Category Archives: 2016

  • -

December 2016

Category : 2016

December 2016

Wanneer krijg je een strafblad en hoe lang worden je gegevens bewaard?

Door Jaryl Kanhai

Tijdens mijn werk als buitengriffier bij de Rechtbank Noord-Nederland valt het mij vaak op dat verdachten niet precies weten wat een strafblad precies inhoudt. Hoewel de term strafblad vaak in het maatschappelijk verkeer gebruikt wordt, is de juiste term ‘uittreksel justitiële documentatie’. Justitie houdt in een systeem (justitiële documentatie) bij of iemand in aanraking is geweest met justitie. Als iemand nooit in aanraking is geweest met justitie spreekt men van een blanco strafblad.

In het ‘Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens’ is expliciet bepaald welke justitiële gegevens in de justitiële documentatie worden geregistreerd. Bij een misdrijf krijgt je altijd een strafblad (mits je ouder bent dan 12 jaar). Bij een overtreding hangt het af van de soort overtreding en de opgelegde straf. Ernstige strafbare feiten, vooral die waarbij een vrijheidsstraf in beeld kan komen, worden als misdrijven aangemerkt. Voorbeelden van misdrijven zijn mishandeling (art. 300 e.v. Sr), diefstal (art. 310 e.v. Sr) en vernieling (art. 350 Sr). Minder ernstige feiten, waarbij normaal gesproken een geringe vermogensstraf op het spel staat, worden als overtredingen bestempeld. Een voorbeeld hiervan is openbaar dronkenschap (art. 453 Sr).[1]

Indien vast staat dat je een strafbaar feit hebt gepleegd, dan wordt dit justitieel gedocumenteerd. De rechter kan dit vaststellen door middel van een veroordeling, maar ook het Openbaar Ministerie (hierna: OM) is bevoegd om dit vast te stellen door verdachten voor bepaalde strafbare feiten een strafbeschikking te geven, de zogenaamde OM-afdoening. Op deze manier kan buiten de rechter om de zaak worden afgedaan. De officier van justitie verklaart in dit geval dat iemand schuldig is aan het plegen van een strafbaar feit. Als je het niet eens bent met een strafbeschikking, dan kunt je daartegen verzet instellen. Je krijgt dan een dagvaarding en de zaak wordt dan alsnog voor de rechter gebracht. Een strafbeschikking die minder dan € 100,– beloopt komt niet op het strafblad.

De wettelijke bewaartermijn van justitiële gegevens vangt aan op het moment dat òf door de staande magistratuur (het OM) een beslissing om niet te vervolgen is genomen, òf door de zittende magistratuur (Rechterlijke Macht) een einduitspraak is gedaan, òf een strafbeschikking volledig ten uitvoer is gelegd.

De geregistreerde gegevens over misdrijven worden in ieder geval twintig jaar in de justitiële documentatie opgenomen. Indien het een misdrijf betreft, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 6 jaar of meer is gesteld, bedraagt de termijn tenminste dertig jaar. Deze termijn van dertig jaar wordt verlengd met twintig jaar, indien de opgelegde gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel meer dan twintig jaar is. Indien deze vrijheidsstraf of maatregel meer dan veertig jaar is, wordt de bewaartermijn gesteld op tachtig jaar. In het geval van een zedenmisdrijf is ook sprake van een bewaartermijn van minimaal tachtig jaar. Wanneer gedurende de looptijd van de bewaartermijn van justitiële gegevens van een strafzaak, een nieuwe einduitspraak in verband met een ander misdrijf is gedaan, worden alle gegevens bewaard totdat alle bewaartermijnen zijn verstreken. De gegevens betreffende misdrijven worden 12 jaar na overlijden van betrokkene indien het een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van minder dan 6 jaar is gesteld. Er geldt een termijn van 20 jaar na overlijden van betrokkene indien het een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 6 jaar of meer is gesteld.

De bewaartermijn van gegevens omtrent overtredingen is vijf jaar. Indien een vrijheidsstraf is opgelegd, niet zijnde vervangende hechtenis of een taakstraf, dan is de termijn tien jaar. De gegevens worden twee jaar na het overlijden van de gedocumenteerde verwijderd.

Om je justitiële documentatie in te zien moet je een schriftelijk verzoek indienen bij de Justitiële informatiedienst. De gegevens kunnen worden ingezien bij de griffie van de arrondissementsrechtbank waar je woonachtig bent. Je moet voor deze inzage een vergoeding betalen en een kopie van het uittreksel krijgen is niet mogelijk.

[1] Zie: J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2015, p. 72-73.


  • -

November 2016

Category : 2016

November 2016
‘David versus Goliath’
Lezing Meester Leonie: bloggende strafrechtadvocaat
Door Ellen de Vries

Zij voltooide in het jaar 2013 zowel haar studie Rechtsgeleerdheid (cum laude) aan de Universiteit van Tilburg, als haar tweede master in Forensica, Criminologie en Rechtspleging aan de Universiteit van Maastricht; liep stage bij Spong Advocaten te Amsterdam; werd begin 2015 beëdigd als advocaat en is sindsdien verbonden aan het kantoor De Rooij van Wijk Advocaten gevestigd te Eindhoven, waar zij werkzaam is als strafrechtadvocaat.
Een indrukwekkend CV dat toebehoort aan mr. L.H. (Leonie) van der Grinten, sinds 2014 beter bekend onder het pseudoniem “Meester Leonie”. Met ruim 22.000 volgers op Facebook is “Meester Leonie” een welbekende bloggende strafrechtadvocaat en een begrip onder, met name, rechtenstudenten.

De studievereniging Simon van der Aa, nodigde haar uit voor een lezing aan de Rijksuniversiteit te Groningen. In dit artikel wordt teruggeblikt op de lezing, waarin met name de persoon achter de blog en het beroep van strafrechtadvocaat wordt belicht.

Beweegreden blog
“Sommige mensen hebben geen recht op verdediging.” “Van een paar weken op water en brood zitten, is nog nooit iemand slechter geworden” (zo stelt de grootmoeder van Meester Leonie). “Nederland straft veel te mild” en de klassieker “Hoe kun je iemand verdedigen als je weet dat ‘ie het gedaan heeft?”
Het is een greep uit de doos van reacties waarmee een strafrechtadvocaat regelmatig wordt geconfronteerd, aldus Leonie.
“De gemiddelde crimineel kan niet op veel sympathie rekenen van de maatschappij. De advocaat wordt daarmee vaak over één kam geschoren.” Nog altijd betreurt Leonie het gebrek aan begrip voor de strafrechtadvocaat door de maatschappij. Dit is de ontstaansreden voor haar blog met als missie: “het strafrecht en de maatschappij op een toegankelijke manier dichter bij elkaar brengen.” Hierbij streeft zij ernaar om een weerwoord te bieden aan de vooroordelen die bestaan over de strafrechtadvocatuur.

Persoonlijke beweegreden advocatuur
Leonie, die al op de basisschool riep dat ze advocaat wilde worden, onderstreept het belang van de strafrechtadvocaat. Volgens haar betreft het, in termen van beeldspraak, een verhouding van David versus Goliath. Het verdedigen van de underdog, tegenover het machtige OM met het vervolgingsmonopolie. Het is wellicht een ietwat overtrokken beeld, zo betoogt Leonie, al bevat het zeker een kern van waarheid. Ze vindt het voornamelijk van belang dat verdachten een persoon hebben die naast hen staat tijdens het strafproces.
“Er zijn voor een ander, die wordt afgescheept door de maatschappij”: het is één van de beweegredenen die bij Leonie ertoe heeft geleid om de keuze voor het vak te maken.

Succesfactoren blog
Volgens Leonie zijn er met name drie factoren die bijdragen aan het verwezenlijken van haar missie. In de eerste plaats is het van belang dat de blog op een toegankelijke manier wordt geschreven. “Wellicht evident, geen juridisch jargon. Het moet voor iedereen tebegrijpen zijn en juist voor mensen die niet universitair geschoold zijn.” In de tweede plaats is het belangrijk dat de kennis wordt gedeeld via toegankelijke social mediakanalen als Facebook. In de derde en laatste plaats draagt het delen van posts over uiteenlopende onderwerpen bij aan het succes van de blog.
In de blog is een verscheidenheid aan onderwerpen te vinden: van uitleg over basisbegrippen en leerstukken, tot het delen van nieuwsberichten, documentaires, activiteiten en interviews.
Daarbij is het volgens Leonie van belang om de blog enigszins luchtig te houden. Een terugkomende post is ‘#taaluitdezaal’: een opsomming van humoristische uitspraken die zijn gedaan door verdachten, alsook door rechters en officieren van justitie. De uitspraken worden gedeeld op Twitter, waarvan Leonie een opsomming maakt. Dankwoord gaat daarbij uit naar de actieve ‘Twitteraars’, aldus Leonie. Een drietal voorbeelden van ‘#taaluitdezaal’:
– Slachtoffer: “Hij zei dat hij mij af zou maken.” Verdachte: “Ja kan wel. Is een soort stopwoordje van mij.”
– Verdachte: “Ik heb last van sluiptrekkingen.”
– Rechter: “Waarom heeft u uw advocaat niet eerder gebeld?” Verdachte: “Ik was in staat van ontbinding.”

Vragenuurtje
Na de behandeling van het juridisch inhoudelijke onderwerp was er ruimte voor studenten om Leonie het spreekwoordelijke hemd van het lijf te vragen. Onder meer kwam naar voren dat collega’s en cliënten de blog van Leonie toejuichen. Met name omdat Leonie er heel bewust voor zorgt dat zij geen posts wijdt aan haar eigen zaken, noch aan personen die herleidbaar zijn. Leonie vertelt
dat er cliënten zijn die de blog van Meester Leonie ‘liken’, waarop ze humoristisch reageert: “Oh grappig, die persoon ken ik.”

“Je kunt je afvragen of een vrijspraak niet altijd terecht is.”

Leonie stelt dat het regelmatig voorkomt dat cliënten een bekentenis afleggen terwijl er vervolgens vrijspraak volgt, “dat gebeurt”, zo stelt zij. Op de vraag of ze hier altijd vrede mee heeft, antwoordt Leonie dat men zich moet afvragen wanneer een vrijspraak onterecht is. Op het moment dat iemand strafrechtelijk wordt vervolgd en het dossier geen of onvoldoende overtuigend bewijs biedt voor veroordeling, kan men zich afvragen of een vrijspraak niet áltijd terecht is. “Dat is nou eenmaal hoe ons rechtssysteem werkt”, voegt ze eraan toe.
Uit procesrechtelijk oogpunt wil Leonie weten of de verdachte de daad al dan niet heeft gepleegd, zodat ze in de Rechtbank niet voor verrassingen komt te staan. Daarbij kan de kanttekening worden geplaatst dat een advocaat nooit voor de volle honderd procent weet of cliënten tegenover hen de waarheid spreken.

“Het wringt niet.”

Deze waarheid belemmert Leonie niet om haar werk te doen. Het is haar gegeven om een zaak objectief te kunnen beoordelen, ze neemt de zaken niet mee naar huis. “Het wringt niet. Als ik een dossier letterlijk heb afgesloten, kan ik er ’s nacht niet wakker van liggen. […] Hoezeer de zaak je aan het hart kan gaan, uiteindelijk is het cliënt’s probleem en niet die van zijn/haar advocaat.” Strafrechtadvocaten moeten een manier vinden om zaken niet mee naar huis te nemen, anders houd je dit vak niet lang vol, aldus Leonie.Tot nu toe heeft Leonie alle zaken die ze op haar bord kreeg geaccepteerd. Dit wil echter niet zeggen dat zaken haar koud laten. “Foto’s in een zedenzaak: het is echt geen pretje.”
Op de vraag wat Leonie als grootste nadeel ervaart van haar beroep, antwoordt ze dat het haar soms zwaar kan vallen om continu stand- by te moeten staan. Naast piketdiensten, verwachten cliënten dat Leonie zeven dagen in de week, vierentwintig uur per dag, beschikbaar is. “Cliënten kunnen vrijdagavond om 23.00 uur bellen en vragen naar de stand van zaken. […] Het altijd met een schuin oog de mobiele telefoon in de gaten moeten houden” dat is wat haar zwaar valt.
Binnen het kantoor blijkt het contact met rechters en officieren van justitie vriendschappelijk. Leonie kent voldoende kantoren waar dit niet het geval is en het OM als de vijand wordt gezien. Ze stelt dat men meer gedaan krijgt bij een goede verstandhouding dan wanneer sprake is van haat en nijd. De rechter is degene die de beslissing neemt. Wanneer de rechter weet dat jij als advocaat geen onzin verkoopt, kan dat wellicht nét het verschil maken, zo betoogt Leonie. Het onderhouden van goede contacten is, binnen het kantoor waar zij werkzaam is, dan ook een doel op zich.

“Een straf is voor het slachtoffer nooit hoog genoeg.”

“Hoe sta je tegenover het onbeperkt spreekrecht voor slachtoffers?”, zo luidt een volgende vraag. Leonie betoogt dat ze het van belang vindt dat slachtoffers goed worden geholpen. Het strafproces lijkt hiervoor echter niet de aangewezen plaats te zijn. Het slachtoffer heeft momenteel namelijk de mogelijkheid om zich uit te laten over de kwalificatie van bewijs en de strafmaat in de rechtszaal. Volgens Leonie is dit geen wenselijke situatie. Men belast het strafproces. “Daarbij zal een straf nooit hoog genoeg zijn voor het slachtoffer. Een straf is dan altijd teleurstellend.” Met name nu het slachtoffer in het proces kan worden opgeroepen als getuige, is Leonie geen voorstander van het onbeperkt spreekrecht van slachtoffers.
“De meeste zaken die wij voeren zijn op basis van pro deo.”, zo antwoordt Leonie op een vraag naar de hoeveelheid zaken die op basis van pro deo worden gevoerd. Ze stelt dat zo’n negentig procent van de zaken op toevoeging worden gevoerd. Hierbij wordt met een zogeheten puntensysteem gewerkt. “Mensen die betalen zijn schaars”, waaraan ze met een knipoog toevoegt dat dit jammer is. In de meeste gevallen is procederen op basis van toevoeging niet heel lucratief, zo besluit ze haar antwoord.
“Bestaat er verschil tussen het verdedigen van mannen en vrouwen, reageren vrouwen bijvoorbeeld emotioneler?” Leonie antwoordt op deze laatste vraag humoristisch: “Nee, mannen kunnen zichzelf ook heel zielig vinden hoor.”
Zo besluit Leonie de zeer boeiende avond geheel in de trant van haar blog: luchtig en daarmee zeer toegankelijk.


  • -

Juli 2016

Category : 2016

Juli 2016
‘De directie stelt zich niet aansprakelijk’
Door Saskia Bangma 

Voor de avond stappen begint breng je je jas in veiligheid vanwege de beslissingen die je in aangeschoten toestand wellicht gaat nemen. Je wilt tenslotte met een schone en onbeschadigde jas naar huis.  We kennen ze allemaal wel, de bordjes bij horecagelegenheden en garderobes met de tekst: ‘De directie stelt zich niet aansprakelijk voor het verlies van eigendommen of schade, afgeven is op eigen risico.’. Wat de ondernemers willen bereiken met zo’n bordje is helder: geen eventuele schade van klanten vergoeden. Maar is het ophangen van een dergelijk bordje voldoende om onder het betalen van een schadevergoeding uit te komen of is het slechts een afschrikmiddel?

Door je jas af te geven in een garderobe sluit je een bewaarnemingsovereenkomst. De bewaarnemingsovereenkomst is apart door de wetgever geregeld in boek 7 Burgerlijk wetboek (hierna BW). Volgens art. 7:600 BW is een bewaarnemingsovereenkomst een overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt een zaak te bewaren en terug te geven. Diegene die de zaak bewaart wordt de bewaarnemer genoemd, diegene die de zaak afgeeft en toevertrouwt aan de bewaarnemer is de bewaargever.  Zodra jij jouw jas tegen betaling, van vaak een klein bedrag als 1 euro, aan de persoon in de garderobe geeft, ga je met de garderobe een bewaarnemingsovereenkomst aan.

Het bordje waarop staat dat de garderobe niet aansprakelijk is valt onder de noemer ‘algemene voorwaarden’ van de overeenkomst. Op grond van de wet mogen algemene voorwaarden niet onredelijk bezwarend zijn. Voorwaarden die onredelijk bezwarend zijn op grond van de wet of jurisprudentie zijn vernietigbaar. Of een algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is kan onder andere blijken uit de zogenaamde zwarte en grijze lijst van art. 6:236 en 6:237 BW. Een voorwaarde op de zwarte lijst is altijd onredelijk bezwarend. Je kan deze voorwaarde uit de overeenkomst schrappen zonder daarbij naar een rechter te gaan. Een voorwaarde op de grijze lijst is alleen toegestaan als het gebruik daarvan goed gemotiveerd wordt door de gebruiker. De bedingen op de grijze lijst worden vermoed onredelijk bezwarend te zijn: er is dus nog een klein beetje ruimte voor bijzondere gevallen. De bovengenoemde bordjes vallen staan op de grijze lijst. In art. 6:237 sub f BW noemt de algemene voorwaarde dat de gebruiker geheel of ten dele bevrijdt van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding. Het uitsluiten van de aansprakelijkheid via het bordje ‘gebruik op eigen risico’ is duidelijk een beding dat genoemd wordt op de grijze lijst en wordt dus vermoed onredelijk bezwarend te zijn tenzij er bijzondere omstandigheden zijn. Daarnaast bepaalt artikel 7:602 BW dat de bewaarnemer de zorg van een ‘goed bewaarnemer’ in acht moet nemen.[1] De jas moet dus onbeschadigd worden terug gegeven worden aan de eigenaar. De bewaarnemer van de jas kan dus niet onder zijn aansprakelijkheid uitkomen indien de jas beschadigd of zoek geraakt is. Uit de rechtspraak volgt ook dat de bordjes juridisch van weinig waarde zijn en de rechter wijst de vrijwaring van de bewaarnemer in dergelijke gevallen bijna altijd af.[2]

Concluderend heeft het bordje met de tekst ‘De directie stelt zich niet aansprakelijk’ juridisch weinig waarde. Hiermee kan de ondernemer niet onder zijn schadevergoedingsplicht uitkomen. Toch blijven de bordjes steevast hangen als afschrikmiddel voor het publiek. Koninklijke Horeca Nederland raadt het ophangen van een dergelijk bordje zelfs aan om twijfel te zaaien bij het publiek.[3] Naast juridisch fout zijn de bordjes ook taalkundig onjuist. Aansprakelijk stellen wordt gedaan door de gedupeerde, niet door de directie zelf. De directie stelt zichzelf niet aansprakelijk, dat wordt gedaan door diegene die een schadevergoeding eist. Bij het ophalen van je jas aan het eind van de stapavond heb je recht op een onbeschadigde jas en daaraan kan het bordje bij de deur niks veranderen.

[1] Kluwer, Groene Serie, Privaatrecht, Bijzondere overeenkomsten, aantekening 5 bij art. 7:602 BW.
[2] Rb Utrect, 16 maart 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ0382; Hof ‘s-Hertogenbosch 12 november 1990, NJ 1991/537; Ktr. Rotterdam 4 april 1997, Prg. 1997/4776.
[3] https://www.khn.nl/website/advies/qa/ben-ik-aansprakelijk-voor-diefstal-van-gasteneigendommen-uit-mijn-garderobe.


  • -

Juni 2016

Category : 2016

Juni 2016
Spreekrecht voor slachtoffers 
Door Jordy Karperien

In Nederland kennen we een dadergericht strafrecht. Het is een slachtoffer van een misdrijf verboden het recht in eigen hand te nemen. Om die reden heeft de overheid op zich genomen om aan een misdrijf een sanctie te koppelen. Hierdoor is de kans kleiner dat een slachtoffer zelf dingen onderneemt ter gerechtigheid.

Sinds kort bestaat er onbeperkt spreekrecht voor slachtoffers. Past dit binnen het Nederlandse strafrechtelijke klimaat? In een strafzaak gaat het toch immers om de verdachte en niet om het slachtoffer? Het strafrecht is bedoeld voor waarheidsvinding en berechting. Het onbeperkt spreekrecht voor slachtoffers ziet op het herstel van de verhoudingen tussen het slachtoffer en de verdachte. Met deze beslissing is het mogelijk voor het slachtoffer om uitleg te geven over de weerslag die het misdrijf op hun leven heeft gehad.

Echter, het is in veel gevallen voor een slachtoffer lastig om deskundig en objectief te zijn. Ze hebben vaak geen kennis over het strafrecht. Als het slachtoffer ingaat op de bewijsvoering van de zaak, dan is de kans reëel te achten dat hij stevig wordt ondervraagd door de verdediging.  Hij kan namelijk als getuige opgeroepen worden. Dit kan voor het slachtoffer erg zwaar zijn. Een van de voordelen van dit recht is dat er tegemoet wordt gekomen aan de wens van veel slachtoffers. Aan de hand van dit recht kan beter worden beoordeeld of een verdachte het misdrijf daadwerkelijk heeft gepleegd. Een keerzijde van deze beslissing is dat het voor de rechter lastig wordt om zowel empathie te tonen ten opzichte van het slachtoffer en vast te houden aan de onschuldpresumptie. De verdachte kan pas worden berecht als er sprake is van wettig en overtuigend bewijs.

Kortom, het invoeren van onbeperkt spreekrecht kan voor zowel de verdachte als het slachtoffer nadelig zijn, terwijl het idee van deze beslissing is om het slachtoffer te helpen.   Het slachtoffer kan invloed hebben op het strafproces, maar dit kan dus in zijn nadeel werken.


  • -

Mei 2016

Category : 2016

Mei 2016
Murray versus The Netherlands: perspectief voor levenslang gestraften
Door Marit Smid

James Clifton Murray werd in 1980 tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Murray werd schuldig bevonden aan de moord op het nichtje van zijn ex-vriendin. Op deze manier wilde Murray wraak nemen op zijn ex-vriendin, die hun relatie beëindigd had. In een psychiatrisch rapport werd hij als verminderd toerekeningsvatbaar omschreven.

Het Gemeenschappelijk Hof vond een tbs-behandeling op zijn plaats maar die was op de Antillen niet mogelijk en Murray naar Nederland overbrengen vond het Hof vanwege Murray’s ‘beperkte intelligentie en onvoldoende mogelijkheden zichzelf verbaal uit te drukken’ geen optie. Gedurende de 34 jaar detentie die Murray onderging bleef psychiatrische behandeling uit.

Murray diende meerdere malen een gratieverzoek in bij de gouverneurs van Aruba en Curaçao. Deze werden allen afgewezen, soms zonder opgave van redenen en soms kwam er überhaupt geen reactie.

Vanaf 15 november 2011 werd het op Curaçao verplicht een periodieke beoordeling van de levenslange gevangenisstraf uit te voeren.[i] Bij deze beoordeling wordt gekeken of de voortzetting van de gevangenisstraf nog een redelijk doel dient, is dat niet meer het geval gezien de aanzienlijke vooruitgang richting resocialisatie, dan vindt voorwaardelijke invrijheidsstelling plaats. Tegen de beslissingen die het Gemeenschappelijk Hof hierin neemt staat geen beroep open. Er heeft een periodieke beoordeling plaatsgevonden in de zaak Murray: het Gemeenschappelijk Hof kwam toen tot de conclusie dat de straf van Murray nog een redelijk doel diende na 33 jaar gevangenisstraf.

Op 26 april 2016 deed het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (verder: EHRM)   uitspraak in zijn zaak. Murray heeft het zelf niet meer mee kunnen maken; hij overleed in november 2014 aan de gevolgen van kanker. Zijn nabestaanden hebben de procedure voor het EHRM die Murray in 2010 startte, voortgezet.

Het EHRM bevestigt in deze zaak ten eerste dat er voor levenslang gestraften perspectief moet zijn op terugkeer in de maatschappij.[ii] Er kan geen sprake van detentie zijn tenzij er legitieme gronden voor opsluiting aanwezig zijn. Deze gronden omvatten bestraffing, afschrikking, bescherming van de maatschappij en resocialisatie. De balans tussen deze rechtvaardigingen is niet per se statisch en kan verschuiven tijdens de periode van tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf. Deze rechtvaardigingsgronden en verschuivingen kunnen alleen behoorlijk geëvalueerd worden als er een periodieke beoordeling van de levenslange gevangenisstraf plaatsvindt op een passend moment in de tenuitvoerlegging.

Het EHRM vervolgt met de vaststelling dat het gebrek aan psychiatrische behandeling ervoor gezorgd heeft dat de gratieverzoeken van Murray kansloos waren. Zonder psychiatrische behandeling was het immers onmogelijk om in de behandeling van zijn gratieverzoek tot de conclusie te komen dat Murray aanzienlijke vooruitgang had geboekt richting resocialisatie en voorzetting van de gevangenisstraf dus geen redelijk (penologisch) doel meer diende. Volgens het EHRM geldt deze vaststelling ook voor de enige periodieke beoordeling die uitgevoerd werd op grond van de Curaçaose wet.

Zoals te verwachten was komt het EHRM tot de conclusie dat het Koninkrijk der Nederlanden art. 3 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van Mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM) heeft geschonden ten aanzien van Murray. Het Nederlandse gratiesysteem voldoet niet aan de eisen van het EVRM omdat er vrijwel nooit gratie verleend wordt.[iii] Er wordt de levenslang gestrafte dus geen enkel ‘prospect of release’ en ‘possibility of review’ geboden, waar het EVRM Staten wel toe verplicht.

Momenteel ligt er een voorstel van de PvdA bij het kabinet om na 25 jaar gevangenisstraf door een commissie te laten beoordelen of de levenslang gestrafte verlof of meer vrijheid binnen de gevangenismuren kan krijgen. De VVD heeft zich bij dit plan aangesloten nu zij ziet dat rechters ernaar neigen de straf niet meer op te leggen door het gebrek aan hoop bij een levenslange gevangenisstraf.[iv]

Vooralsnog is in Nederland levenslang echt levenslang. Met de uitspraak in de zaak Murray roept het EHRM Nederland wederom op hierin verandering te brengen.

[i] Art. 1:30 Wetboek van Strafrecht van Curaçao.
[ii] Zie ook: ECHR 9 juli 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0709JUD006606909, (Vinter and Others versus The United Kingdom).
[iii] Sinds 1954 hebben twee levenslang gestraften gratie ontvangen.
[iv] Besselink, ‘Zicht op vrijheid bij levenslang’, Trouw, 1 april 2016.


  • -

April 2016

Category : 2016

April 2016
Portretrecht vs online foto’s 
Door Kim de Wildt

Na een avondje stappen met je vrienden, waarin je iets te diep in het glaasje hebt gekeken, word je de volgende ochtend wakker met een ontzettende kater. Die kater wordt alleen maar groter wanneer je ontdekt dat de niet zo charmante gemaakte foto’s (of video’s) inmiddels geplaatst zijn op het internet. Kan je hiertegen iets ondernemen?

Sta je op een foto afgebeeld, dan kan je je in sommige gevallen beroepen op het portretrecht. Krachtens artikel 19 van de Auteurswet (hierna: Aw) vereist een succesvol beroep op het portretrecht dat het moet gaan om een afbeelding van een persoon, waarin het van belang is dat de persoon herkenbaar is (zichtbare gelaatstrekken van die persoon zijn niet noodzakelijk[i]). Artikelen 20 en 21 Aw schetsen ons twee situaties. De situatie waarbij de geportretteerde opdracht heeft gegeven voor het vervaardigen van een portret en de situatie waarbij deze opdracht ontbreekt. In de eerste situatie is voor openbaarmaking toestemming nodig van zowel de fotograaf als de geportretteerde en in de tweede situatie is openbaarmaking niet geoorloofd tenzij dit een redelijk belang van de geportretteerde schendt. Hierbij gaat het voornamelijk om het privacybelang. Het specifieke belang van de geportretteerde behoeft voorrang boven het belang van degene die het portret openbaar wil maken, maar dit staat niet vast.[ii] De rechter weegt het belang van de geportretteerde, het recht op een persoonlijke levenssfeer (art. 8 EVRM), tegen het belang van de openbaarmaker, de vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM).[iii]

Foto’s gemaakt op een openbare locatie zijn moeilijker te beschermen met het oog op privacy. Bijvoorbeeld een vrouw die toevallig werd gefotografeerd op straat en waarbij de foto werd gebruikt voor commerciële doeleinden kon zich niet beroepen op het portretrecht.[iv] De rechter oordeelde in deze zaak dat: ‘Het kan zo zijn dat [eiseres] niet graag gefotografeerd wordt, maar dat is onvoldoende om een redelijk belang aan te nemen.’ Daarnaast blijkt van belang of je op het moment zelf geen bezwaar maakt tegen het maken van foto’s: ‘iemand die zich op een voor het publiek vrij toegankelijke plaats op een opvallende wijze manifesteert (en er kennelijk geen bezwaar tegen heeft om op die wijze gezien en gefotografeerd te worden) over het algemeen niet zal opwegen tegen het belang van diegene die de foto wil gebruiken’.[v]

Wees je dus ten alle tijden bewust van het feit dat foto’s openbaar kunnen worden gemaakt en dat een beroep op grond van het portretrecht, voornamelijk wanneer de foto gemaakt is op een openbare locatie, lastig kan zijn.

[i] HR 2 mei 2003, NJ 2004, 80 (Breekijzer )
[ii] Mr. P.G.F.A. Geerts, Bescherming van de intellectuele eigendom, Deventer: Kluwer 2013
[iii] HR 21 januari 1994, NJ 1994, 473, [Ferdi E.]
[iv] Rb Amsterdam 19 juni 2008, 394352, ECLI:NL:RBAMS:2008:BD4785
[v] Hof Amsterdam 15 mei 2012, 200.099.668, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW5768


  • -

Maart 2016

Category : 2016

Maart 2016
Het recht op rechtsbijstand
Door Laura Pentenga 

Op 22 december 2015 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen dat per 1 maart 2016 een verdachte zich tijdens het politieverhoor door een advocaat mag laten bijstaan. Met het voltrekken van deze datum neemt de paniek onder de advocaten toe. Want op welke manier en met welke middelen kan aan deze eis worden voldaan? Prof. mr. Stijn Franken sprak in een exclusief interview met Terecht Gesteld in de wintereditie al zijn zorgen uit: “Vrijwel in alle andere landen van de Raad van Europa mag een advocaat aanwezig zijn bij het politieverhoor. Het is wel interessant en belangrijk dat dit recht er conform de uitspraak van de Hoge Raad komt, maar de opdracht naar de advocatuur is complex. Het wordt nu vooral een groot praktisch probleem. Dit is leuk juridisch uitgevochten, maar de echte vraagstukken komen nu echt. Het is belangrijk dat het recht er nu eindelijk komt, maar ik maak me grote zorgen over de praktische invulling hiervan.”

Zoals Franken terecht opmerkt is de uitspraak geen donderslag bij heldere hemel. Sterker nog, Nederland loopt achter met het effectueren van de verplichtingen zoals geformuleerd in de Salduz-zaak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (hierna EHRM) uit november 2008. In deze zaak ging het om een politiek demonstrant die vervolgd werd, mede op grond van zijn verklaringen geuit tijdens het behoorlijk ruw verlopen politieverhoor. Pas na zijn voorgeleiding kreeg de heer Salduz de mogelijkheid om met een advocaat te spreken. Volgens het EHRM was hierdoor sprake van een inbreuk op het recht van een eerlijk proces. De mogelijkheid om rechtsbijstand moet eerder geboden worden.

Dat de huidige uitwerking van het recht op rechtsbijstand tot de nodige weerstand leidt bleek wel uit de reacties vanuit de advocatuur. Alleen voorafgaand en na afloop zou daadwerkelijk overleg met de cliënt mogelijk zijn, tijdens het verhoor moet de advocaat zich stil houden. Gelderse strafrechtadvocaten dreigen met een staking van hun piketdiensten indien er geen beter voorstel komt ter verwezenlijking van de plannen.[1] Iets concreter maar wel met een lange adem is het kort geding van de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten tegen de staat. De beloofde vergoeding voor de verleende bijstand is volgens de Vereniging “Een fooi en bedrijfseconomisch onverantwoord” en “De rol van de advocaat wordt nu zo uitgehold dat er feitelijk geen sprake is van rechtsbijstand“.[2] De advocaten zullen in beginsel rond de €150,- ontvangen voor hun bijstand en bij zwaardere zaken een verhoging tot €300,-. De duur van de verhoren en zelfs het aantal zijn niet van invloed op dit bedrag

Het wordt spannend op welke manier er invulling wordt gegeven aan het recht op rechtsbijstand tijdens het politieverhoor. De verantwoordelijkheid voor het effectueren ligt bij het wetgevend orgaan, het Nederlands recht moet in overeenstemming zijn met de Europese standaard. Het geformuleerde beleid moet echter wel praktisch uitvoerbaar zijn. Opnieuw zal er spanning ontstaan tussen recht hebben, halen en krijgen.

[1] Gelderse advocaten dreigen strafrecht lam te leggen, de Gelderlander, 23 februari 2016
[2] Advocaten: kort geding voor hogere vergoeding, www.mr.online.nl, 18 februari 2016


  • -

Januari 2016

Category : 2016

Januari 2016
Meldplicht bij diefstal, verlies of misbruik van persoonsgegevens

Door Rosanne Schriever

De Wet Bescherming Persoonsgegevens (hierna: Wbp) dient ter bescherming van de privacy van burgers. De Wbp regelt onder andere wat publieke en private organisaties die persoonsgegevens verwerken met deze gegevens mogen doen. Waar burgers rechten kunnen ontlenen aan de Wpb, legt deze wet verplichtingen op aan overheden en andere instellingen.

Per 1 januari 2016 is de Wbp gewijzigd. Met deze wetswijziging is er een meldplicht voor datalekken geïntroduceerd. Tevens is de naam van het College Bescherming Persoonsgegevens (hierna: CBP) veranderd in Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP). De AP krijgt door deze wetswijziging per 1 januari 2016 een boetebevoegdheid, dat wil zeggen dat de AP direct boetes kan opleggen wanneer de Wbp wordt overtreden.

De verantwoordelijke (niet de bewerker) is verplicht om diefstal, verlies of misbruik van persoonsgegevens te melden aan de betrokken personen en aan de AP. Dit onder een drietal voorwaarden:

1. Er moet sprake zijn van een inbreuk op de beveiliging van persoonsgegevens;
2. Deze inbreuk moet zich voordoen bij een publieke of private organisatie;
3. Deze inbreuk moet leiden tot een aanmerkelijke kans op nadelige gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens die door organisaties worden verwerkt. De inbreuk moet leiden tot diefstal, verlies of misbruik van persoonsgegevens.

Wanneer een datalek niet op tijd gemeld wordt kan een boete opgelegd worden. Het doel van deze meldplicht is om tot een betere bescherming van persoonsgegevens te komen.

Maar wat moet onder een datalek verstaan worden en wanneer is zo’n dergelijk datalek ernstig genoeg om te moeten melden? Om de onduidelijkheid met betrekking tot de toepassing van art. 34a Wbp tegen te gaan, heeft de AP beleidsregels opgesteld.

Er is sprake van een datalek wanneer persoonsgegevens in handen vallen van partijen die daar geen toegang tot zouden moeten hebben. Dit als gevolg van een beveiligingsprobleem. Door de inbreuk op de beveiliging worden persoonsgegevens blootgesteld aan verlies of onrechtmatige verwerking. Of een datalek gemeld moet worden is afhankelijk van de (potentiële) impact van het datalek op de bescherming van de persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen.

Voorheen had het CBP reeds de bevoegdheid om boetes op te leggen bij het overtreden van administratieve voorschriften door de verantwoordelijke. De boete die de Autoriteit nu mag opleggen varieert van maximaal €20.225 in de laagste categorie tot maximaal €820.00 in de hoogste categorie.

Deze bedragen zijn zo hoog omdat de gevolgen van datalekken enorm kunnen zijn. Door beveiligingsfouten is het mogelijk dat grote hoeveelheden persoonsgegevens openbaar worden. Hoe eerder de betrokken personen en de AP ingelicht worden, hoe eerder de privacy van de betrokken personen gewaarborgd kan worden.  Nu de Wbp juist strekt ter bescherming van de privacy van personen lijkt dit een begrijpelijk keus.


  • -

Februari 2016

Category : 2016

Februari 2016
Het stakingsrecht
Door Liseanna Bonnema

Een groep mensen die op een plein of voor een gebouw staan met grote spandoeken beklad met teksten: dat is het beeld wat vaak wordt geschetst als het over stakingen gaat.

Het stakingsrecht vormt een belangrijk middel voor werknemers om op te komen voor hen belangen. Een recent voorbeeld hiervan is de stakingen in de metaalsector. In de Metaalsector liepen de onderhandelingen over een nieuwe cao regelmatig vast. De vakbonden eisten hogere loon en meer zeggenschap over de werktijden. De werkgeversorganisaties en de vakbonden kwamen er niet uit, wat resulteerde in een reeks stakingen.

Het stakingsrecht lijkt tegenwoordig bijna vanzelfsprekend. Dit is het echter niet, sterker nog er bestond tot 1872 een strafrechtelijk stakingsverbod. Nadat in 1872 het stakingsverbod werd opgeheven lagen er civielrechtelijke sancties op de loer. In alle vrijheid staken was er dus niet bij, staking werd namelijk gezien als een werkweigering. Ging je destijds toch staken, dan moest je er niet raar van opkijken als je de laan werd uitgestuurd.

Wat is een staking eigenlijk? Een staking is een vorm van een collectieve actie, waarbij een groep werknemers tijdelijk weigert het werk te verrichten teneinde een bepaald collectief belang te behartigen. Als je nu het toepasselijke recht gaat opzoeken, kan je de Nederlandse wetgeving wel overslaan. Het Nederlands recht kent namelijk geen stakingswet. Problematisch is dit niet, want het stakingsrecht wordt erkend en beschermd door het Europees Sociaal Handvest (ESH).

Artikel 6 lid 4 ESH is hier van groot belang, dit artikel bepaalt dat werknemers en werkgevers het recht hebben om collectief op te treden in gevallen van belangengeschillen. In 1986 heeft de Hoge Raad in het NS-arrest overwogen dat artikel 6 lid 4 directe werking heeft, dit houdt in dat je er voor de nationale rechter rechtstreeks een beroep op kan doen.

Men onderscheidt twee soorten stakingen: de georganiseerde staking en de wilde staking. Van de laatste soort spreken wij als het gaat om een collectieve actie die spontaan en of op initiatief van de werknemers is georganiseerd. Wanneer de acties onder leiding en of gesteund worden door de vakbonden dan spreken wij over een georganiseerde staking.  Het onderscheid is voornamelijk van belang voor de loondoorbetalingsplicht ex. art. 7:628 BW. Een werkwillige (degene die niet mee doet aan de stakingen) heeft in beginsel wel recht op loon als het gaat om een wilde staking.
Bij georganiseerde stakingen, waar ook de werkwillige werknemers van profiteren, hebben ze geen recht op loon.

Artikel 6 lid 4 ESH geldt zowel voor georganiseerde als voor wilde stakingen. De stakingen in de metaalsector behoren tot de georganiseerde stakingen. De stakingen werden georganiseerd door de vakbonden CNV en FNV.
Na een lange periode aan stakingen is er onlangs een principeakkoord gesloten over de cao-grootmetaal. In het akkoord is zowel meer zeggenschap over de werktijden vastgelegd als een loonsverhoging van 5,9%.

Je zou kunnen stellen dat de stakingen in de metaalsector een doeltreffend (pressie)middel is geweest om het gewenste resultaat (loonsverhoging en meer zeggenschap) te bewerkstelligen.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.