Category Archives: 2012-2013

  • 0

Interview met… voormalig rechter van het EHRM Egbert Myjer

Egbert Myjer, voormalig rechter bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens

EHRM ‘The Conscience of Europe’?

 

Gelske Speerstra & Roya Tazib

 

De heer Egbert Myjer studeerde van 1966 tot 1972 rechten aan de Universiteit Utrecht. Na zijn studie was hij verbonden aan de Universiteit Leiden als wetenschappelijk medewerker strafrecht. In de periode tussen 1979 en 1991 bekleedde Egbert Myjer diverse rechterlijke functies in Nederland. Na tot 2004 werkzaam te zijn geweest als (hoofd)advocaat-generaal bij het Openbaar Minister, was hij tot november 2012 rechter bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Sinds 2000 is Egbert Myjer tevens bijzonder hoogleraar Mensenrechten aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

 

Wat voor student was U? Was U actief binnen studenten- en/of studieverenigingen?

Mijn hemel. Het is lang geleden dat iemand mij dat heeft gevraagd. Dan moet ik toch een ding voorop stellen: ik studeerde in een tijd dat het collegegeld 200 gulden per jaar bedroeg. De minimumstudieduur voor rechten was 4 ½-5 jaar. Ik heb er uiteindelijk 6 jaar over gedaan. Zoiets was in die tijd vrij straffeloos mogelijk maar heb er wel heel wat naast gedaan. Ik was een student die de eerste jaren netjes zijn vakken haalde voor wat toen nog het kandidaatsexamen heette. Het eerste jaar met een kleine 4 (op een score van 5); het tweede jaar met een ruime 3. Dat kwam omdat ik dat tweede jaar ook meer nevenactiviteiten deed. En ja, ik was lid van een gezelligheidsvereniging: het Collegium Studiosorum Veritas, een katholieke studentenvereniging met een kleine 2000 leden. Ik had op de lagere school en op de middelbare school op een jongensschool gezeten. Een ding was duidelijk voor mij: niet nog eens alleen maar jongens. Daarom koos ik niet voor het (nog steeds) ongemengde Utrechts Studentencorps. Binnen Veritas ben ik vrij actief geweest: in mijn tweede jaar praeses diescommissie Veritas, in mijn derde jaar praeses lustrumcommissie Veritas, in mijn vierde jaar zelfs een tijdje interim praeses collegii. Ook ben ik nog secretaris geweest van de federatie Utrechtse Gezelligheidsverenigingen. Ik heb het geweldige geluk dat ik studeerde toen de studentenrevolutie begon (1968). Eerst vond ik dat linksig gedoe. Maar al gauw zag ik dat  ik met al die activiteiten rond de gezelligheidsverenigingen het risico liep te veel in een elitair isolement te blijven.  Ik ben me daarna veel meer gaan bezighouden met belangrijker zaken: het organiseren van de Utrechtse oriënteringsdagen en zaken die op het gebied van het recht lagen:  student-lid van de Instituutsraad van het strafrechtelijk instituut en bestuurslid van de zojuist opgerichte Utrechtse wetswinkels.

 

Heeft U spijt van Uw activiteiten in de gezelligheidsvereniging?

Allerminst. Ik raad ook nu nog iedere student aan om ook zoiets te doen naast de studie. Niet dat je een kroegtijger moet worden. Dat is, denk ik, heel stom. Maar je moet ook geen studie-nerd worden die alleen maar met puntenhalen bezig is. Juist door je lidmaatschap van een studenten en/of studievereniging kom je op een andere manier in contact met studiegenoten. Dankzij anderen word je alleen maar een vollediger mens. Pas achteraf zie je hoe belangrijk die contacten uit je studentenleven zijn. En als het enigszins mogelijk is: kijk ook eens buiten je eigen rechtenfaculteit. In het woord universiteit zit ook juist dat universele.

(lacht)

 

Het strafrechtelijk instituut? Was dat niet wat eenzijdig voor iemand die naar de rechterlijke macht is gedaan?

Dat klopt. Maar ook dat komt door de sfeer na de studentenrevolutie. Ik wilde iets met mensen doen en had het idee dat ik met civiel recht (even los van het personen- en familierecht) daar te ver van af stond. Ik geef toe dat men mij van alle kanten afraadde om me al te zeer strafrechtelijk bezig te houden. Ik heb dat toch gedaan en het heeft me uiteindelijk niet opgebroken. Ook naar aanleiding daarvan een les van deze oude man: ga ook in je studie voor datgene wat je begeestert. Zet je daarvoor in. Als je echt voor iets wilt gaan, ga je vanzelf ook goede studieresultaten halen. Wat mij betreft is er niets ergers dan iemand die is afgestudeerd op een standaardpakket met alleen maar gemiddelde cijfers en keuzevakken waar geen gezicht in te ontdekken valt, en die bovendien niets naast zijn studie heeft gedaan. Zelfs niet redacteur van een juridisch studentenblad.

 

Wat heeft u doen besluiten de overstap te maken van het Openbaar Ministerie naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens?

Ik was al vanaf mijn eerste baan bezig geweest met strafrecht en mensenrechten. Ik gaf in Leiden zelfs een keuzevak op dat gebied. Toen het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) was opgericht, was ik een van de eerste leden. Ik ben medeoprichter geweest van het in 1976 voor het eerst verschenen NJCM-bulletin en ben redacteur gebleven tot het moment dat ik in 2004 ben gekozen tot rechter in het Europese Hof. Daarnaast ben ik in 2000 benoemd tot hoogleraar mensenrechten aan de VU. Ik was dus altijd al op het gebied van mensenrechten bezig. Ook in de 12 jaar dat ik rechter was en in de 13 jaar dat ik lid was van het Openbaar Ministerie bleef  ik uitspraken van het Europese Hof annoteren en me met het onderwijs op dat vakgebied bezighouden. Toen eind 2003 werd geadverteerd voor de plek van Nederlandse rechter in Straatsburg keek ik eens om me heen. Ik wist dat ik niet helemaal kansloos zou zijn. En dat klopte.

 

Maar waarom deed U mee?

Het lag in het verlengde van mijn twee vakgebieden: het zijn van magistraat en het bezig zijn met de rechten van de mens. Ik was al veel in Straatsburg geweest en had een vrij goed beeld van wat mij eventueel te wachten stond.

 

Wat maakte uw werk als rechter bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zo interessant?

Het daadwerkelijk meewerken aan datgene wat de kerntaak is van het Europese Hof: kijken of de lidstaten zich wel houden aan hun beloften in hun eigen land de rechten van het EVRM aan een ieder te garanderen. En door die werkzaamheden (toepassen en interpreteren van het EVRM) mede gestalte te geven aan Europese minimumnormen, die in de 47 lidstaten voor meer dan 800.000.000 mensen gelden. Juist het vaststellen van de grenzen is iets heel fascinerends. Het betekent ook een immense verantwoordelijkheid. Als je te ruim interpreteert kunnen de lidstaten zich terecht opwinden; als je te beperkt interpreteert word je al gauw door klagers en NGO’s als te conserverend beschouwd. Op basis van mijn 8 jaar Straatsburg kan ik zeggen dat die Straatsburgse  mensenrechtbescherming nog lang geen overbodige luxe is. Het aantal personae miserabiles dat zich met de meest mensonterende ervaringen tot het Europese Hof wendt is nog steeds schrikbarend groot. Kijk voor de grap eens naar de arresten die het afgelopen jaar door de Grote Kamer van het Hof zijn afgedaan (www.echr.coe.int, zoekmachine HUDOC). Daar zitten zaken tussen die je alleen in de meest zwarte televisiefilms voor mogelijk zou houden.

 

 

Jaarlijks worden er duizenden zaken bij het Europese Hof voor de Rechten van het Mens aanhangig gemaakt. Niet in al deze zaken wordt uitspraak gedaan door het  Europese Hof. Op welke wijze vindt er een selectie tussen deze zaken plaats? Hebben de lidstaten enige invloed op deze selectie?

Er komen tegenwoordig al meer dan 60.000 zaken per jaar binnen. Dat is immens. De ervaring leert dat ongeveer 95% van die zaken niet ontvankelijk wordt verklaard. Niet omdat het Hof geen zin heeft in die zaken, maar omdat niet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden is voldaan. Te laat ingediend, geen uitputting van nationale rechtsmiddelen, klagen alsof het Hof een soort vierde instantie is, klagen over iets dat niet in het EVRM staat opgenomen etc.

 

Maar weten advocaten dan niet wat ze doen?

Hoe zeg ik dat diplomatiek? Aan klagen in Straatsburg zit geen verplichting tot het betalen van enig griffiegeld. Ongetwijfeld zijn er advocaten die denken dat je niet zeker weet of een koe een haas kan vangen. Soms eisen de cliënten om ook nog eens een keertje Europees te gaan. En soms bedenken advocaten iets wat nu nog te ver gaat. En vergeet niet: soms gaat ook het Hof om. Maar ook: advocaten mogen best eens wat zuiniger zijn op Straatsburg.

 

Maar hoe gaat het in de praktijk van het filteren? Hebben Staten enige zeggenschap?

Om met het laatste te beginnen: de Staten hebben geen enkele zeggenschap op het filteren. Ook hebben de Staten geen zeggenschap over de rechters of de leden van de griffie. OK, je wordt met twee andere kandidaten door je land voorgesteld. Dan wordt in de regel een van die kandidaten gekozen door der parlementaire vergadering van de Raad van Europa. Maar vanaf dat moment ben je als rechter volkomen onafhankelijk. Ik was, net zoals mijn collega’s, in die acht jaar zelfs vrijgesteld van de verplichting belasting te betalen op mijn Straatsburgs inkomen. Dat is juist gedaan om je nog meer onafhankelijk te maken. En voor wat betreft de praktijk: alle klachten die binnenkomen worden eerst bekeken door een zeer ervaren lid van de griffie. In 9 op de 10 gevallen kun je met je kennis van de procedureregels al zien dat het een niet-ontvankelijkheid is. Zo’n dossier wordt dan meteen naar een junior jurist gestuurd om een kort uittreksel te maken, eindigend in een motivering waarom de zaak niet ontvankelijk is. Als de senior jurist aarzelt legt hij het voor aan de nationale rechter of aan een speciaal benoemde rapporteur. Afhankelijk van diens antwoord gaat de zaak op de stapel van de korte uittreksels of op de stapel waar wellicht iets in zit. De stapel uittreksels met kennelijk niet ontvankelijke zaken ondergaat nog een kwaliteitscheck en wordt dan voorgelegd aan een ‘single judge’. Dat is nooit de nationale rechter. Als de single judge het met het voorstel eens is, is dat het eind van de zaak; als hij vindt dat er toch iets meer aan de hand kan zijn, wordt het in de regel voorgelegd aan de Kamer van 7 rechters. In zo’n zaak wordt dan een rechter-rapporteur benoemd. Eerst zullen dan aan de aangeklaagde Staat nadere feitelijke vragen worden gesteld. Het kan ook zijn dat alleen maar aan de Staat wordt gevraagd zich te verweren op de ingediende beschuldigingen. Op basis van het aldus opgebouwde dossier wordt dan onder verantwoordelijkheid van de rechter-rapporteur door een jurist van de griffie een concept gemaakt. Ook dat ondergaat een aantal quality checks en wordt uiteindelijk, voorzien van een door de rapporteur vastgestelde memorie van toelichting ter beslissing aan de Kamer voorgelegd. Daar volgt dan een mondelinge behandeling en discussie. Als er overeenstemming is (of tenminste een meerderheid) wordt het concept pagina voor pagina doorgenomen en wordt gestemd. Het resultaat is een paar weken later op HUDOC te vinden.

 

Hoe ziet u de toekomst van Europa en welke rol speelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens daarin?

De toekomst voorspellen van Europa is zelfs voor een oud-rechter uit Straatsburg wat veel gevraagd. Maar een paar dingen kan ik wel zeggen. Op financieel gebied is Europese samenwerking inmiddels een noodzaak. Maar dat is de EU. Op juridische samenwerking geldt dat evenzeer. Denk eens in als er niet meer alle internationale verdragen bestonden en we weer terug zouden moeten naar bi-laterale afspraken. Veel zou in het honderd kwadraat lopen.

Maar voor wat betreft de mensenrechten in Europa: dat blijft helaas een bittere noodzaak. Wie  ziet wat er ook nu nog wekelijks binnenkomt, weet dat het Hof geen overbodige luxe is.  Het is niet voor niets aangeduid als ‘The Conscience of Europe’.

En wat is Europa zonder geweten?

 

Catchphrases

 

‘Als je echt voor iets wilt gaan, ga je vanzelf ook goede studieresultaten halen.’

 

‘Wie ziet wat er ook nu nog wekelijks binnenkomt, weet dat het Hof geen overbodige luxe is.’

 

‘Het is niet voor niets aangeduid als ‘The Conscience of Europe’.

 

 


  • 0

Een dag in het leven van… mediator Edith Bos

Een dag in het leven van een mediator

Judith Bos – Accent Mediation

Door: Monique Nijboer
Wanneer je als student zegt dat je rechten studeert, denkt men vaak dat je later de advocatuur in gaat. Maar er zijn vele andere professies waar de rechtenstudie een uitstekende basis voor vormt. Bijvoorbeeld mediation, een opkomend middel om partijen in conflicten dichter bij elkaar te brengen. Een proces waarbij het er niet om gaat wie er met de ‘winst’ naar huis gaat, maar een proces waar je een win-win situatie wil creëren, of beter gezegd waar verliezen worden beperkt en samen naar een overeenkomst wordt gezocht. In dit artikel geef ik informatie over het beroep en krijg je een kijkje in de keuken van het werk van een mediator. Judith Bos, van Accent Mediation, heeft mij vol passie uitleg gegeven over de do’s en don’ts van het vak.

 

Mediators heb je in verschillende soorten, hiermee bedoel ik in eerste instantie de achtergrond van een mediator. Je hebt mediators met een psychologische achtergrond, een bedrijfskundige achtergrond maar ook, zoals Judith, een juridische achtergrond. Ook kun je je specialiseren in bepaalde gebieden en soorten conflicten. In het familierecht en bij arbeidszaken is het fenomeen mediation al langere tijd ingeburgerd. Hedendaags is de mediation in strafzaken en faillissementen ook in opmars.[1] Mediation lijkt zich steeds meer een vaste positie in het Nederlandse rechtssysteem te verwerven. Zo is het in de rechtszaal gebruikelijker om door te verwijzen naar een mediator.[2] Op het moment is er nog geen wettelijke inbedding van de mediation, de mediator heeft geen verschoningsrecht. Maar naar aanleiding van de Europese richtlijnen om grensoverschrijdende mediations vast te leggen is men bezig om ook de nationale conflictbemiddeling een plaats te geven in de Nederlandse Wetgeving.
Om jezelf een mediator te kunnen noemen moet je eerst een erkende NMI registermediator opleiding volgen.[3] De opleiding wordt bij verschillende trainingsinstituten aangeboden. Tijdens de opleiding wordt er, naast het vergaren van psychologische en juridische kennis, aandacht gegeven aan gespreksvaardigheden. Door rollenspellen leer je praktijksituaties kennen waarin je naast het onderhandelen de psychologische en juridische kennis toe kan passen. Dit wordt ook bij een echte mediation van je wordt verwacht.

De partijen bij een mediation moeten ten eerste vrijwillig willen deelnemen aan de mediation en bereid zijn om een eigen inspanning te leveren. Tevens moet het gaan om zaken waarover partijen zelf kunnen beslissen. Ze nemen eigen verantwoordelijkheid bij de mediation.  Want de mediator lost het conflict niet op, maar brengt twee partijen nader tot elkaar. De mediator wordt primair ingezet om de vastgelopen communicatie tussen partijen weer op de rails te krijgen. Uit een verbeterde communicatie tussen twee partijen kan natuurlijk wel een oplossing komen. In eerste instantie denkt een mediator dus in opties en mogelijkheden en kan hij effectief met conflicten en emoties omgaan. Ze zal als onafhankelijk derde in het proces een gespreksstructuur aanbrengen en cliënten inzicht geven in elkaars en eigen gedrag en wensen. Het proces begint bij de voorbereiding, daarna bestaat het plenaire gedeelte uit een intake, exploratie, onderhandeling en besluitvorming, waarna op het einde het proces wordt afgesloten. Je begint de mediation met een overeenkomst en je eindigt de mediation met een overeenkomst.
Judith Bos – Accent Mediation, nadruk op de dialoog

Kort wat over Judith, de mediator waarbij ik de onderstaande ervaringen heb opgedaan. Judith heeft naast het zijn van mediator nog andere activiteiten, dus werkt ze parttime als mediator. Nadat ze in 2002 de mediationopleiding had afgerond, heeft ze samen met een collegamediator Het Akkoord opgericht. In 2004 is ze ook gaan werken als rechtbankmediator. Sinds 2011 voert ze een eigen praktijk onder de naam Accent Mediation.[4] Ze is NMI Registermediator en geeft uit oogpunt van conflictpreventie diverse trainingen. Wanneer er behoefte aan is om samen te werken met een andere mediator of deskundigen is ze hier flexibel in, ze doet zelfs aan online mediation. Naast het uitoefenen van het beroep vervult ze ook nog gerelateerde nevenactiviteiten. Kortom een ondernemende vrouw die vol passie haar werk, waar de dialoog voorop staat, volbrengt.

 

Volgens Judith is het my lucky day, want ik kan mee naar een workshop én een echtscheidingsmediation.
Workshop
De workshop mediation voor alumni psychologen van de RUG was een boeiende en interessante ervaring. Na een inleiding wat het beroep inhoudt, het bespreken van praktijkgevallen en een filmpje van een voorbeeldzaak mochten we zelf aan de slag. Er stond een rollenspel op het programma. Nadat de rollen waren verdeeld en ik was getransformeerd tot Lia Stoffel, de mediator, konden we beginnen.
Het betrof een conflict tussen een technisch directeur en een algemeen directeur van een bedrijf. De technisch directeur was al jaren bij het bedrijf werkzaam in tegenstelling tot de net aangestelde algemeen directeur. Na even warm worden en het proces te hebben uitgelegd aan de cliënten was het tijd om de mediationovereenkomst te tekenen. Dit document garandeert onder andere de geheimhouding en vertrouwelijkheid van het proces. Het volgende wat me te doen stond was het conflict in kaart brengen en de wensen van partijen achterhalen. Ik merkte dat je als mediator je moet kunnen inleven in de personen en het vertrouwen van beide personen moet winnen. Ook al hebben ze in het begin gezamenlijk ingestemd met de mediation, het vertrouwen en het meewerken van beide partijen gedurende het hele proces is de sleutel tot succes. Een onpartijdige mediator is hierbij een belangrijk element. Ik merkte aan mijzelf dat je snel met iemand meedenkt als diegene zijn of haar kant van het verhaal vertelt. Maar wanneer je daar vol in meegaat, verlies je ten eerste je onpartijdigheid en ten tweede het vertrouwen van de andere partij. Door partijen met elkaar te laten praten, soms het gesprek sturen en enkele mogelijkheden op tafel leggen werd er voor een eerste bijeenkomst al veel werk verricht. Partijen hebben een beter beeld van het proces gekregen, hebben uitgesproken wat het conflict betreft en toegelicht waar men naar toe wilt. Dat lijkt me een mooi resultaat van een eerste bijeenkomst én, voor mij, een eerste ervaring als mediator.

 

Echtscheidingsmediation
De echtscheidingsmediation waar ik bij mocht zijn vond dit keer niet op neutraal terrein plaats. Vanwege omstandigheden gingen we naar de mensen thuis. In de auto legde Judith mij de zaak uit, want bij een echtscheiding kunnen er verschillende elementen bij komen kijken. Deze zaak betrof een stel met minderjarige kinderen. Eenmaal binnen merkte ik gelijk dat Judith bij eerdere bijeenkomsten een band heeft ontwikkeld met het stel. Ze vertrouwen haar, zijn open en niet zakelijk of afstandelijk. Na het tekenen van mijn geheimhoudingsverklaring pakte Judith de zaak op waar hun vorige bijeenkomst was geëindigd. Er werd ook aandacht aan het ‘huiswerk’ van de partijen besteed. Zo nemen partijen geen overhaaste beslissing, worden er ook door hun dingen uitgezocht én zijn ze echt betrokken bij het proces. Tijdens deze bijeenkomst moesten de openstaande onderdelen van het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan[5] worden ingevuld. Nadat de mediator een punt heeft aangekaart, geven partijen aan hoe ze erover denken en overleggen ze de mogelijkheden. Judith springt in wanneer partijen niet duidelijk weten wat de (voordeligste) mogelijkheden zijn, en legt dan uit waaraan ze kunnen denken. Tevens stuurt ze het gesprek wanneer de spanningen tussen partijen wat hoger oplopen. Zo worden de overeenkomsten stap voor stap doorgelopen. En worden er door partijen gezamenlijke beslissingen genomen over de woning, pensioenen, alimentatie, omgangsregelingen etc. Aan het einde van de bijeenkomst legt Judith de verdere gang van zaken uit en sluit één van de partijen met een mooie uitspraak af: ‘ons huwelijk is niet mislukt, maar ons huwelijk is niet verder gelukt.’

Ik heb de indruk gekregen dat partijen door de bijeenkomsten, hun betrokkenheid en concessies zich meer bewust zijn van het proces en de uitkomsten. Ik vond het erg mooi om te zien dat mensen die kennelijk zo erg in conflict zijn en er zelf niet meer uitkomen, met behulp van een derde toch netjes met elkaar kunnen omgaan. Om er samen uit te komen en om elkaar verder te helpen.

 

Na het meelopen en het vergaren van informatie over mediation ben ik nog meer enthousiast geworden over het beroep. Bedankt Judith, voor de mogelijkheid om deze ervaringen op te doen en een kijkje in de keuken te hebben gekregen van een opkomend middel in de samenleving.

 

 



[1] Van Wemeskerken, H. 2012: Mediation: niet voor watjes. Mr. Magazine voor juristen Mr, Deventer: Kluwer 2012, nr. 11.

[2] Sinds 2007 hebben alle rechtbanken en gerechtshoven een verwijsvoorziening voor mediation in huis.

[3] Toetredingseisen tot het NMI Register:
NMI erkende basisopleiding, Theorie-examen, Assessment en een Verklaring Omtrent het Gedrag. Daarna moet je aan de Onderhoudseisen NMI register voldoen.
Structuur binnen de mediation:
NMI Gedragsregels, NMI mediation Reglement en een model mediationovereenkomst. Daarnaast kent het NMI een klachtenregeling en onafhankelijk tuchtrecht.

[4] Accent Mediation, met de nadruk op de dialoog: www.accentmediation.nl

[5] Artikel 1:247a BW jo artikel 815 lid 2 RV


  • 0

De huurcommissie: beschermengel van de huurders?

 

De huurcommissie: beschermengel van de huurders?
Erhan Aydogmus

 

Inleiding

Vele studenten kennen de organisatie Huurcommissie en weten waar zij voor staat. Het is algemeen bekend dat de Huurcommissie een onderzoek kan starten om te kijken of een verhuurder meer huur vraagt dan wettelijk is toegestaan. Op het eerste gezicht zou men verwachten dat er veel verzoeken binnen komen bij de Huurcommissie, vooral in steden met veel studenten. Desalniettemin heeft er een daling van verzoeken plaatsgevonden. In 2010 was de instroom 13.224 verzoeken, wat met 9.149 verzoeken in 2011 een daling betekent van twintig procent.1 Wat doet de Huurcommissie en hoe effectief is zij in de praktijk? Dit artikel zal eerst uiteenzetten wat de bevoegdheden zijn van de Huurcommissie en voor welke klachten de huurder terecht kan bij de Huurcommissie. Vervolgens zal er aandacht besteed worden aan de aangekondigde afschaffing van het woningwaarderingsstelsel en alle commotie daaromtrent.

De structuur van de organisatie

De naam ‘Huurcommissie’ is de verzamelnaam voor het zelfstandig bestuursorgaan Huurcommissie (hierna: ZBO Commissie) en de Dienst van de Huurcommissie (hierna de Dienst Commissie). De Commissie valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken. De ZBO Commissie bestaat uit een bestuur, zittingsvoorzitters en zittingsleden. Het bestuur geeft leiding aan de Commissie en aan de Dienst Commissie. Daarnaast is er een Raad van Advies dat uit drie huurdersleden, drie verhuurdersleden en drie onafhankelijke leden bestaat en die zowel gevraagd als ongevraagd adviezen uitbrengt aan het bestuur en daarmee een ondersteunende rol heeft.
De Dienst Commissie bestaat uit de afdeling Geschilbeslechting, het Bestuursbureau, het Bedrijfsbureau en de concerncontroller. De afdeling doet al het werk dat vooraf gaat aan de zitting. Men kan hierbij denken aan het doen van een onderzoek in een woning, of het opstellen van rapporten. Het Bestuursbureau ondersteunt het bestuur met betrekking tot het beleid, planning, strategie en communicatie. Ook de concerncontroller ondersteunt het bestuur over de primaire besturende processen. Het Bedrijfsbureau daarentegen houdt zich meer bezig met de financiën, het personeel en de organisatie.

 

De Huurcommissie in vogelvlucht

De Huurcommissie (hierna: de Commissie) is een landelijke onafhankelijke organisatie die de bevoegdheid heeft om de geschillen tussen de huurder en de verhuurder op te lossen door middel van het doen van een bindende uitspraak. Deze geschillen worden alleen behandeld als die tussen de huurder en de verhuurder afspelen over zelfstandige woningen, kamers, woonwagens en woonwagenstandplaatsen.2 De geschillen in het geding kunnen bestaan uit onenigheid over de onderhoud, de servicekosten maar ook over de hoogte van de huurprijs. De Commissie noemt limitatief  een aantal soorten gevallen die in behandeling genomen worden. Deze gevallen betreffen de situatie:

  1. waarin de huurder een all-in-prijs betaalt waarbij het onduidelijk is hoeveel de kale huurprijs en hoeveel de servicekosten bedragen;
  2. waarin het huurcontract nog geen zes maanden bestaat, kan de Commissie de huurprijs toetsen aan de wet. Wanneer blijkt dat de huurprijs hoger is dan het wettelijk is toegestaan, dan kan de huurder de teveel betaalde huur van de afgelopen maanden vorderen van de verhuurder;
  3. dat de huurprijs hoger is dan het wettelijk is toegestaan. De huurder kan dan een verzoek om huurverlaging indienen;
  4. dat de verhuurder zich niet houdt aan de regels van de wettelijke jaarlijkse huurverhoging; de huurder is oneens met de huurverhoging naar aanleiding van een renovatie;
  5. waarin de woning achterstallig onderhoud heeft. Er wordt een huurverlaging aangevraagd totdat de gebreken verholpen zijn door de verhuurder;
  6. dat de huurder van mening is dat de maandelijkse voorschot servicekosten te hoog zijn; de huurder is oneens met de jaarlijkse eindafrekening van de servicekosten.

In deze gevallen kan de huurder de Commissie inschakelen, mits het gaat om een niet-geliberaliseerde (sociale) woning. De Commissie probeert ook vooral door middel van mediation de huurder en de verhuurder tot een oplossing te laten komen. De Commissie probeert hierbij vooral een onpartijdige, objectieve rol aan te nemen en kosten te besparen door de partijen te laten schikken. Mocht dit niet baten, dan kan de Commissie het geschil in kwestie toetsen aan de wet- en regelgeving en aan de hand daarvan een bindende uitspraak doen. Van de 8.915 geschillen tussen de huurder en de verhuurder in 2011 heeft de Commissie 6.748 afgehandeld op een zitting.3 De meeste verzoeken in het jaar 2011 kwamen uit Noord-Holland en met name uit Amsterdam.4 Uit Noord-Holland werden er 3.146 verzoeken ingediend bij de Commissie.5 Groningen telt 50.000 studenten waarvan 35.000 studenten in de stad wonen.6 Daarmee is Groningen de vierde grootste studentenstad van Nederland.7 Merkwaardig genoeg werden er maar 333 verzoeken ingediend vanuit Groningen.8 Een verklaring voor het lage aantal verzoeken kan zijn dat mensen sceptisch zijn over de effectiviteit van de Commissie. Doorgaans willen de huurders niet op slechte voet staan met de verhuurders omdat ze vrezen dat ze uit het huis gezet kunnen worden. In essentie komt het er op neer dat de huurders niet goed weten wat hun rechten en plichten zijn en wat de rechten en plichten van de verhuurders zijn.  Door deze onwetendheid, vrezen de huurders dat ze ongelijk zullen krijgen in het geval van een zitting. Uit de cijfers blijkt echter dat van alle behandelde zaken de huurders in 62 procent gelijk krijgen.9 Hieruit blijkt dat de huurder voor de wet er veel sterker voor staat dan de verhuurder.

De Commissie en haar ‘procesrecht’

Wat is het ‘procesrecht’ van de Commissie? Welke stappen moet men ondernemen om bij de Commissie terecht te kunnen? Als eerste kan de huurder bij de Commissie informatie inwinnen omtrent de redelijkheid van de huurprijs of over alle andere klachten die binnen het domein van de Commissie vallen. Als de huurder en de verhuurder er toch niet uit komen, kan de huurder of de verhuurder bij de Commissie een schriftelijk verzoek indienen om een uitspraak te doen over het geschil dat tussen de huurder en de verhuurder bestaat. Dit verzoek moet schriftelijk geschieden. De verzoeker betaalt dan een voorschot op de leges aan de Commissie. Vervolgens verzamelt de Commissie informatie en kan zij een onderzoek verrichten in de woning. Degene die het onderzoek verricht stelt een rapport op van zijn bevindingen en presenteert dit aan de Commissie. Het rapport wordt tevens verzonden aan de huurder en de verhuurder. Het is de bedoeling dat de huurder en de verhuurder hierop schriftelijk reageren. Als de huurder en de verhuurder er nog steeds niet uitkomen, dan nodigt de Commissie de partijen uit voor een hoorzitting, waarbij ze in persoon kunnen verschijnen of zich mogen laten vertegenwoordigen. In die hoorzitting wordt er dan door de huurder en de verhuurder gereageerd op het rapport en brengt elke partij haar standpunten naar voren. Binnen zes weken na de zitting krijgen de partijen de uitspraak van de Commissie, hetgeen ook bindend is. Degene die ongelijk heeft gekregen wordt tevens veroordeeld voor de proceskosten. Als de uitspraak in het nadeel van de verhuurder uitpakt, dan betekent dat een verlaging van de huurprijs.

Puntensysteem afschaffen

Aan de hand van het woningwaarderingsstelsel (hierna: het puntenstelsel) kan de Commissie bepalen wat de maximale huurprijs van de woning in het geding mag zijn. De Commissie gaat dan aan de hand van dat puntenstelsel alle kamers van de woning langs en stelt dan vast hoeveel punten de woning per kamer, per voorziening krijgt. Punten worden toegekend voor woonkwaliteit en vierkante meters. Op het eind worden de totaal toegekende punten opgeteld en wordt aan de hand van een tabel gekeken hoeveel huur de wet voorschrijft voor dat totaal aantal punten. Als de verhuurder meer huur vraagt van de huurder dan het wettelijk is toegestaan dan kan de Commissie dus een bindende uitspraak doen en de huur verlagen. In het regeerakkoord Rutte II is de afschaffing van het puntenstelsel aangekondigd:10
‘Het systeem voor woningwaardering wordt sterk vereenvoudigd met als grondslag 4,5 procent van de waarde         op basis van de wet waardering onroerende zaken. Daarmee komt een einde aan het ingewikkelde       puntensysteem.
Voor huurders met een inkomen boven 43.000 wordt de maximale huurprijs op basis van het    woning waarderingssysteem tijdelijk buiten werking gesteld.  Na vertrek van de zittende bewoners geldt de   maximale huurprijs weer. Zo pakken we scheefwonen aan en blijft de sociale woningvoorraad in stand.’

Dit betekent dus dat de maximale huurprijs niet meer bepaald wordt door een puntensysteem waarbij de vierkante meters en de woonkwaliteit de maximale huurprijs bepalen, maar door een percentage van de WOZ-waarde.11 Dit kan in gebieden met woningnood leiden tot een veel hogere maximum huurprijzen, waarmee uiteindelijk het aantal sociale huurwoningen nog verder zal teruglopen.
Belangrijk om op te merken is tevens de waardering van de groene labels. In het puntensysteem krijgen groene labels relatief veel punten en de slechte labels krijgen weinig tot geen punten. Dit is dan een enorme stimulans voor de verhuurders om te investeren in de groene labels. Door woonlastenwaarborg zorgt men ervoor dat de huurder er beter van wordt. Door afschaffing van het puntenstelsel en invoering van de 4,5 procent van de WOZ-waarde, verdwijnt die prikkel om in groene energie te investeren.

Recente ontwikkelingen

De minister van Wonen en Rijksdienst heeft op 13 februari 2013 het nieuwe woningmarktakkoord gepresenteerd waarin er duidelijk veranderingen zijn opgenomen ten opzichte van het regeerakkoord van 29 oktober 2012. Daarin is geopperd dat het puntenstelsel intact blijft en voor alle inkomensgroepen geldt, maar dat uiterlijk september 2013 een voorstel gedaan zal worden tot een nieuw systeem. In dat voorstel zal men trachten om een mix te maken van het puntenstelsel met de WOZ-waarde.12 Het voorstel, stelt de minister, mag niet leiden tot ‘een beperking van de verdiencapaciteit van de verhuurder op macroniveau of andere schokeffecten’. Er wordt dus niet meer gewerkt met de maximumhuur van 4,5% van de WOZ-waarde. In het regeerakkoord was tevens opgenomen dat de huurders met een inkomen van €43.000,- of meer geen aanspraak konden maken op een maximum huurprijs. Ook dat is teruggedraaid door het stellen van een maximum huurprijs aan de hand van het puntenstelsel.

Conclusie

De Commissie is een buitengewoon effectieve organisatie die in het leven is geroepen om de geschillen tussen de huurder en de verhuurder op te lossen. In een limitatief aantal  gevallen kan de huurder maar ook de verhuurder een verzoek indienen bij de Commissie. De Commissie kan dan informatie inwinnen en een onderzoek starten en op basis daarvan de huurder en de verhuurder horen waarna de Commissie een bindende uitspraak doet. De Commissie gebruikt het puntenstelsel als leidraad in de beoordeling van het geschil. Het regeerakkoord van oktober 2012 heeft voor veel ophef gezorgd onder de huurders. Dit systeem trachtte het puntenstelsel af te schaffen en daarvoor in de plaats een 4,5 procent van de WOZ-waarde in te voeren. Niettemin is er op 13 februari 2013 aangekondigd dat het puntenstelsel van kracht blijft en dat er in september 2013 een nieuw voorstel gedaan zal worden. Voorlopig zal men moeten afwachten wat het lot van de woningmarkt wordt.



[i]               Via WWW <www.huurcommissie.nl/fileadmin/afbeeldingen/Jaarverslagen/Jaarverslag2011.pdf> p.9.

[i]               Via WWW <www.huurcommissie.nl/over-de-huurcommissie/>

[i]               Via WWW <www.huurcommissie.nl/fileadmin/afbeeldingen/Jaarverslagen/Jaarverslag2011.pdf> p.16.

[i]               Idem

[i]               Idem

[i]               Via WWW <www.os-groningen.nl/images/stories/rapport/Statistisch_Jaarboek_2010.pdf> p.94.

[i]               Idem

[i]               Via WWW <www.huurcommissie.nl/fileadmin/afbeeldingen/Jaarverslagen/Jaarverslag2011.pdf> p.18.

[i]               Via WWW <www.huurcommissie.nl/fileadmin/afbeeldingen/Jaarverslagen/Jaarverslag2011.pdf> p.20.

[i]               Via WWW <www.rijksoverheid.nl/regering/regeerakkoord/woningmarkt>

[i]               WOZ staat voor Wet waardering onroerende zaken. Aan de hand van deze wet bepaalt de gemeente de waarde van alle onroerende zaken binnen de eigen gemeentegrenzen.

[i]               Via WWW <www.pararius.nl/nederlands/nieuws.php name=Het_woningmarktakkoord_van_13_februari_2013_oplossing_of_doormodderen_LinkedIN>

 


  • 0

Anders kijken naar schade door misdrijven

Anders kijken naar schade door misdrijven

John Kamphuis

 

In zijn artikel ‘Een andere kijk op schade door misdrijven’[1] betoogt H.G. van de Bunt dat het ‘erg voor de hand’ ligt ‘om bij het beoordelen van de schadelijke gevolgen van misdaad te denken aan het leed of nadeel dat aan directe slachtoffers is toegebracht’, maar dat er ook een andere kijk op schade mogelijk is, die daar niet primair op gericht is. Van de Bunt licht dit toe door te zeggen: ‘Deze andere kijk komt er kort gezegd op neer dat de aandacht mede gericht is op het beoordelen van de effecten die misdrijven uitoefenen op ‘systemen’.’ Volgens hem ‘wint deze visie steeds meer terrein’. Hoe ziet deze visie er eigenlijk uit en hoe kan deze worden verklaard?

 

Inleiding

 

Het is mogelijk om de effecten te bezien die misdrijven uitoefenen op ‘systemen’. Als voorbeelden van ‘systemen’ noemt van de Bunt de vastgoedsector of een buurt. Voor beide ‘systemen’ neemt hij een situatie uit de praktijk. Zo refereert hij, naar aanleiding van een interview in NRC Handelsblad met Diederik Samsom,[2] aan Marokkaanse jongens die de buurt Amsterdam-Slotervaart onveilig maken. Van de Bunt citeert Samsom als deze spreekt over het ‘triomfalisme bij die jongens, de wetenschap dat ze zich onaantastbaar voelen, en dat ook zijn’. Dit zorgt voor een gevoel van onmacht bij de gezagsdragers. Van de Bunt leidt hieruit af dat ‘het systeem van controle hapert’ en dat Samsom daar ‘terecht de aandacht voor vraagt’.

 

De andere kijk op schade richt volgens van de Bunt de aandacht ‘op de aantasting van hogere belangen die de concrete strafzaken zelf lijken te ontstijgen’. Hij noemt dan twee zaken: ‘de ontwrichting van de formele sociale controle en de ondermijning van een ‘systeem’.’

Vooral omdat de ‘andere kijk op schade’ in de woorden van van de Bunt ‘steeds meer terrein’ wint, wil ik onderzoeken wat van de Bunt bedoelt als hij spreekt over ‘de ontwrichting van de formele sociale controle en de ondermijning van een ‘systeem’’ als zijnde ‘schadeposten’ van misdaad? Nadat ik zal komen tot een omschrijving van deze termen dringt zich de vraag op hoe deze ontwrichting en ondermijning kunnen worden verklaard. Vanuit de criminologische literatuur zal ik daartoe een poging doen.

 

Ontwrichting van de formele sociale controle

 

Zoals gezegd kan ontwrichting van formele sociale controle als schadepost van misdaad worden aangemerkt. Bij bronnen van formele sociale controle kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de politie of het bestuur van een bedrijf. Vanuit deze invalshoek wordt niet zozeer gelet op ‘het leed of nadeel dat aan directe slachtoffers is toegebracht’.[3] Maatgevend voor de ernst van de schade is ‘de mate waarin misdrijven effectief worden verhuld door ontwrichting van de sociale controle’.[4] Deze verhulling kan plaatsvinden door bijvoorbeeld de situatie te nemen dat binnen een bedrijf bestuurder X steekpenningen van werknemer Y aanneemt, zodat Y zonder hinder van X te ondervinden malafide praktijken kan ondernemen of voortzetten. De controlerende functie van X wordt hiermee ten aanzien van Y tot nul gereduceerd, waardoor Y ten opzichte van X een ‘vrijbrief’ heeft zich te onttrekken aan bestuurlijk toezicht. Duidelijk zal zijn dat de sociale controle in de relatie X-Y binnen het bedrijf hiermee ernstig wordt ontwricht. ‘Ontwrichting’ geeft in deze de situatie weer dat een stelsel niet fungeert als het behoort te fungeren. Door de beschreven corruptie ontstaat een bestuurlijk manco, waardoor bedrijfsvoering in haar kerndoelstellingen wordt getroffen. Een van deze doelstellingen is het bestaan van deugdelijk bestuur en correcte interne verhoudingen tussen individuen binnen het bedrijf, waardoor het mogelijk wordt als bedrijf vaste koers te varen en winsten te genereren.

Komt het door mij geschetste voorbeeld ‘aan het licht’, dan zijn de gevolgen ingrijpend. Niet alleen wordt het falen van sociale controle zichtbaar, het zal bijvoorbeeld ook leiden tot een verlies van vertrouwen van werknemers in het bestuur van het bedrijf waarvoor zij werken. Ontwrichting van formele sociale controle kan derhalve zeker als schadepost van misdaad worden aangemerkt. Deze vorm van schade kan niet met een eenvoudige transactie worden hersteld. Een begrip als ‘vertrouwen’ is een wat ongrijpbaar begrip (vooral ook vanwege de subjectiviteit van de term) en zal pas in oude glorie kunnen worden hersteld na verloop van langere tijd.

 

Ondermijning van een systeem

 

Van de Bunt omschrijft ‘ondermijning’ van een systeem als een ‘verzwakking van binnenuit’.[5] Andere omschrijvingen van het begrip richten zich vooral op haar ondergravende en uithollende werking. Onze gedachten gaan uit naar de recent geopenbaarde fraudeleuze praktijken door hoogleraar Diederik Stapel. Sinds 2004 zou Stapel verzonnen data hebben gebruikt in zeker dertig artikelen in toonaangevende tijdschriften op het gebied van de sociale psychologie.[6] Hoewel de voorzitter van de vereniging van universiteiten VSNU, Sijbolt Noorda, aangeeft dat de fraude van Stapel het aanzien van de Nederlandse universiteiten niet heeft geschaad,[7] wordt dit door de commissie (onder leiding van de heer Levelt) die onderzoek heeft gedaan naar het gesjoemel door Stapel weersproken.[8] In ieder geval is de schade van de fraude enorm. Niet alleen betekent de fraude – in de woorden van Levelt – een ‘persoonlijke tragedie’ voor de studenten die aan Stapel waren toevertrouwd,[9] de fraude bewerkt ook onder meer sterke gevoelens van onveiligheid. Wie kan wel worden vertrouwd? Wie beweert dat de collega met wie ik samen werk ‘schone handen’ heeft?

 

Van de Bunt legt in zijn artikel uit wanneer criminaliteit ondermijnend is: ‘Criminaliteit is ondermijnend als deze gepleegd wordt door een insider. Dat wil zeggen: door iemand die ogenschijnlijk gewoon onderdeel uitmaakt van het sociaal verband. Wanneer deze persoon, in wie blind vertrouwen werd gesteld, crimineel gedrag pleegt, trilt de gemeenschap na op zijn grondvesten. (…). Een individuele zaak kan leiden tot een verlies van vertrouwen in de integriteit van de politie, de wetenschap, of de vastgoedsector.’[10]

 

Verklaring voor ontwrichting van de formele sociale controle

 

Dat ontwrichting van de formele sociale controle een serieuze bedreiging vormt voor belangwekkende waarden als veiligheid en vrijheid, zal geen nieuws zijn. Ontwrichting is niet zelden een doordachte en welbewuste activiteit, die onder andere daardoor diepe sporen kan trekken in bijvoorbeeld een systeem als een buurt. Van de Bunt spreekt in dit verband van ‘strategieën (…) die criminele samenwerkingsverbanden gebruiken om sociale controle te ontwrichten, zoals de aantasting van de competentie van controleurs, het blokkeren van de toegang tot deze personen, en het ontlopen van formele sociale controle.’[11]

Deze strategieën komen niet uit de lucht vallen, maar hebben een aanloop. Ze komen voort uit een ambitie zodanige vrijheden te creëren, dat doelen worden bereikt. Om bij het voorbeeld (X-Y) uit de vorige deelparagraaf te blijven: Y zoekt ‘speelruimte’ om malafide praktijken te kunnen ondernemen en creëert deze door X steekpenningen te geven. Y zoekt deze ‘vrijheid’, hoe moreel afkeurenswaardig deze vorm van vrijheid ook is. Hier staat tegenover dat op de vrijheden van anderen wordt ingeboet. Op de vrijheid van onbegrensd vertrouwen in meerderen binnen de bedrijfshiërarchie (bestuur) wordt door de malafide praktijken van Y in combinatie met het stilzwijgen van X hieromtrent, inbreuk gemaakt. Vrijheden blijken dus onderling concurrerende waarden te kunnen zijn, afhankelijk van de wijze waarop de term ‘vrijheid’ wordt geïnterpreteerd en uitgelegd.

 

Er zijn legio voorbeelden te bedenken op welke wijze formele sociale controle kan worden ontwricht. Een uitputtende lijst is niet te geven. Ook zal ik teveel in de algemeenheid blijven hangen als ik slechts enkele algemene opmerkingen maak over de ontwrichting van de formele sociale controle als zijnde schadepost van misdaad. Ik neem één voorbeeld en verklaar deze: het ontlopen van formele sociale controle. De vraag is dan: hoe kan het ontlopen van formele sociale controle deze controle ontwrichten en daardoor als schadepost van misdaad worden aangemerkt?

 

De verklaring voor de ontwrichting door het ontlopen van de formele sociale controle zullen we ook hier moeten zoeken in de nauwe samenhang tussen binding aan bronnen van formele sociale controle en de mate van ontwrichting hiervan.[12] Het ontlopen van de binding aan deze bronnen schept een zee van mogelijkheden voor een persoon om als een ‘onzichtbare’ een eigen, crimineel spoor te gaan. Dit maakt de ontwrichting tegelijkertijd ook zo ongrijpbaar. Toch moeten we nog een stap verder. De ‘onnavolgbaarheid’ van de crimineel (wegens zijn ‘onzichtbaarheid’) impliceert twee dingen. In de eerste plaats ontstaat bij burgers wantrouwen ten aanzien van de slagvaardigheid en de zin van formele bronnen van sociale controle (bijvoorbeeld een wijkagent), waardoor zich gevoelens van onbeschermdheid en onveiligheid ontplooien. Je zou maar op het verkeerde moment op de verkeerde plaats zijn! In de tweede plaats kan bij bijvoorbeeld de wijkagent het besef optreden dat hij niet toereikend kan handelen ten aanzien van het doel waarvoor hij is aangesteld, namelijk het bieden van veiligheid en het scheppen of in stand houden van orde. Hij krijgt criminele strategieën, criminelen en gevaarvolle situaties immers niet scherp in het vizier. Deze twee zaken vormen schadeposten. Zowel het oogmerk waarom bronnen van sociale controle worden ontlopen (waardoor iemand makkelijker crimineel gedrag kan vertonen of criminele samenwerkingsverbanden zich ‘ongezien’ kunnen manifesteren), als de gevolgen van dit ontlopen (als het verlies van vertrouwen bij burgers in bronnen van sociale controle), kunnen worden verklaard vanuit de bindingstheorie. Deze theorie stelt dat de gelegenheid de dief maakt[13] en ‘dat de kans op deelname aan criminele activiteiten groter wordt als de gelegenheid groot is’. Op basis van de bindingstheorie stellen Cohen en Felson dat er drie voorwaarden zijn voor een delict. In de eerste plaats moet er een gemotiveerde dader zijn. In de tweede plaats een aantrekkelijk doelwit. En in de derde plaats weinig of geen toezicht.[14] De crimineel zal meer ‘vrijheid’ ervaren crimineel gedrag te plegen door weinig of geen toezicht op zijn handelen te ondervinden en de burger zal door het ongrijpbare karakter hiervan wantrouwen ontwikkelen jegens het systeem dat hem moet beveiligen tegen indringers van buitenaf. Tegelijkertijd zullen de actoren binnen het systeem (als agenten) hun onvermogen om ongewenste situaties binnen het systeem effectief te weren invoelen. Om dit te doorbreken, kan een eerste aanzet zijn personen, groepen en situaties binnen een systeem beter in kaart te brengen, zodat duidelijk is of duidelijker wordt waar personen en groepen zich mee bezig houden. Door op deze wijze toezicht te versterken, kan de kans op het ontlopen van bronnen van sociale controle worden verkleind. Deze aanbeveling past naadloos bij het huidige criminaliteitspreventiebeleid. Daarover schrijft onder andere dr. R. van Swaaningen in zijn artikel ‘Justitie als verzekeringsmaatschappij’. Van Swaaningen meldt dat het huidige criminaliteitspreventiebeleid gericht is ‘op het beperken van de gelegenheid om op bepaalde plaatsen delicten te plegen, en om de institutionele sociale controle op bepaalde risicogroepen (met name Marokkaanse en Antilliaanse jongeren) te vergroten.’[15]

 

Verklaring voor ondermijning van een systeem

 

Het gegeven dat ondermijning per definitie ‘van binnenuit’ gestalte krijgt, impliceert de noodzakelijkheid te letten op de gedragingen (actief of juist passief) van alle actoren binnen een systeem. Niet slechts de personen met ondermijnende plannen behoeven onze focus, maar ook alle personen rondom hen. Het gedrag van bijvoorbeeld niet kwaadwillende burgers in een buurt vormt een deelverklaring voor ondermijning van een systeem door lieden die het systeem van binnenuit verzwakken. De opstellers van een rapportage over ondermijning verwoorden dit voortreffelijk: “De mentaliteit van de burger bepaalt in een forse mate hoe makkelijk het is om ondermijnende activiteiten in de maatschappij te ontplooien. Een samenleving waarbinnen de burger alert is (maar niet angstig), waakzaam is (maar niet wantrouwend), saamhorig is (zonder uitsluiting) en durft aan te spreken (en aanspreekbaar is) zal een moeilijke horde blijken voor mensen met ondermijnende plannen. Als een of meerdere van deze eigenschappen niet of minder onder de burgers in een samenleving aanwezig is, zal deze samenleving kwetsbaarder zijn voor ondermijning.”[16] Hoe kwetsbaarder een samenleving voor ondermijning is, hoe makkelijker een actor binnen een systeem zijn gewenste ondermijnende doelen succesvol zal kunnen bereiken en hoe groter ook de schok bij de overige actoren binnen hetzelfde systeem wanneer de ondermijning ‘aan het licht’ komt. Deze schok kan onder andere gevoelens van nalatigheid en onoplettendheid bij ‘omstanders aan de zijlijn’ behelzen en kan dwingen tot constructieve zelfreflectie. Bij de verklaring voor ondermijning van een systeem blijkt dus de belangrijkheid van de toezichthoudende functie van bronnen van informele sociale controle (zoals een gezin of vrienden).

 

Toch hebben we het tot nu toe alleen nog maar gehad over een remmende factor op de ontwikkeling van ondermijnende activiteiten. We zullen iets dieper in moeten gaan op een verklaring voor ondermijning van een systeem als fenomeen. In aansluiting op het voorgaande kunnen we een wetenschappelijke verklaring voor ondermijning als fenomeen vinden in de zogenaamde ‘containment-theorie’. Deze theorie is in 1961 door de socioloog Walter C. Reckless ontwikkeld. Reckless ziet criminaliteit als het gevolg van sociale druk om deviant gedrag te vertonen en de faling van controlemechanismen om deze druk te weerstaan.[17] Reckless stelt dat ieder mens controlemechanismen heeft en dat als deze afbrokkelen men crimineel gedrag zal gaan vertonen. Deze controlemechanismen zijn deels intern en deels extern. Intern, als zijnde interne krachten om prikkels te weerstaan (temperament). Extern, als zijnde de kracht van de omgeving om het individu in haar greep te houden. Wanneer deze krachten (nagenoeg) onbetekenend van karakter raken, ‘lonken’ mogelijkheden om moreel afwijkend gedrag te vertonen. Werknemer Y heeft zijn plan malafide praktijken te ondernemen al lang en breed uitgedacht en geeft zich met hart en ziel aan deze missie. Zijn wil is gericht op een resultaat, die hij middels het geven van steekpenningen aan bestuurder X probeert te bereiken. Hij ervaart geen interne prikkel naar culturele en bedrijfsloyale maatstaven wenselijk gedrag te vertonen. Tegelijkertijd legt hij X het zwijgen op door X voor zijn zwijgen te belonen. Zo ‘dooft’ hij de kracht (bevoegdheid tot ingrijpen) van zijn meerdere en manoeuvreert X zich in een situatie waarin het systeem (het bedrijf) ernstig wordt ondermijnd. X ziet het geld glinsteren en kan geen weerstand bieden tegen de macht van het geld. Daarnaast hoeft hij niets te vrezen van zijn ondergeschikten (zij hebben jegens hem geen controlerende functie) en zullen zijn collega-bestuurders hem geen kruisverhoor afnemen, simpelweg omdat zij nog niet het minste vermoeden hebben dat X zich inlaat met duistere praktijken.

Besluit

 

Buiten kijf staat dat zowel ontwrichting van formele sociale controle als ondermijning van een systeem als schadeposten van misdaad kunnen worden beschouwd. Beiden kunnen zeer ernstige gevolgen hebben, wat zich meestal uit in vertrouwensschending bij diverse partijen (bijvoorbeeld burger jegens gezag en werknemer jegens bestuurder). Bij de ontwrichting is maatgevend voor de ernst van de schade de mate waarin misdrijven effectief worden verhuld door ontwrichting van de sociale controle. Achter de ontwrichting zitten vaak strategische plannen. Uitgewerkt is dat de bindingstheorie verklaard hoe het ontlopen van formele sociale controle handen en voeten krijgt.

 

Systeemondermijning betekent het bestaan van een uithollende, verzwakkende werking van binnenuit. Ook dan is de schade vaak enorm. Dit uit zich meestal in ernstige vertrouwensbreuken, wat we treffend hebben gezien bij de fraudeleuze praktijken door hoogleraar Diederik Stapel. De belangrijkheid van de toezichthoudende functie van bronnen van informele sociale controle is enorm. Als wetenschappelijke verklaring voor ondermijning als fenomeen doet de zogenaamde containment-theorie uitstekend dienst.

 

**

 

 

 



[1] H.G. van de Bunt, ‘Een andere kijk op schade door misdrijven’, DD 2011, 61.

[2] NRC, 16 september 2011.

[3] H.G. van de Bunt, ‘Een andere kijk op schade door misdrijven’, DD 2011, 61, p. 884.

[4] H.G. van de Bunt, ‘Een andere kijk op schade door misdrijven’, DD 2011, 61, p. 886.

[5] H.G. van de Bunt, ‘Een andere kijk op schade door misdrijven’, DD 2011, 61, p. 887.

[6] http://nos.nl/artikel/308864-fraude-hoogleraar-stapel-verbijsterend.html.

[7] www.bndestem.nl/regio/9994096/Stapel-schaadde-aanzien-universiteiten-niet.ece.

[8] www.tilburguniversity.edu/nl/nieuws-en-agenda/commissie-levelt/interim-rapport.pdf.

[10] H.G. van de Bunt, ‘Een andere kijk op schade door misdrijven’, DD 2011, 61, p. 887.

[11] H.G. van de Bunt, ‘Een andere kijk op schade door misdrijven’, DD 2011, 61, p. 886.

[12] J.H. Laub, R.J. Sampson en L.C. Allen, Explaining Crime Over the Life Course, in: R. Paternoster en R. Bachman (red.), Explaining Criminals and Crime, Los Angeles: Roxbury Publishing Company 2001, hoofdstuk 4, p. 104.

[13] Muller, E.R. e.a., Criminaliteit. Criminaliteit en criminaliteitsbestrijding in Nederland. Alphen aan den Rijn: Kluwer 2010, p. 151.

[14] Cohen, L.E. & Felson, M. (1979). Social change and crime Rate and Trends: A Routine Activity Approach. American Sociological Review, 44 (4), p. 588-608.

[15] R. van Swaaningen, Justitie als verzekeringsmaatschappij ‘Actuarial justice’, Justitiële Verkenningen 1996, nr. 5, p. 89.

[16] Over ondermijning. Een verkenning naar fenomeen, de aanpak en mogelijke verbeteringen, Uitgave Politie Amsterdam-Amstelland 2009, p. 115.


  • 0

De rechtvaardigheid van straffen

Als de rechter een straf oplegt worden de meest fundamentele rechten van de gestrafte aangetast. Wat rechtvaardigt het straffen en waarom straffen we eigenlijk. Een korte filosofische blik op het opleggen van straffen in Nederland.

 

 

De rechtvaardigheid van straffen

Doelen en legitimering van straffen in Nederland

 

Pamela Joyce Haak

 

De ene verdachte krijgt een celstraf, de andere verdachte krijgt een taakstraf. De rechter legt de een na de andere straf op bij een overtreding van de normen van onze maatschappij. Maar waarom straffen we, en met welk achterliggend doel? Hoe bereiken we deze doelen en hoe is een straf te rechtvaardigen? Volgens filosoof H.L.A. Hart kan de rechtvaardiging van straffen ook niet met een simpel antwoord worden gegeven en Plato ging uit van het idee dat de straf bij moet dragen aan de verbetering van de gestrafte. Daarnaast hebben we nog de natuurrechtdenkers zoals Hugo de Groot die de straf zien als een gewild gevolg van de normoverschrijding. De rechtvaardiging sluit aan bij de wil van de gestrafte. [1] Over de rechtvaardiging van straffen wordt al eeuwen nagedacht, dat is ook niet zo gek want straffen tasten de belangen en rechten van de gestrafte aan die we juist willen beschermen: leven, lijf, vrijheid, vermogen en eer. In dit artikel bespreek ik de strafdoelen en theorieën die we hanteren om straffen te rechtvaardigen. Daarnaast besteed ik aandacht aan de vraag waarom we het ene kwaad met het andere mogen beantwoorden en de theorieën  die daarbij aan bod komen. Kortom: een filosofische blik op het opleggen van straffen.[2]

 

In Nederland onderscheiden we vier hoofdstraffen, namelijk de gevangenisstraf, de hechtenis, de taakstraf en de geldboete en drie bijkomende straffen, ontzetting van rechten, de verbeurdverklaring en de openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.[3] Deze straffen kunnen worden opgelegd als iemand een strafrechtelijke norm overtreedt. De rechter heeft keuzevrijheid gekregen in het opleggen van een straf. Maar het is belangrijk om stil te staan bij de vraag waarom er eigenlijk gestraft wordt. Een straf vereist namelijk een rechtvaardiging. We kunnen de volgende vijf strafdoelen in ons strafrecht onderscheiden: vergelding, afschrikking, onschadelijkmaking, resocialisatie en herstel maar traditioneel wordt er bij de vraag naar rechtvaardigheid van straffen een onderscheid gemaakt tussen twee theorieën.[4] Een van de oudste strafrechttheorieën is de vergelding. Deze theorie gaat uit van een rechtvaardiging van de straf omdat de gestrafte een norm heeft overschreden. Daarnaast kennen we de theorie waarbij het voorkomen van toekomstige misdrijven voorop staat. [5]

 

Straffen worden opgelegd bij overtreding van maatschappelijke normen

 

De basisgedachte van straffen gaat uit van vergelding. Het idee van vergelding komt voort uit het retributivisme en is al heel oud. We kennen het idee ook wel als ‘oog-om-oog en tand-om-tand. De schade die door de dader aan de rechtsorde is toegebracht dient te worden vergolden; een dader verdient straf. “Grotius omschreef de straf als een ‘Malum passiones propter malum actionis’ Een straf is het kwaad dat men lijdt wegens een kwaad dat men deed.”[6] Het retributivisme is gericht op het verleden. Een straf is gerechtvaardigd omdat de dader het verdiend heeft met zijn daad. De dader wordt op deze manier geconfronteerd met de strafrechtelijke norm die hij heeft overtreden.[7] De grondslag van de straf volgens de theorie van de vergelding ligt daarmee in het gepleegde delict zelf.

 

Oog-om-oog, tand-om-tand

 

Vergelding is nog steeds een heersende straftheorie in ons huidige strafrecht. Ook al moet er niet meer per se te worden vervolgd, vergelding is als uitgangspunt wel aan de orde. De schuld van de verdachte is daarmee ook bovengrens van de straf. Valt de dader geen verwijt te maken mag er niet worden gestraft.[8] De vergeldingstheorie biedt een goede uitkomst, iemands kwade daad moet worden vergolden. Ook is het een kale theorie. Want hoe moet worden vergolden? Kwaad vergelden we met kwaad. Vergelden we een moord dan met de doodstraf? Om deze redenen zijn de andere straftheorieën geformuleerd, dit zijn de positieve strafdoelen afschrikking, onschadelijkmaking, resocialisatie en herstel.[9] En doel afzonderlijk is onvoldoende als rechtvaardiging voor een straf, de strafdoelen en theorieën moeten in verband met elkaar worden gezien en rechtvaardigen zo de straf.[10]

 

Vergelding is slechts een kale theorie, daarom kennen we ook de positieve strafdoelen

 

Straffen kan ook worden gerechtvaardigd door het preventieve karakter dat de straf heeft. In de negatieve zin spreken we dan van afschrikking. Het strafdoel afschrikking komt voort uit het utilitarisme. Het utilitarisme gaat uit van het idee dat moet worden gestraft om geluk te maximaliseren. Het is gericht op de toekomst; een straf is gerechtvaardigd omdat het helpt misdaad te voorkomen.  Het opleggen van straffen wordt in de praktijk vaak door beide theorieën gerechtvaardigd, een straf kan zowel utilitair als verdiend zijn.[11]  We kunnen het idee van de afschrikking en preventie onderscheiden in twee soorten preventie: generale preventie en speciale preventie. De generale preventie rechtvaardigt de straf vanwege het doel. Volgens de theorie van generale preventie is een straf nodig om criminaliteit in de samenleving te voorkomen. De bedreiging en het daadwerkelijk opleggen van een straf doet de samenleving afschrikken. Deze dreiging is slechts effectief wanneer er bij een overtreding van de maatschappelijke normen ook daadwerkelijk een straf wordt opgelegd. We noemen generale preventie ook wel afschrikking van de maatschappij. Het betreft daarmee het voorkomen van misdaad door anderen dan de gestrafte. De maatschappij neemt deze strafdreiging serieus en wordt hier mee afgeschrikt om ook een normoverschrijding te begaan. Het effect van de generale preventie wordt bereikt door de ogenschijnlijk op te leggen straffen. Deze dreiging wordt onderstreept indien er daadwerkelijk een straf wordt opgelegd bij het overschrijven van een maatschappelijke norm.

 

Generale preventie noemen we ook wel afschrikking van de maatschappij

 

De theorie van speciale preventie acht een straf rechtvaardig als de straf er op is gericht om te voorkomen dat de gestrafte wederom een norm overtreed. Het behelst het voorkomen van criminaliteit en misdaad van de gestrafte door middel van het straffen. De gestrafte ervaart de onplezierige consequenties van zijn straf en kan daardoor worden afgeschrikt om nogmaals de fout in te gaan.  De speciale preventie kan worden ingevuld door het afschrikken, de resocialisatie en de onschadelijkmaking van de gestrafte.

 

‘Een straf kan zowel utilitair als verdiend zijn’

 

Bij onschadelijkmaking moet worden gedacht aan het opleggen van de doodstraf of een gevangenisstraf. Zo lang de gestrafte niet in de samenleving is, is hij onschadelijk voor de samenleving. Daarnaast kan een straf ook tot gevolg hebben dat de gestrafte geresocialiseerd wordt. Als de gestrafte geresocialiseerd is voelt hij geen behoefte meer om het slechte pad op te gaan.[12] Ook wordt het strafrecht ingezet om de morele balans in de maatschappij te herstellen. Door straffen op te leggen wordt men er aan herinnerd welke normen en waarden er in de samenleving als geheel gelden. Maar ook kan het opleggen van een straf bijdragen tot de vorming en versterking van bepaalde normen. Het antwoord op de vraag of straffen gerechtvaardigd is ligt ten eerste in de bovengenoemde strafdoelen. Door middel van straffen wordt er een uiting gegeven aan de maatschappelijke afkeuring. Daarnaast wordt een probleemoplossing en herstel van de door het misdrijf berokkenen schade bevorderd, wordt de maatschappelijke integratie van de dader bevorderd en wordt de maatschappij beschermd.

 

De vijf strafdoelen zijn: vergelding, afschrikking, onschadelijkmaking, resocialisatie en herstel

 

De straffen opgesomd in art. 9 van ons Wetboek van Strafrecht bevatten de strafdoelen. Een gevangenisstraf wordt vooral opgelegd als vergelding voor het begane strafbare feit en ter bescherming van de maatschappij. Ook dient de vrijheidsstraf de generale preventie omdat vanuit de vrijheidsstraf de grootste dreiging uitgaat. Maar ook de veroordeelde zelf wordt niet vergeten, resocialisatie en terugkeer worden mogelijk gemaakt op grond van de Penitentiaire beginselenwet. Daarentegen heeft de taakstraf de vorm van een leerstraf en staat daarmee in het teken van de speciale preventie.[13]

 

De strafdoelen volgen impliciet uit de straffen van art. 9 van ons Wetboek van Strafrecht

 

Maar waarom mogen we het ene kwaad met het andere beantwoorden? Waarom dient een overtreding met een straf te worden vergolden? Om deze vraag te beantwoorden zijn er vier groepen theorieën. De verdragstheorieën, de absolute theorieën, de relatieve theorieën en de verenigingstheorieën. Verdragstheorieën komen voort uit de tijd van de verlichting en zijn gebaseerd op de fictie dat burgers op grond van vrijwillig onderling gesloten maatschappelijke verdragen hebben aanvaard dat schending dat die verdragen leidt tot bestraffing. Wijsgeer Fichte (1762 – 1814) legt de verdragstheorie zo uit dat de burger recht heeft op straf om te voorkomen dat hij buiten de gemeenschap wordt gesloten. De absolute theorieën zijn niet gericht op de werking van de straf in de toekomst. De rechtvaardiging van de straf ligt bij deze theorieën in de strafgrond.  Vaak is deze strafgrond vergelding. De straf vindt met andere woorden de rechtvaardiging in de normoverschrijding zelf, geheel los van het effect van de normoverschrijding. Hegel meende dat de vergelding een gelijkheid tussen straf en misdaad vereist. Dit behoeft niet identiek te zijn maar dient een gelijkheid in waarde te hebben.[14] Bij de relatieve theorieën heeft de straf betrekking op de toekomst. De rechtvaardiging wordt niet alleen gevonden in het doel maar ook opdat er niet wederom een normoverschrijding wordt begaan. Dit wordt bereikt door de generale en de speciale preventie, welke ik zojuist heb besproken. Verenigingstheorieën worden gebaseerd op het idee van de vergelding maar de strafsanctie wordt ook gericht op het strafdoel. Bij deze theorie krijgen strafgrond en strafdoel elk een eigen plaats. Het strafdoel blijft vergelding, maar volledige vergelding is niet meer vereist. Dit komt omdat vergelding geen zelfstandig strafdoel meer is. Het doel, vergelding, moet worden nagestreefd door het gebruik van de straf en de strafrechtspleging.[15]

 

Vergelding moet worden nagestreefd door straffen en strafrechtspleging

 

Het bestraffen kan op meerdere manieren gerechtvaardigd worden. Er kan op verschillende manieren tegen het bestraffen worden aangekeken. Iedereen kan daar een eigen beeld bij hebben. De grootste rechtvaardiging van straffen ligt in de theorie van de vergelding. Iemand heeft een maatschappelijke norm overschreven en dit dient te worden vergolden door middel van een straf. Als tweede rechtvaardiging kan de preventie worden genoemd. Aan de ene kant de generale preventie die de samenleving als geheel afschrikt en aan de andere kant de speciale preventie die de gestrafte ervoor dient te behoeden nogmaals de fout in te gaan. Met andere woorden: er kan niet een specifieke rechtvaardiging voor straffen worden gegeven, de verschillende strafdoelen en theorieën hangen met elkaar samen.

 

 



[1] C. Kelk, Studieboek Materieel Strafrecht, 3e druk, Kluwer 2005, p. 18

[2] Dijk, A.A. Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen, Apeldoorn: Maklu Apeldoorn 2008, p. 88. Vragen geformuleerd door filosoof H.L.A. Hart.

[3] Art. 9 eerste lid Wetboek van Strafrecht

[4] P.A.M. Mevis, Capita strafrecht, Ars Aequi  Libri 2009, p. 150

[5] Gerdjan Hoekendijk en Max Kommer, Strafdoelen en tenuitvoerlegging: perspectief op een nieuwe verenigingstheorie?

[6] Ch. J. Enschede, Beginselen van het strafrecht, Kluwer 2005, p. 11-17

[7] Mr. M.J. Kronenberg en Mr. B. de Wilde, Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht, Deventer: Kluwer 2007, p. 23

[8] Art. 39 Wetboek van Strafrecht

[9] P.A.M. Mevis, Capita strafrecht, Ars Aequi  Libri 2009, p.150

[10] P.A.M. Mevis, Capita strafrecht, Ars Aequi  Libri 2009, p.151

[11] Dijk, A.A. Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen, Apeldoorn: Maklu Apeldoorn 2008, p. 85-87

[12] Dijk, A.A. Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen, Apeldoorn: Maklu Apeldoorn 2008, p. 91

[13] Art. 22c Wetboek van strafrecht

[14] C. Kelk, Studieboek Materieel Strafrecht, 3e druk, Kluwer 2005, p. 19

[15] Ch. J. Enschede, Beginselen van het strafrecht, Kluwer 2005, p. 11


  • 0

Interview met mr. Sidney Smeets: De ‘lokpuber’, een mislukt experiment?

De ‘lokpuber’, een mislukt experiment?

Interview met mr. Sidney Smeets, strafrechtadvocaat bij Spong Advocaten te Amsterdam

 

Door: J.H. Kamphuis

 

In 2010 besloot het Landelijk Parket een experiment in het leven te roepen. Dit behelsde de inzet van zogenaamde ‘lokpubers’. Middels dit nieuwe opsporingsmiddel pogen zedenrechercheurs, door zich op het internet als minderjarigen voor te doen, mannen en vrouwen op te sporen die ongewenst gedrag vertonen jegens minderjarigen.[1] Voornaamste doel hiervan is het seksueel misbruik van kinderen op het internet een halt toe te roepen.

 

Reacties vanuit de juridische wereld op de inzet van ‘lokpubers’ liegen er niet om. Zo schrijft mr. Sidney Smeets[2] in een opinieartikel het volgende: ‘De inzet van ‘lokpubers’ was (…) tevoren tot mislukken gedoemd.’[3] Aanleiding genoeg naar het kantoor van Spong Advocaten aan de Keizersgracht in Amsterdam af te reizen om mr. Sidney Smeets te spreken naar aanleiding van zijn bijdrage in het debat rondom de inzet van ‘lokpubers’.

 

Sidney, naast je schrijven op Volkskrant.nl reageerde je in de media ook op een uitspraak van Rb. Den Haag (06-09-2012), waardoor een 36-jarige Leidenaar die werd verdacht van het uitlokken van seks met een minderjarige en het bezit van kinderporno, op vrije voeten werd gesteld. In deze zaak, waarin jij de verdachte als raadsman bijstond, had de politie een ‘lokpuber’ ingezet. De rechtbank oordeelde dat daardoor de aanhouding van de man onrechtmatig was.[4] Je sprak tegenover het Leidsch Dagblad van ‘een doorbraak’.[5] 

Waarom was de inzet van ‘lokpubers’ in jouw ogen tevoren tot mislukken gedoemd en waarom spreek je naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van een doorbraak?

 

‘Wat we in de Leidse zaak hebben gedaan, is het volgende. We hebben een bezwaarschrift tegen de dagvaarding ingediend. Als je van overtuiging bent dat het Openbaar Ministerie (OM) ten onrechte tot vervolging is overgegaan, kun je bezwaar tegen de dagvaarding indienen. De reden voor een rechter om een dagvaarding gegrond te verklaren, is als de rechter het op voorhand onaannemelijk vindt dat hij later tot een veroordeling zal komen.

 

De reden dat van deze onaannemelijkheid in dit geval sprake was, en dat ik heb gezegd dat de inzet van ‘lokpubers’ op voorhand tot mislukken gedoemd experiment is, is gelegen in de specifieke aard van grooming. Grooming is het via digitale middelen benaderen van minderjarigen met het doel seksafspraken met hen te maken. Echter, hiervoor geldt dat dit alleen strafbaar is als de persoon die je benadert ook daadwerkelijk onder de zestien is. Als een persoon niet onder de zestien is, dan is simpelweg niet voldaan aan de delictsomschrijving en is er geen sprake van een strafbaar feit.

 

Het OM had dit van tevoren kunnen weten. En niet alleen omdat het in de wet staat. Het is namelijk zo dat het OM op dit moment mede vanuit het Ministerie van Justitie, waar de heer Teeven als staatssecretaris zit, wordt geleid. Nu wil het geval dat de heer Teeven destijds bij de behandeling van het wetsvoorstel over grooming aan de Minister de vraag heeft gesteld: “Stel nu dat een persoon op het internet in contact komt met een andere persoon, waarvan hij denkt dat deze jonger is dan zestien jaar, maar dat niet blijkt te zijn, is dat dan strafbaar?” Het antwoord van de Minister daarop was helder: “Nee, dat is niet strafbaar.”.

Het is dus onbegrijpelijk dat het OM, niet alleen omdat het in de wet staat, maar ook omdat het letterlijk gevraagd is aan de Minister in de Kamer, toch heeft gedacht: als we ‘lokpubers’ gaan inzetten, dan zou dat wel eens een verdenking op kunnen leveren.

 

Daarnaast vind ik het onbegrijpelijk in het specifieke geval van de Leidse man. Er bestond namelijk geen verdenking. Je kunt je voorstellen dat als er een website is, waar het OM regelmatig klachten over krijgt in het geval er seksafspraken met jongeren onder de zestien worden gemaakt, dat je interesse als opsporingsapparaat wordt gewekt en je een goede reden hebt om op zo’n website iets te gaan onderzoeken.  Maar als dat niet zo is, dan gaat het wel heel ver als je zegt: in z’n algemeenheid komt het wel eens voor dat mensen op het internet verleid worden. Dat kan in ieder geval nooit een reden zijn om dan maar een website uit te kiezen en te zeggen: dan gaan we daar maar een onderzoek doen.

 

Ik vind het een heel opmerkelijke en dubieuze keuze dat het opsporingsapparaat in de Leidse zaak op uitgerekend een gaychatsite het middel van de ‘lokpuber’ in is gaan zetten. Ik vind het een mogelijk heel discriminerende gedachte die daar achter zit. De gedachte is kennelijk dat het op een gaychatsite aanwezig zijn op de een of andere manier aannemelijk maakt dat daar kinderen gegroomd worden. Wat de reden ervoor is om dat te denken, is volstrekt onduidelijk. Er is geen enkele aanwijzing om te veronderstellen dat groomen op gaysites meer gebeurt dan op heterosites of dat het überhaupt op de gaychatsite gebeurt. Men heeft volstrekt willekeurig voor de gaychatsite gekozen. Wat logischer zou zijn geweest, in mijn beleving, is dat als je op zoek bent naar mensen die contact zoeken met minderjarigen je op een site gaat kijken waar minderjarigen zitten. De gaychatsite in kwestie was specifiek niet bedoeld voor mensen onder de zestien. Het is zelfs zo dat je, voordat je de site betreedt, een vakje moet aanvinken, waarmee je aangeeft ouder dan zestien te zijn. Dus het is ook al om die reden niet logisch dat je je als opsporingsapparaat op deze site focust om grooming van personen onder de zestien op te sporen. Het zou logischer zijn als je bijvoorbeeld op de Sesamstraatchat ‘lokpubers’ zou inzetten. Dan zou je kunnen zeggen dat het wel een beetje vreemd is als iemand met een minderjarige over seks begint te praten. Maar op een gaychatsite vind ik het toch wel heel dicht bij uitlokking komen, nog los van het discriminatoire aspect, als je je daar voordoet als een dertienjarige homojongen.

 

Het Landelijk Parket wilde dit experiment doen en vond ook dat het moest kunnen. En de rechter heeft nu gezegd: “Nee, dit kan niet.”. De rechter is zelfs niet gekomen tot een inhoudelijke behandeling van de zaak. De rechter vond dit zó ‘niet goed’, dat hij op voorhand al duidelijk had dat het nooit tot een veroordeling zou komen. En dat vind ik een doorbraak. De rechter heeft eigenlijk het OM op de vingers getikt en gezegd: “Luister, dit is in strijd met wat wij met elkaar hebben afgesproken in het Parlement. Dat hadden jullie kunnen weten en dit kan niet tot een vervolging leiden.”

 

Wat vind jij ervan dat het OM de inzet van de ‘lokpuber’ in de Leidse zaak blijkbaar als een ‘testcase’ heeft gezien?

 

‘Dat vind ik heel kwalijk. Het OM heeft natuurlijk de taak om criminaliteit op te sporen en om daar ook efficiënt in te zijn. Maar het OM heeft niet de taak om zelf criminaliteit te gaan creëren. En dat is eigenlijk wat ze hier doen. Ze gaan op een site zitten in de hoop dat iemand hen daar aanspreekt en dan gaat groomen. En dan ook nog eens terwijl ze weten dat dat helemaal geen strafbaar feit kan opleveren. Dat is uitlokkend. De persoon op de gaychatsite kan namelijk niet de logische verwachting hebben dat hij op de chatbox iemand van onder de zestien zal treffen. De opzet was er niet tevoren op gericht om met een persoon van onder de zestien in contact te komen. Dat is bij deze specifieke site niet aannemelijk.

 

Het is ook kwalijk, omdat het OM op geen enkele manier rekenschap blijkt te geven van de gevolgen voor de persoon die van grooming verdacht wordt. Als je iemand verdenkt van een zedendelict en je gebruikt de inzet van de ‘lokpuber’ als testcase, dan zou ik zeggen: houd het dan op z’n minst stil, kijk wat de rechter ervan vindt en kom tot een interne bespreking daarvan. Maar ga er geen persbericht van maken en ga niet de media te woord staan. Dat is hier wel gebeurd. Dan ben je in mijn ogen niet goed bezig. Dan heb je als OM op geen enkele manier rekenschap gegeven van het feit dat je bezig bent met een experiment en dat je maar moet afwachten of dat wel of niet goed gekeurd wordt door de rechter. Terwijl ondertussen iemand in de media al is veroordeeld.’

 

 

 

 

 

 



[1]                    <www.leidschdagblad.nl/regionaal/leidenenregio/article16748973.ece/Lokpuber-ingezet-bij-pedozaak>.

[2]                    <www.spong.nl/advocaten/sidneysmeets>.

[3]                    <www.volkskrant.nl/vk/nl/3184/opinie/article/detail/3322679/2012/09/27/Waarom-de-lokpuber-een-mislukt-experiment-is.dhtml>.

[4]                    Rb ’s-Gravenhage 06-09-2012, LJN BX8188.

[5]                    <www.leidschdagblad.nl/regionaal/leidenenregio/article17888473.ece/Pedozaak-Leiden-strandt-op-inzet-van-lokpuber>.


  • 0

Een dag in het leven van: een deurwaarder

Een dag in het leven van een deurwaarder

 

Door:  Pamela Haak

 

We weten maar weinig over het beroep en daarnaast heeft het beroep deurwaarder ook niet bepaald een goede naam in de maatschappij. Maar wat doet een deurwaarder in  zijn dagelijkse werk? Op 13 november, mocht ik met Joop Kleinheerenbrink, deurwaarder bij het kantoor Wielens deurwaarders en incasso in Assen, mee om een indruk te krijgen van het echte werk van de deurwaarder.

Joop is 46 jaar, heeft zijn opleiding tot kandidaat deurwaarder in 2007 afgerond en is sinds maart dit jaar werkzaam bij het kantoor van Wielens in Assen.[1] Het kantoor Wielens is een kleine “maatwerk-organisatie” met slechts zeven mensen in dienst: een gerechtsdeurwaarder, twee toegevoegd kandidaat deurwaarders, waarvan een jurist, en vier administratieve krachten en tevens dossierbehandelaars.[2] Er komen op het kantoor diverse opdrachten binnen met betrekking tot betalingsachterstanden. Tot hun opdrachtgevers behoren onder andere een zorgverzekering, een woningstichting en verschillende bedrijven.

Als ik door de vertraging met de trein iets na negenen het kantoor in Assen binnen kom vallen, is men op het kantoor al druk aan het werk. De dag begint er rond half negen met een kop koffie en  administratief werk van de vorige dag. De post wordt uitgezocht en er wordt gekeken of er nog nieuwe spoedzaken binnen zijn gekomen. Afhankelijk van de binnengekomen post en de eventuele spoedopdrachten wordt een nieuwe – zo efficiënt mogelijke – route voor de dag opgesteld.

Als de route voor de laatste keer is doorgenomen kunnen we dan ook op pad. Op een doorsnee dag begint Joop met zijn route rond 10:30 uur, echter komt het vaak voor dat er bijzonderheden zijn waardoor de dag iets anders verloopt dan gepland. Vandaag ligt alles op tijd klaar dus kunnen we al vroeg, rond kwart voor tien, beginnen met de route van de dag. Voor vandaag staan verschillende adressen in de provincies Groningen en Drenthe en we hebben een lange rit voor de boeg.

In de auto heeft Joop veel verhalen over zijn werk en wat hij zoal heeft meegemaakt tijdens zijn werkzaamheden. Deze verhalen geven me een beter beeld over wat een deurwaarder precies doet. Een deurwaarder dient namelijk niet te worden gezien als een boosdoener of de brenger van slecht nieuws. Joop probeert vanuit zijn functie als deurwaarder ook vaak samen met de betrokkene een oplossing te zoeken voor het probleem. Hij is begaan met de mensen en houdt van het diverse contact met de mensen en het midden in de maatschappij staan met zijn beroep.

Als deurwaarder heeft Joop vrijwel dagelijks te maken met emoties, mensen moeten die vaak even kwijt. Vaak lopen deze emoties hoog op maar ze escaleren vrijwel nooit. Een keer is Joop, tijdens een beslaglegging op roerende zaken, bedreigd met een schep door de bewoner van het erf.

Op het eerste adres van onze route, treffen we de betrokkene niet zelf aan. Joop heeft voor de betrokkene een dagvaarding die Joop aan betrokkene dient te betekenen. Door betekening wordt iemand geacht van de inhoud van het ambtelijke stuk op de hoogte te zijn.

Op grond van de wet kan de deurwaarder een afschrift van het ambtelijke stuk achterlaten aan de betrokkene zelf, aan de woonplaats aan een huisgenoot of aan een andere persoon die zich daar bevindt en waarvan aannemelijk is dat deze zal bevorderen dat het afschrift diegene tijdig bereikt[3]. Daarnaast kan de deurwaarder het ook in een gesloten enveloppe achterlaten in de brievenbus[4].

We kunnen het afschrift achterlaten bij iemand waarvan we in redelijkheid verwachten dat diegene zal bevorderen dat het afschrift de betrokkene bereikt. We vervolgen onze weg naar een bedrijf in Hoogezand waar Joop beslag wil leggen. Aangekomen op het adres blijkt het pand leeg te staan en ook op kantoor weten ze van niets. We weten achter het adres van de bestuurder te komen, maar ook daar treffen we niemand aan. We laten het bericht met betrekking tot het beslag achter in een gesloten enveloppe in de brievenbus.

Van Hoogezand vervolgen we onze weg naar Farmsum, Delfzijl en door naar Stadskanaal waar we een snelle lunch nemen en verdergaan. Op dit adres treffen we de bewoner aan. Joop is van plan beslag te leggen op een auto en na enige woordenwisseling gaat de bewoner akkoord onder het mom van “je doet je best maar”.[5] Joop neemt een aantal foto’s van de auto met zijn mobiele telefoon en we kunnen verder naar het volgende adres. We rijden via Drouwenermond en Nieuw-Buinen naar Emmen. Hier treffen we de partner van betrokkene aan. Betrokkene heeft een aantal schulden en voor een van deze schulden komen we beslag leggen namens de opdrachtgever. Joop overlegt met de partner en probeert tot een oplossing te komen. Hij probeert als onafhankelijk persoon tussen de schuldenaar en de schuldeiser te handelen en een oplossing te zoeken. Joop spreekt af dat betrokkene naar het kantoor zal bellen voor een betalingsregeling om het beslag te voorkomen.

Van Emmen rijden we naar Gieten en komen we weer terug in Assen op kantoor waar Joop aan mij uitlegt hoe de gang van zaken is wanneer hij terugkomt van zijn route. Er is nog een aantal dingen die dienen te gebeuren. Zo wordt er bij de collega’s gecheckt of er telefoontjes zijn binnengekomen van de mensen waar we zijn geweest. Dit is niet het geval. Dan is het tijd voor de afronding van de route. De stukken dienen uit te worden gezocht, eventueel worden teruggestuurd naar een advocaat en te worden gearchiveerd. De dossiers voor de werkzaamheden van morgen worden verzameld en de route wordt alvast uitgezocht. Rond een uur of vijf neemt Joop zijn opdrachten mee naar huis. Morgen begint een nieuwe dag met nieuwe mensen, nieuwe reacties en nieuwe zaken.

Ik wil Joop bedanken voor een leerzame dag ‘op pad’ en alle medewerkers van het kantoor van Wim Wielens  voor de mogelijkheid om een dag mee te lopen, de uitleg en de verhalen over het werk bij een deurwaarders- en incassobureau. Ik heb veel informatie gekregen over het beroep en ben er anders naar gaan kijken. Het lijkt me een uitdagend beroep met veel contact met mensen. Je hebt vrijheid en wisselt veel van omgeving. Wie weet of het nog op mijn pad komt later..

Tot de werkzaamheden van een deurwaarder horen onder andere het betekenen van dagvaardingen en exploten. Daarnaast kan een deurwaarder in opdracht van zijn opdrachtgever beslag leggen op roerende of onroerende zaken of hij kan zelfs aanwezig zijn bij een gerechtelijke ontruiming. Er gaat meer achter het beroep van deurwaarder schuil. Hij gaat op zoek naar oplossingen samen met de betrokkene. Een deurwaarder wil niet alleen maar het leven zuur maken, maar juist helpen waar hij kan helpen en dat vind ik wel een mooi aspect van het beroep.

 

 



[1] De opleiding tot kandidaat deurwaarder is een HBO Opleiding – binnen de opleiding HBO Rechten – die zowel in voltijd en deeltijd kan worden gevolgd. Echter komt het vaker voor dat men al bij een deurwaarderskantoor werkt en vanuit daar de opleiding tot kandidaat deurwaarder volgt.

[2] Als je de opleiding tot deurwaarder met succes hebt afgerond mag je jezelf kandidaat deurwaarder noemen. Als je hierna toegevoegd wordt aan een kantoor van een benoemd deurwaarder ben je een toegevoegd kandidaat deurwaarder. Een zelfstandig deurwaarder wordt benoemd door de Koningin en mag zelf een kantoor houden.

[3] Art. 46 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

[4] Art. 47 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

[5] Joop legt slechts beslag op de auto. Dit betekend dat de eigenaar de auto niet mag vervreemden. Als de eigenaar  de auto toch vervreemt is er geen geldige koop.


  • 0

De (On)mogelijke interventie in Syrië

De (On)mogelijke Interventie in Syrië

De internationaal-rechtelijke problematiek rondom het conflict in Syrië

 

Door: Inge de Weerd

 

Je hoeft de televisie maar aan te zetten of de krant open te slaan en je wordt onmiddellijk geconfronteerd met het gigantisch oplopende dodenaantal in Syrië. Inmiddels is het een feit: het land is in complete chaos. Echter, niet alleen Syrië staat ondersteboven, ook de Internationale Gemeenschap ziet door de bomen het bos niet meer en dat is te merken. Elke week verandert de strategie om de inwoners van Syrië te helpen en het verschrikkelijke bloedvergieten te stoppen. Een mede oorzaak van deze warrige strategie is te vinden in de grondslag voor humanitaire interventies in het internationale recht. In dit artikel zal de problematiek op het internationaal rechterlijk vlak rondom Syrië worden uitgelegd en wordt geprobeerd de hamvraag te beantwoorden waarom de Internationale Gemeenschap tot op de dag van vandaag geen concrete oplossing heeft kunnen vinden voor het conflict in Syrië.

 

Hoe begon het ook alweer…

De Syrische burgeroorlog begon op 15 maart 2011. Het ontstaan hiervan werd vooral beïnvloed door de ‘Arabische lente’ die op dat moment ook in andere Arabische landen gaande was. Na enkele maanden ontstond er een grote omslag naar een meer militair karakter. Er ontstond een tweestrijd in Syrië, aan de ene kant het leger van Bashar al-Assad en aan de andere kant de opstandelingen. In de eerste maanden werd geroepen om het aftreden van Assad, wat tot op de dag van vandaag nog niet is gebeurd. Het conflict, wat begon als een interne oorlog, is nu uitgegroeid tot een totale oorlog die nog steeds gaande is en waar nu ook buurlanden als bijvoorbeeld Turkije bij zijn betrokken zijn. Men zou geneigd kunnen zijn te zeggen dat het allemaal de schuld van het land zelf en dan met name van Assad is. Dit is in beginsel ook waar, maar in de preventie en oplossing van het conflict in Syrië heeft ook de Internationale Gemeenschap een aandeel.

 

Huidige inmenging van de Internationale Gemeenschap

Alhoewel de Internationale Gemeenschap meer had kunnen en kan doen aan het conflict in Syrië moet worden vermeld dat zij ook al dergelijke stappen heeft ondernomen. Op 3 augustus 2011 gaf de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties een verklaring af met betrekking tot de situatie in Syrië. Hierin gaf de Veiligheidsraad aan dat het gebruik van geweld en de schendingen van de mensenrechten door het Syrische leger tegen de burgers een grote zorg was van de leden van de Veiligheidsraad.[1] Daarnaast riep de raad de Syrische autoriteiten op om het geweld te stoppen, in overeenstemming te handelen met het internationaal recht en om de beloofde hervormingen te implementeren.[2] Na deze verklaringen volgden nog vele oproepen namens de Internationale Gemeenschap om het geweld te stoppen. Dit was de enige manier waarop de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VN) enige actie kon ondernemen. Kofi Annan werd als eerste gezant van de VN en de Arabische liga op het oplossen van het probleem van Syrië gezet. Zijn vredesplan hield een demilitarisering van het conflict in. De bedoeling was dat de strijdende partijen hun troepen zouden laten terugtrekken uit de bewoonde gebieden van Syrië. Verder stelde hij dat burgers die hulp nodig hadden noodhulp moesten krijgen. Hierna zouden dan de onderhandelingen tussen de regering en de oppositie kunnen beginnen. Op 21 april 2012 werd Resolutie 2043 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties aangenomen. Hierin werd het aantal waarnemers in Syrië verhoogd tot 300 die in 90 dagen tijd een ‘VN-Toezichtsmissie’ in Syrië hielden. Op 31 augustus van dit jaar liep het mandaat van Annan af, en deze wilde hij zelf niet verlengen. De nieuwe en tevens huidige VN-bemiddelaar Lakhdar Brahimi, zal proberen de missie van Annan te vervolgen en een oplossing te bieden voor het conflict. Tot op heden zijn er nog geen concrete beloften nagekomen, en is er ook geen gehoor gegeven aan de staakt-het-vuren oproep bij het begin van het Islamitisch Offerfeest. Het geweld blijft bestaan.

 

Internationaal recht, humanitaire interventie en R2P

De vraag is kunnen staten, of kan de Internationale Gemeenschap dan niet meer doen dan enkel oproepen om het geweld te stoppen? Het antwoord op deze vraag is dat er wel degelijk middelen zijn die de Internationale Gemeenschap kan toepassen, bijvoorbeeld humanitaire interventie. Dit houdt in dat een andere staat of een organisatie met geweld ingrijpt, zonder dat daar toestemming voor is, met het doel om mensenrechtenschendingen te beëindigen. Deze doctrine is echter sinds 2001 overgenomen door de zogeheten ‘Responsibility to Protect’(R2P) theorie. Het verschil met de voorheen gebruikte humanitaire interventie doctrine is dat bij deze theorie de verantwoordelijkheid niet bij de andere staten of de Internationale Gemeenschap ligt, maar deze ligt bij de staat waarin de bedreiging plaats vindt zelf. Verder is het een meer preventieve handeling dan een reagerende actie, zoals het geval bij humanitaire interventie. Het is de bedoeling dat de staat zelf op tijd reageert om een conflict te voorkomen. Wanneer dit niet wordt gedaan dan mag de Internationale Gemeenschap zich hiermee gaan bemoeien. Er zijn drie verschillende niveaus qua verantwoordelijkheid binnen deze theorie. Allereerst de verantwoordelijkheid van de soevereine staat zelf voor zijn eigen bevolking. Ten tweede, de verantwoordelijkheid van anderen in de Internationale Gemeenschap om assistentie te verlenen aan staten, dit enkel wanneer de staat geholpen wil worden. Het laatste niveau is de verantwoordelijkheid van anderen wanneer de preventie mislukt en de staat zelf faalt in het beschermen van zijn eigen bevolking. De Internationale Gemeenschap moet dan bescherming bieden wanneer dit door de Verenigde Naties wordt aangedragen.[3]

Het probleem met Syrië is dat de International Gemeenschap, de Veiligheidsraad om meer precies te zijn, hier niet actie kan ondernemen in de vorm van een interventie, omdat alle staten uit de Veiligheidsraad moeten instemmen met een dusdanige interventie. Op grond van artikel 39 van het Handvest van de Verenigde Naties kan de Veiligheidsraad concluderen of er een ‘threat to the peace, breach of the peace or act of agression’ is.[4] Wanneer dit het geval is mogen er op grond van artikel 41 en 42 middelen worden ingezet om dit te bereiken.[5] Maar zoals we weten zijn er binnen de Veiligheidsraad vijf permanente leden  (China, Frankrijk, Rusland, Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk) en deze leden hebben allen het veto recht. Rusland en China hebben verklaard niet te willen instemmen met een Resolutie waarin een interventie in Syrië is toegestaan. Hierdoor is het de VN nog steeds niet gelukt om een dusdanig ingrijpende maatregel te nemen om het geweld te stoppen.

 

Verschil met Libië

Tijdens deze zelfde ‘Arabische lente’ werd in Libië het regime afgezet vanwege de grote opstanden door de bevolking. Hier was echter wel sprake van een interventie, namelijk door de NAVO. In maart 2011 werd door de Veiligheidsraad een Resolutie aangenomen waarin het gebruik van alle noodzakelijke maatregelen werd toegestaan om de burgers te beschermen tegen het dreigende risico van een bloedblad. Hierdoor kon de NAVO een militaire operatie in Libië uitvoeren. Drie weken eerder was er ook al een Resolutie tot stand gekomen waarin mogelijke gevolgen werden opgenoemd die zouden intreden wanneer het geweld tegen de burgers niet zou stoppen. In deze twee Resoluties werd ook de R2P genoemd, interventie was enkel toegestaan wanneer er aan de eerdere dreigingen van sancties geen gehoor werd gegeven.[6] Bij deze Resoluties stemden 10 leden van de Veiligheidsraad voor en onthielden 5 staten zich van stemming, hieronder waren ook China en Rusland. Dit maakt ook het verschil met de situatie in Syrië, hier hebben China en Rusland immers aangegeven bij elke Resolutie met betrekking tot het toestaan van een interventie tegen te stemmen waardoor deze Resoluties niet tot stand kunnen komen. Door de goedkeuring van de Veiligheidsraad kon de NAVO een inval in Libië ondernemen en is het uiteindelijk gelukt om de burgers te beschermen voor zover dit nog mogelijk was.

 

De toekomst van het R2P principe

Zoals hiervoor beschreven heeft het R2P principe tot nu toe enkel effect wanneer de permanente leden van de Veiligheidsraad hier mee instemmen. Dit is onlangs nog gebleken uit de Resolutie van 4 februari 2012 waar China en Rusland het niet mee eens waren en dus hun veto gebruikten om deze weg te stemmen. Men zou kunnen beweren dat hierdoor de structuur van de VN en dan met name de Veiligheidsraad het correct toepassen van het R2P principe in de weg staat. Juridisch gezien kan men helaas niet om het vereiste van de Veiligheidsraad heen. Wat betekent dit dan voor de toekomst? Dit houdt in dat zolang de structuur van de VN ongewijzigd blijft interventies in bepaalde landen niet mogelijk zullen zijn en dat hierdoor onnodig slachtoffers zullen blijven vallen. Enkele schrijvers zijn van mening dat het veto recht moet worden afgeschaft of in ieder geval als niet relevant moet worden gezien.[7] Vanuit een westers perspectief gezien zijn meestal Rusland en China de boosdoeners die belangrijke Resoluties tegenhouden. Wanneer de bevoegdheidsverdeling in de VN zou wijzigen en het vetorecht zou worden afgeschaft, zou dit voor de westerse staten goed nieuws zijn, want een dergelijke blokkade is dan niet meer mogelijk. Maar dit kan ook van de andere kant bekeken worden, want als het veto systeem zou verdwijnen, kunnen ook landen als China en Rusland tegen de wensen van de ‘westerse landen’ een interventie plegen. Bovendien kost het enorm veel tijd en geld om het VN systeem te wijzigen, en het is ook niet zeker dat dit zal slagen. Het is dus de vraag of dit de beste optie is. Een andere mogelijkheid die in het verleden is gebruikt, is het zogenaamde ‘Uniting for Peace’. Dit principe is ontstaan in 1950 ten tijde van de Korea-oorlog.[8] Als er problemen ontstaan in verantwoordelijkheid nemen in het handhaven van internationale vrede en veiligheid door het gebrek van unanimiteit in de Veiligheidsraad, dan kan de Algemene Vergadering van de VN de behandeling overnemen.[9] De procedure is sinds 1950 ongeveer tien keer gebruikt. Er zijn helaas ook nadelen aan deze procedure, zo hebben de besluiten van de Algemene Vergadering geen bindende kracht en dit is juist problematisch bij het gebruik van militair geweld. Verder is er een twee derde meerderheid vereist, dit is niet onmogelijk in dit geval, maar het zal zeker lastig worden. Het is namelijk nog maar de vraag of landen als Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten hier mee gaan instemmen. Ze vinden het natuurlijk belangrijk dat het geweld stopt in Syrië, maar zij vinden hun positie in de Veiligheidsraad waarschijnlijk nog belangrijker en als ze instemmen met de stemming in de Algemene Ledenvergadering dan ondermijnt dit het gezag van hun ‘eigen’ Veiligheidsraad. De kans dat een ‘Uniting for Peace’ procedure zal slagen is daarom gering. In ieder geval is het duidelijk aanwijsbaar dat al met al het internationale recht zichzelf hier tegenwerkt en dat het R2P principe een goede methode is, maar dat het op vele gebieden ook zinloos is aangezien de interventies toch vaak zullen worden tegengehouden, de toestand in Syrië is hier het bewijs van.

 

Conclusie

De situatie in Syrië is verschrikkelijk en het is een schande dat het geweld tot nu toe niet een duidelijke halt is toe geroepen is. Er ligt in dit geval ook zeker een aandeel bij de Internationale Gemeenschap, echter, kunnen zij door de wetgeving rondom militaire interventies geen kant uit. Door de vastlegging van het gebruik van geweld met enkel toestemming van de Veiligheidsraad in artikel 42 van het Handvest van de VN en het veto recht staat de Internationale Gemeenschap machteloos. Op dit moment zijn er al vele alternatieve, niet-militaire opties gebruikt, maar deze lijken tot nu toe niet effectief te werken. Het Responsibility to Protect  principe dat in 2001 van kracht is gegaan, was een welkome vernieuwing van het oude humanitaire interventies principe, maar helaas lijkt het in een geval zoals Syrië niet te werken. Er moet daarom gezocht worden voor oplossingen zoals een hervorming van het Verenigde Naties model, enkel dan kan de Internationale Gemeenschap iets betekenen voor de burgers in Syrië. Tot dat moment is het zaak dat landen zelf door middel van sanctievoering druk leggen op Syrië. Dit dan maar in de hoop dat het geweld zo snel mogelijk uit zichzelf zal stoppen, een moedige maar waarschijnlijk uitzichtloze wens.

 

 

 



[1]

Verenigde Naties “Statement by the president of the Security Council.” Website of the United Nations,  August 3, 2008 <http://daccess-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/N11/442/75/PDF/N1144275 .pdf?OpenElement>.

 

[2]

Idem.

 

[3]

H.G. Evans, ‘The responsibility to protect after Libya and Syria’, 20 juli 2012, p. 2.

 

[4]

Handvest van de Verenigde Naties, <http://www.un.org/en/documents/charter/chapter7.shtml> artikel 39.

 

[5]

Idem.

 

[6]

H.G. Evans, ‘The responsibility to protect after Libya and Syria’, 20 juli 2012, p. 2; Resolutie 1973, <http://www.un.org/News/Press/docs/2011/sc10200.doc.htm#Resolution>; Resolutie 1970, <http://www.icc-cpi.int/nr/rdonlyres/2b57bba2-07d9-4c35-b45e-eed275080e87/0/n1124558.pdf.

 

[7]

A. Peters, ‘The Responsibility to Protect: Spelling out the Hard Legal Consequences for the UN Security Council and its Members’, From Bilateralism to Community Interest: Essays in Honour of Judge Bruno Simma, Oxford University Press, Oxford 2011, p. 297-325, 317, 322.

 

[8]

K. Wester, ‘VN hebben nog een andere optie voor ingrijpen in bloedblad Syrië’, Trouw 11 februari 2012, <http://www.trouw.nl/tr/nl/5009/Archief/archief/article/ detail/3172941/2012/02/11/VN-hebben-nog-een-andere-optie-voor-ingrijpen-in-bloedbad-Syrie.dhtml>.

 

[9]

Idem.

 


  • 0

Knock knock….who’s there?

Knock knock………..….Who’s there?

De gevolgen van de nieuwe Fraudewet voor uitkeringsgerechtigden en bedrijven

 

Door: Roya Tazib

 

De Eerste Kamer heeft op dinsdag 2 oktober 2012 het wetsvoorstel ‘Aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW wetgeving’ en het wetsvoorstel ‘Huisbezoek voor rechtmatigheid uitkering’ (Fraudewet) van minister Kamp en staatssecretaris De Krom aangenomen. Het eerste wetsvoorstel, dat per 1 januari 2013 in gaat, heeft als doel om fraude met uitkeringen op het gebied van Sociale zekerheid en Werkgelegenheid tegen te gaan en/of het met veel zwaardere straffen te bestraffen. ‘Met dit voorstel wil de regering duidelijk maken dat misbruik van deze regelingen niet loont’.[1] De Tweede Kamer had dit wetsvoorstel op 6 juli 2012 met grote meerderheid aangenomen en volgens staatssecretaris De Krom is ‘fraude met uitkeringen diefstal van gemeenschapsgeld. Mensen die hard werken om de kosten van de sociale zekerheid te betalen moeten er op kunnen rekenen dat het geld daar terecht komt waar het hoort.’[2] Het tweede wetsvoorstel gaat ook per 1 januari 2013 in en dat heeft als doel om uitkeringsinstanties de mogelijkheid te geven om de woon- en leefsituatie van uitkeringsgerechtigden te controleren.[3]

 

Wat houdt de Fraudewet in?

Volgens de nieuwe wet moet iemand die fraudeert met een uitkering niet alleen de teveel ontvangen uitkering terugbetalen, maar krijgt daarnaast ook te maken met veel hogere boetes. De meest opvallende elementen binnen deze wet zijn: ‘(a) de (her)invoering van de boete bij schending inlichtingplicht, (b) de terugvorderingsplicht bij fraudevorderingen en (c) het recht om bij recidive de opgelegde boete in de eerste drie maanden met de uitkering te verrekenen zonder rekening te houden met de beslagvrije voet’.[4] Dit laatste punt wekte veel ophef bij de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden (LOSR). Zij waren van mening dat mensen die een uitkering ontvangen nog dieper in schulden terecht komen. Dit komt doordat zij drie maanden lang zonder inkomen komen te zitten omdat de nieuwe Fraudewet de gemeenten de mogelijkheid geeft om bij incasso’s de beslagvrije voet niet toe te passen.[5] De organisatie riep de Tweede Kamer daarom ook op om rekening te houden met deze mogelijkheid. Naar aanleiding hiervan diende Mirjam Sterk (CDA) een amendement in bij de Tweede Kamer waarin zij pleit voor het niet afschaffen van de beslagvrije voet bij recidive. De Tweede Kamer heeft haar amendement aangenomen en de nieuwe wet schrijft nu voor dat ‘de beslagvrije voet niet buiten werking hoeft te worden gesteld bij mensen die voor de tweede keer in de fout gaan’.[6] Dit mag echter wel wanneer gemeenten vinden dat het nodig is.[7] Uitkeringsontvangers die frauderen, moeten de ten onrechte ontvangen uitkering altijd terug betalen en per 1 januari 2013 krijgen ze daarnaast ook een boete van datzelfde bedrag. Een kort voorbeeld: iemand ontvangt en fraudeert €1.000 aan uitkering. Diegene moet dan niet alleen dat bedrag terugbetalen, maar ook nog eens een boete van €1.000. Bij een herhaling is de boete 150 procent van het bedrag dat iemand onterecht heeft ontvangen. In het voorbeeld is dat dus €1.500. Ook kan de boete worden verrekend met de volledige uitkering voor de eerste drie maanden. Dat wil dus zeggen dat de fraudeur dan geen uitkering kan krijgen voor de eerste drie maanden.[8] Gemeenten worden in de nieuwe wet ook verplicht om de sancties uit te voeren en het ten onrechte uitgekeerde bedrag terug te vorderen.[9]

 

Bovendien hebben niet alleen uitkeringsgerechtigden te maken met deze nieuwe wet en de zwaardere straffen, maar ook bedrijven die frauderen krijgen te maken met fors hogere boetes. Zij kunnen zelfs bij recidive stilgelegd worden.[10] Bedrijven die frauderen zullen bij de eerste overtreding een zeer zware boete krijgen en de boete zal bij een tweede overtreding worden verdubbeld of verdriedubbeld.

 

Daarnaast gaat het boetebedrag voor werkgevers omhoog als ze illegale werknemers in dienst hebben. Voorheen stond de boete op €8.000 per illegale werknemer, maar met de nieuwe wet loopt het bedrag op naar €12.000 per illegale werknemer als zij de wet voor de eerste keer overtreden.[11] Als de werkgever nogmaals fraudeert dan kan hij een nog hogere boete verwachten en de activiteiten binnen zijn onderneming worden stilgelegd.[12]

 

Met deze maatregelen wil de regering niet alleen de ‘kleine vissen’ (frauderende uitkeringsgerechtigden) aanpakken, maar ook de ‘grote vissen’ (malafide bedrijven).[13]

 

Gevolgen voor de gemeentelijke beleidsvrijheid

Veel gemeenten maken zich zorgen om hun beleidsvrijheid met de invoering van de nieuwe Fraudewet. Ook de Tweede Kamer sprak zijn zorgen uit tijdens een Kamerdebat. Minister Kamp heeft toen tijdens het debat beloofd in een brief het wetsvoorstel ‘aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving’ verder toe te lichten.[14] De minister kiest voor uniformiteit in de handhaving. Volgens de minister is uit een aantal onderzoeken van de Inspectie SZW gebleken ‘dat er ruimte is voor verbetering van de uitvoerings- en handhavingspraktijk van de WWB door gemeenten’.[15] Veel gemeenten hebben het uitgangspunt van het kabinet, ‘fraude mag niet lonen’, al opgenomen in hun verordeningen, maar de uitvoeringspraktijk per gemeente verschilt erg sterk omdat gemeenten beleidsvrijheid hebben. ‘Gelet op de verschillen in uitvoeringspraktijk is het kabinet van oordeel dat een verplichting tot terugvordering en oplegging van boetes wenselijk is’.[16] Echter de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is van mening dat het voor de beleidsvrijheid van gemeenten cruciaal is dat ze proportionele sancties kunnen opleggen.[17] De gemeenten staan het dichts bij de burger als overheidsinstantie en daarom zijn zij het meest aangewezen om bijstand te verlenen. Door nu hun beleidsvrijheid weg te nemen, kunnen zij niet geheel effectief functioneren. Verder is het niet eenvoudig om uniform te handelen, want enerzijds ontbreekt een goede definitie van fraude en anderzijds moet ook rekening gehouden worden met de verwijtbaarheid.[18] Er kan dus gesteld worden dat niet iedereen tevreden is over de nieuwe Fraudewet.

 

Huisbezoeken en recht op persoonlijke levenssfeer

Naast het wetsvoorstel aanscherping handhaving en sanctiebeleid heeft de Eerste Kamer ook het wetsvoorstel huisbezoeken aangenomen. Deze gaat ook per 1 januari 2013 in werking treden. Dit wetsvoorstel is bedoeld voor situaties waarin onduidelijkheid bestaat over de leefsituatie van uitkeringaanvragers of –ontvangers. [19] Wanneer gemeenten vinden dat de woon/leefsituatie van een aanvrager of ontvanger onduidelijk is, dan kunnen zij- net als nu- een aanbod voor een huisbezoek doen om daar uitsluitsel over te krijgen. Indien het aanbod wordt geweigerd en er zijn geen andere manieren waarop meer informatie wordt vergaard, dan kan de rechtmatigheid van de uitkering niet worden vastgesteld. De huidige wet biedt hiervoor geen maatregelen, maar in de nieuwe wet heeft weigering van een huisbezoek consequenties voor de uitkering. Enige voorbeelden van deze gevolgen zijn: geen uitkering, een lagere uitkering of een beëindiging van de uitkering.[20] Deze wet stelt ook dat het uitvoeringsorgaan van de gemeente controles mag uitvoeren wanneer er geen concreet vermoeden van fraude is.[21] Deze extra controlemogelijkheid is opgenomen in de wet voor alle sociale uitkeringen waarbij de uitkering gerelateerd is aan de samenstelling van het huishouden. Dat is bijvoorbeeld de AOW, bijstand en kinderbijslag.[22]

 

Voor het afleggen van deze huisbezoeken moet er in principe rekening worden gehouden met verschillende wetten. Er zijn een aantal wetten waarin het recht op privacy van de burger en het recht op huisvrede sterk moeten worden gewaarborgd. Volgens art. 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens heeft ieder mens recht op respect van zijn/haar privé leven, zijn/haar familie- en gezinsleven, zijn/haar woning en correspondentie.[23] Inbreuk op dit recht mag alleen in bijzondere omstandigheden worden gerechtvaardigd en dat staat in het tweede lid van hetzelfde artikel.[24] Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep wordt het afleggen van onaangekondigd huisbezoek gezien als een inbreuk op dit recht.[25] In de Grondwet staat in art. 12: ‘Het binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet bepaald zijn aangewezen. Voor het binnentreden overeenkomstig het voorafgaande lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen’’.[26] Een wet die uitzondering kan maken op deze bepaling uit het Grondwet is de Algemene Wet op het Binnentreden (AWOB). Het eerste artikel van deze wet stelt dat degene die met de opsporing van een strafbaar feit is belast of belast met ander onderzoek, bij het binnentreden in een woning verplicht is om zich voorafgaand te legitimeren, mededeling te doen omtrent het doel van het huisbezoek en toestemming dient te vragen voor het binnentreden van de woning.[27]

 

De nieuwe wet Huisbezoeken lijkt niet erg veel rekening te houden met de regels omtrent de persoonlijke levenssfeer van burgers. Het is nu vooral afwachten wat voor reacties deze wet zal oproepen vanaf 1 januari 2013. Naar mijn inziens zullen we nog veel horen over deze nieuwe maatregelen, zowel in de media als in de rechtspraak.

 

Slotsom

Ondanks de twijfels van velen heeft de Eerste en Tweede Kamer twee nieuwe wetsvoorstellen van minister Kamp en staatssecretaris De Krom aangenomen. Volgens de nieuwe wet ‘Aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW wetgeving’ (Fraudewet) moet iemand die fraudeert met een uitkering niet alleen het teveel ontvangen uitkering terugbetalen, maar krijgt daarnaast ook te maken met veel hogere boetes. Bovendien hebben niet alleen uitkeringsgerechtigden te maken met deze nieuwe wet en de zwaardere straffen, maar ook bedrijven die frauderen krijgen te maken met fors hogere boetes. Zij kunnen zelfs bij recidive stilgelegd worden.

Verder wordt met deze nieuwe wet de gemeentelijke beleidsvrijheid fors beperkt. De minister wil een meer uniforme handhaving in de uitkeringscontrole en wil zo de uitkeringsfraude zoveel mogelijk tegengaan door hogere boetes op te leggen en de gemeenten te verplichten om die boetes ook daadwerkelijke op te eisen.

Het tweede wetsvoorstel wat door beide Kamers is aangenomen is het wetsvoorstel ‘Huisbezoek voor rechtmatigheid uitkering’. Hierin staat dat gemeenten vanaf 1 januari 2013 het recht hebben om ook zonder redelijke verdenking van fraude de woning van uitkeringsgerechtigden te betreden. De nieuwe wetten houden geen rekening met de persoonlijke levenssfeer van burgers die in vele andere wetten wel worden gewaarborgd. Het is nu vooral afwachten hoe de maatschappij op deze maatregelen zal reageren na de inwerkingtreding op 1 januari 2013.



[1] Eerste Kamer der Staten-Generaal, ‘Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving’, <http://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/33207_wet_aanscherping_handhaving> (geraadpleegd op 3 november 2012).

[2] ‘Tweede Kamer steunt Fraudewet’, Denk Fiscaal Administratie: het advieskantoor voor het MKB, <http://www.denkfiscaal.nl/pages/sub/67714/Tweede_Kamer_steunt_Fraudewet.html> (geraadpleegd op 3 november 2012).

[3] Kamer der Staten-Generaal, ‘Huisbezoek voor rechtmatigheid uitkering’, <http://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/31929_huisbezoek_voor> (geraadpleegd op 3 november 2012).

[4] M. Schut, ‘Eerste Kamer neemt Fraudewet aan’, Martijn Schut’s Blog Armoedebeleid en schuldhulpverlening, <http://martijnschut.wordpress.com/2012/10/02/eerste-kamer-neemt-fraudewet-aan/> (geraadpleegd op 3 november 2012).

[5] ROC, ‘LOSR/MOGRoep: Fraudewet veroorzaakt nieuwe schulden’, <http://vacatures.roc.nl/default.php?fr=nieuws&nieuwsitem=9785> (geraadpleegd op 3 november 2012).

[6] Cliëntraad, ‘Fraudewet: Tweede Kamer akkoord met wetsvoorstel ‘fraudewet’, <http://www.clraadsozawerotterdam.nl/nieuws-cli%C3%ABntenraad/fraudewet.html> (geraadpleegd op 3 november 2012) en Art. 60b Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving, ‘Kamerstuk Tweede Kamer der Staten-Generaal: nr. 33 207 (Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving)’ <https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33207-13.html> (geraadpleegd op 3 november 2012).

[7] Cliëntraad, ‘Fraudewet: Tweede Kamer akkoord met wetsvoorstel ‘fraudewet’, <http://www.clraadsozawerotterdam.nl/nieuws-cli%C3%ABntenraad/fraudewet.html> (geraadpleegd op 3 november 2012).

[8] ‘De nieuwe Fraudewet’, Amsterdam.nl, <http://www.amsterdam.nl/werk-inkomen/uitkeringen/uitkering/nieuwe-fraudewet/> (geraadpleegd op 3 november 2012).

[9] ‘Tweede Kamer steunt Fraudewet’, Denk Fiscaal Administratie: het advieskantoor voor het MKB, <http://www.denkfiscaal.nl/pages/sub/67714/Tweede_Kamer_steunt_Fraudewet.html> (geraadpleegd op 3 november 2012) en Wetsvoorstel en Memorie van Toelichting: Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving, par. 2.1.2 Aanscherping van het sanctiebeleid in de sociale zekerheid, p. 41.

[10] Rijksoverheid, ‘Royale meerderheid Tweede Kamer steunt Fraudewet’, <http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2012/07/06/royale-meerderheid-tweede-kamer-steunt-fraudewet.html> (geraadpleegd 3 november 2012).

[11] Elsevier Fiscaal, ‘Hardere aanpak uitkeringsontvangers en bedrijven’, <http://www.elsevierfiscaal.nl/fiscaal-actueel/nieuws/nieuws/2434/hardere-aanpak-uitkeringsontvangers-en-bedrijven> (geraadpleegd op 4 november 2012).

[12] Kluwer Schulinck, ‘Modelverordening bij wetsvoorstel handhaving’, <http://www.kluwerschulinck.nl/nieuws/2012/modelverordening-bij-wetsvoorstel-handhaving.12719.lynkx> (geraadpleegd op 4 november 2012).

[13] Rijksoverheid, ‘Royale meerderheid Tweede Kamer steunt Fraudewet’, <http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2012/07/06/royale-meerderheid-tweede-kamer-steunt-fraudewet.html> (geraadpleegd 4 november 2012).

 

[14] Vereniging van Nederlandse Gemeenten, ‘Nieuwe wet bestrijding uitkeringsfraude forse inperking beleidsvrijheid gemeenten’, <http://www.vng.nl/onderwerpenindex/sociale-zaken/fraudebestrijding-en-handhaving/nieuws/nieuwe-wet-bestrijding-uitkeringsfraude-forse-inperking-beleidsvrijheid-gemeenten> (geraadpleegd op 10 november 2012).

[15]Rijksoverheid,  Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ‘Kamerbrief Toegezegde informatie Wetsvoorstel aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving’, <http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2012/06/29/kamerbrief-toegezegde-informatie-wetsvoorstel-aanscherping-handhaving-en-sanctiebeleid-szw-wetgeving.html> (geraadpleegd op 11 november 2012).

[16] Ibid.

[17] Vereniging van Nederlandse Gemeenten, ‘Nieuwe wet bestrijding uitkeringsfraude forse inperking beleidsvrijheid gemeenten’, <http://www.vng.nl/onderwerpenindex/sociale-zaken/fraudebestrijding-en-handhaving/nieuws/nieuwe-wet-bestrijding-uitkeringsfraude-forse-inperking-beleidsvrijheid-gemeenten> (geraadpleegd op 10 november 2012).

[18] Ibid.

[19] Eerste Kamer der Staten-Generaal, ‘Huisbezoek voor rechtmatigheid uitkering’, <http://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/31929_huisbezoek_voor> (geraadpleegd op 13 november 2012).

[20] Ibid.

[21] Ibid.

[22] Ibid.

[23] Artikel 8 lid 1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.

[24] Artikel 8 lid 1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.

[25] Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Protocol Huisbezoeken: afdeling Handhaving WIZ,  <http://docs.minszw.nl/pdf/35/2006/35_2006_3_9521.pdf> (geraadpleegd op 14 november 2012).

[26] Artikel 12 Grondwet.

[27] Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Protocol Huisbezoeken: afdeling Handhaving WIZ,  <http://docs.minszw.nl/pdf/35/2006/35_2006_3_9521.pdf> (geraadpleegd op 14 november 2012).

 


  • 0

Misleidende reclame

Te mooi om waar te zijn?!

Wanneer is er sprake van misleiding in juridische zin?

 

Door: G.M. Speerstra

 

De mascara die je wimpers 300 % voller maakt of het wasmiddel dat werkelijk alle vlekken uit je kleding verwijdert. Iedereen kent ze wel; reclames die een beeld voorspiegelen dat eigenlijk te mooi is om waar te zijn. Toch heeft bijna iedereen wel eens een product gekocht in de hoop dat deze belofte daadwerkelijk waar werd gemaakt. Wanneer die mascara je wimpers toch niet zo volumineus blijkt te maken of dat wasmiddel die vetvlek iets minder snel uit je broek verwijdert dan verwacht, kun je je behoorlijk misleid voelen. Maar wanneer is er ook in juridische zin sprake van misleiding en in welke situaties had je zelf toch net iets kritischer naar dit “wondermiddel” moeten kijken?

 

Reclame moet in Nederland aan bepaalde wet- en regelgeving voldoen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen reclame van handelaren die gericht is op consumenten en reclame tussen handelaren onderling.[1] Reclame die gericht is op consumenten moet voldoen aan de bepalingen uit de Wet oneerlijke handelspraktijken (Wet OHP). Is de reclame slechts gericht op andere handelaren, dan is art. 6:94 BW van toepassing. Daarnaast is voor beide soorten reclame de regelgeving uit de Nederlandse Reclame Code (NRC) van belang. Reclame gemaakt door en vóór consumenten, bijvoorbeeld een advertentie op het internet, is niet aan bepaalde wet- of regelgeving gebonden.[2] Dit artikel beperkt zich tot de op consumenten gerichte reclame van handelaren.

 

Wet oneerlijke handelspraktijken

 

In 2008 is de Wet OHP inwerking getreden ter implementatie van een Europese richtlijn.[3] Deze wet heeft tot doel het beschermen van consumenten tegen oneerlijke handelspraktijken. De wet maakt deel uit van boek 6 van het BW en bestaat uit de artikelen 193a – 193f.

 

Handelspraktijken zijn alle activiteiten die rechtstreeks te maken hebben met de promotie, verkoop of levering van een product of dienst aan de consument.[4] Het maken van reclame, op welke manier dan ook, is dus een handelspraktijk. De Wet OHP geldt in alle sectoren en zowel voor producten als diensten.[5] Zowel een reclamespotje voor een paar sportschoenen, als een reclamefolder voor een ingewikkeld financieel product moeten dus voldoen aan de regels uit de Wet OHP.

 

Volgens de Wet OHP is een handelspraktijk onder andere oneerlijk wanneer deze misleidend is.[6] Misleiding kan bestaan uit een misleidende handeling of een misleidende omissie.[7]

Van een misleidende handeling is sprake wanneer er onjuiste informatie wordt verstrekt of informatie die feitelijk correct is, maar die de consument misleid of kan misleiden.[8] Een misleidende omissie is het ten onrechte achterhouden van essentiële informatie die de consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een aankoop te kunnen nemen.[9]

 

In art. 6:193c lid 1 BW wordt een flink aantal aspecten opgesomd waarop het verstrekken van onjuiste of misleidende informatie betrekking kan hebben. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om informatie ten aanzien van de aard of het bestaan van het product, de voornaamste kenmerken van het product, de prijs of de wijze waarop deze prijs wordt berekend. Deze lijst is echter niet limitatief.[10] De Wet OHP noemt daarnaast in art. 193c lid 2 BW nog twee specifieke situaties waarin er ook sprake kan zijn van misleiding. Namelijk ingeval van een zogenaamd “lookalike”-product en in situaties waarin de handelaar pretendeert zich aan een gedragscode te houden, terwijl deze niet wordt nageleefd. Van een “lookalike”-product is sprake wanneer er door marketing verwarring wordt geschapen ten aanzien van producten, handelsmerken of andere onderscheidende kenmerken van de concurrent. Het gaat hierbij voornamelijk om huismerken van supermarktproducten die goedkoper beweren te zijn, maar bijvoorbeeld door de kleurstelling of lay-out van een verpakking associaties opwekken met producten van het A-merk.[11]

 

Een zekere mate van overdrijven is inherent aan het maken van reclame. Om zijn product aan de man te krijgen, zal een handelaar de positieve eigenschappen van dit product zoveel mogelijk willen benadrukken en de minder gunstige kenmerken liever achterwege laten. Om deze reden is dan ook in art. 6:193b lid 4 BW opgenomen dat het enkele feit dat in een reclame overdreven uitspraken worden gedaan, een reclame nog niet oneerlijk maakt.

 

Of er daadwerkelijk sprake is van een misleidende handeling of omissie moet worden getoetst aan de maatstaf  van de gemiddelde consument.[12] Het moet gaan om informatie waardoor de gemiddelde consument een besluit neemt over het aangaan van een overeenkomst, dat hij anders niet had genomen. Een definitie van de gemiddelde consument geeft de Wet OHP echter niet. Volgens de memorie van toelichting kan er geen eenduidige betekenis van dit begrip worden gegeven en hangt de invulling ervan af van de context waarin het begrip wordt vermeld.[13] Uit de  jurisprudentie van het HvJ EG blijkt dat het gaat om de fictieve doorsnee consument. Dit wil zeggen, de redelijk geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument. Hierbij moet tevens rekening worden gehouden met maatschappelijke, culturele en taalkundige factoren.[14] Richt de reclame zich op een specifieke doelgroep, dan is het gemiddelde lid van deze groep bepalend.[15] Een reclame die specifiek gericht is op professionele sporters zal dus aan de hand van een andere maatstaf moeten worden beoordeeld, dan een reclame die bestemd is voor het algemene publiek.

 

Nu de Wet OHP pas in 2008 in werking is getreden, bestaat er nog maar weinig jurisprudentie over misleidende reclame op grond van deze wet. De aspectenlijst uit deze wet lijkt echter zeer op artikel 6:194 BW. De jurisprudentie die is gewezen onder dit artikel, is dan ook richtinggevend voor de invulling van de bepalingen uit de Wet OHP.[16] Hieruit blijkt bijvoorbeeld dat het misleidend is om in een reclame te vermelden dat een ontharingsmiddel blijvende ontharing ten gevolge heeft, terwijl het resultaat slecht tijdelijk blijkt te zijn.[17]

 

Naast de aangewezen situaties waarin er mogelijk sprake kan zijn van misleiding, bevat de Wet OHP ook een zwarte lijst met handelspraktijken die onder alle omstandigheden misleidend zijn, namelijk art. 6:193g BW. Toetsing aan de maatstaf van de gemiddelde consument is in een dergelijk geval niet nodig. Voorbeelden hiervan zijn het aanprijzen van een product als “gratis” , terwijl er toch kosten aan verbonden zijn of het ten onrechte beweren dat een product ziektes of gebreken kan genezen.[18]

 

Nederlandse Reclame Code

 

Ook de NRC bevat regels waaraan reclame-uitingen in Nederland moeten voldoen. Deze regels hebben echter geen wettelijke status, maar zijn een vorm van zelfregulering binnen de reclamebranche. Dit houdt in dat het adverterende bedrijfsleven haar eigen verantwoordelijkheid neemt met betrekking tot de inhoud en de wijze van verspreiding van reclame-uitingen.

 

De NRC is opgesteld door de Stichting Reclame Code (SRC). Deze stichting heeft tot doel om adverteerders te bevorderen verantwoorde reclame te maken, zodat de consument vertrouwen heeft en behoudt in reclame.[19] De NRC verbiedt dan ook niet alleen misleidende reclame, maar ook reclame die nodeloos kwetst of in strijd is met de goede smaak of het fatsoen.[20] Naast deze algemene regels, bevat de NRC ook bijzondere reclamecodes voor bepaalde producten of diensten. Zo geeft de NRC bijvoorbeeld regels ten aanzien van reclame voor sms-diensten en reclame die speciaal gericht is op kinderen.[21]

 

Inhoudelijk komen de regels met betrekking tot misleidende reclame grotendeels overeen met de bepalingen uit de Wet OHP. In de praktijk wordt een reclame echter vaker op grond van de NRC als misleidend aangemerkt, dan op grond van de Wet OHP. De procedure die verbonden is aan de NRC is namelijk zeer laagdrempelig en kan snel worden gevoerd. Als consument kun je online een klacht indienen bij de Reclame Code Commissie (RCC) wanneer je van mening bent dat een bepaalde reclame misleidend is. Deze procedure is kosteloos en er hoeft geen advocaat voor te worden ingeschakeld.[22] De RCC beoordeeld of de reclame daadwerkelijk in strijd is met de NRC. Wordt de klacht gegrond verklaart, dan wordt de adverteerder aanbevolen om voortaan niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken. Zowel de adverteerder als de klager kunnen in beroep gaan tegen de uitspraak van de RCC bij het College van Beroep.[23]

 

In de loop der jaren zijn een flink aantal reclames op grond van de NRC als misleidend aangemerkt. Zo is onlangs een Spaanse vliegmaatschappij op haar vingers getikt vanwege de manier waarop zij reclame maakt voor haar vluchtprijzen. Deze werd aangeprezen als “ALLES INBEGREPEN” , terwijl er extra kosten moesten worden betaald voor het reizen met andere bagage dan uitsluitend handbagage en het betalen van de tickets, ongeacht de betaalmethode.[24] Ook bij de beoordeling van een reclame door de RCC geldt echter dat een zekere mate van overdrijven bij het maken van reclame geoorloofd is. Het aanprijzen van een wasmiddel dat schoonwast “al vanaf een koude 15 graden” terwijl blijkt dat het product niet alle vlekken verwijdert, is niet misleidend. De RCC is van oordeel dat de consument op grond van deze reclame niet mag verwachten dat het product alle vlekken volledig verwijdert op deze temperatuur, nu van een gegarandeerd resultaat geen sprake is. Bovendien wordt in de commercial gebruik gemaakt van voor het publiek duidelijk herkenbare en gangbare overdrijving van de prestatie van het wasmiddel, zoals de termen “stralend” en “briljant” schone was.[25]

 

Aanpak misleidende reclame

 

Er kan op verschillende manieren worden opgetreden tegen handelaren die misleidende reclame maken. In beginsel zijn de Consumentenautoriteit en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) belast met de handhaving van de Wet OHP. Welke bevoegdheden deze instanties hierbij hebben staat omschreven in de Wet handhaving consumentenbescherming. De AFM oefent deze bevoegdheden slechts uit voor de financiële sector, terwijl de Consumentenautoriteit zich richt op de overige sectoren.[26]

In de meeste gevallen zal eerst door een waarschuwing of een “goed gesprek”  worden geprobeerd om de handelaar zo ver te krijgen de misleidende reclame te staken.[27]

Er kan echter ook direct worden overgegaan tot het opleggen van een boete, een last onder dwangsom of een combinatie van beide.[28] Zoals eerder genoemd, zullen misleidende adverteerders om effectiviteitredenen echter vaker worden aangesproken op grond van de NRC. Wanneer de Consumentenautoriteit of de AFM misleidende reclame signaleert, kunnen zij er dan ook voor kiezen om eerst een klacht in te dienen bij de RCR.[29] Houdt de adverteerder zich niet aan de uitspraak van de RCC of het College van Beroep, dan kan de Consumentenautoriteit of de AFM alsnog optreden.

 

Naast handhaving door de bevoegde instanties, kan de consument ook zelf – individueel of in collectief verband – de adverteerder aanspreken. Uit de Wet OHP blijkt dat misleidende reclame een onrechtmatige daad oplevert jegens de consument.[30] De consument kan dan ook schadevergoeding vorderen op grond van art. 6:162 BW.[31] Daarnaast kan de consument ervoor kiezen om aanspraak te maken op nakoming van hetgeen hij op basis van de misleidende reclame van de handelaar mocht verwachten.[32] Wanneer een overeenkomst tot stand is gekomen als gevolg van een misleidende reclame, kan er in sommige gevallen ook sprake zijn van bedrog of dwaling als bedoeld in art. 3:44 BW of  art. 6:228 BW.[33] De consument kan zich in dat geval beroepen op vernietiging van de overeenkomst wegens een wilsgebrek. Zijn meerdere consumenten benadeeld door dezelfde handelaar, dan kunnen zij ook gezamenlijk een collectieve actie tegen deze handelaar beginnen.[34]

 

Voor alle bovengenoemde wijzen van handhaving geldt op grond van art. 6:193j BW een omkering van de bewijslast ten aanzien van de inhoudelijke juistheid en volledigheid van de in de reclame verstrekte informatie. De handelaar zal moeten bewijzen dat deze niet misleidend was.

 

Ontwikkelingen in de bestrijding van misleidende reclame

 

Het bestrijden van misleidende reclame staat ook op de politieke agenda. Met name de

misleidende reclametechnieken van loterijen is diverse politieke partijen een doorn in het oog.

Denk hierbij bijvoorbeeld aan de speciaal aan jou geadresseerde brief, die je

per post van een loterij ontvangt met daarin de boodschap dat je een mooi geldbedrag hebt

gewonnen. Achteraf blijkt dat je niets hebt gewonnen, maar juist extra loten hebt gekocht. De

PvdA heeft in september 2011 een amendement ingediend dat een einde moet maken aan

dergelijke misleidende reclames.[35] Als reactie hierop heeft staatssecretaris Teeven in juli 2012

het voorstel tot AMVB “Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen” aan de

Tweede Kamer voorgelegd.[36] In dit besluit is een verbod opgenomen om werving- en

reclameactiviteiten te richten op kwetsbare groepen, zoals minderjarigen en

kansspelverslaafden. Daarnaast wordt ook de zogenaamde koppelreclame verboden. Dit houdt

in dat er niet langer reclame mag worden gemaakt voor kansspellen in combinatie met andere

producten of diensten, bijvoorbeeld een optreden van een bepaalde artiest. Wanneer dit besluit

mogelijk in werking zal treden is nog onbekend.

 

Slotsom

 

Als consument kun je door reclames behoorlijk worden misleid. Er is echter niet in alle gevallen sprake van misleiding in juridische zin. Uit de Wet OHP volgt dat er sprake is van misleiding wanneer onjuiste informatie wordt verstrekt of informatie die feitelijk correct is, maar de consument misleid of kan misleiden. Of er daadwerkelijk sprake is van misleidende reclame moet worden getoetst aan de hand van de maatstaf van de gemiddelde consument. Daarnaast kent de Wet OHP een zwarte lijst van situaties die onder alle omstandigheden misleidend zijn. Voor de praktijk zijn de zelfreguleringregels uit de Reclame Code echter van minstens zo groot belang. Een zekere mate van overdrijven is inherent aan het maken van reclame en blijft dus geoorloofd. Het kan dus geen kwaad om met een enigszins kritische blik naar de reclame van dat zogenaamde “wondermiddel” te kijken.

 

 

 

 

 

 



[1] Blijkens art. 193a lid 1 sub c BW moet onder het begrip handelaar worden verstaan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf of degene die ten behoeve van hem handelt.

[2] Hartkamp & Sieburgh, Mr. C. Asser’s Handleiding tot de beoefening van het Nederlands burgerlijk recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel IV. De verbintenis uit de wet, Deventer: Kluwer 2011, nr. 318.

[3] Richtlijn 2005/29/EG (PbEU L 149).

[4] Zo blijkt uit art. 193a lid 1 sub d BW.

[5] Consumentenautoriteit, Brochure: De Wet oneerlijke handelspraktijken toegelicht.

[6] Zo blijkt uit art. 193b lid 3 BW.

[7] Zo blijkt uit art. 193c lid 1 en art. 193d lid 1 BW.

[8] Zo blijkt uit art. 193c lid 1 BW.

[9] Zo blijkt uit art. 193d lid 2 BW.

[10] D.W.F. Verkade, Monografieën BW. Oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten, Deventer: Kluwer 2009, p. 43.

[11] D.W.F. Verkade, Monografieën BW. Oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten, Deventer: Kluwer 2009, p. 46.

[12] Zo blijkt uit art. 6:193c lid 1 BW.

[14] HvJ EG 16 juli 1998, nr. C-210/96, Jur. 1998, p. I-4657 (Gut/Springenheide).

[16] P.G.F.A. Geerts en E.R. Vollebregt, Oneerlijke handelspraktijken, misleidende reclame en vergelijkende reclame, Deventer: Kluwer 2009, p. 25.

[17] HR 29 maart 1985, NJ 1999, 99.

[18] Zo blijkt uit art. 6:193g sub t respectievelijk sub q BW.

[19] < http://www.reclamecode.nl/consument>.

[20] Art. 7 respectievelijk 4 NRC.

[21] Reclame Code SMS-dienstverlening en Kinder- en Jeugdreclamecode.

[22] <http://www.reclamecode.nl/consument>.

[23] Art. 23 lid 1 Reglement Reclame Code Commissie & College van Beroep.

[24] RCR 25 september 2012, 2012/00724, < https://www.reclamecode.nl/webuitspraak.asp?ID=82047&acCode>.

[25] RCR 10 december 2009, 2009/00760, < https://www.reclamecode.nl/webuitspraak.asp?ID=22618&acCode>.

[26] Art. 3.2 respectievelijk 2.2 Wet handhaving consumentenbescherming.

[27] Consumentenautoriteit, Brochure: De Wet oneerlijke handelspraktijken toegelicht,

<http://www.consumentenautoriteit.nl/sites/default/files/redactie/Brochure%20Oneerlijke%20Handelspraktijken.pdf>.

[28] Art. 2.9  en 3.4 Wet handhaving consumentenbescherming.

[29] Consumentenautoriteit, Brochure: De Wet oneerlijke handelspraktijken toegelicht,

<http://www.consumentenautoriteit.nl/sites/default/files/redactie/Brochure%20Oneerlijke%20Handelspraktijken.pdf>.

[30] Zo blijkt uit art. 193b lid 1 BW.

[31] D.W.F. Verkade, Monografieën BW. Oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten, Deventer: Kluwer 2009, p. 76.

[32] D.W.F. Verkade, Monografieën BW. Oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten, Deventer: Kluwer 2009, p. 81.

[33] D.W.F. Verkade, Monografieën BW. Oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten, Deventer: Kluwer 2009, p. 79.

[34] Op grond van art. 3:305a BW kan een stichting of vereniging een dagvaardingsprocedure starten, eventueel gevolgd door een collectieve afwikkeling van de schade op basis van de Wet collectieve afwikkeling massaschade.

[35] Wetsvoorstel wijziging van de wet op de kansspellen in verband met de instelling van de kansspelautoriteit, Kamerstukken II 2008/09-2012/13, 32264, nr. 10.

[36] Kamerstukken II 2008/09-2012/13, 32264, nr. 26.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.