk gegund werd.


[1] RSJ 17 augustus 2011, 11/1144/GA

De RSJ toetst als beroepsrechter beslissingen die zijn genomen over personen die een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel ondergaan.

[2] De heer J. Boksem is bijzonder hoogleraar verdediging in strafzaken bij de Universiteit Maastricht


  • 0

To be or not to be, that’s the question; Over de juridische kritiekpunten betreffende de wrongful life-vordering in Nederland

Door: Stephanie Delauw

Inleiding

Het is inmiddels enkele jaren geleden dat de Hoge Raad  arrest wees in de Kelly-zaak. Het gaat in meerder opzichten om een unieke uitspraak. Ten eerste betreft het de eerste wrongful life-zaak in Nederland waar de Hoge Raad zich over gebogen heeft. Ten tweede kan zijn uiteindelijke oordeel mondiaal bezien uniek worden genoemd. Elders zijn namelijk vergelijkbare vorderingen afgewezen, een enkele uitzondering daargelaten.[1] Het arrest blijft de gemoederen bezighouden, aangezien de wrongful life-vordering een moeilijke kwestie is, waarin juridische, filosofische, ethische en maatschappelijke problemen in elkaar grijpen.[2]

            In dit artikel gaat het niet over de bezwaren van een actie van de ouders, maar over de juridische bezwaren van een actie van het kind zelf. Als eerst wordt het Kelly-arrest behandeld, waarna de juridische kritiekpunten op de wrongful life-vordering worden behandeld. Ik zal mij hierbij beperken tot de grondslag van de rechtsvordering, het vraagstuk van de schadebepaling en de problematiek rond de causaliteit.

Het Kelly-arrest

In 1994 werd Kelly geboren. Kelly is fysiek en geestelijk gehandicapt als gevolg van een chromosomale afwijking. In het eerste gesprek dat de moeder tijdens haar zwangerschap met de verloskundige voerde, bracht zij onder meer ter sprake dat een neef van Kelly’s vader als gevolg van een chromosomale afwijking gehandicapt is. De moeder stelde toen de vraag of zij in aanmerking kwam voor een onderzoek. De verloskundige besloot dat een onderzoek of een verwijzing niet nodig was.[3] Gegeven de informatie die de verloskundige tot haar beschikking had, had zij moeten overgaan tot een zorgvuldig onderzoek naar de medische geschiedenis van de familie en eventueel overleg met een klinische geneticus. Had de verloskundige dat gedaan, dan zou vroeg in de zwangerschap zijn ontdekt dat de vrucht beschadigd was en zou de moeder hebben besloten tot zwangerschapsafbreking.[4]

            Zowel de ouders als Kelly zelf – vertegenwoordigd door haar ouders – vorderen schadevergoeding. De ouders vorderen vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij zelf hebben geleden. Deze vorderingen, ook wel aangeduid als ‘wrongful birth-vorderingen’, kenmerken zich door het feit dat het de ouders zijn van een kind dat met een handicap is geboren (aangeboren of anderszins veroorzaakt) die de hulpverlener aansprakelijk stellen, omdat zij zonder de fout van de hulpverlener het kind nooit ter wereld hadden laten komen.[5] De ouders stellen ook namens Kelly een vordering in, voor haar toekomstige kosten van levensonderhoud en de extra kosten die een gevolg zijn van haar handicaps. Tevens vordert Kelly smartengeld.[6] Deze vorderingen worden ook wel ‘wrongful-life vorderingen’ genoemd en kenmerken zich door het feit dat het gehandicapte kind zelf vordert.[7]

Juridische kritiekpunten op de wrongful life-vordering

Dat de ouders van Kelly een vordering tot schadevergoeding hebben, is in het algemeen redelijk geaccepteerd. Deze grond is gelegen in de fout van de verloskundige die geen nader onderzoek heeft gedaan of heeft laten doen en ook niet doorverwezen heeft. Controversiëler is de vraag of Kelly zelf recht heeft op een schadevergoeding.[8] In de literatuur worden zowel argumenten voor als tegen toewijsbaarheid van de vordering van het kind genoemd. Deze argumenten zullen hieronder (niet uitputtend) worden uitgewerkt.

De grondslag van de rechtsvordering

De eerste vraag die behandeld wordt, is wat de grondslag is van een wrongful life-vordering. Volgens Hartkamp, Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, zijn er drie mogelijkheden. Ten eerste kan er sprake zijn van een rechtsplicht die jegens Kelly is geschonden. Deze kan worden geacht deel uit te maken van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. Ten tweede kan deze rechtsplicht ook voortvloeien uit de overeenkomst tussen moeder en verloskundige, in die zin dat deze een derdenbeding ten behoeve van Kelly bevat. Of zo’n beding aanwezig is, is afhankelijk van de vraag of contractpartijen bij de overeenkomst zo’n beding hebben willen maken en hoe zij elkaars bedoelingen hebben opgevat, of redelijkerwijs hadden mogen opvatten. Ten derde is het ook mogelijk om een dergelijk rechtsgevolg op de redelijkheid en billijkheid te baseren, zoals bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW en dus de overeenkomst tussen Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) en de moeder aan te vullen.[9] De Hoge Raad wijst de vordering van Kelly toe, omdat zij aannemen dat het LUMC en de verloskundige onrechtmatig jegens Kelly hebben gehandeld door tekort te schieten in de nakoming van de zorgplicht die zij ook jegens de nog ongeboren vrucht hadden.[10]

            Voor alle hierboven genoemde situaties is in ieder geval een normschending nodig. Maar waar bestaat die normschending tegenover Kelly uit? Dit wordt in de rechtswetenschappelijke literatuur betwist. Door zowel voor- als tegenstanders van toewijzing van de wrongful life-vordering, is betoogd dat het kind zich niet kan beroepen op een recht om niet te bestaan of een recht op abortus. Dit doordat het recht op abortus een zelfbeschikkingsrecht van de moeder is. Ook Kortmann, hoogleraar Burgerlijk recht, betwijfelt of de verloskundige tegenover het kind een verplichting had om abortus mogelijk te maken. Er valt volgens hem niet in te zien dat de verloskundige tegenover het kind een norm heeft overtreden.[11] Kortmann concludeert dan ook dat een schadevergoedingsvordering van Kelly dient te worden afgewezen, omdat de fout van de verloskundige niet kan worden aangemerkt als wanprestatie of onrechtmatige daad tegenover Kelly.[12] Verder zijn er auteurs zoals Den Hartogh, die betogen dat een wrongful life-vordering alleen kan worden toegekend, als men bereid is te erkennen dat het kind schade heeft geleden door het enkele feit dat haar geboorte niet is voorkomen.[13]

Het vraagstuk van de schadebepaling

Een veel gehoord argument in literatuur en rechtspraak tegen toekenning van een wrongful-life vordering, is dat de schade niet bepaald kan worden. Want kan er in een casus als het Kelly-arrest wel gesproken worden van schade bij het kind? En zo ja, hoe moet deze dan worden begroot?

Zo vindt Kortmann het zeer twijfelachtig of het enkele feit dat het kind – al dan niet gehandicapt – geboren wordt, voor het kind schade oplevert. Hij wijst erop dat voor de vaststelling van de schade in wrongful-life zaken, men de gewone weg van het vaststellen van de schade dient te volgen. Men dient dus twee situaties te vergelijken: de situatie waarin de benadeelde verkeert en de hypothetische situatie waarin de benadeelde zou hebben verkeerd, als de fout niet zou zijn gemaakt. Het nadelige verschil is de schade.[14] Volgens Kortmann houdt de hypothetische situatie in dat het kind niet zou bestaan. Hij vraagt zich af of het wel mogelijk is een vergelijking te maken tussen niet-bestaan en leven. Verder is hij van mening dat als men aanvaardt dat een dergelijke vergelijking wel te maken valt, niet valt in te zien hoe vastgesteld kan worden dat niet-bestaan meer waard is dan een gehandicapt leven.[15] Kortmann vindt dan ook dat met toewijzing van wrongful life-vorderingen de grenzen van het aansprakelijkheidsrecht overschreden zijn.[16]

Er zijn echter ook veel auteurs die deze mening van Kortmann niet delen. Zij menen dat ook in dit soort kwesties het aansprakelijkheidsrecht uitkomst kan bieden. Volgens Sieburgh miskent de redenering van Kortmann dat de restitutio in integrum-leer niet ziet op het herstel in de oude feitelijke toestand, maar op het herstel in de oude vermogensrechtelijke toestand. Dit geldt dus ook voor gevallen waarin de feiten niet omkeerbaar zijn.[17] Aangezien er wordt aangenomen dat de ouders vermogensrechtelijke consequenties kunnen ondervinden die in verband staan met het bestaan van het kind, sluit hij niet uit dat ook het kind zelf kan betogen dat ‘het bestaan’ voor hem vermogensrechtelijke consequenties heeft, die bij afwezigheid van de fout niet tot uiting  waren gekomen.[18]

Dan is er nog een tweede knelpunt met betrekking tot het bepalen van de schade. Als men al tot de conclusie komt dat er schade voor het kind kan zijn, hoe moet deze dan worden begroot? Hartkamp lost dit probleem als volgt op: hij stelt in zijn conclusie bij het Kelly-arrest dat voor het vaststellen van de omvang van de schadevergoeding, men zowel gebruik kan maken van een redenering berustend op het beschermingsbereik van de geschonden norm, als van een redenering berustend op art. 6:97 BW. Beide benaderingen leiden volgens hem tot hetzelfde resultaat. De geschonden norm strekt ertoe om te voorkomen dat Kelly met ernstige handicaps door het leven moet gaan en dus komt de schade die in verband staat met de handicaps voor vergoeding in aanmerking. En wat art. 6:97 BW betreft (de schade dient te worden begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is): nu het kind eenmaal leeft en juist doordát het leeft, dringt de vergelijking zich op met een kind zonder de handicaps in kwestie. Hartkamp is van mening dat de schade van het kind dient te worden begroot door middel van een vergelijking met een gezond leven, althans een leven zonder de handicaps in kwestie.[19] Deze redenering wordt door Kortmann niet overtuigend geacht. Hij vraagt zich af waarom de gebruikelijke weg die men bij het vaststellen van de schade volgt, hier niet wordt gevolgd en op grond waarvan de vergelijking tussen leven en niet-bestaan wordt vervangen door de vergelijking tussen gehandicapt leven en leven zonder beperking. Aangezien deze laatste hypothetische situatie zich juist niet voor doet.[20]

De problematiek rond de causaliteit

De causaliteitsproblematiek doet zich niet alleen voor bij de wrongful life-vordering, maar ook bij de wrongful birth-vordering. Tegen de vorderingen van Kelly en de vorderingen van haar ouders kan worden ingebracht dat tussen de gemaakt beroepsfout en de schade geen causaal verband bestaat. De schade is immers niet het gevolg van de geboorte van Kelly, maar van de omstandigheid dat zij ernstig gehandicapt geboren is. Deze handicaps vinden hun oorzaak niet in de beroepsfout van de verloskundige, maar in de chromosomale afwijking die vanaf de conceptie aanwezig was. De Hoge Raad volgt deze gedachtegang niet.[21] Volgens de Hoge Raad wordt met het verweer miskend dat de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de verloskundige berust, niet is gelegen in het feit dat Kelly is geboren of in de bij haar vanaf de conceptie aanwezige chromosomale afwijking, maar in de nalatigheid van de verloskundige om de noodzakelijke prenatale diagnostiek te doen verrichten. Het staat immers vast dat een juiste familieamnese en de daarop gevolgde consultatie van een klinisch geneticus tot nader onderzoek zou hebben geleid. Hierdoor zou de chromosomale afwijking van de vrucht, aan het licht zijn gekomen. Naar aanleiding hiervan zou de moeder in overleg met de vader tot afbreking van haar zwangerschap hebben besloten. Het nalaten van de verloskundige is derhalve condicio sine qua non voor de schade.[22] In dit verband merkt Hartkamp op dat het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht niet vereist dat de gemaakte fout de enige oorzaak is.

Volgens tegenstanders van de wrongful life-vordering zijn er te veel ‘tussenliggende feiten’, die toerekening van de schade in de weg zouden staan. Met deze tussenliggende feiten worden bedoeld: consultatie, het genetisch onderzoek en de beslissing van de ouders. Hierdoor zou de schade in een zodanig verwijderd verband staan dat dit de toerekening van de schade aan de verloskundige zou verhinderen.[23]  In eerdere jurisprudentie echter, had de Hoge Raad reeds bepaald dat het feit dat door de fout een risico geschapen is, dat zich vervolgens verwezenlijkt, voldoende is voor toerekening. De Hoge Raad ging in de voorgaande redenering dan ook niet mee.[24]

Conclusie

In dit artikel is gepoogd uiteen te zetten wat de juridische kritiekpunten bij de wrongful life-vordering zijn. De grondslag van de rechtsvordering, het vraagstuk van de schadebepaling en de problematiek rond de causaliteit zijn behandeld. Zoals gebleken, is er zelfs vijf jaar nadat het arrest van de Hoge Raad gewezen is, geen eenduidig beeld in de juridische literatuur te ontdekken. Misschien ook niet zo verwonderlijk, aangezien het hier moreel beladen vraagstukken betreft. De wrongful life-vordering is namelijk niet alleen juridisch een moeilijke kwestie, maar ook maatschappelijk en ethisch. Voor nu is de wrongful life-vordering in ieder geval beslecht, het arrest van de Hoge Raad is immers gewezen, maar daar zal de discussie natuurlijk niet mee stoppen.


[1] R. Kottenhagen, ‘De zaak Kelly in het perspectief van het personenschaderecht’ in: M. Buijsen (red.) Onrechtmatig leven? Opstellen naar aanleiding van Baby Kelly, Annalen van het thijmgenootschap, jaargang 94 (2006), aflevering 1, p. 145.

[2] J. Piret, ‘Het eigen leven als schade’ in: M. Buijsen (red.) Onrechtmatig leven? Opstellen naar aanleiding van Baby Kelly, Annalen van het thijmgenootschap, jaargang 94 (2006), aflevering 1, p. 116.

[3] HR 18 maart 2005, NJ 2006, 606, r.o. 3.1.

[4] M. Buijsen en B. Hermans, ‘Inleiding’ in: M. Buijsen (red.) Onrechtmatig leven? Opstellen naar aanleiding van Baby Kelly, Annalen van het thijmgenootschap, jaargang 94 (2006), aflevering 1, p. 9 en 10.

[5] M. Buijsen en B. Hermans, ‘Inleiding’ in: M. Buijsen (red.) Onrechtmatig leven? Opstellen naar aanleiding van Baby Kelly, Annalen van het thijmgenootschap, jaargang 94 (2006), aflevering 1, p. 16.

[6] HR 18 maart 2005, NJ 2006, 606, r.o. 1

[7] S.C.J.J. Kortmann, ‘Geld voor leven. Schadevergoeding voor “niet beoogd” leven’, in: S.C.J.J.  Kortmann en B.C.J. Hamel (red.) Wrongful Birth en Wrongful Life, Deventer 2004, p. 6-7 en M. Buijsen en B. Hermans, ‘Inleiding’ in: M. Buijsen (red.) Onrechtmatig leven? Opstellen naar aanleiding van Baby Kelly, Annalen van het thijmgenootschap, jaargang 94 (2006), aflevering 1, p. 16.

[8] C.H. Sieburgh, ‘Het zijn en het niet’, in: S.C.J.J.  Kortmann en B.C.J. Hamel (red.) Wrongful Birth en Wrongful Life, Deventer 2004, p. 83.

[9] Conclusie in HR 18 maart 2005, NJ 2006, 606, punt 48.

[10] HR 18 maart 2005, NJ 2006, 606, r.o. 4.15.

[11] S.C.J.J. Kortmann, ‘Geld voor leven. Schadevergoeding voor “niet beoogd” leven’, in: S.C.J.J.  Kortmann en B.C.J. Hamel (red.) Wrongful Birth en Wrongful Life, Deventer 2004, p. 14 en 15, zie ook J.B.M. Vranken, ‘Wrongful life in Frankrijk: drie recente uitspraken’, WPNR 2001 nr. 6456, p. 755.

[12] S.C.J.J. Kortmann, ‘Geld voor leven. Schadevergoeding voor “niet beoogd” leven’, in: S.C.J.J.  Kortmann en B.C.J. Hamel (red.) Wrongful Birth en Wrongful Life, Deventer 2004, p. 16.

[13] G. den Hartogh, ‘Schadevergoeding voor het leven?’ in: M. Buijsen (red.) Onrechtmatig leven? Opstellen naar aanleiding van Baby Kelly, Annalen van het thijmgenootschap, jaargang 94 (2006), aflevering 1, p. 69.

[14] Zie o.a. A.R. Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad, diss. Utrecht, 1965, nr. 11; Asser-Hartkamp 4-I (2000), nr. 415 e.v.; A.R. Bloembergen en S.D. Lindenbergh, Mon. Nieuw BW B-34, nr. 6 e.v.

[15] S.C.J.J. Kortmann, ‘Geld voor leven. Schadevergoeding voor “niet beoogd” leven’, in: S.C.J.J.  Kortmann en B.C.J. Hamel (red.) Wrongful Birth en Wrongful Life, Deventer 2004, p. 16-17.

[16] S.C.J.J. Kortmann, ‘Geld voor leven. Schadevergoeding voor “niet beoogd” leven’, in: S.C.J.J.  Kortmann en B.C.J. Hamel (red.) Wrongful Birth en Wrongful Life, Deventer 2004, p. 19-20.

[17] C. Sieburgh, ‘Het zijn en het niet. De beoordeling in rechte van de gevolgen van een niet-beoogde conceptie of geboorte’, in S. Kortmann en B. Hamel (red.) Wrongful Birth en Wrongful Life, Deventer 2004, p. 70-71.

[18] C. Sieburgh, ‘Het zijn en het niet. De beoordeling in rechte van de gevolgen van een niet-beoogde conceptie of geboorte’, in S. Kortmann en B. Hamel (red.) Wrongful Birth en Wrongful Life, Deventer 2004, p. 72.

[19] Conclusie in HR 18 maart 2005, NJ 2006, 606, punt 52.

[20] S.C.J.J. Kortmann, ‘Geld voor leven. Schadevergoeding voor “niet beoogd” leven’, in: S.C.J.J.  Kortmann en B.C.J. Hamel (red.) Wrongful Birth en Wrongful Life, Deventer 2004, p. 18.

[21] M. Buijsen en B. Hermans, ‘Inleiding’ in: M. Buijsen (red.) Onrechtmatig leven? Opstellen naar aanleiding van Baby Kelly, Annalen van het thijmgenootschap, jaargang 94 (2006), aflevering 1, p. 20.

[22] HR 18 maart 2005, NJ 2006, 606, r.o. 4.4 en 4.19.

[23] Conclusie in HR 18 maart 2005, NJ 2006, 606, punt 34.

[24] HR 21 februari 1997, NJ 1999, 145 m.nt. CJHB, r.o. 38.


  • 0

Italiaanse maffia dol op Nederland; Maffia al tijden niet meer enkel een Italiaans probleem

Door: Ingrid Hekman

Bij de Italiaanse maffia denken we misschien aan films als the Godfather of the Untouchables, waarin mannen met grote huizen, dure auto’s en mooie pakken ongekend veel geld verdienen door middel van illegale praktijken. Het speelt zich af in een wereld die ver van ons bed lijkt te staan. De werkelijkheid is echter veel dichterbij, in Nederland, met Amsterdam als kloppend hart. Maffiaexpert Antonio Nicaso en officier van justitie Nicola Gratteri stellen in het boek De Italiaanse maffia in Nederland dat de bestrijding van de maffia hoog op de Europese agenda moet komen te staan. Nicaso: ‘Zij gaan door met investeren, en zullen proberen net als in Italië jullie systeem te infiltreren. Ze zullen nauwelijks zichtbaar zijn, het zal geleidelijk gaan, maar de volgende stap is corruptie. Dat is een risico dat voor heel Europa geldt.’[1] De bestrijding van de maffia geniet niet de hoogste prioriteit bij de Nederlandse justitie. Maar is dat wel terecht? Hoe diep is de Italiaanse maffia eigenlijk in ons land geworteld? En wat maakt Nederland zo aantrekkelijk voor hen?

Ontstaan

De term maffia is een verzamelnaam geworden voor alles wat maar enigszins crimineel van aard is. Van oorsprong is het een term voor de misdaadorganisatie die in Italië is ontstaan. De Italiaanse maffia is niet zozeer een specifieke misdaadorganisatie; het is niet één vereniging die samenkomt, vergadert en misdaden pleegt. De maffia bestaat namelijk uit meerdere organisaties. Ongeveer 470 clans en 20.000 leden vormen samen de Italiaanse maffia.[2]

De maffia is al ruim een eeuw een wereldberoemd fenomeen, maar pas in 1992 werd het bestaan ervan door het Hof van Cassatie in Italië erkent.[3] Tegenwoordig wordt aangenomen dat de Cosa Nostra, de moeder van alle maffiaorganisaties, rond 1860 ontstond. Vaak wordt verondersteld dat de maffia op het Siciliaanse platteland is ontstaan, maar het zijn juist de rijkere steden die in de negentiende eeuw profiteren van de opkomende handel in citrusvruchten waar de Cosa Nostra tot wasdom komt. Er is dan economische voorspoed op het eiland, maar dit betekent niet dat het eiland ook stabiel is. Sicilië is van oudsher opgedeeld in stukken grond. Deze stukken grond zijn in bruikleen gegeven door de koning aan de edellieden. De edellieden laten het toezicht over aan gabelotti, Sicilianen die de pachtende boeren controleren. Vanaf 1812 wordt al geprobeerd dit feodale stelsel af te schaffen maar de edellieden en de gabelotti behouden veel van hun macht. Hierdoor ontbreekt er een centraal gezag. De eigenaren van de fruitplantages hebben te kampen met een groep die zichzelf ‘mannen van eer’ noemt. Deze ‘mannen van eer’ bevinden zich overal, tussen de fruitplukkers, maar ook tussen priesters en politici. Zij terroriseren de fruittelers door ze af te persen of nemen hun hele bedrijf over. Fruittelers die zich verzetten of aan de bel trekken bij de autoriteiten worden vermoord. Na deze coup laat de maffia zich niet meer tegen houden.

De eerste aanvallen op de macht van de maffia kwamen van Benito Mussolini, een dictator die in de Cosa Nostra een bedreiging ziet voor zijn fascistische regime. Hij laat honderden maffiosi opsluiten. Deze worden in 1943 echter weer vrijgelaten door de geallieerden. De maffia heeft hen geholpen het eiland te veroveren en wegens bewezen diensten krijgen veel maffiosi hoge politieke benoemingen, dit geeft de Cosa Nostra een grote macht. De maffia verdient dan hun inkomen aan de aanbestedingen van de overheid, het beschermingsgeld dat ondernemers moeten betalen, de handel in onder andere illegale tabak en bovenal aan de heroïnehandel in de jaren zeventig van de vorige eeuw.[4] Ter illustratie: vier takken van de Italiaanse maffia hadden in 2009 gezamenlijk zo’n 78 miljard euro winst.[5]

Aan het eind van de negentiende eeuw migreren vele Sicilianen naar de Verenigde Staten. Onder hen zijn ook maffiosi. In New York ontstaan vijf grote families die de macht verkrijgen over de vakbonden en zij beheersen tevens de illegale gokhandel. Voor zover bekend is het deze Amerikaanse maffia die zich voor het eerst in Nederland vestigt. Meyer Lansky, de ‘boekhouder’ van de maffia, komt in contact met de Amsterdamse baas van de Wallen, Maurits de Vries, en stuurt in 1974 een delegatie naar Amsterdam.[6]

Inwijding en organisatie

Je kunt je niet zomaar aansluiten bij de maffia. Wie een man van eer wil worden, zal grondig gecontroleerd worden door de maffia. Daarnaast zal de man van eer in spe zwaar op de proef worden gesteld. Een van de voorwaarden is namelijk het uitvoeren van een karwei. Soms betekent dit de uitvoering van een moord. De rituelen tot inwijding tot een maffiaorganisatie lopen uiteen.[7] Maar bij alle organisaties is het uitspreken van de eed het belangrijkste aspect. Deze gaat ongeveer als volgt:

‘Ik zweer op de bebloede punt van deze dolk om mijn moeder, vader, broers en zussen te verstoten tot de zevende generatie… ik zweer om iedere honderdste en iedere duizendste te verdelen, tot de laatste druppel bloed, met een voet in de put en met de ander in de ketting om de gevangenis een stevige omarming te bieden.’[8]

Hierna wordt de eed van de zwijgplicht en van de onvoorwaardelijke trouw aan de organisatie afgelegd. Maffiabendes verschillen ook weer van elkaar in hun organisatiestructuur. De Sacro Corona Unita (SCU) als voorbeeld, een maffiaorganisatie die vooral opereert in de provincies Lecce, Brinidisi en Taranto en naar schatting bestaat uit 50 clans met meer dan 2000 leden, kent drie verschillende niveaus in hun organisatie. Promoveren kan door middel van dooprituelen. Een nieuw lid, een picciotto, moet veertig dagen proefdraaien om te zien of hij geschikt is voor de maffia en geen banden heeft met de politie. Vervolgens mag hij het eenvoudige straatwerk opknappen, dit is het laagste niveau. Op het tweede niveau kan men twee functies vervullen, de positie van Lo Sgarro of nog hoger de functie van La Santa. De eerste functie wordt gegeven aan leden die minstens drie mensen voor de organisatie hebben omgebracht. Iemand met deze functie mag zijn eigen team van picciotti vormen. Op dit niveau is het verlaten van de organisatie niet meer mogelijk. Het verkrijgen van de functie van La Santa gaat samen met een uitgebreid ritueel. Het lid krijgt dan verschillende symbolen, waaronder een vuurwapen waarmee hij zichzelf moet doden wanneer hij de organisatie wil verlaten. Op het hoogste niveau bestaat ten slotte de Società Segreta, op dit niveau worden de belangrijkste beslissingen genomen.[9]

Hoe moeilijk de leden van de maffia achter slot en grendel te krijgen zijn, illustreert Bernardo Provenzano. Sinds 1963 was dit lid van de Cosa Nostra op de vlucht voor justitie. De politie heeft vele invallen gedaan, maar telkens bleek Provenzano zijn biezen alweer te hebben gepakt. Een ware klopjacht weerhield hem er niet van de maffia aan te sturen door middel van getypte briefjes. Na 43 jaar, in 2006, weet de politie hem pas te arresteren. Dit kan alleen maar worden verklaard door het feit dat Provenzano op de hoogte moet zijn geweest van de ontwikkelingen bij de politie.[10]

Maffia in Nederland

Nederland is een geliefde schuilplaats voor de maffiosi. Fillipo Cerfeda, Giuseppe Nirta, Giovanni Strangio, Gianluca Racco, ze konden hier allen lang verborgen blijven. Cerfeda was lid van de SCU en betrokken bij meerdere moorden, waaronder waarschijnlijk vijf in Nederland. In 2003 werd hij opgepakt in Ridderkerk waar hij bij zijn vriendin verbleef. Giuseppe Nirta kon zich dertien jaar schuilhouden in Amsterdam. Hij is medeverdachte in de moordzaak van Duisberg, waarbij zes leden van een clan binnen het maffiagenootschap ‘Ndrangheta werden doodgeschoten. Het bleek te gaan om een vete tussen twee clans binnen dit genootschap.[11] Dit is nog maar het topje van de ijsberg, de arrestaties van maffiosi in Nederland zijn legio. Dit is te verklaren uit het feit dat Nederland samen met België en Duitsland een belangrijke schakel is in de drugsaanvoer vanuit Zuid-Amerika. Italianen gaan bovendien gemakkelijk op in de Nederlandse samenleving. Een restaurant is hier al snel een goede dekmantel voor andere activiteiten.[12] Uit de afgelegde verklaringen van Cerfeda wordt ook duidelijk waarom de maffiosi zo graag in Nederland verblijven, nog afgezien van de bordeelbezoeken en de coke. Uit deze verklaringen blijkt dat onder de maffiosi een beeld van Nederland bestaat dat drugs hier ‘een normaal iets is’.[13]

Ook in het bestaan van Giorgi Basile, ooit een vooraanstaand lid van de ‘Ndrangheta, speelde Nederland een belangrijke rol. Basile brak de zwijgplicht en trad op als kroongetuige in verschillende processen tegen maffialeden. Hij leeft al jaren op een geheime locatie onder een andere naam. Volgens Basile is Nederland een veilig toevluchtsoord voor voortvluchtige maffiosi, de belangrijkste overlaadplaats voor drugs en wapens en een geliefde plek om geld wit te wassen. ‘In Nederland kon je gaan en staan waar je wilde, in hotels had je geen paspoort nodig om in te checken, je kon in het geheim op bungalowparken verblijven. De regio’s rond Nijmegen, Arnhem en Venlo waren favoriete plekken om drugs te kopen, die we dan transporteerden naar Calabrië. Toen de interne grenzen in de Europese Unie wegvielen hebben we dat letterlijk gevierd. Nu kon je helemaal in en uit lopen zonder controle.’[14]

Officier van justitie Antonio Nicaso verbaast zich erover dat Nederlanders het laten gebeuren dat vooral de ‘Ndrangheta zich overal vestigt. Hij twijfelt er niet aan dat de maffia grote bedragen heeft geïnvesteerd in Nederland, Duitsland en België. ‘Juist nu! Niemand heeft nog geld, maar zij juist heel veel. Contant geld, dat ze proberen wit te wassen. Zij kopen geen hele bedrijven, maar juist een minderheidsaandeel om maar niet in de gaten te lopen. Langzamerhand krijgen zij ook grote delen van de Nederlandse samenleving in de greep.’[15] Nicaso ergert zich eraan dat de Nederlandse autoriteiten en politici dit allemaal laten gebeuren. ‘Daarom is de ‘Ndrangheta ook zo gek op Nederland.’[16]

Bestrijding van de maffia

In 2010 deed het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) onderzoek naar de invloed van de Italiaanse misdaadorganisaties in Nederland. Speciale aandacht ging hierbij uit naar de ‘Ndrangheta, omdat zij marktleider is in de cocaïnehandel binnen Europa. Het was voor het eerst sinds de onderzoeken van de parlementaire enquêtecommissie-Van Traa dat er onderzoek werd gedaan naar de Italiaanse maffia. Volgens criminoloog Frank Bovenkerk heeft de Nederlandse politie de afgelopen vijftien jaar het zicht op etnische criminele groeperingen verloren. Een woordvoerder van de afdeling van het Openbaar Ministerie die zich bezig houdt met de georganiseerde misdaad vindt deze kritiek niet op z’n plaats. ‘We kijken nog steeds naar de maffia, maar doen dat vanuit een ander perspectief. We kijken naar drugshandel in z’n totaliteit, in plaats van naar Italiaanse groepen.’[17] Nederland wordt al langer aangespoord door maffiabestrijders in Italië om intensiever te zoeken naar maffiosi die hier zijn ondergedoken of hier werken.

Volgens maffiaonderzoekster Petra Reski moet heel Europa wakker worden geschud. Amsterdam is de hoofdstad voor de ‘Ndrangheta in Europa. Toch wordt er nauwelijks over gesproken. Volgens Reski wordt het probleem sterk onderschat en denken mensen teveel aan het folkloristische beeld van de maffia, het beeld van The Godfather; als er geen moorden zijn gepleegd, gebeurt er niets.[18] Pas na een moord zal men wakker worden. Nederland moet juist de geldstromen volgen, zo luidt het advies van journalist Antonio Nicaso. Nicola Gratteri legt uit hoe de maffia het best kan worden aangepakt: ‘Op internationaal niveau moet er beter samengewerkt worden tussen de politiemachten en justitie. Hun werkzaamheden moeten makkelijker gemaakt worden door de politiek. De politie moet meer macht krijgen, het moet makkelijker voor ze worden om mensen te ondervragen, arresteren en controleren, zoals door middel van het aftappen van telefoons en door het schaduwen van verdachten. In de Europese wetgeving moet het lidmaatschap van een maffiose organisatie als een misdaad gezien gaan worden. Dit houdt concreet in dat er ook op internationaal justitieel niveau specifieke wetten aangenomen moeten worden over dit thema. Ook de mogelijkheid tot arrestatie en achtervolging moet vergemakkelijkt worden in de internationale wetgeving.’ [19] Daarnaast zou de rechterlijke macht en de macht van de politie in Nederland vergroot moeten worden. Zij zouden efficiënter moeten werken zodat er meer mogelijkheden ontstaan tot het achtervolgen en arresteren van verdachten, aldus Gratteri. Als voorbeeld geeft hij het onderscheppen van drugs, ‘de politie zou niet begrensd mogen worden door regelgeving die het agenten alleen mogelijk maakt kleine en korte onderzoeken te doen naar onbelangrijke handelaren’. [20]

 

Ten slotte

De gevestigde Italiaanse gemeenschap in Nederland wordt nimmer uitdrukkelijk in verband gebracht met de Italiaanse maffia. Als er al een binnenlands probleem van wordt gemaakt heeft dit te maken met een concrete, tijdelijke actie van een Italiaanse misdadiger. Nederland is echter niet vrij gebleven van de Italiaanse maffia. In tegendeel, de maffia is hier volop actief. Italiaanse maffiakenners en maffiabestrijders roepen al langer op om wat te doen tegen de maffia alhier. De maffia is internationaal gaan werken dus moet er ook internationaal worden samengewerkt tegen de maffia, wetten zouden veranderd moeten worden en de macht van de politie en de rechterlijke macht zouden vergroot moeten worden.

‘De Italiaanse maffia een probleem in Nederland? Zijn pizza’s rond?’[21]


[1] S. de Jong & K. Voskuil, De Italiaanse maffia in Nederland, Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2010, p. 207.

[2] Idem, p. 8.

[3] Idem, p. 57.

[4] S. de Jong & K. Voskuil, De Italiaanse maffia in Nederland, Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2010, p. 61 & 62.

[5] Idem, p. 203.

[6] Idem, p. 63 & 64.

[7] ‘Maffia: inwijding en organisatie’, mens-en-samenleving 2009, geraadpleegd op 23 augustus 2011 via <http://mens-en-samenleving.infonu.nl/internationaal/33931-maffia-inwijding-en-organisatie.html>.

[8]S. de Jong & K. Voskuil, De Italiaanse maffia in Nederland, Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2010, p. 29 & 30.

[9] S. de Jong & K. Voskuil, De Italiaanse maffia in Nederland, Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2010, p. 31 & 32.

[10] Idem, p. 63.

[11] G. den Elt, ‘De maffia wortelt in de polder’, de Stentor Spectrum 30 juli 2011, p. 12.

[12] Idem, p. 13.

[13]S. de Jong & K. Voskuil, De Italiaanse maffia in Nederland, Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2010, p. 50.

[14] ‘Nederland favoriete toevluchtsoord maffia’, Nieuwe Revu 2009, geraadpleegd op 24 augustus 2011 via <http://www.revu.nl/2009/04/15/nederland-favoriete-toevluchtsoord-maffia/>.

[15] G. den Elt, ‘De maffia wortelt in de polder’, de Stentor Spectrum 30 juli 2011, p. 13.

[16] Ibidem.

[17] ‘KLPD onderzoekt maffia in Nederland’, Spits 2010, geraadpleegd op 24 augustus 2011 via <http://www.spitsnieuws.nl/archives/binnenland/2010/09/klpd_onderzoekt_maffia_in_nede.html>.

[18] S. de Jong & K. Voskuil, De Italiaanse maffia in Nederland, Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2010, p. 204 & 205.

[19] S. de Jong & K. Voskuil, De Italiaanse maffia in Nederland, Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2010, p. 207 & 208.

[20] Ibidem.

[21] K. Voskuil, ‘De Italiaanse maffia in Nederland’, Koen Voskuil 2010, geraadpleegd op 24 augustus 2011 via <http://koenvoskuil.nl/?p=43>.


  • 0

Minaretten verbod; een schending van de geloofsvrijheid?!

Door: Dirk Kuiken

Sinds 29 november 2009 is de bouw van minaretten in Zwitserland verboden. Het door volksstemming aangenomen verbod heeft nog al wat voeten in aarde gehad, velen verafschuwden het verbod, sommigen omarmden het verbod; maar hoe dient het verbod eigenlijk te worden bezien vanuit het perspectief van de Europese mensenrechten? Een schets, omtrent de positie van het verbod ten opzichte van art. 9 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens….

Kort na het Zwitserse verbod op de bouw van minaretten, volgde er in de Nederlandse Tweede Kamer een motie waarin een verbod op de bouw van minaretten werd voorgesteld. De motie, ingediend door de SGP, leek aanvankelijk, door de steun van de PVV en de VVD, niet eens geheel kansloos, ware het niet dat de VVD later besloot de motie toch niet te steunen. Een dergelijk verbod roept altijd de nodige vragen op, zeker in juridisch opzicht. Zo is het bijvoorbeeld twijfelachtig of het verbod op de bouw van minaretten niet in strijd is met de vrijheid van geloof. Het kwam dan ook niet als een verrassing, toen de Zwitserse moslim gemeenschap een beroep deed op haar vrijheid van godsdienst. De vraag of een minaretten verbod verenigbaar is met de vrijheid van godsdienst, zoals vastgelegd in art. 9 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM), zal de spil vormen van de komende alinea’s.

Zwitsers verbod

Sinds 29 november 2009 luidt artikel 72 lid 3 van de Zwitserse grondwet als volgt: “The construction of minarets is prohibited”.[1] Dit verbod is er naar aanleiding van een referendum gekomen. In dit referendum, dat naar aanleiding van een burgerinitiatief plaats vond, stemde 57.5% voor het verbod.[2] Een beroep om de uitslag van het referendum (op basis van de verspreiding van “propaganda”, waardoor een bevooroordeeld beeld zou zijn ontstaan omtrent minaretten) ongeldig te verklaren, werd door het Zwitserse Federale Hof als niet-ontvankelijk beschouwd.[3] Overigens is dit niet de eerste maal dat het Federale Hof zich uit moest laten over een ‘minaretten-kwestie’, voordat het burgerinitiatief werd gestart, was de Turkse gemeenschap in de gemeente Wangen bei Olten al aan het procederen tegen de gemeente. Dit betrof een geschil waarin een bouwvergunning van de Turkse gemeenschap om een minaret te bouwen, keer op keer werd afgewezen. De gemeente stelde dat het te bouwen gebouw (met inbegrip van de minaret), niet zou voldoen aan de bouwvoorschriften. Uiteindelijk stelde het Federale Hof de gemeente in het gelijk.[4] Desalniettemin is deze kwestie de aanleiding geweest voor het burgerinitiatief, waarin de Zwitserse bevolking haar ongenoegen heeft laten blijken over de minaretten.

De vraag blijft echter, of dit Zwitserse verbod niet de grens van de vrijheid van godsdienst heeft overschreden. Het wekt geen verbazing, dat de Islamitische gemeenschap in Zwitserland een beroep op deze vrijheid heeft gedaan. De Islamitische gemeenschap dacht in Zwitserland echter geen gehoor te vinden voor deze claim, waardoor de Islamitische gemeenschap zich heeft gewend tot het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). In december 2009, dus vrijwel direct na de instelling van het verbod, werd dit beroep bij het EHRM ingediend. Het beroep behelsde de volgende klacht: het verbod leidt tot een beperking van de religieuze vrijheid en discriminatie op basis van godsdienst. Verder werd er gesteld dat er in Zwitserland geen effectieve middelen bestaan, om het verbod te toetsen aan het EVRM.[5]

Het oordeel van het EHRM

Op basis van de door de Islamitische gemeenschap ingediende klachten, kwam het Hof tot het oordeel dat de klachten als niet-ontvankelijk moesten worden beschouwd.[6] De klagers konden volgens het Hof niet aantonen dat zij slachtoffer waren van een verdragsschending van het EVRM (zoals vereist in art. 34 EVRM). De klagers konden volgens het Hof niet aannemelijk maken dat ze in hun religieuze opvattingen geraakt zouden zijn; een ‘praktisch effect’ van het verbod op de klagers zou ontbreken, waardoor ze noch rechtstreeks, noch indirect, geraakten kunnen zijn. Het gegeven dat geen van de klagers de directe intentie heeft of had, om nu of in de nabije toekomst een minaret te bouwen, vormt het fundament voor het oordeel van het Hof; ‘stel dat’ gevallen zijn volgens het Hof van onvoldoende gewicht om tot een andere conclusie te kunnen komen. Kortom, het Hof weigert om hypothetische gevallen te beoordelen. Daarnaast is het Hof op het tweede deel van de klacht (een specifieke klacht van Dhr. Ouardiri), dat er geen rechtsmiddel open zou staan op nationaal niveau, om het verbod te laten toetsen aan het EVRM, van mening dat dit ook niet is wat wordt beoogd door art. 13 van het EVRM. Dit lijkt opmerkelijk, echter nu het hier een hypothetisch geval zou betreffen, kan er ook nog geen feitelijke verdragsschending bestaan en hoeft er ook geen rechtsmiddel tegenover te staan in dit geval, lijkt de redeneertrend van het Hof.

Wat met name opvalt aan het oordeel van het Hof, is dat het Hof de feitelijke vraag, of een verbod op de bouw van minaretten verenigbaar is met art. 9 van het EVRM (vrijheid van godsdienst), uit de weg lijkt te gaan. Of dit het geval is, of dat het onhandigheid van de klagers betreft (allicht dat als hier de Turkse gemeenschap uit Wangen bei Olten zich onder de klagers had bevonden, het Hof tot de conclusie zou zijn gekomen dat het geval niet-hypothetisch zou zijn geweest), het antwoord op de vraag, of het verbod verenigbaar is met art. 9 het EVRM, blijft onbeantwoord.

Art. 9 EVRM

Om na te gaan wat de conclusie van het Hof zou zijn geweest (ten opzichte van art. 9 EVRM) wanneer het wel tot een inhoudelijk oordeel over het verbod zou zijn gekomen, moet worden nagegaan welke factoren een rol spelen. Welke rol spelen minaretten bijvoorbeeld in de geloofsuiting van de Islam, maakt een verbod, het voor Islamieten onmogelijk om hun godsdienst te belijden, of vormt het een onevenredige belemmering in hun geloofsbelijding.[7] Daarnaast moet ook in acht worden genomen dat art. 9 lid 2, de mogelijkheid biedt om beperkingen op geloofsuitingen aan te brengen, indien dit  “in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen” noodzakelijk is en zolang dit in een democratische setting tot stand komt (een volksstemming wordt over het algemeen wel als democratisch aangenomen). Wanneer er wordt gekeken naar de formule die het Hof gebruikelijk toepast, in de beoordeling van een mogelijke schending van art. 9 EVRM, valt het op dat er door het Hof zowel concrete, als ook vagere beoordelingscriteria gebruikt.[8] Allereerst stelt het Hof vast of er een inbreuk is op art. 9 EVRM. Dit doet het Hof aan de hand van de vraag of de ‘actie’ het de klager onmogelijk maakt zijn geloofsovertuiging te manifesteren. Is dit niet het geval, is er uiteraard ook geen inbreuk op art. 9 EVRM en is de klacht ongegrond. In het geval van de Zwitserse minaret is dit een moeilijk te beantwoorden vraag. Men zou eerst met zekerheid moeten kunnen stellen, dat de minaret een uiting van het geloof is, of essentieel bij de uiting van het geloof. Hierbij is het misschien ook belangrijk te beschouwen dat een verbod op minaretten, geen verbod op de bouw van moskeeën is. De primaire functie van de minaret is het oproepen tot gebed, waarbij de minaret het best kan worden vergeleken met de kerktoren (oorspronkelijk is de minaret ook geïnspireerd op de kerktoren).[9] De minaret is ontstaan uit functionele behoefte.[10] Of deze functionele behoefte vandaag de dag in Zwitserland nog steeds bestaat kan in twijfel worden getrokken; anders dan in de begindagen van de minaret, zijn er immers voldoende andere middelen om tot gebed op te roepen. De keuze voor een grondwettelijk verbod lijkt echter overtrokken, mocht een minaret voor overlast zorgen, kan hier middels bouwvoorschriften, of andere regelgeving (van openbare orde) ook wel een grens worden gesteld. Een verbod op het bouwwerk ‘de minaret’, hoeft niet per definitie te zijn gericht op het eventueel storende gebruik van dit bouwwerk (waarmee het verbod overigens wel al snel te rigoureus lijkt). Het verbod op het bouwwerk, stelt dus ook niet per definitie dat het oproepen tot gebed verboden is, waarbij het maar zeer de vraag is of het minaretten verbod een beperking op de geloofsuiting is en daarmee een inbreuk op art. 9 EVRM vormt. Of dit ook het geval is voor art. 14 EVRM (het discriminatie verbod), is een ander verhaal. Door te stellen dat het minaretten verbod een inperking van de geloofsvrijheid is, moet om te beginnen worden aangetoond wat de functie van een minaret is en of dergelijke bouwwerken essentieel zijn voor deze functie (geloofsbelijding).

Mocht er sprake van een inbreuk zijn, dan gaat het Hof na of die inbreuk rechtvaardig is of niet. Om een antwoord op deze rechtvaardigheidskwestie te verkrijgen, hanteert het Hof de volgende drie criteria: is de beperking voorgeschreven door nationaal recht, streeft de beperking een legitiem doel na en is de beperking noodzakelijk in een democratische gemeenschap. Bij de vereiste dat de beperking wordt voorgeschreven door nationaal recht, wordt tevens de kwaliteit van een dergelijke rechtsregel getoetst; is de betreffende rechtsregel voldoende duidelijk, toegankelijk en overzichtelijk. In het geval van het Zwitserse minaretten verbod, kan worden gesteld dat art. 72 lid 3 van de Zwitserse grondwet voldoet aan deze eisen, het artikel laat, noch aan ondubbelzinnigheid, noch aan toegankelijkheid, te wensen over. Hoewel de vereiste van een regel van nationaal recht als eenvoudige horde kan worden beschouwd, biedt het vereiste van een legitiem doel meer reden tot kopzorgen in het geval van het Zwitserse minaretten verbod. Hierbij beoordeelt het Hof of het de argumenten, die de Zwitserse staat aanvoert voor het verbod, overtuigend genoeg vindt. Als standaard uitgangspunt bij de beoordeling van de legitimiteit, kent het Hof echter een ruime beoordelingsvrijheid toe aan de beklaagde staat. Het verbod dient enigszins logisch te zijn. Het doel van het minaretten verbod lijkt toe te zijn gespitst op de groeiende Zwitserse ergernis omtrent de minaretten, het is moeilijk om hier een legitiem doel in te onderscheiden. Bij de laatste vereiste, de noodzakelijkheid van een beperking voor een democratische gemeenschap, moet in acht worden genomen dat de staat een onpartijdige, neutrale organisator is, waarbij religieuze harmonie en tolerantie het doel zijn. Het lijkt ontegenzeggelijk dat een minaretten verbod hieraan niet kan voldoen.

Het is twijfelachtig of het Zwitserse verbod in strijd is met art. 9 EVRM, mocht dit wel het geval zijn, is er voor het Zwitserse verbod weinig hoop. Hoewel het verbod een duidelijke en vrij toegankelijke bepaling is, is het lastig het legitieme doel van een dergelijk verbod te onderscheiden, laat staan dat er een noodzakelijkheid voor het verbod is ten behoeve van de democratische gemeenschap. Mede door de willekeur van het minaretten verbod (waarom minaretten niet, maar kerktorens -met kerkklokken- wel), valt er meer te zeggen voor een beroep op discriminatie; (potentiële) overlast van dergelijke bouwwerken zou immers ook wel via andere kanalen kunnen worden gereguleerd.

Conclusie

Hoewel de benadering van het Hof in Ouardiri en Ligue des Musulmans de Suisse and Others, in eerste instantie wel iets weg heeft van een handsoff approach, is het niet meer dan terecht dat het Hof stelt dat het een hypothetisch geval betreft. Er is immers bij klagers geen enkele blijk gebleken dat ze ook maar enigszins van plan waren om een minaret te bouwen. Mocht er echter wel een dergelijke klacht zijn, dan zou deze klacht zeker niet ongegrond zijn. Doordat het Hof niet inhoudelijk in is gegaan op de klacht, blijft het de vraag of het minaretten verbod ansich een schending van art. 9 EVRM op zou kunnen leveren, gelet op de benadering van het Hof in andere gevallen waarin een beroep werd gedaan op art. 9 EVRM. Hoewel speculatief, lijkt het echter wel duidelijk dat een dergelijk verbod wel degelijk discriminerend is, nu het verbod specifiek op minaretten is gericht en niet op kerktorens (of andere spitsvormige bouwwerken). Al met al, is en blijft het een rigoureus verbod, waarvan de legitimiteit op wat voor grond ook, twijfelachtig is.


[1]    Zie de Engelse vertaling van de Zwitserse grondwet, <http://www.admin.ch/ch/e/rs/1/101.en.pdf> (voor het laatst bezocht op 18-08-2011).

[2]    Volksinitiatief van 28 juli 2008, <http://www.admin.ch/ch/d/ff/2008/6851.pdf>, uitslag stemming van 29 november 2009, <http://www.admin.ch/ch/d/pore/va/20091129/det547.html> (voor het laatst bezocht op 1-09-2011).

[3]    Zwitserse Federale Hof, 26 januarie 2010, 1C 33/2010.

[4]    Zwitserse Federale Hof, 4 juli 2007, 1P.26/2007.

[5]    Ouardiri v. Switzerland (65840/09) en Ligue des Musulmans de Suisse and Others v. Switzerland (66274/09).

[6]    Idem.

[7]    Art. 9 EVRM:
1. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in practische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.
2. De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

[8]    Bayatyan v. Armenia (23459/03), r.o. 112-123.

[9]    J.M. Bloom, ‘Creswell and the Origins of the Minaret’, Muqarnas (Vol. 8), p. 55-56.

[10]  Idem.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.