Category Archives: Jaargang 45 – Nummer 1

  • 0

Interview met Betty de Boer, Tweede Kamerlid

Door: Hilde van der Veen en Eveline van der Slikke

Sinds de parlementsverkiezingen van 2010 heeft Betty de Boer plaatsgenomen in de Tweede Kamer voor de VVD. Zij is verantwoordelijk voor de portefeuille ‘Grote Stedenbeleid/wijkaanpak’ en ‘Volkshuisvesting,  bouwen en wonen’. Betty de Boer is altijd al politiek geïnteresseerd geweest. Haar voorkeur voor staatsrecht heeft haar doen kiezen voor de studierichting bestuurswetenschappen (nu: Recht en Bestuur) aan de Rijksuniversiteit Groningen. Gedurende haar studietijd was ze actief bij Student en Stad. Tijdens haar loopbaan bij de provincie Groningen raakte ze actief betrokken bij de lokale VVD en mocht ze uiteindelijk in de gemeenteraad plaatsnemen. Na een telefoontje van Ivo Opstelten kwam ze op plek 10 op de landelijke verkiezingslijst terecht. In dit interview vroegen wij haar naar haar politieke loopbaan en naar de actualiteiten rondom de woningmarkt.

Hoe bent u in de Tweede Kamer terecht gekomen?
Door actieve inzet binnen de partij en het bezoeken van congressen en trainingen raak je min of meer bekend binnen de partij, leer je veel mensen kennen en krijg je de kans om een breed netwerk op te bouwen. Ook heb ik op de lijst gestaan voor de Europese parlementsverkiezingen. Ik heb destijds een half jaar heel actief campagne gedraaid en heb uiteindelijk ook best groot een aantal stemmen gehaald. Mede hierdoor ben ik ook landelijk enigszins in de kijker geraakt.

Het lijkt een intensieve baan, hoe ziet het er voor u uit en hoe bevalt dat?
Inmiddels bevalt de Tweede Kamer steeds beter, in het begin moet je natuurlijk inwerken. Doordeweeks woon ik in een appartement. Op maandag heb ik onderweg naar Den Haag werkbezoeken in het land. Dit zijn over het algemeen wijkbezoeken, afspraken met bestuurders, bouwers en woningcorporaties. Heel gevarieerd en een leuke afwisseling voor de rest van de week wanneer ik in Den Haag zit en de kameragenda heb. Op dinsdagochtend heb ik fractievergaderingen en het wekelijkse vragenuurtje. Dinsdagavond, woensdag en donderdag staat vol gepland met commissievergaderingen en afspraken. Soms heb ik dan nog meer afspraken, maar deze mensen komen dan naar Den Haag. Op donderdagavond ga ik weer richting het Noorden waar ik op vrijdag weer afspraken in de regio heb. Partijactiviteiten van de VVD zijn altijd op zaterdag en de zondag gebruik ik meestal om stukken door te nemen, mijn agenda te checken, de e-mail bij te werken en een column te schrijven. Soms moet je bewust een keer een weekend schoonvegen, anders heb je nooit vrije tijd.

U komt uit de buurt en blijft in de Groningen wonen; heeft het noorden speciale betekenis voor u?
Ik ben afkomstig uit Friesland, maar woon met veel plezier in Groningen. Mijn privéleven en het gehele sociale gebeuren spelen zich hier af en niet in Den Haag. Ik werk met veel plezier in het mooie Den Haag maar er gaat nou eenmaal niets boven Groningen! Ik heb hier een drukke, maar leuke studententijd beleefd. Ik heb altijd veel gewerkt naast mijn studie, dus voor een studentenvereniging bleef weinig tijd over. Achteraf is het misschien jammer dat ik nog niet politiek actief was bij de jongerenafdeling van de VVD (redactie: de JOVD), ik weet nu dat er een goede wisselwerking is tussen de partij en de actieve jongerenafdeling. Zij houden de partij scherp met hun kritische blik.


U bent woordvoerder Volkshuisvesting, bouwen en wonen en grote stedenbeleid/wijkaanpak.  Wat houdt dit in?
Mijn portefeuille bevat alles wat met wonen en bouwen te maken heeft. Nu de woningmarkt en woningbouw enigszins stil ligt focussen we vooral op maatregelen om de markt weer op gang te brengen. Een succespunt hierin is de verlaging van de overdrachtsbelasting. Ook houd ik mij bezig met bouwbesluiten en bouwregelgeving. Vanuit Europa komen veel regels zoals op het gebied van energielevering van woningen. Bij het uitvoeren van mijn werk speelt voor mij altijd het dilemma van keuzevrijheid voor burgers en minder regeldruk vanuit de overheid. Uiteraard zijn regels over veiligheid van groot belang, maar door meer marktwerking en minder regels kun je de markt uitdagen om met innovatieve oplossingen te komen.

Een ander actueel onderwerp is de koop- en huurmarkt. De verschillen binnen Nederland zijn aanzienlijk. Hiervoor heb ik met woningcorporaties te maken die verantwoordelijk zijn voor de sociale woningbouw. Naar aanleiding van een paar misgelopen commerciële projecten voeren we nu de discussie wat woningcorporaties wel en niet mogen. Andere punten zijn fiscale aspecten bij de woningbouw en de verstedelijking- en krimpproblematiek. Aangezien ik uit een gebied kom waar dit ook speelt, heb ik ook affiniteit met de krimpproblematiek. Daarnaast is er aandacht voor bouw van kantoren, leegstand en studentenhuisvesting. Ook houd ik mij bezig met juridische constructies als erfpacht; hoe gaan we dit inrichten in de toekomst?

Krimpproblematiek, wat wil de VVD hier aan doen?
De VVD stelt zich de vraag hoe je creatief met lege plekken kunt omgaan en ervoor kunt zorgen dat hier bijvoorbeeld een aantal kunstenaars bij betrokken wordt; het creatieve stadsidee. Als je kijkt naar de krimp op zich, hoe kan regelgeving worden versoepeld? Daarnaast is een buitenhuisje in een krimpgebied verhoudingsgewijs heel goedkoop. Een huis in het buitengebied wordt aantrekkelijk als je kinderen lekker buiten kunnen spelen, door kwaliteit van wonen en rust. Om wonen in het buitengebied aantrekkelijk te maken zijn er basisvoorzieningen nodig zoals onderwijs en vervoer. De VVD is echter een liberale partij en ik geloof dan ook iets minder in de ‘maakbare maatschappij’, dat je alles van boven kunt opleggen. Laat mensen zelf maar lekker creatief zijn door ze ruimte te geven bij de welstandstoets of in de eisen van een bestemmingsplan.

Kan het wel uit voor mensen om een tweede woning in een krimpgebied te kopen?
Ja, het kan vrij snel uit om een kleinere woning in de Randstad te hebben en er een tweede woning naast te hebben in een landelijk gebied. Mensen kunnen dan op momenten dat ze vrij zijn of wanneer ze thuis werken in de krimpgebieden wonen. Vaak gelden er echter nog bestemmingsplanbeperkingen. Denk hierbij aan de eis dat huizen in dorpen permanent bewoond moeten worden, in plaats van dat ze kunnen worden gebruikt als buitenhuisje; het zogenaamde ‘jojo-wonen’. Wij pleiten dan ook voor minder regels en meer verantwoordelijkheid voor de lokale gemeente. Minder uit Den Haag en dus meer ‘bottom-up’.

Wat speelt er momenteel op de huurmarkt?
In Nederland is veel sprake van het zogenaamde ‘scheefwonen’. Op het moment dat je met een verhoudingsgewijs laag inkomen een woning toegewezen krijgt bij de woningcorporatie wordt op dat moment de huur vastgesteld, maar daarna vindt er nooit meer een inkomenstoets plaats. In de loop van de tijd kun je best meer gaan verdienen. Je bent jong, net afgestudeerd en na verloop van tijd stijgt je inkomen. Je ziet dat er heel veel mensen in een sociale huurwoning blijven wonen vanwege de lage kosten. De huurprijs gaat niet omhoog vanwege de huurbescherming. Wel wordt de huurprijs jaarlijks met een inflatieafhankelijk percentage verhoogd, maar je ziet dat de waarde van een groot aantal woningen veel sneller stijgt, vooral in grote steden als Amsterdam. Die mensen kunnen met hun inkomen best een wooncarrière doormaken, maar doen dat niet uit financiële overwegingen. Daarom zullen we de huurbescherming een keer moeten loslaten, maar dat zie ik in de huidige coalitie niet snel gebeuren. Ik ben ervoor dat men een marktconforme huurprijs betaalt en dat mensen met een laag inkomen worden gecompenseerd door een hogere huurtoeslag. Dit betekent een hogere uitgave op het gebied van de huurtoeslag. Alleen de huurprijzen zijn ook veel hoger; er komt veel meer geld binnen bij de woningcorporaties. Je zou het dus in de vorm van een toeslag weer terug kunnen geven aan de mensen met een lager inkomen, die hebben nou eenmaal echt die woningen nodig. Het recht op wonen is een recht uit het EVRM, een woonrecht. De taak om hierin te voorzien heb je als overheid.

Middeninkomens moeten volgens u in staat worden gesteld een woning te kopen, welke gedachte zit hier achter?
Er zijn in Nederland 2,4 miljoen sociale huurwoningen en deze zijn het bezit van de woningcorporaties, dat is ongeveer een derde van het totale woningbestand. De doelgroep voor een sociale huurwoning wisselt, maar het gaat om circa 1 miljoen huishoudens. Van het totale aantal sociale huurwoningen zou best een groep woningen kunnen worden afgestoten. In het regeerakkoord hebben we het ‘recht op koop’ opgenomen. Dit recht houdt in dat mensen die in een dergelijke woning wonen, het recht hebben deze woning van de woningcorporatie te kopen. Mensen moeten volgens ons een keuze hebben. Je kunt door middel van woningbezit een stukje vermogen opbouwen, dit vind ik liberaal, sociaal en emanciperend. Ik heb liever dat dit kapitaal bij de burgers ligt dan bij de woningcorporaties.

Willen jullie corporaties verplichten om te verkopen?
Nou, zo staat het in feite wel in het regeerakkoord; als recht op koop. Of het uitvoerbaar is, is een tweede. In feite ga je op die manier als publiekrechtelijk orgaan op de stoel van de woningcorporatie zitten. Een andere uitvoering zou kunnen zijn dat woningcorporaties een deel van hun bezit aanwijzen dat ze kunnen verkopen. Wanneer er dan een huis vrij komt, wordt die woning eerst op de markt gezet zodat middeninkomens de mogelijkheid hebben een woning te kopen. Corporatiewoningen zijn gezien de prijs ideaal als starterwoning. Het recht op koop is opgenomen in het regeerakkoord en wordt dus ook gesteund door de andere partijen. Het verschil ligt erin dat de linkse partijen meer aan huren en huurders hechten, terwijl wij meer waarde hechten aan het mensen in staat kunnen stellen een bezit op te bouwen.

Denkt u dat die groep mensen met een laag inkomen een hypotheek kan krijgen voor een dergelijke woning?
In de huidige economische situatie is dat wel lastiger. In de jaren ’80 was het gebruikelijk dat mensen gewoon 30% van de woningwaarde al bij elkaar hadden gespaard, maar in de loop der jaren zijn er steeds meer tophypotheken verstrekt waarbij 110% van de woning wordt gefinancierd. In Nederland worden er te weinig huizen aangeboden, waardoor de prijzen door de grote vraag zijn gestegen. Dit komt niet door de hypotheekrenteaftrek, die bestaat al sinds 1983, maar er is gewoon sprake van een prijsstijging door marktwerking. Banken zijn terughoudender geworden in het verstrekken van hypotheken, om niet in de problemen te raken. De VVD is het hier wel mee eens, maar mensen moeten wel in staat worden gesteld een woning te kopen zonder onnodig in de problemen te komen. Nu kun je 104% van de woningwaarde lenen. In de gedragscode voor banken die per 1 augustus is ingegaan, is geregeld dat je aan het einde van de looptijd van een hypotheek van 30 jaar de helft moet hebben afgelost. Hier zijn we dus strenger in geworden. Veel woningcorporaties hebben een terugkoopplicht voor het geval dat iemand de woning wil verlaten. Wellicht is het verstandig dit lost te laten, aangezien woningcorporaties daarvoor dan altijd een bepaald bedrag paraat moet hebben.

Heeft u actief meegewerkt aan de verlaging van de overdrachtsbelasting?
Actief in die zin dat ik op de achtergrond op de verlaging van de overdrachtsbelasting heb gehamerd, maar uiteindelijk zijn de ministers en staatssecretarissen daarin leidend. De discussie ging echter over de financiering van de verlaging. De verlaging van de overdrachtsbelasting levert namelijk een staatsschuld op, terwijl we ook wat willen doen aan de hoge staatsschuld; je slaat toch een gat in de begroting. Ik heb altijd gewezen op het feit dat je zo de huizenmarkt weer los krijgt, wat goed is voor de economie. Het mes snijdt aan twee kanten. Door meer doorstroom op de huizenmarkt krijg je ook automatisch meer nieuwbouwactiviteiten en meer verhuizingen. Ze zeggen wel eens: “Eén verhuizing lokt vier andere uit”. De regeling is opzettelijk met terugwerkende kracht van een paar weken ingevoerd, anders gaan mensen afwachten en ligt de markt tot de invoering stil.

Er is een proces aangespannen door een Nijmeegs advocatenkantoor, omdat de overdrachtsbelasting strijdig zou zijn met het recht op vrije eigendom als neergelegd in het EVRM. Hoe denkt u over dit standpunt?
Ik ben heel benieuwd naar de uitkomst van dit proces. In Nederland kennen we ook het stelsel van de BTW, waarmee belasting over de overdracht van roerende goederen wordt geheven. Als de rechter oordeelt dat de overdrachtsbelasting inderdaad in strijd is met het recht op vrije eigendom, dan zou dit ook moeten gelden voor de BTW.

Wat verwacht u van de politiek in de nabije toekomst?
Er staat natuurlijk heel veel niet in het regeerakkoord wat wel in ons verkiezingsprogramma stond. Het vrijlaten van de huurprijzen bijvoorbeeld. Om deze punten te verzilveren treffen we nu al voorbereidingen. Maar aan de andere kant zitten we met de toestand in de wereld inmiddels in orkaankracht 5. Dandoen we het in Nederland lang zo slecht nog niet. Ik denk dat we de juiste keuzes hebben gemaakt door te willen bezuinigen, helemaal als je nu kijkt naar de situatie in Griekenland, Portugal of Ierland. Bezuinigingen zijn geen leuke keuzes, maar het is nou eenmaal noodzakelijk. Hierin verschilt de VVD van de linkse partijen. Hun uitgangspunt is dat een overheid die geld uitgeeft de economie stimuleert. Ik ben benieuwd wat er economisch en politiek gezien de komende jaren gaat gebeuren. Ook ben ik benieuwd naar de ontwikkeling van de andere partijen en natuurlijk hoe onze partij de komende verkiezingen wordt gewaardeerd. Politiek is toch macht; hoe meer zetels, hoe meer je te vertellen hebt.

Heeft u nog een advies dat u aan de huidige rechtenstudenten wil meegeven?
Ik vind dat je naast je studie actief moet zijn, met alleen maar achten halen kom je er ook niet meer. Zelf heb ik één jaar in de redactie van de Dorknoper (red: studievereniging Recht & Bestuur) gezeten. Door naast je studie actief te zijn bouw je niet alleen je CV op, maar je doet ook praktijkervaring op. Het is goed om op deze manier inhoud aan je studie te geven.


  • 0

Een dag in het leven van strafpleiter Wim Anker

Door: Stephanie Delauw

De heer Wim Anker is samen met zijn broer, Hans Anker, in 1991 de maatschap Anker & Anker Strafrechtadvocaten begonnen. Hij is daar werkzaam als strafpleiter. Vandaag, 14 september, heeft hij eerst een zitting in de zaak Robert M. en daarna geeft hij een cursus jeugdstrafrecht in Utrecht. Ik mocht deze dag met hem mee.

In de Amsterdamse rechtbank ‘de Bunker’ vindt vandaag de derde pro-formazitting plaats in de zaak Robert M. Deze zaak is de afgelopen maanden veel in de belangstelling geweest en staat intussen bekend als ‘De Amsterdamse zedenzaak’. Robert M. wordt ervan verdacht meerdere kinderen seksueel te hebben misbruikt. Volgens zijn eigen verklaringen zou het gaan om 87 gevallen van kindermisbruik. Vandaag betreft het dus de derde pro-formazitting. In een pro-formazitting wordt de stand van zaken in het onderzoek besproken. Vandaag worden eerst de regels voor de media behandeld, waarna het Openbaar Ministerie (OM) aan het woord komt. De officieren van justitie kondigen aan dat er nog meer kinderpornografische bestanden op de computer van Robert M. zijn aangetroffen. Ook verklaren zij dat eind oktober de definitieve tenlastelegging zal verschijnen. Vervolgens is de verdediging aan het woord. Een collega van Anker, de heer Tjalling van der Goot, voert het woord. De verdediging vindt vooral de detentiesituatie van hun cliënt een punt van aandacht. Op dit moment verblijft hij namelijk in het Pieter Baan Centrum, waar hij, net als de maanden daarvoor in de Penitentiaire Inrichting  te Vught, onder 24-uurs cameratoezicht staat. De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) heeft hierover op 17 augustus 2011 geoordeeld. Zij besliste dat de cameraobservatie voor de periode van 9 februari 2011 tot 23 februari 2011 onredelijk is.[1] De verdediging stelt dat een dergelijke uitspraak van de RSJ veel invloed zou moeten hebben, maar sindsdien is er niet veel veranderd. Robert M. verkeert namelijk nog steeds in een situatie met 24-uurs cameratoezicht. Na het sluiten van de zitting, is er een moment waarop de pers vragen kan stellen. Zowel Anker als ook Van der Goot staan de pers te woord.

Na deze zitting vertrekken we naar Utrecht. In voormalig klooster ‘De Lantaern’ geven beide heren Anker samen met collega de heer Jan Boksem, een cursus over jeugdstrafrecht en jeugdstrafprocesrecht.[2] Hierin komen onder meer de meest recente jurisprudentie op dit gebied, de Salduz-problematiek en de wet van 13 december 2010 tot wijziging van de pij-maatregel ter sprake. Hierna begeven wij ons richting de bar van ‘De Lantaern’ waar een gezellige borrel plaatsvindt.

Rond half zeven keren wij terug richting het noorden. Aangezien ook advocaten moeten eten, stoppen we bij ‘Tapperij de Zwijger’ te Houten om een maaltijd te nuttigen. Hierna vervolgen wij onze reis naar Friesland. Al met al was het een zeer boeiende dag. Ik wil de heer Anker vanaf deze plek dan ook zeer bedanken voor zijn gastvrijheid, waardoor ons een kijkje in de dagelijkse advocatenpraktijk gegund werd.


[1] RSJ 17 augustus 2011, 11/1144/GA

De RSJ toetst als beroepsrechter beslissingen die zijn genomen over personen die een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel ondergaan.

[2] De heer J. Boksem is bijzonder hoogleraar verdediging in strafzaken bij de Universiteit Maastricht


  • 0

To be or not to be, that’s the question; Over de juridische kritiekpunten betreffende de wrongful life-vordering in Nederland

Door: Stephanie Delauw

Inleiding

Het is inmiddels enkele jaren geleden dat de Hoge Raad  arrest wees in de Kelly-zaak. Het gaat in meerder opzichten om een unieke uitspraak. Ten eerste betreft het de eerste wrongful life-zaak in Nederland waar de Hoge Raad zich over gebogen heeft. Ten tweede kan zijn uiteindelijke oordeel mondiaal bezien uniek worden genoemd. Elders zijn namelijk vergelijkbare vorderingen afgewezen, een enkele uitzondering daargelaten.[1] Het arrest blijft de gemoederen bezighouden, aangezien de wrongful life-vordering een moeilijke kwestie is, waarin juridische, filosofische, ethische en maatschappelijke problemen in elkaar grijpen.[2]

            In dit artikel gaat het niet over de bezwaren van een actie van de ouders, maar over de juridische bezwaren van een actie van het kind zelf. Als eerst wordt het Kelly-arrest behandeld, waarna de juridische kritiekpunten op de wrongful life-vordering worden behandeld. Ik zal mij hierbij beperken tot de grondslag van de rechtsvordering, het vraagstuk van de schadebepaling en de problematiek rond de causaliteit.

Het Kelly-arrest

In 1994 werd Kelly geboren. Kelly is fysiek en geestelijk gehandicapt als gevolg van een chromosomale afwijking. In het eerste gesprek dat de moeder tijdens haar zwangerschap met de verloskundige voerde, bracht zij onder meer ter sprake dat een neef van Kelly’s vader als gevolg van een chromosomale afwijking gehandicapt is. De moeder stelde toen de vraag of zij in aanmerking kwam voor een onderzoek. De verloskundige besloot dat een onderzoek of een verwijzing niet nodig was.[3] Gegeven de informatie die de verloskundige tot haar beschikking had, had zij moeten overgaan tot een zorgvuldig onderzoek naar de medische geschiedenis van de familie en eventueel overleg met een klinische geneticus. Had de verloskundige dat gedaan, dan zou vroeg in de zwangerschap zijn ontdekt dat de vrucht beschadigd was en zou de moeder hebben besloten tot zwangerschapsafbreking.[4]

            Zowel de ouders als Kelly zelf – vertegenwoordigd door haar ouders – vorderen schadevergoeding. De ouders vorderen vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij zelf hebben geleden. Deze vorderingen, ook wel aangeduid als ‘wrongful birth-vorderingen’, kenmerken zich door het feit dat het de ouders zijn van een kind dat met een handicap is geboren (aangeboren of anderszins veroorzaakt) die de hulpverlener aansprakelijk stellen, omdat zij zonder de fout van de hulpverlener het kind nooit ter wereld hadden laten komen.[5] De ouders stellen ook namens Kelly een vordering in, voor haar toekomstige kosten van levensonderhoud en de extra kosten die een gevolg zijn van haar handicaps. Tevens vordert Kelly smartengeld.[6] Deze vorderingen worden ook wel ‘wrongful-life vorderingen’ genoemd en kenmerken zich door het feit dat het gehandicapte kind zelf vordert.[7]

Juridische kritiekpunten op de wrongful life-vordering

Dat de ouders van Kelly een vordering tot schadevergoeding hebben, is in het algemeen redelijk geaccepteerd. Deze grond is gelegen in de fout van de verloskundige die geen nader onderzoek heeft gedaan of heeft laten doen en ook niet doorverwezen heeft. Controversiëler is de vraag of Kelly zelf recht heeft op een schadevergoeding.[8] In de literatuur worden zowel argumenten voor als tegen toewijsbaarheid van de vordering van het kind genoemd. Deze argumenten zullen hieronder (niet uitputtend) worden uitgewerkt.

De grondslag van de rechtsvordering

De eerste vraag die behandeld wordt, is wat de grondslag is van een wrongful life-vordering. Volgens Hartkamp, Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, zijn er drie mogelijkheden. Ten eerste kan er sprake zijn van een rechtsplicht die jegens Kelly is geschonden. Deze kan worden geacht deel uit te maken van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. Ten tweede kan deze rechtsplicht ook voortvloeien uit de overeenkomst tussen moeder en verloskundige, in die zin dat deze een derdenbeding ten behoeve van Kelly bevat. Of zo’n beding aanwezig is, is afhankelijk van de vraag of contractpartijen bij de overeenkomst zo’n beding hebben willen maken en hoe zij elkaars bedoelingen hebben opgevat, of redelijkerwijs hadden mogen opvatten. Ten derde is het ook mogelijk om een dergelijk rechtsgevolg op de redelijkheid en billijkheid te baseren, zoals bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW en dus de overeenkomst tussen Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) en de moeder aan te vullen.[9] De Hoge Raad wijst de vordering van Kelly toe, omdat zij aannemen dat het LUMC en de verloskundige onrechtmatig jegens Kelly hebben gehandeld door tekort te schieten in de nakoming van de zorgplicht die zij ook jegens de nog ongeboren vrucht hadden.[10]

            Voor alle hierboven genoemde situaties is in ieder geval een normschending nodig. Maar waar bestaat die normschending tegenover Kelly uit? Dit wordt in de rechtswetenschappelijke literatuur betwist. Door zowel voor- als tegenstanders van toewijzing van de wrongful life-vordering, is betoogd dat het kind zich niet kan beroepen op een recht om niet te bestaan of een recht op abortus. Dit doordat het recht op abortus een zelfbeschikkingsrecht van de moeder is. Ook Kortmann, hoogleraar Burgerlijk recht, betwijfelt of de verloskundige tegenover het kind een verplichting had om abortus mogelijk te maken. Er valt volgens hem niet in te zien dat de verloskundige tegenover het kind een norm heeft overtreden.[11] Kortmann concludeert dan ook dat een schadevergoedingsvordering van Kelly dient te worden afgewezen, omdat de fout van de verloskundige niet kan worden aangemerkt als wanprestatie of onrechtmatige daad tegenover Kelly.[12] Verder zijn er auteurs zoals Den Hartogh, die betogen dat een wrongful life-vordering alleen kan worden toegekend, als men bereid is te erkennen dat het kind schade heeft geleden door het enkele feit dat haar geboorte niet is voorkomen.[13]

Het vraagstuk van de schadebepaling

Een veel gehoord argument in literatuur en rechtspraak tegen toekenning van een wrongful-life vordering, is dat de schade niet bepaald kan worden. Want kan er in een casus als het Kelly-arrest wel gesproken worden van schade bij het kind? En zo ja, hoe moet deze dan worden begroot?

Zo vindt Kortmann het zeer twijfelachtig of het enkele feit dat het kind – al dan niet gehandicapt – geboren wordt, voor het kind schade oplevert. Hij wijst erop dat voor de vaststelling van de schade in wrongful-life zaken, men de gewone weg van het vaststellen van de schade dient te volgen. Men dient dus twee situaties te vergelijken: de situatie waarin de benadeelde verkeert en de hypothetische situatie waarin de benadeelde zou hebben verkeerd, als de fout niet zou zijn gemaakt. Het nadelige verschil is de schade.[14] Volgens Kortmann houdt de hypothetische situatie in dat het kind niet zou bestaan. Hij vraagt zich af of het wel mogelijk is een vergelijking te maken tussen niet-bestaan en leven. Verder is hij van mening dat als men aanvaardt dat een dergelijke vergelijking wel te maken valt, niet valt in te zien hoe vastgesteld kan worden dat niet-bestaan meer waard is dan een gehandicapt leven.[15] Kortmann vindt dan ook dat met toewijzing van wrongful life-vorderingen de grenzen van het aansprakelijkheidsrecht overschreden zijn.[16]

Er zijn echter ook veel auteurs die deze mening van Kortmann niet delen. Zij menen dat ook in dit soort kwesties het aansprakelijkheidsrecht uitkomst kan bieden. Volgens Sieburgh miskent de redenering van Kortmann dat de restitutio in integrum-leer niet ziet op het herstel in de oude feitelijke toestand, maar op het herstel in de oude vermogensrechtelijke toestand. Dit geldt dus ook voor gevallen waarin de feiten niet omkeerbaar zijn.[17] Aangezien er wordt aangenomen dat de ouders vermogensrechtelijke consequenties kunnen ondervinden die in verband staan met het bestaan van het kind, sluit hij niet uit dat ook het kind zelf kan betogen dat ‘het bestaan’ voor hem vermogensrechtelijke consequenties heeft, die bij afwezigheid van de fout niet tot uiting  waren gekomen.[18]

Dan is er nog een tweede knelpunt met betrekking tot het bepalen van de schade. Als men al tot de conclusie komt dat er schade voor het kind kan zijn, hoe moet deze dan worden begroot? Hartkamp lost dit probleem als volgt op: hij stelt in zijn conclusie bij het Kelly-arrest dat voor het vaststellen van de omvang van de schadevergoeding, men zowel gebruik kan maken van een redenering berustend op het beschermingsbereik van de geschonden norm, als van een redenering berustend op art. 6:97 BW. Beide benaderingen leiden volgens hem tot hetzelfde resultaat. De geschonden norm strekt ertoe om te voorkomen dat Kelly met ernstige handicaps door het leven moet gaan en dus komt de schade die in verband staat met de handicaps voor vergoeding in aanmerking. En wat art. 6:97 BW betreft (de schade dient te worden begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is): nu het kind eenmaal leeft en juist doordát het leeft, dringt de vergelijking zich op met een kind zonder de handicaps in kwestie. Hartkamp is van mening dat de schade van het kind dient te worden begroot door middel van een vergelijking met een gezond leven, althans een leven zonder de handicaps in kwestie.[19] Deze redenering wordt door Kortmann niet overtuigend geacht. Hij vraagt zich af waarom de gebruikelijke weg die men bij het vaststellen van de schade volgt, hier niet wordt gevolgd en op grond waarvan de vergelijking tussen leven en niet-bestaan wordt vervangen door de vergelijking tussen gehandicapt leven en leven zonder beperking. Aangezien deze laatste hypothetische situatie zich juist niet voor doet.[20]

De problematiek rond de causaliteit

De causaliteitsproblematiek doet zich niet alleen voor bij de wrongful life-vordering, maar ook bij de wrongful birth-vordering. Tegen de vorderingen van Kelly en de vorderingen van haar ouders kan worden ingebracht dat tussen de gemaakt beroepsfout en de schade geen causaal verband bestaat. De schade is immers niet het gevolg van de geboorte van Kelly, maar van de omstandigheid dat zij ernstig gehandicapt geboren is. Deze handicaps vinden hun oorzaak niet in de beroepsfout van de verloskundige, maar in de chromosomale afwijking die vanaf de conceptie aanwezig was. De Hoge Raad volgt deze gedachtegang niet.[21] Volgens de Hoge Raad wordt met het verweer miskend dat de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de verloskundige berust, niet is gelegen in het feit dat Kelly is geboren of in de bij haar vanaf de conceptie aanwezige chromosomale afwijking, maar in de nalatigheid van de verloskundige om de noodzakelijke prenatale diagnostiek te doen verrichten. Het staat immers vast dat een juiste familieamnese en de daarop gevolgde consultatie van een klinisch geneticus tot nader onderzoek zou hebben geleid. Hierdoor zou de chromosomale afwijking van de vrucht, aan het licht zijn gekomen. Naar aanleiding hiervan zou de moeder in overleg met de vader tot afbreking van haar zwangerschap hebben besloten. Het nalaten van de verloskundige is derhalve condicio sine qua non voor de schade.[22] In dit verband merkt Hartkamp op dat het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht niet vereist dat de gemaakte fout de enige oorzaak is.

Volgens tegenstanders van de wrongful life-vordering zijn er te veel ‘tussenliggende feiten’, die toerekening van de schade in de weg zouden staan. Met deze tussenliggende feiten worden bedoeld: consultatie, het genetisch onderzoek en de beslissing van de ouders. Hierdoor zou de schade in een zodanig verwijderd verband staan dat dit de toerekening van de schade aan de verloskundige zou verhinderen.[23]  In eerdere jurisprudentie echter, had de Hoge Raad reeds bepaald dat het feit dat door de fout een risico geschapen is, dat zich vervolgens verwezenlijkt, voldoende is voor toerekening. De Hoge Raad ging in de voorgaande redenering dan ook niet mee.[24]

Conclusie

In dit artikel is gepoogd uiteen te zetten wat de juridische kritiekpunten bij de wrongful life-vordering zijn. De grondslag van de rechtsvordering, het vraagstuk van de schadebepaling en de problematiek rond de causaliteit zijn behandeld. Zoals gebleken, is er zelfs vijf jaar nadat het arrest van de Hoge Raad gewezen is, geen eenduidig beeld in de juridische literatuur te ontdekken. Misschien ook niet zo verwonderlijk, aangezien het hier moreel beladen vraagstukken betreft. De wrongful life-vordering is namelijk niet alleen juridisch een moeilijke kwestie, maar ook maatschappelijk en ethisch. Voor nu is de wrongful life-vordering in ieder geval beslecht, het arrest van de Hoge Raad is immers gewezen, maar daar zal de discussie natuurlijk niet mee stoppen.


[1] R. Kottenhagen, ‘De zaak Kelly in het perspectief van het personenschaderecht’ in: M. Buijsen (red.) Onrechtmatig leven? Opstellen naar aanleiding van Baby Kelly, Annalen van het thijmgenootschap, jaargang 94 (2006), aflevering 1, p. 145.

[2] J. Piret, ‘Het eigen leven als schade’ in: M. Buijsen (red.) Onrechtmatig leven? Opstellen naar aanleiding van Baby Kelly, Annalen van het thijmgenootschap, jaargang 94 (2006), aflevering 1, p. 116.

[3] HR 18 maart 2005, NJ 2006, 606, r.o. 3.1.

[4] M. Buijsen en B. Hermans, ‘Inleiding’ in: M. Buijsen (red.) Onrechtmatig leven? Opstellen naar aanleiding van Baby Kelly, Annalen van het thijmgenootschap, jaargang 94 (2006), aflevering 1, p. 9 en 10.

[5] M. Buijsen en B. Hermans, ‘Inleiding’ in: M. Buijsen (red.) Onrechtmatig leven? Opstellen naar aanleiding van Baby Kelly, Annalen van het thijmgenootschap, jaargang 94 (2006), aflevering 1, p. 16.

[6] HR 18 maart 2005, NJ 2006, 606, r.o. 1

[7] S.C.J.J. Kortmann, ‘Geld voor leven. Schadevergoeding voor “niet beoogd” leven’, in: S.C.J.J.  Kortmann en B.C.J. Hamel (red.) Wrongful Birth en Wrongful Life, Deventer 2004, p. 6-7 en M. Buijsen en B. Hermans, ‘Inleiding’ in: M. Buijsen (red.) Onrechtmatig leven? Opstellen naar aanleiding van Baby Kelly, Annalen van het thijmgenootschap, jaargang 94 (2006), aflevering 1, p. 16.

[8] C.H. Sieburgh, ‘Het zijn en het niet’, in: S.C.J.J.  Kortmann en B.C.J. Hamel (red.) Wrongful Birth en Wrongful Life, Deventer 2004, p. 83.

[9] Conclusie in HR 18 maart 2005, NJ 2006, 606, punt 48.

[10] HR 18 maart 2005, NJ 2006, 606, r.o. 4.15.

[11] S.C.J.J. Kortmann, ‘Geld voor leven. Schadevergoeding voor “niet beoogd” leven’, in: S.C.J.J.  Kortmann en B.C.J. Hamel (red.) Wrongful Birth en Wrongful Life, Deventer 2004, p. 14 en 15, zie ook J.B.M. Vranken, ‘Wrongful life in Frankrijk: drie recente uitspraken’, WPNR 2001 nr. 6456, p. 755.

[12] S.C.J.J. Kortmann, ‘Geld voor leven. Schadevergoeding voor “niet beoogd” leven’, in: S.C.J.J.  Kortmann en B.C.J. Hamel (red.) Wrongful Birth en Wrongful Life, Deventer 2004, p. 16.

[13] G. den Hartogh, ‘Schadevergoeding voor het leven?’ in: M. Buijsen (red.) Onrechtmatig leven? Opstellen naar aanleiding van Baby Kelly, Annalen van het thijmgenootschap, jaargang 94 (2006), aflevering 1, p. 69.

[14] Zie o.a. A.R. Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad, diss. Utrecht, 1965, nr. 11; Asser-Hartkamp 4-I (2000), nr. 415 e.v.; A.R. Bloembergen en S.D. Lindenbergh, Mon. Nieuw BW B-34, nr. 6 e.v.

[15] S.C.J.J. Kortmann, ‘Geld voor leven. Schadevergoeding voor “niet beoogd” leven’, in: S.C.J.J.  Kortmann en B.C.J. Hamel (red.) Wrongful Birth en Wrongful Life, Deventer 2004, p. 16-17.

[16] S.C.J.J. Kortmann, ‘Geld voor leven. Schadevergoeding voor “niet beoogd” leven’, in: S.C.J.J.  Kortmann en B.C.J. Hamel (red.) Wrongful Birth en Wrongful Life, Deventer 2004, p. 19-20.

[17] C. Sieburgh, ‘Het zijn en het niet. De beoordeling in rechte van de gevolgen van een niet-beoogde conceptie of geboorte’, in S. Kortmann en B. Hamel (red.) Wrongful Birth en Wrongful Life, Deventer 2004, p. 70-71.

[18] C. Sieburgh, ‘Het zijn en het niet. De beoordeling in rechte van de gevolgen van een niet-beoogde conceptie of geboorte’, in S. Kortmann en B. Hamel (red.) Wrongful Birth en Wrongful Life, Deventer 2004, p. 72.

[19] Conclusie in HR 18 maart 2005, NJ 2006, 606, punt 52.

[20] S.C.J.J. Kortmann, ‘Geld voor leven. Schadevergoeding voor “niet beoogd” leven’, in: S.C.J.J.  Kortmann en B.C.J. Hamel (red.) Wrongful Birth en Wrongful Life, Deventer 2004, p. 18.

[21] M. Buijsen en B. Hermans, ‘Inleiding’ in: M. Buijsen (red.) Onrechtmatig leven? Opstellen naar aanleiding van Baby Kelly, Annalen van het thijmgenootschap, jaargang 94 (2006), aflevering 1, p. 20.

[22] HR 18 maart 2005, NJ 2006, 606, r.o. 4.4 en 4.19.

[23] Conclusie in HR 18 maart 2005, NJ 2006, 606, punt 34.

[24] HR 21 februari 1997, NJ 1999, 145 m.nt. CJHB, r.o. 38.


  • 0

Italiaanse maffia dol op Nederland; Maffia al tijden niet meer enkel een Italiaans probleem

Door: Ingrid Hekman

Bij de Italiaanse maffia denken we misschien aan films als the Godfather of the Untouchables, waarin mannen met grote huizen, dure auto’s en mooie pakken ongekend veel geld verdienen door middel van illegale praktijken. Het speelt zich af in een wereld die ver van ons bed lijkt te staan. De werkelijkheid is echter veel dichterbij, in Nederland, met Amsterdam als kloppend hart. Maffiaexpert Antonio Nicaso en officier van justitie Nicola Gratteri stellen in het boek De Italiaanse maffia in Nederland dat de bestrijding van de maffia hoog op de Europese agenda moet komen te staan. Nicaso: ‘Zij gaan door met investeren, en zullen proberen net als in Italië jullie systeem te infiltreren. Ze zullen nauwelijks zichtbaar zijn, het zal geleidelijk gaan, maar de volgende stap is corruptie. Dat is een risico dat voor heel Europa geldt.’[1] De bestrijding van de maffia geniet niet de hoogste prioriteit bij de Nederlandse justitie. Maar is dat wel terecht? Hoe diep is de Italiaanse maffia eigenlijk in ons land geworteld? En wat maakt Nederland zo aantrekkelijk voor hen?

Ontstaan

De term maffia is een verzamelnaam geworden voor alles wat maar enigszins crimineel van aard is. Van oorsprong is het een term voor de misdaadorganisatie die in Italië is ontstaan. De Italiaanse maffia is niet zozeer een specifieke misdaadorganisatie; het is niet één vereniging die samenkomt, vergadert en misdaden pleegt. De maffia bestaat namelijk uit meerdere organisaties. Ongeveer 470 clans en 20.000 leden vormen samen de Italiaanse maffia.[2]

De maffia is al ruim een eeuw een wereldberoemd fenomeen, maar pas in 1992 werd het bestaan ervan door het Hof van Cassatie in Italië erkent.[3] Tegenwoordig wordt aangenomen dat de Cosa Nostra, de moeder van alle maffiaorganisaties, rond 1860 ontstond. Vaak wordt verondersteld dat de maffia op het Siciliaanse platteland is ontstaan, maar het zijn juist de rijkere steden die in de negentiende eeuw profiteren van de opkomende handel in citrusvruchten waar de Cosa Nostra tot wasdom komt. Er is dan economische voorspoed op het eiland, maar dit betekent niet dat het eiland ook stabiel is. Sicilië is van oudsher opgedeeld in stukken grond. Deze stukken grond zijn in bruikleen gegeven door de koning aan de edellieden. De edellieden laten het toezicht over aan gabelotti, Sicilianen die de pachtende boeren controleren. Vanaf 1812 wordt al geprobeerd dit feodale stelsel af te schaffen maar de edellieden en de gabelotti behouden veel van hun macht. Hierdoor ontbreekt er een centraal gezag. De eigenaren van de fruitplantages hebben te kampen met een groep die zichzelf ‘mannen van eer’ noemt. Deze ‘mannen van eer’ bevinden zich overal, tussen de fruitplukkers, maar ook tussen priesters en politici. Zij terroriseren de fruittelers door ze af te persen of nemen hun hele bedrijf over. Fruittelers die zich verzetten of aan de bel trekken bij de autoriteiten worden vermoord. Na deze coup laat de maffia zich niet meer tegen houden.

De eerste aanvallen op de macht van de maffia kwamen van Benito Mussolini, een dictator die in de Cosa Nostra een bedreiging ziet voor zijn fascistische regime. Hij laat honderden maffiosi opsluiten. Deze worden in 1943 echter weer vrijgelaten door de geallieerden. De maffia heeft hen geholpen het eiland te veroveren en wegens bewezen diensten krijgen veel maffiosi hoge politieke benoemingen, dit geeft de Cosa Nostra een grote macht. De maffia verdient dan hun inkomen aan de aanbestedingen van de overheid, het beschermingsgeld dat ondernemers moeten betalen, de handel in onder andere illegale tabak en bovenal aan de heroïnehandel in de jaren zeventig van de vorige eeuw.[4] Ter illustratie: vier takken van de Italiaanse maffia hadden in 2009 gezamenlijk zo’n 78 miljard euro winst.[5]

Aan het eind van de negentiende eeuw migreren vele Sicilianen naar de Verenigde Staten. Onder hen zijn ook maffiosi. In New York ontstaan vijf grote families die de macht verkrijgen over de vakbonden en zij beheersen tevens de illegale gokhandel. Voor zover bekend is het deze Amerikaanse maffia die zich voor het eerst in Nederland vestigt. Meyer Lansky, de ‘boekhouder’ van de maffia, komt in contact met de Amsterdamse baas van de Wallen, Maurits de Vries, en stuurt in 1974 een delegatie naar Amsterdam.[6]

Inwijding en organisatie

Je kunt je niet zomaar aansluiten bij de maffia. Wie een man van eer wil worden, zal grondig gecontroleerd worden door de maffia. Daarnaast zal de man van eer in spe zwaar op de proef worden gesteld. Een van de voorwaarden is namelijk het uitvoeren van een karwei. Soms betekent dit de uitvoering van een moord. De rituelen tot inwijding tot een maffiaorganisatie lopen uiteen.[7] Maar bij alle organisaties is het uitspreken van de eed het belangrijkste aspect. Deze gaat ongeveer als volgt:

‘Ik zweer op de bebloede punt van deze dolk om mijn moeder, vader, broers en zussen te verstoten tot de zevende generatie… ik zweer om iedere honderdste en iedere duizendste te verdelen, tot de laatste druppel bloed, met een voet in de put en met de ander in de ketting om de gevangenis een stevige omarming te bieden.’[8]

Hierna wordt de eed van de zwijgplicht en van de onvoorwaardelijke trouw aan de organisatie afgelegd. Maffiabendes verschillen ook weer van elkaar in hun organisatiestructuur. De Sacro Corona Unita (SCU) als voorbeeld, een maffiaorganisatie die vooral opereert in de provincies Lecce, Brinidisi en Taranto en naar schatting bestaat uit 50 clans met meer dan 2000 leden, kent drie verschillende niveaus in hun organisatie. Promoveren kan door middel van dooprituelen. Een nieuw lid, een picciotto, moet veertig dagen proefdraaien om te zien of hij geschikt is voor de maffia en geen banden heeft met de politie. Vervolgens mag hij het eenvoudige straatwerk opknappen, dit is het laagste niveau. Op het tweede niveau kan men twee functies vervullen, de positie van Lo Sgarro of nog hoger de functie van La Santa. De eerste functie wordt gegeven aan leden die minstens drie mensen voor de organisatie hebben omgebracht. Iemand met deze functie mag zijn eigen team van picciotti vormen. Op dit niveau is het verlaten van de organisatie niet meer mogelijk. Het verkrijgen van de functie van La Santa gaat samen met een uitgebreid ritueel. Het lid krijgt dan verschillende symbolen, waaronder een vuurwapen waarmee hij zichzelf moet doden wanneer hij de organisatie wil verlaten. Op het hoogste niveau bestaat ten slotte de Società Segreta, op dit niveau worden de belangrijkste beslissingen genomen.[9]

Hoe moeilijk de leden van de maffia achter slot en grendel te krijgen zijn, illustreert Bernardo Provenzano. Sinds 1963 was dit lid van de Cosa Nostra op de vlucht voor justitie. De politie heeft vele invallen gedaan, maar telkens bleek Provenzano zijn biezen alweer te hebben gepakt. Een ware klopjacht weerhield hem er niet van de maffia aan te sturen door middel van getypte briefjes. Na 43 jaar, in 2006, weet de politie hem pas te arresteren. Dit kan alleen maar worden verklaard door het feit dat Provenzano op de hoogte moet zijn geweest van de ontwikkelingen bij de politie.[10]

Maffia in Nederland

Nederland is een geliefde schuilplaats voor de maffiosi. Fillipo Cerfeda, Giuseppe Nirta, Giovanni Strangio, Gianluca Racco, ze konden hier allen lang verborgen blijven. Cerfeda was lid van de SCU en betrokken bij meerdere moorden, waaronder waarschijnlijk vijf in Nederland. In 2003 werd hij opgepakt in Ridderkerk waar hij bij zijn vriendin verbleef. Giuseppe Nirta kon zich dertien jaar schuilhouden in Amsterdam. Hij is medeverdachte in de moordzaak van Duisberg, waarbij zes leden van een clan binnen het maffiagenootschap ‘Ndrangheta werden doodgeschoten. Het bleek te gaan om een vete tussen twee clans binnen dit genootschap.[11] Dit is nog maar het topje van de ijsberg, de arrestaties van maffiosi in Nederland zijn legio. Dit is te verklaren uit het feit dat Nederland samen met België en Duitsland een belangrijke schakel is in de drugsaanvoer vanuit Zuid-Amerika. Italianen gaan bovendien gemakkelijk op in de Nederlandse samenleving. Een restaurant is hier al snel een goede dekmantel voor andere activiteiten.[12] Uit de afgelegde verklaringen van Cerfeda wordt ook duidelijk waarom de maffiosi zo graag in Nederland verblijven, nog afgezien van de bordeelbezoeken en de coke. Uit deze verklaringen blijkt dat onder de maffiosi een beeld van Nederland bestaat dat drugs hier ‘een normaal iets is’.[13]

Ook in het bestaan van Giorgi Basile, ooit een vooraanstaand lid van de ‘Ndrangheta, speelde Nederland een belangrijke rol. Basile brak de zwijgplicht en trad op als kroongetuige in verschillende processen tegen maffialeden. Hij leeft al jaren op een geheime locatie onder een andere naam. Volgens Basile is Nederland een veilig toevluchtsoord voor voortvluchtige maffiosi, de belangrijkste overlaadplaats voor drugs en wapens en een geliefde plek om geld wit te wassen. ‘In Nederland kon je gaan en staan waar je wilde, in hotels had je geen paspoort nodig om in te checken, je kon in het geheim op bungalowparken verblijven. De regio’s rond Nijmegen, Arnhem en Venlo waren favoriete plekken om drugs te kopen, die we dan transporteerden naar Calabrië. Toen de interne grenzen in de Europese Unie wegvielen hebben we dat letterlijk gevierd. Nu kon je helemaal in en uit lopen zonder controle.’[14]

Officier van justitie Antonio Nicaso verbaast zich erover dat Nederlanders het laten gebeuren dat vooral de ‘Ndrangheta zich overal vestigt. Hij twijfelt er niet aan dat de maffia grote bedragen heeft geïnvesteerd in Nederland, Duitsland en België. ‘Juist nu! Niemand heeft nog geld, maar zij juist heel veel. Contant geld, dat ze proberen wit te wassen. Zij kopen geen hele bedrijven, maar juist een minderheidsaandeel om maar niet in de gaten te lopen. Langzamerhand krijgen zij ook grote delen van de Nederlandse samenleving in de greep.’[15] Nicaso ergert zich eraan dat de Nederlandse autoriteiten en politici dit allemaal laten gebeuren. ‘Daarom is de ‘Ndrangheta ook zo gek op Nederland.’[16]

Bestrijding van de maffia

In 2010 deed het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) onderzoek naar de invloed van de Italiaanse misdaadorganisaties in Nederland. Speciale aandacht ging hierbij uit naar de ‘Ndrangheta, omdat zij marktleider is in de cocaïnehandel binnen Europa. Het was voor het eerst sinds de onderzoeken van de parlementaire enquêtecommissie-Van Traa dat er onderzoek werd gedaan naar de Italiaanse maffia. Volgens criminoloog Frank Bovenkerk heeft de Nederlandse politie de afgelopen vijftien jaar het zicht op etnische criminele groeperingen verloren. Een woordvoerder van de afdeling van het Openbaar Ministerie die zich bezig houdt met de georganiseerde misdaad vindt deze kritiek niet op z’n plaats. ‘We kijken nog steeds naar de maffia, maar doen dat vanuit een ander perspectief. We kijken naar drugshandel in z’n totaliteit, in plaats van naar Italiaanse groepen.’[17] Nederland wordt al langer aangespoord door maffiabestrijders in Italië om intensiever te zoeken naar maffiosi die hier zijn ondergedoken of hier werken.

Volgens maffiaonderzoekster Petra Reski moet heel Europa wakker worden geschud. Amsterdam is de hoofdstad voor de ‘Ndrangheta in Europa. Toch wordt er nauwelijks over gesproken. Volgens Reski wordt het probleem sterk onderschat en denken mensen teveel aan het folkloristische beeld van de maffia, het beeld van The Godfather; als er geen moorden zijn gepleegd, gebeurt er niets.[18] Pas na een moord zal men wakker worden. Nederland moet juist de geldstromen volgen, zo luidt het advies van journalist Antonio Nicaso. Nicola Gratteri legt uit hoe de maffia het best kan worden aangepakt: ‘Op internationaal niveau moet er beter samengewerkt worden tussen de politiemachten en justitie. Hun werkzaamheden moeten makkelijker gemaakt worden door de politiek. De politie moet meer macht krijgen, het moet makkelijker voor ze worden om mensen te ondervragen, arresteren en controleren, zoals door middel van het aftappen van telefoons en door het schaduwen van verdachten. In de Europese wetgeving moet het lidmaatschap van een maffiose organisatie als een misdaad gezien gaan worden. Dit houdt concreet in dat er ook op internationaal justitieel niveau specifieke wetten aangenomen moeten worden over dit thema. Ook de mogelijkheid tot arrestatie en achtervolging moet vergemakkelijkt worden in de internationale wetgeving.’ [19] Daarnaast zou de rechterlijke macht en de macht van de politie in Nederland vergroot moeten worden. Zij zouden efficiënter moeten werken zodat er meer mogelijkheden ontstaan tot het achtervolgen en arresteren van verdachten, aldus Gratteri. Als voorbeeld geeft hij het onderscheppen van drugs, ‘de politie zou niet begrensd mogen worden door regelgeving die het agenten alleen mogelijk maakt kleine en korte onderzoeken te doen naar onbelangrijke handelaren’. [20]

 

Ten slotte

De gevestigde Italiaanse gemeenschap in Nederland wordt nimmer uitdrukkelijk in verband gebracht met de Italiaanse maffia. Als er al een binnenlands probleem van wordt gemaakt heeft dit te maken met een concrete, tijdelijke actie van een Italiaanse misdadiger. Nederland is echter niet vrij gebleven van de Italiaanse maffia. In tegendeel, de maffia is hier volop actief. Italiaanse maffiakenners en maffiabestrijders roepen al langer op om wat te doen tegen de maffia alhier. De maffia is internationaal gaan werken dus moet er ook internationaal worden samengewerkt tegen de maffia, wetten zouden veranderd moeten worden en de macht van de politie en de rechterlijke macht zouden vergroot moeten worden.

‘De Italiaanse maffia een probleem in Nederland? Zijn pizza’s rond?’[21]


[1] S. de Jong & K. Voskuil, De Italiaanse maffia in Nederland, Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2010, p. 207.

[2] Idem, p. 8.

[3] Idem, p. 57.

[4] S. de Jong & K. Voskuil, De Italiaanse maffia in Nederland, Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2010, p. 61 & 62.

[5] Idem, p. 203.

[6] Idem, p. 63 & 64.

[7] ‘Maffia: inwijding en organisatie’, mens-en-samenleving 2009, geraadpleegd op 23 augustus 2011 via <http://mens-en-samenleving.infonu.nl/internationaal/33931-maffia-inwijding-en-organisatie.html>.

[8]S. de Jong & K. Voskuil, De Italiaanse maffia in Nederland, Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2010, p. 29 & 30.

[9] S. de Jong & K. Voskuil, De Italiaanse maffia in Nederland, Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2010, p. 31 & 32.

[10] Idem, p. 63.

[11] G. den Elt, ‘De maffia wortelt in de polder’, de Stentor Spectrum 30 juli 2011, p. 12.

[12] Idem, p. 13.

[13]S. de Jong & K. Voskuil, De Italiaanse maffia in Nederland, Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2010, p. 50.

[14] ‘Nederland favoriete toevluchtsoord maffia’, Nieuwe Revu 2009, geraadpleegd op 24 augustus 2011 via <http://www.revu.nl/2009/04/15/nederland-favoriete-toevluchtsoord-maffia/>.

[15] G. den Elt, ‘De maffia wortelt in de polder’, de Stentor Spectrum 30 juli 2011, p. 13.

[16] Ibidem.

[17] ‘KLPD onderzoekt maffia in Nederland’, Spits 2010, geraadpleegd op 24 augustus 2011 via <http://www.spitsnieuws.nl/archives/binnenland/2010/09/klpd_onderzoekt_maffia_in_nede.html>.

[18] S. de Jong & K. Voskuil, De Italiaanse maffia in Nederland, Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2010, p. 204 & 205.

[19] S. de Jong & K. Voskuil, De Italiaanse maffia in Nederland, Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2010, p. 207 & 208.

[20] Ibidem.

[21] K. Voskuil, ‘De Italiaanse maffia in Nederland’, Koen Voskuil 2010, geraadpleegd op 24 augustus 2011 via <http://koenvoskuil.nl/?p=43>.


  • 0

Minaretten verbod; een schending van de geloofsvrijheid?!

Door: Dirk Kuiken

Sinds 29 november 2009 is de bouw van minaretten in Zwitserland verboden. Het door volksstemming aangenomen verbod heeft nog al wat voeten in aarde gehad, velen verafschuwden het verbod, sommigen omarmden het verbod; maar hoe dient het verbod eigenlijk te worden bezien vanuit het perspectief van de Europese mensenrechten? Een schets, omtrent de positie van het verbod ten opzichte van art. 9 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens….

Kort na het Zwitserse verbod op de bouw van minaretten, volgde er in de Nederlandse Tweede Kamer een motie waarin een verbod op de bouw van minaretten werd voorgesteld. De motie, ingediend door de SGP, leek aanvankelijk, door de steun van de PVV en de VVD, niet eens geheel kansloos, ware het niet dat de VVD later besloot de motie toch niet te steunen. Een dergelijk verbod roept altijd de nodige vragen op, zeker in juridisch opzicht. Zo is het bijvoorbeeld twijfelachtig of het verbod op de bouw van minaretten niet in strijd is met de vrijheid van geloof. Het kwam dan ook niet als een verrassing, toen de Zwitserse moslim gemeenschap een beroep deed op haar vrijheid van godsdienst. De vraag of een minaretten verbod verenigbaar is met de vrijheid van godsdienst, zoals vastgelegd in art. 9 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM), zal de spil vormen van de komende alinea’s.

Zwitsers verbod

Sinds 29 november 2009 luidt artikel 72 lid 3 van de Zwitserse grondwet als volgt: “The construction of minarets is prohibited”.[1] Dit verbod is er naar aanleiding van een referendum gekomen. In dit referendum, dat naar aanleiding van een burgerinitiatief plaats vond, stemde 57.5% voor het verbod.[2] Een beroep om de uitslag van het referendum (op basis van de verspreiding van “propaganda”, waardoor een bevooroordeeld beeld zou zijn ontstaan omtrent minaretten) ongeldig te verklaren, werd door het Zwitserse Federale Hof als niet-ontvankelijk beschouwd.[3] Overigens is dit niet de eerste maal dat het Federale Hof zich uit moest laten over een ‘minaretten-kwestie’, voordat het burgerinitiatief werd gestart, was de Turkse gemeenschap in de gemeente Wangen bei Olten al aan het procederen tegen de gemeente. Dit betrof een geschil waarin een bouwvergunning van de Turkse gemeenschap om een minaret te bouwen, keer op keer werd afgewezen. De gemeente stelde dat het te bouwen gebouw (met inbegrip van de minaret), niet zou voldoen aan de bouwvoorschriften. Uiteindelijk stelde het Federale Hof de gemeente in het gelijk.[4] Desalniettemin is deze kwestie de aanleiding geweest voor het burgerinitiatief, waarin de Zwitserse bevolking haar ongenoegen heeft laten blijken over de minaretten.

De vraag blijft echter, of dit Zwitserse verbod niet de grens van de vrijheid van godsdienst heeft overschreden. Het wekt geen verbazing, dat de Islamitische gemeenschap in Zwitserland een beroep op deze vrijheid heeft gedaan. De Islamitische gemeenschap dacht in Zwitserland echter geen gehoor te vinden voor deze claim, waardoor de Islamitische gemeenschap zich heeft gewend tot het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). In december 2009, dus vrijwel direct na de instelling van het verbod, werd dit beroep bij het EHRM ingediend. Het beroep behelsde de volgende klacht: het verbod leidt tot een beperking van de religieuze vrijheid en discriminatie op basis van godsdienst. Verder werd er gesteld dat er in Zwitserland geen effectieve middelen bestaan, om het verbod te toetsen aan het EVRM.[5]

Het oordeel van het EHRM

Op basis van de door de Islamitische gemeenschap ingediende klachten, kwam het Hof tot het oordeel dat de klachten als niet-ontvankelijk moesten worden beschouwd.[6] De klagers konden volgens het Hof niet aantonen dat zij slachtoffer waren van een verdragsschending van het EVRM (zoals vereist in art. 34 EVRM). De klagers konden volgens het Hof niet aannemelijk maken dat ze in hun religieuze opvattingen geraakt zouden zijn; een ‘praktisch effect’ van het verbod op de klagers zou ontbreken, waardoor ze noch rechtstreeks, noch indirect, geraakten kunnen zijn. Het gegeven dat geen van de klagers de directe intentie heeft of had, om nu of in de nabije toekomst een minaret te bouwen, vormt het fundament voor het oordeel van het Hof; ‘stel dat’ gevallen zijn volgens het Hof van onvoldoende gewicht om tot een andere conclusie te kunnen komen. Kortom, het Hof weigert om hypothetische gevallen te beoordelen. Daarnaast is het Hof op het tweede deel van de klacht (een specifieke klacht van Dhr. Ouardiri), dat er geen rechtsmiddel open zou staan op nationaal niveau, om het verbod te laten toetsen aan het EVRM, van mening dat dit ook niet is wat wordt beoogd door art. 13 van het EVRM. Dit lijkt opmerkelijk, echter nu het hier een hypothetisch geval zou betreffen, kan er ook nog geen feitelijke verdragsschending bestaan en hoeft er ook geen rechtsmiddel tegenover te staan in dit geval, lijkt de redeneertrend van het Hof.

Wat met name opvalt aan het oordeel van het Hof, is dat het Hof de feitelijke vraag, of een verbod op de bouw van minaretten verenigbaar is met art. 9 van het EVRM (vrijheid van godsdienst), uit de weg lijkt te gaan. Of dit het geval is, of dat het onhandigheid van de klagers betreft (allicht dat als hier de Turkse gemeenschap uit Wangen bei Olten zich onder de klagers had bevonden, het Hof tot de conclusie zou zijn gekomen dat het geval niet-hypothetisch zou zijn geweest), het antwoord op de vraag, of het verbod verenigbaar is met art. 9 het EVRM, blijft onbeantwoord.

Art. 9 EVRM

Om na te gaan wat de conclusie van het Hof zou zijn geweest (ten opzichte van art. 9 EVRM) wanneer het wel tot een inhoudelijk oordeel over het verbod zou zijn gekomen, moet worden nagegaan welke factoren een rol spelen. Welke rol spelen minaretten bijvoorbeeld in de geloofsuiting van de Islam, maakt een verbod, het voor Islamieten onmogelijk om hun godsdienst te belijden, of vormt het een onevenredige belemmering in hun geloofsbelijding.[7] Daarnaast moet ook in acht worden genomen dat art. 9 lid 2, de mogelijkheid biedt om beperkingen op geloofsuitingen aan te brengen, indien dit  “in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen” noodzakelijk is en zolang dit in een democratische setting tot stand komt (een volksstemming wordt over het algemeen wel als democratisch aangenomen). Wanneer er wordt gekeken naar de formule die het Hof gebruikelijk toepast, in de beoordeling van een mogelijke schending van art. 9 EVRM, valt het op dat er door het Hof zowel concrete, als ook vagere beoordelingscriteria gebruikt.[8] Allereerst stelt het Hof vast of er een inbreuk is op art. 9 EVRM. Dit doet het Hof aan de hand van de vraag of de ‘actie’ het de klager onmogelijk maakt zijn geloofsovertuiging te manifesteren. Is dit niet het geval, is er uiteraard ook geen inbreuk op art. 9 EVRM en is de klacht ongegrond. In het geval van de Zwitserse minaret is dit een moeilijk te beantwoorden vraag. Men zou eerst met zekerheid moeten kunnen stellen, dat de minaret een uiting van het geloof is, of essentieel bij de uiting van het geloof. Hierbij is het misschien ook belangrijk te beschouwen dat een verbod op minaretten, geen verbod op de bouw van moskeeën is. De primaire functie van de minaret is het oproepen tot gebed, waarbij de minaret het best kan worden vergeleken met de kerktoren (oorspronkelijk is de minaret ook geïnspireerd op de kerktoren).[9] De minaret is ontstaan uit functionele behoefte.[10] Of deze functionele behoefte vandaag de dag in Zwitserland nog steeds bestaat kan in twijfel worden getrokken; anders dan in de begindagen van de minaret, zijn er immers voldoende andere middelen om tot gebed op te roepen. De keuze voor een grondwettelijk verbod lijkt echter overtrokken, mocht een minaret voor overlast zorgen, kan hier middels bouwvoorschriften, of andere regelgeving (van openbare orde) ook wel een grens worden gesteld. Een verbod op het bouwwerk ‘de minaret’, hoeft niet per definitie te zijn gericht op het eventueel storende gebruik van dit bouwwerk (waarmee het verbod overigens wel al snel te rigoureus lijkt). Het verbod op het bouwwerk, stelt dus ook niet per definitie dat het oproepen tot gebed verboden is, waarbij het maar zeer de vraag is of het minaretten verbod een beperking op de geloofsuiting is en daarmee een inbreuk op art. 9 EVRM vormt. Of dit ook het geval is voor art. 14 EVRM (het discriminatie verbod), is een ander verhaal. Door te stellen dat het minaretten verbod een inperking van de geloofsvrijheid is, moet om te beginnen worden aangetoond wat de functie van een minaret is en of dergelijke bouwwerken essentieel zijn voor deze functie (geloofsbelijding).

Mocht er sprake van een inbreuk zijn, dan gaat het Hof na of die inbreuk rechtvaardig is of niet. Om een antwoord op deze rechtvaardigheidskwestie te verkrijgen, hanteert het Hof de volgende drie criteria: is de beperking voorgeschreven door nationaal recht, streeft de beperking een legitiem doel na en is de beperking noodzakelijk in een democratische gemeenschap. Bij de vereiste dat de beperking wordt voorgeschreven door nationaal recht, wordt tevens de kwaliteit van een dergelijke rechtsregel getoetst; is de betreffende rechtsregel voldoende duidelijk, toegankelijk en overzichtelijk. In het geval van het Zwitserse minaretten verbod, kan worden gesteld dat art. 72 lid 3 van de Zwitserse grondwet voldoet aan deze eisen, het artikel laat, noch aan ondubbelzinnigheid, noch aan toegankelijkheid, te wensen over. Hoewel de vereiste van een regel van nationaal recht als eenvoudige horde kan worden beschouwd, biedt het vereiste van een legitiem doel meer reden tot kopzorgen in het geval van het Zwitserse minaretten verbod. Hierbij beoordeelt het Hof of het de argumenten, die de Zwitserse staat aanvoert voor het verbod, overtuigend genoeg vindt. Als standaard uitgangspunt bij de beoordeling van de legitimiteit, kent het Hof echter een ruime beoordelingsvrijheid toe aan de beklaagde staat. Het verbod dient enigszins logisch te zijn. Het doel van het minaretten verbod lijkt toe te zijn gespitst op de groeiende Zwitserse ergernis omtrent de minaretten, het is moeilijk om hier een legitiem doel in te onderscheiden. Bij de laatste vereiste, de noodzakelijkheid van een beperking voor een democratische gemeenschap, moet in acht worden genomen dat de staat een onpartijdige, neutrale organisator is, waarbij religieuze harmonie en tolerantie het doel zijn. Het lijkt ontegenzeggelijk dat een minaretten verbod hieraan niet kan voldoen.

Het is twijfelachtig of het Zwitserse verbod in strijd is met art. 9 EVRM, mocht dit wel het geval zijn, is er voor het Zwitserse verbod weinig hoop. Hoewel het verbod een duidelijke en vrij toegankelijke bepaling is, is het lastig het legitieme doel van een dergelijk verbod te onderscheiden, laat staan dat er een noodzakelijkheid voor het verbod is ten behoeve van de democratische gemeenschap. Mede door de willekeur van het minaretten verbod (waarom minaretten niet, maar kerktorens -met kerkklokken- wel), valt er meer te zeggen voor een beroep op discriminatie; (potentiële) overlast van dergelijke bouwwerken zou immers ook wel via andere kanalen kunnen worden gereguleerd.

Conclusie

Hoewel de benadering van het Hof in Ouardiri en Ligue des Musulmans de Suisse and Others, in eerste instantie wel iets weg heeft van een handsoff approach, is het niet meer dan terecht dat het Hof stelt dat het een hypothetisch geval betreft. Er is immers bij klagers geen enkele blijk gebleken dat ze ook maar enigszins van plan waren om een minaret te bouwen. Mocht er echter wel een dergelijke klacht zijn, dan zou deze klacht zeker niet ongegrond zijn. Doordat het Hof niet inhoudelijk in is gegaan op de klacht, blijft het de vraag of het minaretten verbod ansich een schending van art. 9 EVRM op zou kunnen leveren, gelet op de benadering van het Hof in andere gevallen waarin een beroep werd gedaan op art. 9 EVRM. Hoewel speculatief, lijkt het echter wel duidelijk dat een dergelijk verbod wel degelijk discriminerend is, nu het verbod specifiek op minaretten is gericht en niet op kerktorens (of andere spitsvormige bouwwerken). Al met al, is en blijft het een rigoureus verbod, waarvan de legitimiteit op wat voor grond ook, twijfelachtig is.


[1]    Zie de Engelse vertaling van de Zwitserse grondwet, <http://www.admin.ch/ch/e/rs/1/101.en.pdf> (voor het laatst bezocht op 18-08-2011).

[2]    Volksinitiatief van 28 juli 2008, <http://www.admin.ch/ch/d/ff/2008/6851.pdf>, uitslag stemming van 29 november 2009, <http://www.admin.ch/ch/d/pore/va/20091129/det547.html> (voor het laatst bezocht op 1-09-2011).

[3]    Zwitserse Federale Hof, 26 januarie 2010, 1C 33/2010.

[4]    Zwitserse Federale Hof, 4 juli 2007, 1P.26/2007.

[5]    Ouardiri v. Switzerland (65840/09) en Ligue des Musulmans de Suisse and Others v. Switzerland (66274/09).

[6]    Idem.

[7]    Art. 9 EVRM:
1. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in practische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.
2. De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

[8]    Bayatyan v. Armenia (23459/03), r.o. 112-123.

[9]    J.M. Bloom, ‘Creswell and the Origins of the Minaret’, Muqarnas (Vol. 8), p. 55-56.

[10]  Idem.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.