Category Archives: Jaargang 46 – Nummer 2

  • 0

Interview met… voormalig rechter van het EHRM Egbert Myjer

Egbert Myjer, voormalig rechter bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens

EHRM ‘The Conscience of Europe’?

 

Gelske Speerstra & Roya Tazib

 

De heer Egbert Myjer studeerde van 1966 tot 1972 rechten aan de Universiteit Utrecht. Na zijn studie was hij verbonden aan de Universiteit Leiden als wetenschappelijk medewerker strafrecht. In de periode tussen 1979 en 1991 bekleedde Egbert Myjer diverse rechterlijke functies in Nederland. Na tot 2004 werkzaam te zijn geweest als (hoofd)advocaat-generaal bij het Openbaar Minister, was hij tot november 2012 rechter bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Sinds 2000 is Egbert Myjer tevens bijzonder hoogleraar Mensenrechten aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

 

Wat voor student was U? Was U actief binnen studenten- en/of studieverenigingen?

Mijn hemel. Het is lang geleden dat iemand mij dat heeft gevraagd. Dan moet ik toch een ding voorop stellen: ik studeerde in een tijd dat het collegegeld 200 gulden per jaar bedroeg. De minimumstudieduur voor rechten was 4 ½-5 jaar. Ik heb er uiteindelijk 6 jaar over gedaan. Zoiets was in die tijd vrij straffeloos mogelijk maar heb er wel heel wat naast gedaan. Ik was een student die de eerste jaren netjes zijn vakken haalde voor wat toen nog het kandidaatsexamen heette. Het eerste jaar met een kleine 4 (op een score van 5); het tweede jaar met een ruime 3. Dat kwam omdat ik dat tweede jaar ook meer nevenactiviteiten deed. En ja, ik was lid van een gezelligheidsvereniging: het Collegium Studiosorum Veritas, een katholieke studentenvereniging met een kleine 2000 leden. Ik had op de lagere school en op de middelbare school op een jongensschool gezeten. Een ding was duidelijk voor mij: niet nog eens alleen maar jongens. Daarom koos ik niet voor het (nog steeds) ongemengde Utrechts Studentencorps. Binnen Veritas ben ik vrij actief geweest: in mijn tweede jaar praeses diescommissie Veritas, in mijn derde jaar praeses lustrumcommissie Veritas, in mijn vierde jaar zelfs een tijdje interim praeses collegii. Ook ben ik nog secretaris geweest van de federatie Utrechtse Gezelligheidsverenigingen. Ik heb het geweldige geluk dat ik studeerde toen de studentenrevolutie begon (1968). Eerst vond ik dat linksig gedoe. Maar al gauw zag ik dat  ik met al die activiteiten rond de gezelligheidsverenigingen het risico liep te veel in een elitair isolement te blijven.  Ik ben me daarna veel meer gaan bezighouden met belangrijker zaken: het organiseren van de Utrechtse oriënteringsdagen en zaken die op het gebied van het recht lagen:  student-lid van de Instituutsraad van het strafrechtelijk instituut en bestuurslid van de zojuist opgerichte Utrechtse wetswinkels.

 

Heeft U spijt van Uw activiteiten in de gezelligheidsvereniging?

Allerminst. Ik raad ook nu nog iedere student aan om ook zoiets te doen naast de studie. Niet dat je een kroegtijger moet worden. Dat is, denk ik, heel stom. Maar je moet ook geen studie-nerd worden die alleen maar met puntenhalen bezig is. Juist door je lidmaatschap van een studenten en/of studievereniging kom je op een andere manier in contact met studiegenoten. Dankzij anderen word je alleen maar een vollediger mens. Pas achteraf zie je hoe belangrijk die contacten uit je studentenleven zijn. En als het enigszins mogelijk is: kijk ook eens buiten je eigen rechtenfaculteit. In het woord universiteit zit ook juist dat universele.

(lacht)

 

Het strafrechtelijk instituut? Was dat niet wat eenzijdig voor iemand die naar de rechterlijke macht is gedaan?

Dat klopt. Maar ook dat komt door de sfeer na de studentenrevolutie. Ik wilde iets met mensen doen en had het idee dat ik met civiel recht (even los van het personen- en familierecht) daar te ver van af stond. Ik geef toe dat men mij van alle kanten afraadde om me al te zeer strafrechtelijk bezig te houden. Ik heb dat toch gedaan en het heeft me uiteindelijk niet opgebroken. Ook naar aanleiding daarvan een les van deze oude man: ga ook in je studie voor datgene wat je begeestert. Zet je daarvoor in. Als je echt voor iets wilt gaan, ga je vanzelf ook goede studieresultaten halen. Wat mij betreft is er niets ergers dan iemand die is afgestudeerd op een standaardpakket met alleen maar gemiddelde cijfers en keuzevakken waar geen gezicht in te ontdekken valt, en die bovendien niets naast zijn studie heeft gedaan. Zelfs niet redacteur van een juridisch studentenblad.

 

Wat heeft u doen besluiten de overstap te maken van het Openbaar Ministerie naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens?

Ik was al vanaf mijn eerste baan bezig geweest met strafrecht en mensenrechten. Ik gaf in Leiden zelfs een keuzevak op dat gebied. Toen het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) was opgericht, was ik een van de eerste leden. Ik ben medeoprichter geweest van het in 1976 voor het eerst verschenen NJCM-bulletin en ben redacteur gebleven tot het moment dat ik in 2004 ben gekozen tot rechter in het Europese Hof. Daarnaast ben ik in 2000 benoemd tot hoogleraar mensenrechten aan de VU. Ik was dus altijd al op het gebied van mensenrechten bezig. Ook in de 12 jaar dat ik rechter was en in de 13 jaar dat ik lid was van het Openbaar Ministerie bleef  ik uitspraken van het Europese Hof annoteren en me met het onderwijs op dat vakgebied bezighouden. Toen eind 2003 werd geadverteerd voor de plek van Nederlandse rechter in Straatsburg keek ik eens om me heen. Ik wist dat ik niet helemaal kansloos zou zijn. En dat klopte.

 

Maar waarom deed U mee?

Het lag in het verlengde van mijn twee vakgebieden: het zijn van magistraat en het bezig zijn met de rechten van de mens. Ik was al veel in Straatsburg geweest en had een vrij goed beeld van wat mij eventueel te wachten stond.

 

Wat maakte uw werk als rechter bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zo interessant?

Het daadwerkelijk meewerken aan datgene wat de kerntaak is van het Europese Hof: kijken of de lidstaten zich wel houden aan hun beloften in hun eigen land de rechten van het EVRM aan een ieder te garanderen. En door die werkzaamheden (toepassen en interpreteren van het EVRM) mede gestalte te geven aan Europese minimumnormen, die in de 47 lidstaten voor meer dan 800.000.000 mensen gelden. Juist het vaststellen van de grenzen is iets heel fascinerends. Het betekent ook een immense verantwoordelijkheid. Als je te ruim interpreteert kunnen de lidstaten zich terecht opwinden; als je te beperkt interpreteert word je al gauw door klagers en NGO’s als te conserverend beschouwd. Op basis van mijn 8 jaar Straatsburg kan ik zeggen dat die Straatsburgse  mensenrechtbescherming nog lang geen overbodige luxe is. Het aantal personae miserabiles dat zich met de meest mensonterende ervaringen tot het Europese Hof wendt is nog steeds schrikbarend groot. Kijk voor de grap eens naar de arresten die het afgelopen jaar door de Grote Kamer van het Hof zijn afgedaan (www.echr.coe.int, zoekmachine HUDOC). Daar zitten zaken tussen die je alleen in de meest zwarte televisiefilms voor mogelijk zou houden.

 

 

Jaarlijks worden er duizenden zaken bij het Europese Hof voor de Rechten van het Mens aanhangig gemaakt. Niet in al deze zaken wordt uitspraak gedaan door het  Europese Hof. Op welke wijze vindt er een selectie tussen deze zaken plaats? Hebben de lidstaten enige invloed op deze selectie?

Er komen tegenwoordig al meer dan 60.000 zaken per jaar binnen. Dat is immens. De ervaring leert dat ongeveer 95% van die zaken niet ontvankelijk wordt verklaard. Niet omdat het Hof geen zin heeft in die zaken, maar omdat niet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden is voldaan. Te laat ingediend, geen uitputting van nationale rechtsmiddelen, klagen alsof het Hof een soort vierde instantie is, klagen over iets dat niet in het EVRM staat opgenomen etc.

 

Maar weten advocaten dan niet wat ze doen?

Hoe zeg ik dat diplomatiek? Aan klagen in Straatsburg zit geen verplichting tot het betalen van enig griffiegeld. Ongetwijfeld zijn er advocaten die denken dat je niet zeker weet of een koe een haas kan vangen. Soms eisen de cliënten om ook nog eens een keertje Europees te gaan. En soms bedenken advocaten iets wat nu nog te ver gaat. En vergeet niet: soms gaat ook het Hof om. Maar ook: advocaten mogen best eens wat zuiniger zijn op Straatsburg.

 

Maar hoe gaat het in de praktijk van het filteren? Hebben Staten enige zeggenschap?

Om met het laatste te beginnen: de Staten hebben geen enkele zeggenschap op het filteren. Ook hebben de Staten geen zeggenschap over de rechters of de leden van de griffie. OK, je wordt met twee andere kandidaten door je land voorgesteld. Dan wordt in de regel een van die kandidaten gekozen door der parlementaire vergadering van de Raad van Europa. Maar vanaf dat moment ben je als rechter volkomen onafhankelijk. Ik was, net zoals mijn collega’s, in die acht jaar zelfs vrijgesteld van de verplichting belasting te betalen op mijn Straatsburgs inkomen. Dat is juist gedaan om je nog meer onafhankelijk te maken. En voor wat betreft de praktijk: alle klachten die binnenkomen worden eerst bekeken door een zeer ervaren lid van de griffie. In 9 op de 10 gevallen kun je met je kennis van de procedureregels al zien dat het een niet-ontvankelijkheid is. Zo’n dossier wordt dan meteen naar een junior jurist gestuurd om een kort uittreksel te maken, eindigend in een motivering waarom de zaak niet ontvankelijk is. Als de senior jurist aarzelt legt hij het voor aan de nationale rechter of aan een speciaal benoemde rapporteur. Afhankelijk van diens antwoord gaat de zaak op de stapel van de korte uittreksels of op de stapel waar wellicht iets in zit. De stapel uittreksels met kennelijk niet ontvankelijke zaken ondergaat nog een kwaliteitscheck en wordt dan voorgelegd aan een ‘single judge’. Dat is nooit de nationale rechter. Als de single judge het met het voorstel eens is, is dat het eind van de zaak; als hij vindt dat er toch iets meer aan de hand kan zijn, wordt het in de regel voorgelegd aan de Kamer van 7 rechters. In zo’n zaak wordt dan een rechter-rapporteur benoemd. Eerst zullen dan aan de aangeklaagde Staat nadere feitelijke vragen worden gesteld. Het kan ook zijn dat alleen maar aan de Staat wordt gevraagd zich te verweren op de ingediende beschuldigingen. Op basis van het aldus opgebouwde dossier wordt dan onder verantwoordelijkheid van de rechter-rapporteur door een jurist van de griffie een concept gemaakt. Ook dat ondergaat een aantal quality checks en wordt uiteindelijk, voorzien van een door de rapporteur vastgestelde memorie van toelichting ter beslissing aan de Kamer voorgelegd. Daar volgt dan een mondelinge behandeling en discussie. Als er overeenstemming is (of tenminste een meerderheid) wordt het concept pagina voor pagina doorgenomen en wordt gestemd. Het resultaat is een paar weken later op HUDOC te vinden.

 

Hoe ziet u de toekomst van Europa en welke rol speelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens daarin?

De toekomst voorspellen van Europa is zelfs voor een oud-rechter uit Straatsburg wat veel gevraagd. Maar een paar dingen kan ik wel zeggen. Op financieel gebied is Europese samenwerking inmiddels een noodzaak. Maar dat is de EU. Op juridische samenwerking geldt dat evenzeer. Denk eens in als er niet meer alle internationale verdragen bestonden en we weer terug zouden moeten naar bi-laterale afspraken. Veel zou in het honderd kwadraat lopen.

Maar voor wat betreft de mensenrechten in Europa: dat blijft helaas een bittere noodzaak. Wie  ziet wat er ook nu nog wekelijks binnenkomt, weet dat het Hof geen overbodige luxe is.  Het is niet voor niets aangeduid als ‘The Conscience of Europe’.

En wat is Europa zonder geweten?

 

Catchphrases

 

‘Als je echt voor iets wilt gaan, ga je vanzelf ook goede studieresultaten halen.’

 

‘Wie ziet wat er ook nu nog wekelijks binnenkomt, weet dat het Hof geen overbodige luxe is.’

 

‘Het is niet voor niets aangeduid als ‘The Conscience of Europe’.

 

 


  • 0

Een dag in het leven van… mediator Edith Bos

Een dag in het leven van een mediator

Judith Bos – Accent Mediation

Door: Monique Nijboer
Wanneer je als student zegt dat je rechten studeert, denkt men vaak dat je later de advocatuur in gaat. Maar er zijn vele andere professies waar de rechtenstudie een uitstekende basis voor vormt. Bijvoorbeeld mediation, een opkomend middel om partijen in conflicten dichter bij elkaar te brengen. Een proces waarbij het er niet om gaat wie er met de ‘winst’ naar huis gaat, maar een proces waar je een win-win situatie wil creëren, of beter gezegd waar verliezen worden beperkt en samen naar een overeenkomst wordt gezocht. In dit artikel geef ik informatie over het beroep en krijg je een kijkje in de keuken van het werk van een mediator. Judith Bos, van Accent Mediation, heeft mij vol passie uitleg gegeven over de do’s en don’ts van het vak.

 

Mediators heb je in verschillende soorten, hiermee bedoel ik in eerste instantie de achtergrond van een mediator. Je hebt mediators met een psychologische achtergrond, een bedrijfskundige achtergrond maar ook, zoals Judith, een juridische achtergrond. Ook kun je je specialiseren in bepaalde gebieden en soorten conflicten. In het familierecht en bij arbeidszaken is het fenomeen mediation al langere tijd ingeburgerd. Hedendaags is de mediation in strafzaken en faillissementen ook in opmars.[1] Mediation lijkt zich steeds meer een vaste positie in het Nederlandse rechtssysteem te verwerven. Zo is het in de rechtszaal gebruikelijker om door te verwijzen naar een mediator.[2] Op het moment is er nog geen wettelijke inbedding van de mediation, de mediator heeft geen verschoningsrecht. Maar naar aanleiding van de Europese richtlijnen om grensoverschrijdende mediations vast te leggen is men bezig om ook de nationale conflictbemiddeling een plaats te geven in de Nederlandse Wetgeving.
Om jezelf een mediator te kunnen noemen moet je eerst een erkende NMI registermediator opleiding volgen.[3] De opleiding wordt bij verschillende trainingsinstituten aangeboden. Tijdens de opleiding wordt er, naast het vergaren van psychologische en juridische kennis, aandacht gegeven aan gespreksvaardigheden. Door rollenspellen leer je praktijksituaties kennen waarin je naast het onderhandelen de psychologische en juridische kennis toe kan passen. Dit wordt ook bij een echte mediation van je wordt verwacht.

De partijen bij een mediation moeten ten eerste vrijwillig willen deelnemen aan de mediation en bereid zijn om een eigen inspanning te leveren. Tevens moet het gaan om zaken waarover partijen zelf kunnen beslissen. Ze nemen eigen verantwoordelijkheid bij de mediation.  Want de mediator lost het conflict niet op, maar brengt twee partijen nader tot elkaar. De mediator wordt primair ingezet om de vastgelopen communicatie tussen partijen weer op de rails te krijgen. Uit een verbeterde communicatie tussen twee partijen kan natuurlijk wel een oplossing komen. In eerste instantie denkt een mediator dus in opties en mogelijkheden en kan hij effectief met conflicten en emoties omgaan. Ze zal als onafhankelijk derde in het proces een gespreksstructuur aanbrengen en cliënten inzicht geven in elkaars en eigen gedrag en wensen. Het proces begint bij de voorbereiding, daarna bestaat het plenaire gedeelte uit een intake, exploratie, onderhandeling en besluitvorming, waarna op het einde het proces wordt afgesloten. Je begint de mediation met een overeenkomst en je eindigt de mediation met een overeenkomst.
Judith Bos – Accent Mediation, nadruk op de dialoog

Kort wat over Judith, de mediator waarbij ik de onderstaande ervaringen heb opgedaan. Judith heeft naast het zijn van mediator nog andere activiteiten, dus werkt ze parttime als mediator. Nadat ze in 2002 de mediationopleiding had afgerond, heeft ze samen met een collegamediator Het Akkoord opgericht. In 2004 is ze ook gaan werken als rechtbankmediator. Sinds 2011 voert ze een eigen praktijk onder de naam Accent Mediation.[4] Ze is NMI Registermediator en geeft uit oogpunt van conflictpreventie diverse trainingen. Wanneer er behoefte aan is om samen te werken met een andere mediator of deskundigen is ze hier flexibel in, ze doet zelfs aan online mediation. Naast het uitoefenen van het beroep vervult ze ook nog gerelateerde nevenactiviteiten. Kortom een ondernemende vrouw die vol passie haar werk, waar de dialoog voorop staat, volbrengt.

 

Volgens Judith is het my lucky day, want ik kan mee naar een workshop én een echtscheidingsmediation.
Workshop
De workshop mediation voor alumni psychologen van de RUG was een boeiende en interessante ervaring. Na een inleiding wat het beroep inhoudt, het bespreken van praktijkgevallen en een filmpje van een voorbeeldzaak mochten we zelf aan de slag. Er stond een rollenspel op het programma. Nadat de rollen waren verdeeld en ik was getransformeerd tot Lia Stoffel, de mediator, konden we beginnen.
Het betrof een conflict tussen een technisch directeur en een algemeen directeur van een bedrijf. De technisch directeur was al jaren bij het bedrijf werkzaam in tegenstelling tot de net aangestelde algemeen directeur. Na even warm worden en het proces te hebben uitgelegd aan de cliënten was het tijd om de mediationovereenkomst te tekenen. Dit document garandeert onder andere de geheimhouding en vertrouwelijkheid van het proces. Het volgende wat me te doen stond was het conflict in kaart brengen en de wensen van partijen achterhalen. Ik merkte dat je als mediator je moet kunnen inleven in de personen en het vertrouwen van beide personen moet winnen. Ook al hebben ze in het begin gezamenlijk ingestemd met de mediation, het vertrouwen en het meewerken van beide partijen gedurende het hele proces is de sleutel tot succes. Een onpartijdige mediator is hierbij een belangrijk element. Ik merkte aan mijzelf dat je snel met iemand meedenkt als diegene zijn of haar kant van het verhaal vertelt. Maar wanneer je daar vol in meegaat, verlies je ten eerste je onpartijdigheid en ten tweede het vertrouwen van de andere partij. Door partijen met elkaar te laten praten, soms het gesprek sturen en enkele mogelijkheden op tafel leggen werd er voor een eerste bijeenkomst al veel werk verricht. Partijen hebben een beter beeld van het proces gekregen, hebben uitgesproken wat het conflict betreft en toegelicht waar men naar toe wilt. Dat lijkt me een mooi resultaat van een eerste bijeenkomst én, voor mij, een eerste ervaring als mediator.

 

Echtscheidingsmediation
De echtscheidingsmediation waar ik bij mocht zijn vond dit keer niet op neutraal terrein plaats. Vanwege omstandigheden gingen we naar de mensen thuis. In de auto legde Judith mij de zaak uit, want bij een echtscheiding kunnen er verschillende elementen bij komen kijken. Deze zaak betrof een stel met minderjarige kinderen. Eenmaal binnen merkte ik gelijk dat Judith bij eerdere bijeenkomsten een band heeft ontwikkeld met het stel. Ze vertrouwen haar, zijn open en niet zakelijk of afstandelijk. Na het tekenen van mijn geheimhoudingsverklaring pakte Judith de zaak op waar hun vorige bijeenkomst was geëindigd. Er werd ook aandacht aan het ‘huiswerk’ van de partijen besteed. Zo nemen partijen geen overhaaste beslissing, worden er ook door hun dingen uitgezocht én zijn ze echt betrokken bij het proces. Tijdens deze bijeenkomst moesten de openstaande onderdelen van het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan[5] worden ingevuld. Nadat de mediator een punt heeft aangekaart, geven partijen aan hoe ze erover denken en overleggen ze de mogelijkheden. Judith springt in wanneer partijen niet duidelijk weten wat de (voordeligste) mogelijkheden zijn, en legt dan uit waaraan ze kunnen denken. Tevens stuurt ze het gesprek wanneer de spanningen tussen partijen wat hoger oplopen. Zo worden de overeenkomsten stap voor stap doorgelopen. En worden er door partijen gezamenlijke beslissingen genomen over de woning, pensioenen, alimentatie, omgangsregelingen etc. Aan het einde van de bijeenkomst legt Judith de verdere gang van zaken uit en sluit één van de partijen met een mooie uitspraak af: ‘ons huwelijk is niet mislukt, maar ons huwelijk is niet verder gelukt.’

Ik heb de indruk gekregen dat partijen door de bijeenkomsten, hun betrokkenheid en concessies zich meer bewust zijn van het proces en de uitkomsten. Ik vond het erg mooi om te zien dat mensen die kennelijk zo erg in conflict zijn en er zelf niet meer uitkomen, met behulp van een derde toch netjes met elkaar kunnen omgaan. Om er samen uit te komen en om elkaar verder te helpen.

 

Na het meelopen en het vergaren van informatie over mediation ben ik nog meer enthousiast geworden over het beroep. Bedankt Judith, voor de mogelijkheid om deze ervaringen op te doen en een kijkje in de keuken te hebben gekregen van een opkomend middel in de samenleving.

 

 



[1] Van Wemeskerken, H. 2012: Mediation: niet voor watjes. Mr. Magazine voor juristen Mr, Deventer: Kluwer 2012, nr. 11.

[2] Sinds 2007 hebben alle rechtbanken en gerechtshoven een verwijsvoorziening voor mediation in huis.

[3] Toetredingseisen tot het NMI Register:
NMI erkende basisopleiding, Theorie-examen, Assessment en een Verklaring Omtrent het Gedrag. Daarna moet je aan de Onderhoudseisen NMI register voldoen.
Structuur binnen de mediation:
NMI Gedragsregels, NMI mediation Reglement en een model mediationovereenkomst. Daarnaast kent het NMI een klachtenregeling en onafhankelijk tuchtrecht.

[4] Accent Mediation, met de nadruk op de dialoog: www.accentmediation.nl

[5] Artikel 1:247a BW jo artikel 815 lid 2 RV


  • 0

De huurcommissie: beschermengel van de huurders?

 

De huurcommissie: beschermengel van de huurders?
Erhan Aydogmus

 

Inleiding

Vele studenten kennen de organisatie Huurcommissie en weten waar zij voor staat. Het is algemeen bekend dat de Huurcommissie een onderzoek kan starten om te kijken of een verhuurder meer huur vraagt dan wettelijk is toegestaan. Op het eerste gezicht zou men verwachten dat er veel verzoeken binnen komen bij de Huurcommissie, vooral in steden met veel studenten. Desalniettemin heeft er een daling van verzoeken plaatsgevonden. In 2010 was de instroom 13.224 verzoeken, wat met 9.149 verzoeken in 2011 een daling betekent van twintig procent.1 Wat doet de Huurcommissie en hoe effectief is zij in de praktijk? Dit artikel zal eerst uiteenzetten wat de bevoegdheden zijn van de Huurcommissie en voor welke klachten de huurder terecht kan bij de Huurcommissie. Vervolgens zal er aandacht besteed worden aan de aangekondigde afschaffing van het woningwaarderingsstelsel en alle commotie daaromtrent.

De structuur van de organisatie

De naam ‘Huurcommissie’ is de verzamelnaam voor het zelfstandig bestuursorgaan Huurcommissie (hierna: ZBO Commissie) en de Dienst van de Huurcommissie (hierna de Dienst Commissie). De Commissie valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken. De ZBO Commissie bestaat uit een bestuur, zittingsvoorzitters en zittingsleden. Het bestuur geeft leiding aan de Commissie en aan de Dienst Commissie. Daarnaast is er een Raad van Advies dat uit drie huurdersleden, drie verhuurdersleden en drie onafhankelijke leden bestaat en die zowel gevraagd als ongevraagd adviezen uitbrengt aan het bestuur en daarmee een ondersteunende rol heeft.
De Dienst Commissie bestaat uit de afdeling Geschilbeslechting, het Bestuursbureau, het Bedrijfsbureau en de concerncontroller. De afdeling doet al het werk dat vooraf gaat aan de zitting. Men kan hierbij denken aan het doen van een onderzoek in een woning, of het opstellen van rapporten. Het Bestuursbureau ondersteunt het bestuur met betrekking tot het beleid, planning, strategie en communicatie. Ook de concerncontroller ondersteunt het bestuur over de primaire besturende processen. Het Bedrijfsbureau daarentegen houdt zich meer bezig met de financiën, het personeel en de organisatie.

 

De Huurcommissie in vogelvlucht

De Huurcommissie (hierna: de Commissie) is een landelijke onafhankelijke organisatie die de bevoegdheid heeft om de geschillen tussen de huurder en de verhuurder op te lossen door middel van het doen van een bindende uitspraak. Deze geschillen worden alleen behandeld als die tussen de huurder en de verhuurder afspelen over zelfstandige woningen, kamers, woonwagens en woonwagenstandplaatsen.2 De geschillen in het geding kunnen bestaan uit onenigheid over de onderhoud, de servicekosten maar ook over de hoogte van de huurprijs. De Commissie noemt limitatief  een aantal soorten gevallen die in behandeling genomen worden. Deze gevallen betreffen de situatie:

  1. waarin de huurder een all-in-prijs betaalt waarbij het onduidelijk is hoeveel de kale huurprijs en hoeveel de servicekosten bedragen;
  2. waarin het huurcontract nog geen zes maanden bestaat, kan de Commissie de huurprijs toetsen aan de wet. Wanneer blijkt dat de huurprijs hoger is dan het wettelijk is toegestaan, dan kan de huurder de teveel betaalde huur van de afgelopen maanden vorderen van de verhuurder;
  3. dat de huurprijs hoger is dan het wettelijk is toegestaan. De huurder kan dan een verzoek om huurverlaging indienen;
  4. dat de verhuurder zich niet houdt aan de regels van de wettelijke jaarlijkse huurverhoging; de huurder is oneens met de huurverhoging naar aanleiding van een renovatie;
  5. waarin de woning achterstallig onderhoud heeft. Er wordt een huurverlaging aangevraagd totdat de gebreken verholpen zijn door de verhuurder;
  6. dat de huurder van mening is dat de maandelijkse voorschot servicekosten te hoog zijn; de huurder is oneens met de jaarlijkse eindafrekening van de servicekosten.

In deze gevallen kan de huurder de Commissie inschakelen, mits het gaat om een niet-geliberaliseerde (sociale) woning. De Commissie probeert ook vooral door middel van mediation de huurder en de verhuurder tot een oplossing te laten komen. De Commissie probeert hierbij vooral een onpartijdige, objectieve rol aan te nemen en kosten te besparen door de partijen te laten schikken. Mocht dit niet baten, dan kan de Commissie het geschil in kwestie toetsen aan de wet- en regelgeving en aan de hand daarvan een bindende uitspraak doen. Van de 8.915 geschillen tussen de huurder en de verhuurder in 2011 heeft de Commissie 6.748 afgehandeld op een zitting.3 De meeste verzoeken in het jaar 2011 kwamen uit Noord-Holland en met name uit Amsterdam.4 Uit Noord-Holland werden er 3.146 verzoeken ingediend bij de Commissie.5 Groningen telt 50.000 studenten waarvan 35.000 studenten in de stad wonen.6 Daarmee is Groningen de vierde grootste studentenstad van Nederland.7 Merkwaardig genoeg werden er maar 333 verzoeken ingediend vanuit Groningen.8 Een verklaring voor het lage aantal verzoeken kan zijn dat mensen sceptisch zijn over de effectiviteit van de Commissie. Doorgaans willen de huurders niet op slechte voet staan met de verhuurders omdat ze vrezen dat ze uit het huis gezet kunnen worden. In essentie komt het er op neer dat de huurders niet goed weten wat hun rechten en plichten zijn en wat de rechten en plichten van de verhuurders zijn.  Door deze onwetendheid, vrezen de huurders dat ze ongelijk zullen krijgen in het geval van een zitting. Uit de cijfers blijkt echter dat van alle behandelde zaken de huurders in 62 procent gelijk krijgen.9 Hieruit blijkt dat de huurder voor de wet er veel sterker voor staat dan de verhuurder.

De Commissie en haar ‘procesrecht’

Wat is het ‘procesrecht’ van de Commissie? Welke stappen moet men ondernemen om bij de Commissie terecht te kunnen? Als eerste kan de huurder bij de Commissie informatie inwinnen omtrent de redelijkheid van de huurprijs of over alle andere klachten die binnen het domein van de Commissie vallen. Als de huurder en de verhuurder er toch niet uit komen, kan de huurder of de verhuurder bij de Commissie een schriftelijk verzoek indienen om een uitspraak te doen over het geschil dat tussen de huurder en de verhuurder bestaat. Dit verzoek moet schriftelijk geschieden. De verzoeker betaalt dan een voorschot op de leges aan de Commissie. Vervolgens verzamelt de Commissie informatie en kan zij een onderzoek verrichten in de woning. Degene die het onderzoek verricht stelt een rapport op van zijn bevindingen en presenteert dit aan de Commissie. Het rapport wordt tevens verzonden aan de huurder en de verhuurder. Het is de bedoeling dat de huurder en de verhuurder hierop schriftelijk reageren. Als de huurder en de verhuurder er nog steeds niet uitkomen, dan nodigt de Commissie de partijen uit voor een hoorzitting, waarbij ze in persoon kunnen verschijnen of zich mogen laten vertegenwoordigen. In die hoorzitting wordt er dan door de huurder en de verhuurder gereageerd op het rapport en brengt elke partij haar standpunten naar voren. Binnen zes weken na de zitting krijgen de partijen de uitspraak van de Commissie, hetgeen ook bindend is. Degene die ongelijk heeft gekregen wordt tevens veroordeeld voor de proceskosten. Als de uitspraak in het nadeel van de verhuurder uitpakt, dan betekent dat een verlaging van de huurprijs.

Puntensysteem afschaffen

Aan de hand van het woningwaarderingsstelsel (hierna: het puntenstelsel) kan de Commissie bepalen wat de maximale huurprijs van de woning in het geding mag zijn. De Commissie gaat dan aan de hand van dat puntenstelsel alle kamers van de woning langs en stelt dan vast hoeveel punten de woning per kamer, per voorziening krijgt. Punten worden toegekend voor woonkwaliteit en vierkante meters. Op het eind worden de totaal toegekende punten opgeteld en wordt aan de hand van een tabel gekeken hoeveel huur de wet voorschrijft voor dat totaal aantal punten. Als de verhuurder meer huur vraagt van de huurder dan het wettelijk is toegestaan dan kan de Commissie dus een bindende uitspraak doen en de huur verlagen. In het regeerakkoord Rutte II is de afschaffing van het puntenstelsel aangekondigd:10
‘Het systeem voor woningwaardering wordt sterk vereenvoudigd met als grondslag 4,5 procent van de waarde         op basis van de wet waardering onroerende zaken. Daarmee komt een einde aan het ingewikkelde       puntensysteem.
Voor huurders met een inkomen boven 43.000 wordt de maximale huurprijs op basis van het    woning waarderingssysteem tijdelijk buiten werking gesteld.  Na vertrek van de zittende bewoners geldt de   maximale huurprijs weer. Zo pakken we scheefwonen aan en blijft de sociale woningvoorraad in stand.’

Dit betekent dus dat de maximale huurprijs niet meer bepaald wordt door een puntensysteem waarbij de vierkante meters en de woonkwaliteit de maximale huurprijs bepalen, maar door een percentage van de WOZ-waarde.11 Dit kan in gebieden met woningnood leiden tot een veel hogere maximum huurprijzen, waarmee uiteindelijk het aantal sociale huurwoningen nog verder zal teruglopen.
Belangrijk om op te merken is tevens de waardering van de groene labels. In het puntensysteem krijgen groene labels relatief veel punten en de slechte labels krijgen weinig tot geen punten. Dit is dan een enorme stimulans voor de verhuurders om te investeren in de groene labels. Door woonlastenwaarborg zorgt men ervoor dat de huurder er beter van wordt. Door afschaffing van het puntenstelsel en invoering van de 4,5 procent van de WOZ-waarde, verdwijnt die prikkel om in groene energie te investeren.

Recente ontwikkelingen

De minister van Wonen en Rijksdienst heeft op 13 februari 2013 het nieuwe woningmarktakkoord gepresenteerd waarin er duidelijk veranderingen zijn opgenomen ten opzichte van het regeerakkoord van 29 oktober 2012. Daarin is geopperd dat het puntenstelsel intact blijft en voor alle inkomensgroepen geldt, maar dat uiterlijk september 2013 een voorstel gedaan zal worden tot een nieuw systeem. In dat voorstel zal men trachten om een mix te maken van het puntenstelsel met de WOZ-waarde.12 Het voorstel, stelt de minister, mag niet leiden tot ‘een beperking van de verdiencapaciteit van de verhuurder op macroniveau of andere schokeffecten’. Er wordt dus niet meer gewerkt met de maximumhuur van 4,5% van de WOZ-waarde. In het regeerakkoord was tevens opgenomen dat de huurders met een inkomen van €43.000,- of meer geen aanspraak konden maken op een maximum huurprijs. Ook dat is teruggedraaid door het stellen van een maximum huurprijs aan de hand van het puntenstelsel.

Conclusie

De Commissie is een buitengewoon effectieve organisatie die in het leven is geroepen om de geschillen tussen de huurder en de verhuurder op te lossen. In een limitatief aantal  gevallen kan de huurder maar ook de verhuurder een verzoek indienen bij de Commissie. De Commissie kan dan informatie inwinnen en een onderzoek starten en op basis daarvan de huurder en de verhuurder horen waarna de Commissie een bindende uitspraak doet. De Commissie gebruikt het puntenstelsel als leidraad in de beoordeling van het geschil. Het regeerakkoord van oktober 2012 heeft voor veel ophef gezorgd onder de huurders. Dit systeem trachtte het puntenstelsel af te schaffen en daarvoor in de plaats een 4,5 procent van de WOZ-waarde in te voeren. Niettemin is er op 13 februari 2013 aangekondigd dat het puntenstelsel van kracht blijft en dat er in september 2013 een nieuw voorstel gedaan zal worden. Voorlopig zal men moeten afwachten wat het lot van de woningmarkt wordt.



[i]               Via WWW <www.huurcommissie.nl/fileadmin/afbeeldingen/Jaarverslagen/Jaarverslag2011.pdf> p.9.

[i]               Via WWW <www.huurcommissie.nl/over-de-huurcommissie/>

[i]               Via WWW <www.huurcommissie.nl/fileadmin/afbeeldingen/Jaarverslagen/Jaarverslag2011.pdf> p.16.

[i]               Idem

[i]               Idem

[i]               Via WWW <www.os-groningen.nl/images/stories/rapport/Statistisch_Jaarboek_2010.pdf> p.94.

[i]               Idem

[i]               Via WWW <www.huurcommissie.nl/fileadmin/afbeeldingen/Jaarverslagen/Jaarverslag2011.pdf> p.18.

[i]               Via WWW <www.huurcommissie.nl/fileadmin/afbeeldingen/Jaarverslagen/Jaarverslag2011.pdf> p.20.

[i]               Via WWW <www.rijksoverheid.nl/regering/regeerakkoord/woningmarkt>

[i]               WOZ staat voor Wet waardering onroerende zaken. Aan de hand van deze wet bepaalt de gemeente de waarde van alle onroerende zaken binnen de eigen gemeentegrenzen.

[i]               Via WWW <www.pararius.nl/nederlands/nieuws.php name=Het_woningmarktakkoord_van_13_februari_2013_oplossing_of_doormodderen_LinkedIN>

 


  • 0

Anders kijken naar schade door misdrijven

Anders kijken naar schade door misdrijven

John Kamphuis

 

In zijn artikel ‘Een andere kijk op schade door misdrijven’[1] betoogt H.G. van de Bunt dat het ‘erg voor de hand’ ligt ‘om bij het beoordelen van de schadelijke gevolgen van misdaad te denken aan het leed of nadeel dat aan directe slachtoffers is toegebracht’, maar dat er ook een andere kijk op schade mogelijk is, die daar niet primair op gericht is. Van de Bunt licht dit toe door te zeggen: ‘Deze andere kijk komt er kort gezegd op neer dat de aandacht mede gericht is op het beoordelen van de effecten die misdrijven uitoefenen op ‘systemen’.’ Volgens hem ‘wint deze visie steeds meer terrein’. Hoe ziet deze visie er eigenlijk uit en hoe kan deze worden verklaard?

 

Inleiding

 

Het is mogelijk om de effecten te bezien die misdrijven uitoefenen op ‘systemen’. Als voorbeelden van ‘systemen’ noemt van de Bunt de vastgoedsector of een buurt. Voor beide ‘systemen’ neemt hij een situatie uit de praktijk. Zo refereert hij, naar aanleiding van een interview in NRC Handelsblad met Diederik Samsom,[2] aan Marokkaanse jongens die de buurt Amsterdam-Slotervaart onveilig maken. Van de Bunt citeert Samsom als deze spreekt over het ‘triomfalisme bij die jongens, de wetenschap dat ze zich onaantastbaar voelen, en dat ook zijn’. Dit zorgt voor een gevoel van onmacht bij de gezagsdragers. Van de Bunt leidt hieruit af dat ‘het systeem van controle hapert’ en dat Samsom daar ‘terecht de aandacht voor vraagt’.

 

De andere kijk op schade richt volgens van de Bunt de aandacht ‘op de aantasting van hogere belangen die de concrete strafzaken zelf lijken te ontstijgen’. Hij noemt dan twee zaken: ‘de ontwrichting van de formele sociale controle en de ondermijning van een ‘systeem’.’

Vooral omdat de ‘andere kijk op schade’ in de woorden van van de Bunt ‘steeds meer terrein’ wint, wil ik onderzoeken wat van de Bunt bedoelt als hij spreekt over ‘de ontwrichting van de formele sociale controle en de ondermijning van een ‘systeem’’ als zijnde ‘schadeposten’ van misdaad? Nadat ik zal komen tot een omschrijving van deze termen dringt zich de vraag op hoe deze ontwrichting en ondermijning kunnen worden verklaard. Vanuit de criminologische literatuur zal ik daartoe een poging doen.

 

Ontwrichting van de formele sociale controle

 

Zoals gezegd kan ontwrichting van formele sociale controle als schadepost van misdaad worden aangemerkt. Bij bronnen van formele sociale controle kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de politie of het bestuur van een bedrijf. Vanuit deze invalshoek wordt niet zozeer gelet op ‘het leed of nadeel dat aan directe slachtoffers is toegebracht’.[3] Maatgevend voor de ernst van de schade is ‘de mate waarin misdrijven effectief worden verhuld door ontwrichting van de sociale controle’.[4] Deze verhulling kan plaatsvinden door bijvoorbeeld de situatie te nemen dat binnen een bedrijf bestuurder X steekpenningen van werknemer Y aanneemt, zodat Y zonder hinder van X te ondervinden malafide praktijken kan ondernemen of voortzetten. De controlerende functie van X wordt hiermee ten aanzien van Y tot nul gereduceerd, waardoor Y ten opzichte van X een ‘vrijbrief’ heeft zich te onttrekken aan bestuurlijk toezicht. Duidelijk zal zijn dat de sociale controle in de relatie X-Y binnen het bedrijf hiermee ernstig wordt ontwricht. ‘Ontwrichting’ geeft in deze de situatie weer dat een stelsel niet fungeert als het behoort te fungeren. Door de beschreven corruptie ontstaat een bestuurlijk manco, waardoor bedrijfsvoering in haar kerndoelstellingen wordt getroffen. Een van deze doelstellingen is het bestaan van deugdelijk bestuur en correcte interne verhoudingen tussen individuen binnen het bedrijf, waardoor het mogelijk wordt als bedrijf vaste koers te varen en winsten te genereren.

Komt het door mij geschetste voorbeeld ‘aan het licht’, dan zijn de gevolgen ingrijpend. Niet alleen wordt het falen van sociale controle zichtbaar, het zal bijvoorbeeld ook leiden tot een verlies van vertrouwen van werknemers in het bestuur van het bedrijf waarvoor zij werken. Ontwrichting van formele sociale controle kan derhalve zeker als schadepost van misdaad worden aangemerkt. Deze vorm van schade kan niet met een eenvoudige transactie worden hersteld. Een begrip als ‘vertrouwen’ is een wat ongrijpbaar begrip (vooral ook vanwege de subjectiviteit van de term) en zal pas in oude glorie kunnen worden hersteld na verloop van langere tijd.

 

Ondermijning van een systeem

 

Van de Bunt omschrijft ‘ondermijning’ van een systeem als een ‘verzwakking van binnenuit’.[5] Andere omschrijvingen van het begrip richten zich vooral op haar ondergravende en uithollende werking. Onze gedachten gaan uit naar de recent geopenbaarde fraudeleuze praktijken door hoogleraar Diederik Stapel. Sinds 2004 zou Stapel verzonnen data hebben gebruikt in zeker dertig artikelen in toonaangevende tijdschriften op het gebied van de sociale psychologie.[6] Hoewel de voorzitter van de vereniging van universiteiten VSNU, Sijbolt Noorda, aangeeft dat de fraude van Stapel het aanzien van de Nederlandse universiteiten niet heeft geschaad,[7] wordt dit door de commissie (onder leiding van de heer Levelt) die onderzoek heeft gedaan naar het gesjoemel door Stapel weersproken.[8] In ieder geval is de schade van de fraude enorm. Niet alleen betekent de fraude – in de woorden van Levelt – een ‘persoonlijke tragedie’ voor de studenten die aan Stapel waren toevertrouwd,[9] de fraude bewerkt ook onder meer sterke gevoelens van onveiligheid. Wie kan wel worden vertrouwd? Wie beweert dat de collega met wie ik samen werk ‘schone handen’ heeft?

 

Van de Bunt legt in zijn artikel uit wanneer criminaliteit ondermijnend is: ‘Criminaliteit is ondermijnend als deze gepleegd wordt door een insider. Dat wil zeggen: door iemand die ogenschijnlijk gewoon onderdeel uitmaakt van het sociaal verband. Wanneer deze persoon, in wie blind vertrouwen werd gesteld, crimineel gedrag pleegt, trilt de gemeenschap na op zijn grondvesten. (…). Een individuele zaak kan leiden tot een verlies van vertrouwen in de integriteit van de politie, de wetenschap, of de vastgoedsector.’[10]

 

Verklaring voor ontwrichting van de formele sociale controle

 

Dat ontwrichting van de formele sociale controle een serieuze bedreiging vormt voor belangwekkende waarden als veiligheid en vrijheid, zal geen nieuws zijn. Ontwrichting is niet zelden een doordachte en welbewuste activiteit, die onder andere daardoor diepe sporen kan trekken in bijvoorbeeld een systeem als een buurt. Van de Bunt spreekt in dit verband van ‘strategieën (…) die criminele samenwerkingsverbanden gebruiken om sociale controle te ontwrichten, zoals de aantasting van de competentie van controleurs, het blokkeren van de toegang tot deze personen, en het ontlopen van formele sociale controle.’[11]

Deze strategieën komen niet uit de lucht vallen, maar hebben een aanloop. Ze komen voort uit een ambitie zodanige vrijheden te creëren, dat doelen worden bereikt. Om bij het voorbeeld (X-Y) uit de vorige deelparagraaf te blijven: Y zoekt ‘speelruimte’ om malafide praktijken te kunnen ondernemen en creëert deze door X steekpenningen te geven. Y zoekt deze ‘vrijheid’, hoe moreel afkeurenswaardig deze vorm van vrijheid ook is. Hier staat tegenover dat op de vrijheden van anderen wordt ingeboet. Op de vrijheid van onbegrensd vertrouwen in meerderen binnen de bedrijfshiërarchie (bestuur) wordt door de malafide praktijken van Y in combinatie met het stilzwijgen van X hieromtrent, inbreuk gemaakt. Vrijheden blijken dus onderling concurrerende waarden te kunnen zijn, afhankelijk van de wijze waarop de term ‘vrijheid’ wordt geïnterpreteerd en uitgelegd.

 

Er zijn legio voorbeelden te bedenken op welke wijze formele sociale controle kan worden ontwricht. Een uitputtende lijst is niet te geven. Ook zal ik teveel in de algemeenheid blijven hangen als ik slechts enkele algemene opmerkingen maak over de ontwrichting van de formele sociale controle als zijnde schadepost van misdaad. Ik neem één voorbeeld en verklaar deze: het ontlopen van formele sociale controle. De vraag is dan: hoe kan het ontlopen van formele sociale controle deze controle ontwrichten en daardoor als schadepost van misdaad worden aangemerkt?

 

De verklaring voor de ontwrichting door het ontlopen van de formele sociale controle zullen we ook hier moeten zoeken in de nauwe samenhang tussen binding aan bronnen van formele sociale controle en de mate van ontwrichting hiervan.[12] Het ontlopen van de binding aan deze bronnen schept een zee van mogelijkheden voor een persoon om als een ‘onzichtbare’ een eigen, crimineel spoor te gaan. Dit maakt de ontwrichting tegelijkertijd ook zo ongrijpbaar. Toch moeten we nog een stap verder. De ‘onnavolgbaarheid’ van de crimineel (wegens zijn ‘onzichtbaarheid’) impliceert twee dingen. In de eerste plaats ontstaat bij burgers wantrouwen ten aanzien van de slagvaardigheid en de zin van formele bronnen van sociale controle (bijvoorbeeld een wijkagent), waardoor zich gevoelens van onbeschermdheid en onveiligheid ontplooien. Je zou maar op het verkeerde moment op de verkeerde plaats zijn! In de tweede plaats kan bij bijvoorbeeld de wijkagent het besef optreden dat hij niet toereikend kan handelen ten aanzien van het doel waarvoor hij is aangesteld, namelijk het bieden van veiligheid en het scheppen of in stand houden van orde. Hij krijgt criminele strategieën, criminelen en gevaarvolle situaties immers niet scherp in het vizier. Deze twee zaken vormen schadeposten. Zowel het oogmerk waarom bronnen van sociale controle worden ontlopen (waardoor iemand makkelijker crimineel gedrag kan vertonen of criminele samenwerkingsverbanden zich ‘ongezien’ kunnen manifesteren), als de gevolgen van dit ontlopen (als het verlies van vertrouwen bij burgers in bronnen van sociale controle), kunnen worden verklaard vanuit de bindingstheorie. Deze theorie stelt dat de gelegenheid de dief maakt[13] en ‘dat de kans op deelname aan criminele activiteiten groter wordt als de gelegenheid groot is’. Op basis van de bindingstheorie stellen Cohen en Felson dat er drie voorwaarden zijn voor een delict. In de eerste plaats moet er een gemotiveerde dader zijn. In de tweede plaats een aantrekkelijk doelwit. En in de derde plaats weinig of geen toezicht.[14] De crimineel zal meer ‘vrijheid’ ervaren crimineel gedrag te plegen door weinig of geen toezicht op zijn handelen te ondervinden en de burger zal door het ongrijpbare karakter hiervan wantrouwen ontwikkelen jegens het systeem dat hem moet beveiligen tegen indringers van buitenaf. Tegelijkertijd zullen de actoren binnen het systeem (als agenten) hun onvermogen om ongewenste situaties binnen het systeem effectief te weren invoelen. Om dit te doorbreken, kan een eerste aanzet zijn personen, groepen en situaties binnen een systeem beter in kaart te brengen, zodat duidelijk is of duidelijker wordt waar personen en groepen zich mee bezig houden. Door op deze wijze toezicht te versterken, kan de kans op het ontlopen van bronnen van sociale controle worden verkleind. Deze aanbeveling past naadloos bij het huidige criminaliteitspreventiebeleid. Daarover schrijft onder andere dr. R. van Swaaningen in zijn artikel ‘Justitie als verzekeringsmaatschappij’. Van Swaaningen meldt dat het huidige criminaliteitspreventiebeleid gericht is ‘op het beperken van de gelegenheid om op bepaalde plaatsen delicten te plegen, en om de institutionele sociale controle op bepaalde risicogroepen (met name Marokkaanse en Antilliaanse jongeren) te vergroten.’[15]

 

Verklaring voor ondermijning van een systeem

 

Het gegeven dat ondermijning per definitie ‘van binnenuit’ gestalte krijgt, impliceert de noodzakelijkheid te letten op de gedragingen (actief of juist passief) van alle actoren binnen een systeem. Niet slechts de personen met ondermijnende plannen behoeven onze focus, maar ook alle personen rondom hen. Het gedrag van bijvoorbeeld niet kwaadwillende burgers in een buurt vormt een deelverklaring voor ondermijning van een systeem door lieden die het systeem van binnenuit verzwakken. De opstellers van een rapportage over ondermijning verwoorden dit voortreffelijk: “De mentaliteit van de burger bepaalt in een forse mate hoe makkelijk het is om ondermijnende activiteiten in de maatschappij te ontplooien. Een samenleving waarbinnen de burger alert is (maar niet angstig), waakzaam is (maar niet wantrouwend), saamhorig is (zonder uitsluiting) en durft aan te spreken (en aanspreekbaar is) zal een moeilijke horde blijken voor mensen met ondermijnende plannen. Als een of meerdere van deze eigenschappen niet of minder onder de burgers in een samenleving aanwezig is, zal deze samenleving kwetsbaarder zijn voor ondermijning.”[16] Hoe kwetsbaarder een samenleving voor ondermijning is, hoe makkelijker een actor binnen een systeem zijn gewenste ondermijnende doelen succesvol zal kunnen bereiken en hoe groter ook de schok bij de overige actoren binnen hetzelfde systeem wanneer de ondermijning ‘aan het licht’ komt. Deze schok kan onder andere gevoelens van nalatigheid en onoplettendheid bij ‘omstanders aan de zijlijn’ behelzen en kan dwingen tot constructieve zelfreflectie. Bij de verklaring voor ondermijning van een systeem blijkt dus de belangrijkheid van de toezichthoudende functie van bronnen van informele sociale controle (zoals een gezin of vrienden).

 

Toch hebben we het tot nu toe alleen nog maar gehad over een remmende factor op de ontwikkeling van ondermijnende activiteiten. We zullen iets dieper in moeten gaan op een verklaring voor ondermijning van een systeem als fenomeen. In aansluiting op het voorgaande kunnen we een wetenschappelijke verklaring voor ondermijning als fenomeen vinden in de zogenaamde ‘containment-theorie’. Deze theorie is in 1961 door de socioloog Walter C. Reckless ontwikkeld. Reckless ziet criminaliteit als het gevolg van sociale druk om deviant gedrag te vertonen en de faling van controlemechanismen om deze druk te weerstaan.[17] Reckless stelt dat ieder mens controlemechanismen heeft en dat als deze afbrokkelen men crimineel gedrag zal gaan vertonen. Deze controlemechanismen zijn deels intern en deels extern. Intern, als zijnde interne krachten om prikkels te weerstaan (temperament). Extern, als zijnde de kracht van de omgeving om het individu in haar greep te houden. Wanneer deze krachten (nagenoeg) onbetekenend van karakter raken, ‘lonken’ mogelijkheden om moreel afwijkend gedrag te vertonen. Werknemer Y heeft zijn plan malafide praktijken te ondernemen al lang en breed uitgedacht en geeft zich met hart en ziel aan deze missie. Zijn wil is gericht op een resultaat, die hij middels het geven van steekpenningen aan bestuurder X probeert te bereiken. Hij ervaart geen interne prikkel naar culturele en bedrijfsloyale maatstaven wenselijk gedrag te vertonen. Tegelijkertijd legt hij X het zwijgen op door X voor zijn zwijgen te belonen. Zo ‘dooft’ hij de kracht (bevoegdheid tot ingrijpen) van zijn meerdere en manoeuvreert X zich in een situatie waarin het systeem (het bedrijf) ernstig wordt ondermijnd. X ziet het geld glinsteren en kan geen weerstand bieden tegen de macht van het geld. Daarnaast hoeft hij niets te vrezen van zijn ondergeschikten (zij hebben jegens hem geen controlerende functie) en zullen zijn collega-bestuurders hem geen kruisverhoor afnemen, simpelweg omdat zij nog niet het minste vermoeden hebben dat X zich inlaat met duistere praktijken.

Besluit

 

Buiten kijf staat dat zowel ontwrichting van formele sociale controle als ondermijning van een systeem als schadeposten van misdaad kunnen worden beschouwd. Beiden kunnen zeer ernstige gevolgen hebben, wat zich meestal uit in vertrouwensschending bij diverse partijen (bijvoorbeeld burger jegens gezag en werknemer jegens bestuurder). Bij de ontwrichting is maatgevend voor de ernst van de schade de mate waarin misdrijven effectief worden verhuld door ontwrichting van de sociale controle. Achter de ontwrichting zitten vaak strategische plannen. Uitgewerkt is dat de bindingstheorie verklaard hoe het ontlopen van formele sociale controle handen en voeten krijgt.

 

Systeemondermijning betekent het bestaan van een uithollende, verzwakkende werking van binnenuit. Ook dan is de schade vaak enorm. Dit uit zich meestal in ernstige vertrouwensbreuken, wat we treffend hebben gezien bij de fraudeleuze praktijken door hoogleraar Diederik Stapel. De belangrijkheid van de toezichthoudende functie van bronnen van informele sociale controle is enorm. Als wetenschappelijke verklaring voor ondermijning als fenomeen doet de zogenaamde containment-theorie uitstekend dienst.

 

**

 

 

 



[1] H.G. van de Bunt, ‘Een andere kijk op schade door misdrijven’, DD 2011, 61.

[2] NRC, 16 september 2011.

[3] H.G. van de Bunt, ‘Een andere kijk op schade door misdrijven’, DD 2011, 61, p. 884.

[4] H.G. van de Bunt, ‘Een andere kijk op schade door misdrijven’, DD 2011, 61, p. 886.

[5] H.G. van de Bunt, ‘Een andere kijk op schade door misdrijven’, DD 2011, 61, p. 887.

[6] http://nos.nl/artikel/308864-fraude-hoogleraar-stapel-verbijsterend.html.

[7] www.bndestem.nl/regio/9994096/Stapel-schaadde-aanzien-universiteiten-niet.ece.

[8] www.tilburguniversity.edu/nl/nieuws-en-agenda/commissie-levelt/interim-rapport.pdf.

[10] H.G. van de Bunt, ‘Een andere kijk op schade door misdrijven’, DD 2011, 61, p. 887.

[11] H.G. van de Bunt, ‘Een andere kijk op schade door misdrijven’, DD 2011, 61, p. 886.

[12] J.H. Laub, R.J. Sampson en L.C. Allen, Explaining Crime Over the Life Course, in: R. Paternoster en R. Bachman (red.), Explaining Criminals and Crime, Los Angeles: Roxbury Publishing Company 2001, hoofdstuk 4, p. 104.

[13] Muller, E.R. e.a., Criminaliteit. Criminaliteit en criminaliteitsbestrijding in Nederland. Alphen aan den Rijn: Kluwer 2010, p. 151.

[14] Cohen, L.E. & Felson, M. (1979). Social change and crime Rate and Trends: A Routine Activity Approach. American Sociological Review, 44 (4), p. 588-608.

[15] R. van Swaaningen, Justitie als verzekeringsmaatschappij ‘Actuarial justice’, Justitiële Verkenningen 1996, nr. 5, p. 89.

[16] Over ondermijning. Een verkenning naar fenomeen, de aanpak en mogelijke verbeteringen, Uitgave Politie Amsterdam-Amstelland 2009, p. 115.


  • 0

De rechtvaardigheid van straffen

Als de rechter een straf oplegt worden de meest fundamentele rechten van de gestrafte aangetast. Wat rechtvaardigt het straffen en waarom straffen we eigenlijk. Een korte filosofische blik op het opleggen van straffen in Nederland.

 

 

De rechtvaardigheid van straffen

Doelen en legitimering van straffen in Nederland

 

Pamela Joyce Haak

 

De ene verdachte krijgt een celstraf, de andere verdachte krijgt een taakstraf. De rechter legt de een na de andere straf op bij een overtreding van de normen van onze maatschappij. Maar waarom straffen we, en met welk achterliggend doel? Hoe bereiken we deze doelen en hoe is een straf te rechtvaardigen? Volgens filosoof H.L.A. Hart kan de rechtvaardiging van straffen ook niet met een simpel antwoord worden gegeven en Plato ging uit van het idee dat de straf bij moet dragen aan de verbetering van de gestrafte. Daarnaast hebben we nog de natuurrechtdenkers zoals Hugo de Groot die de straf zien als een gewild gevolg van de normoverschrijding. De rechtvaardiging sluit aan bij de wil van de gestrafte. [1] Over de rechtvaardiging van straffen wordt al eeuwen nagedacht, dat is ook niet zo gek want straffen tasten de belangen en rechten van de gestrafte aan die we juist willen beschermen: leven, lijf, vrijheid, vermogen en eer. In dit artikel bespreek ik de strafdoelen en theorieën die we hanteren om straffen te rechtvaardigen. Daarnaast besteed ik aandacht aan de vraag waarom we het ene kwaad met het andere mogen beantwoorden en de theorieën  die daarbij aan bod komen. Kortom: een filosofische blik op het opleggen van straffen.[2]

 

In Nederland onderscheiden we vier hoofdstraffen, namelijk de gevangenisstraf, de hechtenis, de taakstraf en de geldboete en drie bijkomende straffen, ontzetting van rechten, de verbeurdverklaring en de openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.[3] Deze straffen kunnen worden opgelegd als iemand een strafrechtelijke norm overtreedt. De rechter heeft keuzevrijheid gekregen in het opleggen van een straf. Maar het is belangrijk om stil te staan bij de vraag waarom er eigenlijk gestraft wordt. Een straf vereist namelijk een rechtvaardiging. We kunnen de volgende vijf strafdoelen in ons strafrecht onderscheiden: vergelding, afschrikking, onschadelijkmaking, resocialisatie en herstel maar traditioneel wordt er bij de vraag naar rechtvaardigheid van straffen een onderscheid gemaakt tussen twee theorieën.[4] Een van de oudste strafrechttheorieën is de vergelding. Deze theorie gaat uit van een rechtvaardiging van de straf omdat de gestrafte een norm heeft overschreden. Daarnaast kennen we de theorie waarbij het voorkomen van toekomstige misdrijven voorop staat. [5]

 

Straffen worden opgelegd bij overtreding van maatschappelijke normen

 

De basisgedachte van straffen gaat uit van vergelding. Het idee van vergelding komt voort uit het retributivisme en is al heel oud. We kennen het idee ook wel als ‘oog-om-oog en tand-om-tand. De schade die door de dader aan de rechtsorde is toegebracht dient te worden vergolden; een dader verdient straf. “Grotius omschreef de straf als een ‘Malum passiones propter malum actionis’ Een straf is het kwaad dat men lijdt wegens een kwaad dat men deed.”[6] Het retributivisme is gericht op het verleden. Een straf is gerechtvaardigd omdat de dader het verdiend heeft met zijn daad. De dader wordt op deze manier geconfronteerd met de strafrechtelijke norm die hij heeft overtreden.[7] De grondslag van de straf volgens de theorie van de vergelding ligt daarmee in het gepleegde delict zelf.

 

Oog-om-oog, tand-om-tand

 

Vergelding is nog steeds een heersende straftheorie in ons huidige strafrecht. Ook al moet er niet meer per se te worden vervolgd, vergelding is als uitgangspunt wel aan de orde. De schuld van de verdachte is daarmee ook bovengrens van de straf. Valt de dader geen verwijt te maken mag er niet worden gestraft.[8] De vergeldingstheorie biedt een goede uitkomst, iemands kwade daad moet worden vergolden. Ook is het een kale theorie. Want hoe moet worden vergolden? Kwaad vergelden we met kwaad. Vergelden we een moord dan met de doodstraf? Om deze redenen zijn de andere straftheorieën geformuleerd, dit zijn de positieve strafdoelen afschrikking, onschadelijkmaking, resocialisatie en herstel.[9] En doel afzonderlijk is onvoldoende als rechtvaardiging voor een straf, de strafdoelen en theorieën moeten in verband met elkaar worden gezien en rechtvaardigen zo de straf.[10]

 

Vergelding is slechts een kale theorie, daarom kennen we ook de positieve strafdoelen

 

Straffen kan ook worden gerechtvaardigd door het preventieve karakter dat de straf heeft. In de negatieve zin spreken we dan van afschrikking. Het strafdoel afschrikking komt voort uit het utilitarisme. Het utilitarisme gaat uit van het idee dat moet worden gestraft om geluk te maximaliseren. Het is gericht op de toekomst; een straf is gerechtvaardigd omdat het helpt misdaad te voorkomen.  Het opleggen van straffen wordt in de praktijk vaak door beide theorieën gerechtvaardigd, een straf kan zowel utilitair als verdiend zijn.[11]  We kunnen het idee van de afschrikking en preventie onderscheiden in twee soorten preventie: generale preventie en speciale preventie. De generale preventie rechtvaardigt de straf vanwege het doel. Volgens de theorie van generale preventie is een straf nodig om criminaliteit in de samenleving te voorkomen. De bedreiging en het daadwerkelijk opleggen van een straf doet de samenleving afschrikken. Deze dreiging is slechts effectief wanneer er bij een overtreding van de maatschappelijke normen ook daadwerkelijk een straf wordt opgelegd. We noemen generale preventie ook wel afschrikking van de maatschappij. Het betreft daarmee het voorkomen van misdaad door anderen dan de gestrafte. De maatschappij neemt deze strafdreiging serieus en wordt hier mee afgeschrikt om ook een normoverschrijding te begaan. Het effect van de generale preventie wordt bereikt door de ogenschijnlijk op te leggen straffen. Deze dreiging wordt onderstreept indien er daadwerkelijk een straf wordt opgelegd bij het overschrijven van een maatschappelijke norm.

 

Generale preventie noemen we ook wel afschrikking van de maatschappij

 

De theorie van speciale preventie acht een straf rechtvaardig als de straf er op is gericht om te voorkomen dat de gestrafte wederom een norm overtreed. Het behelst het voorkomen van criminaliteit en misdaad van de gestrafte door middel van het straffen. De gestrafte ervaart de onplezierige consequenties van zijn straf en kan daardoor worden afgeschrikt om nogmaals de fout in te gaan.  De speciale preventie kan worden ingevuld door het afschrikken, de resocialisatie en de onschadelijkmaking van de gestrafte.

 

‘Een straf kan zowel utilitair als verdiend zijn’

 

Bij onschadelijkmaking moet worden gedacht aan het opleggen van de doodstraf of een gevangenisstraf. Zo lang de gestrafte niet in de samenleving is, is hij onschadelijk voor de samenleving. Daarnaast kan een straf ook tot gevolg hebben dat de gestrafte geresocialiseerd wordt. Als de gestrafte geresocialiseerd is voelt hij geen behoefte meer om het slechte pad op te gaan.[12] Ook wordt het strafrecht ingezet om de morele balans in de maatschappij te herstellen. Door straffen op te leggen wordt men er aan herinnerd welke normen en waarden er in de samenleving als geheel gelden. Maar ook kan het opleggen van een straf bijdragen tot de vorming en versterking van bepaalde normen. Het antwoord op de vraag of straffen gerechtvaardigd is ligt ten eerste in de bovengenoemde strafdoelen. Door middel van straffen wordt er een uiting gegeven aan de maatschappelijke afkeuring. Daarnaast wordt een probleemoplossing en herstel van de door het misdrijf berokkenen schade bevorderd, wordt de maatschappelijke integratie van de dader bevorderd en wordt de maatschappij beschermd.

 

De vijf strafdoelen zijn: vergelding, afschrikking, onschadelijkmaking, resocialisatie en herstel

 

De straffen opgesomd in art. 9 van ons Wetboek van Strafrecht bevatten de strafdoelen. Een gevangenisstraf wordt vooral opgelegd als vergelding voor het begane strafbare feit en ter bescherming van de maatschappij. Ook dient de vrijheidsstraf de generale preventie omdat vanuit de vrijheidsstraf de grootste dreiging uitgaat. Maar ook de veroordeelde zelf wordt niet vergeten, resocialisatie en terugkeer worden mogelijk gemaakt op grond van de Penitentiaire beginselenwet. Daarentegen heeft de taakstraf de vorm van een leerstraf en staat daarmee in het teken van de speciale preventie.[13]

 

De strafdoelen volgen impliciet uit de straffen van art. 9 van ons Wetboek van Strafrecht

 

Maar waarom mogen we het ene kwaad met het andere beantwoorden? Waarom dient een overtreding met een straf te worden vergolden? Om deze vraag te beantwoorden zijn er vier groepen theorieën. De verdragstheorieën, de absolute theorieën, de relatieve theorieën en de verenigingstheorieën. Verdragstheorieën komen voort uit de tijd van de verlichting en zijn gebaseerd op de fictie dat burgers op grond van vrijwillig onderling gesloten maatschappelijke verdragen hebben aanvaard dat schending dat die verdragen leidt tot bestraffing. Wijsgeer Fichte (1762 – 1814) legt de verdragstheorie zo uit dat de burger recht heeft op straf om te voorkomen dat hij buiten de gemeenschap wordt gesloten. De absolute theorieën zijn niet gericht op de werking van de straf in de toekomst. De rechtvaardiging van de straf ligt bij deze theorieën in de strafgrond.  Vaak is deze strafgrond vergelding. De straf vindt met andere woorden de rechtvaardiging in de normoverschrijding zelf, geheel los van het effect van de normoverschrijding. Hegel meende dat de vergelding een gelijkheid tussen straf en misdaad vereist. Dit behoeft niet identiek te zijn maar dient een gelijkheid in waarde te hebben.[14] Bij de relatieve theorieën heeft de straf betrekking op de toekomst. De rechtvaardiging wordt niet alleen gevonden in het doel maar ook opdat er niet wederom een normoverschrijding wordt begaan. Dit wordt bereikt door de generale en de speciale preventie, welke ik zojuist heb besproken. Verenigingstheorieën worden gebaseerd op het idee van de vergelding maar de strafsanctie wordt ook gericht op het strafdoel. Bij deze theorie krijgen strafgrond en strafdoel elk een eigen plaats. Het strafdoel blijft vergelding, maar volledige vergelding is niet meer vereist. Dit komt omdat vergelding geen zelfstandig strafdoel meer is. Het doel, vergelding, moet worden nagestreefd door het gebruik van de straf en de strafrechtspleging.[15]

 

Vergelding moet worden nagestreefd door straffen en strafrechtspleging

 

Het bestraffen kan op meerdere manieren gerechtvaardigd worden. Er kan op verschillende manieren tegen het bestraffen worden aangekeken. Iedereen kan daar een eigen beeld bij hebben. De grootste rechtvaardiging van straffen ligt in de theorie van de vergelding. Iemand heeft een maatschappelijke norm overschreven en dit dient te worden vergolden door middel van een straf. Als tweede rechtvaardiging kan de preventie worden genoemd. Aan de ene kant de generale preventie die de samenleving als geheel afschrikt en aan de andere kant de speciale preventie die de gestrafte ervoor dient te behoeden nogmaals de fout in te gaan. Met andere woorden: er kan niet een specifieke rechtvaardiging voor straffen worden gegeven, de verschillende strafdoelen en theorieën hangen met elkaar samen.

 

 



[1] C. Kelk, Studieboek Materieel Strafrecht, 3e druk, Kluwer 2005, p. 18

[2] Dijk, A.A. Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen, Apeldoorn: Maklu Apeldoorn 2008, p. 88. Vragen geformuleerd door filosoof H.L.A. Hart.

[3] Art. 9 eerste lid Wetboek van Strafrecht

[4] P.A.M. Mevis, Capita strafrecht, Ars Aequi  Libri 2009, p. 150

[5] Gerdjan Hoekendijk en Max Kommer, Strafdoelen en tenuitvoerlegging: perspectief op een nieuwe verenigingstheorie?

[6] Ch. J. Enschede, Beginselen van het strafrecht, Kluwer 2005, p. 11-17

[7] Mr. M.J. Kronenberg en Mr. B. de Wilde, Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht, Deventer: Kluwer 2007, p. 23

[8] Art. 39 Wetboek van Strafrecht

[9] P.A.M. Mevis, Capita strafrecht, Ars Aequi  Libri 2009, p.150

[10] P.A.M. Mevis, Capita strafrecht, Ars Aequi  Libri 2009, p.151

[11] Dijk, A.A. Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen, Apeldoorn: Maklu Apeldoorn 2008, p. 85-87

[12] Dijk, A.A. Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen, Apeldoorn: Maklu Apeldoorn 2008, p. 91

[13] Art. 22c Wetboek van strafrecht

[14] C. Kelk, Studieboek Materieel Strafrecht, 3e druk, Kluwer 2005, p. 19

[15] Ch. J. Enschede, Beginselen van het strafrecht, Kluwer 2005, p. 11


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.