Category Archives: 2017

  • -

December 2017

Category : 2017

December 2017

Door: Sabina Sodkhan

Cryptovaluta; Bitcoin blockchain

Bitcoin in het nieuws, Bitcoin in de kranten, gesprekken over Bitcoin op het schoolplein; je ontkomt er niet aan! Bitcoin is het gesprek van de dag. Maar wat weten wij er nou eigenlijk van?

Vroeger en nu

Hoewel men zou denken dat cryptovaluta helemaal van deze tijd is, is dit niet zo. Cryptovaluta bestond namelijk al in de vroege jaren ’80 van de vorige eeuw. In 1983 stelde David Chaum de eCash voor als betaalmiddel. Bij eCash ging het om cryptografisch elektronisch geld, oftewel een elektronisch geldsysteem (virtueel geld). Uiteraard is de eCash niet te vergelijken met de cryptovaluta van deze tijd, maar het idee komt enigszins overeen. Eén van de verschillen is dat de bank toen nog een rol speelde bij de transacties: de software van eCash bewaarde het geld in een digitaal format op de computer en werd ondertekend met behulp van cryptografie door de bank.

Betaalsystemen die wij tegenwoordig kennen, zoals internetbankieren of PayPal, bestaat uit onder andere een rekening, saldo en transacties. Hierbij wordt er gebruikgemaakt van een centrale autoriteit die alles bijhoudt, zoals een bank. Met andere woorden: je bent altijd afhankelijk van een derde partij als het om transacties gaat (bank, overheid, brief- en muntgeld). Deze derde partijen worden ook wel ‘third trust parties’ genoemd.

Daartegenover staat cryptovaluta, dat een decentraal netwerk kent, waarbij er geen tussenkomst is van een derde partij. De transacties vinden openbaar plaats en worden niet gecontroleerd door een bank of een andere instantie. Ieder onderdeel van het netwerk dient de transacties zelf bij te houden en iedere nieuwe transactie te verifiëren. Echter, dienen alle onderdelen van het netwerk over dezelfde informatie te beschikken om dit te kunnen bereiken en dat kon in het verleden weleens lastig zijn. Om die reden dacht men dat het bijna onmogelijk zou zijn om een decentraal digitaal betaalsysteem te ontwikkelen.

Blockchain

Satoshi Nakamoto (pseudoniem) heeft daar in 2008 verandering in gebracht door het op blockchain gebaseerde Bitcoin op de markt te brengen, die over alle onderdelen van het netwerk altijd dezelfde informatie beschikt. De blockchain kent een gedistribueerd of peer-to-peer netwerk waarbij iedereen vrij is om met elkaar verbinding te maken. Bezittingen worden dan niet op één centraal punt bewaard, maar juist gedistribueerd in een soort collectief grootboek en beveiligd met behulp van cryptografie.

Een transactie wordt wereldwijd geplaatst op computers die verbonden zijn aan dit netwerk. Voor het bevestigen van transacties, zijn er ‘miners’ nodig. Wereldwijd zijn er ‘miners’ die om de tien minuten (of sneller) een nieuw block creëren door transacties te bevestigen. De informatie van de voorgaande transacties wordt tevens in de block opgeslagen. De ‘miners’ concurreren onder elkaar om bepaalde vraagstukken op te lossen. Deze vraagstukken hebben betrekking op het valideren en vastleggen van transacties om deze vervolgens door te sturen naar het netwerk. Na deze bevestiging, dient elke ‘node’ (verbonden computer in het netwerk) deze transactie toe te voegen in het systeem met behulp van een encryptie. Na de toevoeging wordt de transactie onderdeel van de blockchain. Hieronder wordt globaal weergegeven hoe zo’n blockchain-proces verloopt.

Kortom: cryptovaluta, zoals de Bitcoin, kent een peer-to-peer netwerk waarbij transacties kunnen worden verricht met behulp van virtueel geld. De op de blockchain gebaseerde Bitcoin heeft ervoor gezorgd dat er geen derde partij aan te pas hoeft te komen en richt een soort collectief grootboek op dat beveiligd is met behulp van cryptografie. Het is aan de ‘miners’ om de transacties te valideren, vast te leggen en door te sturen naar het netwerk om deze vervolgens in een block toe te voegen aan de blockchain. Een nieuw block wordt ongeveer om de tien minuten gecreëerd, waarin tevens alle voorgaande transacties opgenomen zijn en beveiligd worden middels cryptografie.

Cryptovaluta en recht

Zoals eerder is vermeld, is cryptovaluta elektronisch geld dat uitbesteed kan worden zonder tussenkomst van een derde partij. Wat betekent dit in de wereld van het recht? Kan cryptovaluta aangemerkt worden als geld in juridische zin of is het juridisch gezien een goed? Prikkelt dit je interesse? Houd dan vooral de weblogs in de gaten!


  • -

Augustus 2017

Category : 2017

Augustus 2017

Door: Willem Beerda

Besluitvorming over kinderen in migratieprocedures

Kinderen hebben een belangrijke positie in de migratieprocedure. Op grond van artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, hebben de belangen van het kind een belangrijke plek ingenomen. Dit artikel luidt als volgt: ‘Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind een eerste overweging.’ Dit artikel is niet geïmplementeerd in het Nederlandse Vreemdelingenrecht. De Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000, het Vreemdelingenvoorschrift 2000 en de Vreemdelingencirculaire 2000 bevatten allen geen bepaling waarin dit artikel tot uiting komt. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) brengt daarom ook niet zelf het belang van het kind in kaart en laat dit ook niet doen door externe deskundigen, want er is geen nationale regel die ze daartoe verplicht. Hierdoor wordt artikel 4:2 van de AWB strikt toegepast. Het is aan de aanvrager om alle feiten en omstandigheden in de aanvraagprocedure te overleggen. De bestuursrechter heeft over deze kwestie de volgende uitspraak gedaan: ‘Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is’. Hieruit kan worden afgeleid dat de rechter vindt dat er bij elk besluit en maatregel kenbaar rekening moet worden gehouden met ‘het belang van het kind’. Kenbaar houdt in dat dit moet blijken uit de motivering van het besluit (de redenen die ten grondslag liggen aan het besluit) of uit de motivering van de maatregel (de redenen die ten grondslag liggen aan de maatregel). De rechter kan echter niet beoordelen of de IND het juiste gewicht hecht aan de belangen van het kind omdat de rechter uit de Nederlandse regelgeving niet kan afleiden hoe dat moet worden gedaan. De IND neemt – na aanleiding van deze jurisprudentie – een overweging op in haar besluit over het belang van het kind. Indien concrete informatie over het belang van het kind door de advocaat wordt ingediend in de procedure neemt de IND daar als het goed is een standpunt over in. Als je naar de praktijk kijkt, is het kind afhankelijk van een goede advocaat, die alle betrokken feiten en (bijzondere) omstandigheden naar voren brengt en dus ook de belangen van het kind. De advocaat is echter geen deskundige, daar waar het gaat om het onderzoek naar de belangen van het kind. In de huidige vreemdelingenrechtpraktijk wordt er geen deskundigenorganisatie zoals de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld. De consequentie van de huidige situatie is dat de belangen van kinderen onvoldoende worden betrokken in de besluitvorming en dit leidt tot Kinderrechtenschending in Nederland.


  • -

Juli 2017

Category : 2017

Juli 2017

Door: Jordy Karperien

Aandeelhoudersgeschillen

Veel ondernemingen hebben te maken met meerdere aandeelhouders. Soms verschillen aandeelhouders van mening over de te volgen koers, wat kan leiden tot een geschil.  Dit kan grote schade voor de onderneming tot gevolg hebben.  Dit geldt natuurlijk ook voor de werknemers en de eventuele schuldeisers. Hoe kan dit worden opgelost?

Enquêteprocedure

Als eerste kan er een aandeelhoudersvergadering plaatsvinden, waarbij de problemen worden besproken. Dit kan mogelijk een uitkomst bieden, waardoor het probleem wordt opgelost. Als dit niet heeft geholpen, dan kan een zogenaamde enquêteprocedure worden opgestart. De aandeelhouder die dit verzoek indient, moet minimaal 10% van de aandelen bezitten. Bij een enquêteprocedure wordt er een onderzoeker benoemd, die het beleid binnen de onderneming onderzoekt. De onderzoeker stelt een rapport op, waar de Ondernemingskamer zich over zal buigen. De Ondernemingskamer kan vervolgens tot een conclusie komen dat er sprake is van een wanbeleid binnen de onderneming.

Ondernemingskamer

Een verzoek om een enquêteprocedure op te starten, moet via de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. De Ondernemingskamer gaat alleen een onderzoek instellen wanneer is gebleken van goede redenen om aan een juist beleid te twijfelen. De Ondernemingskamer heeft veel bevoegdheden. Ze hebben onder andere de bevoegdheid om een besluit van een orgaan van de vennootschap ongedaan te maken. Daarnaast kan de Ondernemingskamer een bestuurder te schorsen en zelfs te ontslaan. Ze kunnen ter vervanging een nieuwe, tijdelijke, bestuurder aanstellen. Ook kunnen ze de statuten van de B.V. of N.V. veranderen.

Naar de rechter stappen?

Wanneer de aandeelhouders er onderling niet uitkomen, kunt u als laatste redmiddel naar de rechter stappen. Dit biedt zeker uitkomst wanneer er twee aandeelhouders zijn, die elk 50% van de aandelen bezit, de zogenaamde ‘deadlock-situatie’ en beide zelfstandig bestuurder zijn. Ook wanneer er meerdere aandeelhouders zijn, kan de rechter uitkomst bieden. Een deadlock-situatie wordt uiteindelijk vaak opgelost door een aandeelhouder uit te kopen. De uitgekochte aandeelhouder heeft hierna weinig meer te maken met de vennootschap.


  • -

Juni 2017

Category : 2017

Juni 2017

Door: Ellen de Vries

“Aso-wet”: geen keihard “Law and Order-beleid”

Bij  brief van 7 maart jongstleden verzekerde minister Plasterk de inwerkingtreding van de Wet aanpak woonoverlast (beter bekend als de “Aso-wet”) per 1 juli 2017. De initiatiefwet, op  voorstel van Tweede Kamerlid Tellegen (VVD), heeft ten doel om het instrumentarium van de burgemeester uit te breiden zodat deze kan ingrijpen bij verschillende vormen van woonoverlast. Dat behoefte bestaat aan de inhoud van de nieuwe wet moge duidelijk zijn. Gemeenten sorteren al sinds een jaar voor op de inwerkingtreding van de wet, zo blijkt uit een artikel van Trouw.[i] In deze weblog wordt kort stil gestaan bij de inhoud en het doel van desbetreffende wet. Besloten wordt met een verwijzing naar een informatieve animatie.

Inhoud

Voor inwerkingtreding van de huidige wet had de burgemeester slechts de mogelijkheid tot het geven van een waarschuwing of de discretionaire bevoegdheid om een woning te sluiten bij (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde, ex artikel 174a Gemeentewet. Artikel 174a Gemeentewet is beter bekend als de Wet Victoria. Uit de beleidsregels voor toepassing van de Wet Victoria blijkt dat zij slechts in zeer uitzonderlijk gevallen wordt ingezet. Niet gauw is voldaan aan het vereiste van “verstoring van de openbare orde”. “Verstoring van de openbare orde kan alleen aanwezig worden geacht bij overlast waardoor de veiligheid en gezondheid van mensen in de omgeving van de woning in ernstige mate worden bedreigd.”[ii]

De Wet aanpak woonoverlast biedt een “verfijnder” middel dan de Wet Victoria.[iii] Desbetreffende wet voegt artikel 151d Gemeentewet in. Dit wetsartikel biedt een grond voor de burgemeester om een bestuurlijke gedragsaanwijzing te geven bij verschillende vormen van woonoverlast. “De gedragsaanwijzing krijgt de vorm van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom.”[iv] De aanwijzing kan zowel bestaan in een ge- als een verbod. Mocht de gedragsaanwijzing niet worden opgevolgd, dan kan de burgemeester een burger de toegang tot de woning ontzeggen voor een bepaalde periode. De bevoegdheid van de burgemeester is niet onbegrensd: een basis voor het ingrijpen dient te bestaan in een algemeen plaatselijke verordening. Daarbij dient de woonoverlast “ernstig” te zijn en moet zij “herhaaldelijk” voorkomen.[v]

Doel

Professor M. Vols heeft een belangrijke bijdrage aan de totstandkoming van de wet geleverd. Volgens hem kent de wet een drietal voordelen: met de wet kan eerder worden opgetreden tegen woonoverlast, kan worden gewerkt aan onderliggende problematiek en leidt het ingrijpen van de burgemeester niet direct tot dakloosheid. “De wet probeert veel meer te werken aan een meer duurzaam sociale samenleving waarin je niet een keihard “Law and Order-beleid”, een repressief beleid voert, maar aan de andere kant ook niet helemaal niks doet en alleen maar achterover zitten als overheid en mensen maar in hun sop gaar laat koken”, aldus professor M. Vols.[vi]

Voor een stappenplan inzake implementatie, veel gestelde vragen en nadere informatie verwijs ik graag naar de volgende website. Op deze website is eveneens een informatieve animatie opgenomen

[i] H. Marijnissen, Gemeenten beginnen al met Aso-wet voordat de Kamer zich uitspreekt’, Trouw 13 juli 2016, www.trouw.nl (zoek op: aso-wet).

[ii] F.J.M. Crone, Gemeenteblad 2015 nr. 124718, 21 december 2015

[iii] A.E. Schilder, ‘De Wet aanpak woonoverlast – een hamerstuk?’, Gst. 2017/88.

[iv] ‘Aanpak woonoverlast’, NJB 2017/653.

[v] Idem.

[vi] ‘Een nieuwe wet tegen overlast’, 28 juni 2017, www.openbareorderecht.nl (zoek op: woonoverlast).


  • -

Mei 2017

Category : 2017

Mei 2017

Door: Willem Beerda

Verkorting levenslange gevangenisstraf

De civiele procedure

De levenslange gevangenisstraf kan wettelijk gezien op twee manieren worden verkort. De meest bekendste weg is middels de gratieprocedure. Een tweede mogelijkheid om de straf te verkorten is de civiele procedure. Deze procedure kan enkel worden gezien als een theoretische mogelijkheid, de procedure heeft tot nu toe nog geen enkele keer tot een positief resultaat geleid voor een gedetineerde.

De civiele procedure is een kort geding, waarin de veroordeelde een gebod tot invrijheidstelling vraagt aan de rechter. De veroordeelde beroept zich op artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek en stelt dat de voortzetting van de gevangenisstraf een onrechtmatige daad oplevert aan de kant van de overheid. Voor toewijzing van de vordering moet zijn voldaan aan het volgende: ‘indien de rechter vaststelt dat bij de veroordeling tot levenslange gevangenisstraf dan wel bij de tenuitvoerlegging daarvan dermate fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden dat de voortzetting van de tenuitvoerlegging niet langer als rechtmatig kan worden beschouwd.’[1] Een ernstige schending van de waarborgen van het EVRM is hier een voorbeeld van.

Zoals in de inleiding al is aangegeven, is er tot de dag van vandaag geen levenslanggestrafte door middel van deze procedure in vrijheid gesteld. Een zaak waar via deze weg wel geprobeerd is de straf te beëindigen, is de zaak betreffende de wegens oorlogsmisdrijven ter dood veroordeelde Duitser Kotälla.[2] Door middel van gratie werd zijn straf destijds omgezet naar een levenslange gevangenisstraf. In 1973 kreeg hij een hersenbloeding, waardoor zijn gezondheid ernstig verslechterde. Hij diende een klacht in wegens schending van artikel 3 en/of 5 EVRM. Er kon volgens hem geen enkel doel worden bereikt met de voortzetting van zijn detentie. De Hoge Raad vond uiteindelijk dat het gevangen blijven houden van Kotälla geen blijk geeft van een onrechtmatige daad.

Niettemin heeft de Hoge Raad bepaalt dat een veroordeelde altijd het oordeel van de burgerlijke rechter moet kunnen inroepen omtrent de rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van de straf.[3] Dat de civiele procedure theoretisch gezien wel een mogelijkheid is wordt in 2004 bevestigd door de toenmalige Minister van Justitie Donner. Echter spreekt hij van een ‘louter theoretische’ mogelijkheid.[4] Daarbovenop ziet voormalig Staatssecretaris van Justitie Albayrak de gratieprocedure als ‘de enige weg.’[5] Hieruit valt op te maken dat deze mogelijkheid er theoretisch gezien wel is, maar in de praktijk enkel de gratieprocedure kan leiden tot verkorting van de straf.

[1] Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 1972, p.41.

[2] HR 11 februari 1977, NJ 1977, 255.

[3] HR 16 juni 2009, LJN BF3741, r.o. 2.10.

[4] Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 1972, p.41.

[5] Kamerstukken II 2009/10, 24 587, nr. 377, p. 32.


  • -

April 2017

Category : 2017

April 2017

Door: Jordy Karperien

Wet financieel toezicht

Iedereen is afhankelijk van de financiële markten. Denk hierbij aan leningen, verzekeringen, pensioen, etc. Deze afhankelijkheid wordt pas echt zichtbaar als de financiële wereld onder druk komt te staan. De financiële crisis die in 2007 begon maakt duidelijk hoe cruciaal het toezicht op de financiële wereld is en welke gevolgen het heeft als dit toezicht wordt verwaarloosd. Het merendeel van de regels op het gebied van financieel toezicht is neergelegd in de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft).

De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) en de Autoriteit Financiële markten (hierna: AFM) houden toezicht op de financiële markten en de partijen die daarop actief zijn. Er zijn drie doelen die nauw met elkaar samenhangen:[1]

  • Stabiliteit van het systeem
  • Soliditeit van financiële instellingen
  • Goed gedrag/transparantie op de financiële markten

Soorten toezicht

Het financieel toezicht is gebaseerd op een functioneel toezichtmodel. Er zijn twee soorten toezicht: prudentieel toezicht en gedragstoezicht. Deze vormen van toezicht zijn te vinden in Deel 1 van de Wft. Artikel 1:24 Wft vormt de basis voor prudentieel toezicht. De DNB is hiervoor verantwoordelijk. Artikel 1:25 Wft vormt de basis voor het gedragstoezicht. De AFM is hiervoor de toezichthouder. Het onderscheid van deze verschillende vormen van toezicht is niet bepalend voor de vraag welke toezichthouder bevoegd is. Het bepaalt in zekere zin de houding van de toezichthouder bij het uitoefenen van het toezicht en de handhaving.

Waar DNB het gedrag van bestuurders en commissarissen van banken analyseert, voor zover dat consequenties heeft voor de bedrijfsvoering van een bank kan hebben, besteedt de AFM bij haar toezicht aandacht aan de soliditeit van een beleggingsinstelling, nu dat van belang kan zijn voor de bescherming van beleggers.

Voor een groot deel wordt de reikwijdte van de Wft bepaald door de verbodsbepalingen. Om te bezien of een entiteit onder de Wft valt, moet er worden gekeken naar deze verbodsbepalingen. Het meeste is te vinden in Deel 2 van de Wft. Het beschrijft welke handelingen verboden zijn, tenzij er sprake is van een uitzondering of een vrijstelling. Als een activiteit niet valt onder een verbodsbepaling, is er geen vergunning nodig. Onder het begrip ‘financiële onderneming’, zoals dat veelal wordt omschreven in de Wft, vallen vrijwel alle personen of entiteiten die op grond van de Wft gereguleerd zijn.

Veel bepalingen komen voort uit het Europees Recht. Bij vrijwel iedere financiële onderneming zijn één of meerdere Europese richtlijnen opgesteld. Denk hierbij aan bijvoorbeeld verschillende bankenrichtlijnen of de richtlijnen met betrekking tot levens- en schadeverzekeraars. Ook dankzij het Europees Recht kunnen lidstaten erop vertrouwen dat het financiële toezicht in andere lidstaten van adequaat niveau is. Ook kan bijvoorbeeld een bank die een vergunning heeft in Nederland dankzij de Europese Unie vrij eenvoudig bancaire activiteiten verrichten in een andere lidstaat. Dit geldt uiteraard ook andersom.

Rechtsbescherming

De Wft heeft ook impact tussen de marktpartijen en hun cliënten. Financiële ondernemingen zijn bijvoorbeeld verplicht hun cliënten goed te informeren over de financiële producten en diensten die zij aanbieden en moeten maatregelen nemen zodat de rechten van deze cliënten voldoende beschermd zijn. Indien deze regel niet in acht wordt genomen, is de rechtshandeling op grond van artikel 3:40 BW nietig. Vooral in de financiële wereld leidt dit tot problemen. Een nietige of vernietigde rechtshandeling dient het reeds gepresteerde ongedaan te maken. Dit is gecompliceerd, omdat je te maken hebt met fluctuerende waarden van financiële producten. Op dit punt is in de Wft meer duidelijkheid gecreëerd. Artikel 1:23 Wft bepaalt het volgende:

‘De rechtsgeldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling welke is verricht in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels is niet uit dien hoofde aantastbaar, behalve voor zover in deze wet anders is bepaald.’

Dit houdt in dat een rechtshandeling die in strijd is met de Wft in beginsel niet leidt tot nietigheid of vernietigbaarheid. Dit is alleen het geval als de Wft dit expliciet bepaalt. Het Burgerlijke Recht biedt wel mogelijkheden om rechtshandelingen in strijd met de Wft aan te tasten. Een overeenkomst kan worden vernietigd en ontbonden wegens tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst (artt. 3:49 – 3:58 en 6:265 – 6:279 BW). Daarnaast vormt dwaling ook een grond voor vernietiging (artt. 6:228 – 6:230 BW).

Er bestaat ook een zorgplicht voor financiële instellingen. De overeenkomst tussen de instelling en de cliënt valt onder artikel 7:400 BW. Artikel 7:401 BW geeft aan dat de opdrachtnemer de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen. De civiele rechter zal anders toetsen dan een toezichthouder of bestuursrechter. De civiele rechter heeft de mogelijkheid om de belangenafweging op basis van redelijkheid en billijkheid te maken. Een schending van de zorgplicht kan leiden tot schadevergoeding als gevolg van een wanprestatie of onrechtmatige daad.

[1] Kamerstukken II 2001/02, 28 122, nr. 2, p. 10.


  • -

Maart 2017

Category : 2017

Maart 2017

Huurprijsverhoging en liberalisatie

Door: mr. J.R. Kanhai

Verhuurders kijken uit naar de zomermaanden vanwege het mooie weer en de vakantie, maar vooral omdat zij vaak per 1 juli een huurverhoging voorstellen. Dit komt voor veel huurders als een onaangename verassing. Wat zijn de regels en in welke mate moet u rekening houden met een eventuele huurprijsverhoging van uw huurwoning?

Van belang is het type woning (of woonruimte) dat u huurt. Daarbij moet onderscheid gemaakt worden tussen een zelfstandige en een onzelfstandige woning. Een zelfstandige woning heeft een eigen toegang, een eigen keuken en een toilet. Daaronder kunnen verschillende woningen vallen zoals bijvoorbeeld eengezinswoningen, portiekwoningen, appartementen en vrijstaande woningen. Van een onzelfstandige woning is sprake indien de keuken en/of het toilet gedeeld worden of u geen eigen toegang heeft van de woning. Een mooi voorbeeld van een onzelfstandige woning is een kamer in een studentenhuis. Wel kan sprake zijn van zelfstandige woonruimte. Dat betekent dat de woonruimte een eigen keuken, douche en toilet heeft, maar geen eigen toegang.

Voor sociale-huurwoning gelden maximale huurprijzen en een maximale huurverhoging. De grens ligt op € 710,68.[1] Bovendien is het mogelijk om huurtoeslag te krijgen als huurder van een sociale huurwoning.[2] Het puntensysteem is leidend voor de maximum huurprijs van de sociale huurwoning. De huurprijs mag jaarlijks maximaal tussen 2,1% en 4,6% worden verhoogd. Welk percentage in het concrete geval wordt gehanteerd is onder meer afhankelijk van uw inkomen.[3] Bij onenigheid kunnen de huurder en de verhuurder terecht bij de Huurcommissie.

Indien de huurwoning is geliberaliseerd gelden deze regels niet. Met andere woorden: de huurprijs van de woning ligt boven het bedrag van € 710,68 en het gaat om een zelfstandige woning. Dit bedrag wordt ook wel de liberalisatiegrens genoemd. De verhuurder heeft dan meer vrijheid om de huurprijs en de huurverhoging te bepalen. De verhuurder kan op 2 manieren de huur verhogen: via een indexeringsclausule in het huurcontract of via een aanbod van een nieuw huurcontract. De verhoging van de huurprijs mag eenmaal per 12 maanden plaatsvinden. Tussentijds mag ook een huurverhoging plaatsvinden, indien de verhuurder de woning heeft verbeterd. Regulier onderhoud valt hier niet onder. Bij onenigheid tussen de huurder en verhuurder moet de gang naar de rechter worden gemaakt. Wel heeft de huurcommissie de bevoegdheid om na te gaan of de huurprijs van de geliberaliseerde woning terecht is, mits het huurcontract de afgelopen 6 maanden is ingegaan.[4] Veel commerciële verhuurders zullen namelijk de huurprijs (net) boven de liberalisatiegrens vaststellen, om zo aan de werking van de huurprijsbescherming te ontkomen.

Hoe weet u of uw huurwoning, of beter gezegd uw huurcontract, geliberaliseerd is?[5] Daarvoor moet de volgende vraag beantwoord worden: Was de huurprijs bij aanvang van de huurovereenkomst hoger of lager dan de toen geldende liberalisatiegrens?

Voorbeeld:

In 2013 was de liberalisatiegrens € 681,02. De verhuurder en huurder komen in dat jaar overeen dat de maandelijkse huurprijs € 700,68 zal bedragen. In 2017 komt de huurder erachter dat de liberalisatiegrens van 2017 € 710,68 is. Wat is nu rechtens? De huurder woont vanaf 2013 al in een geliberaliseerde woning (want de huurprijs was bij aanvang hoger dan de toen geldende liberalisatiegrens) en de verhuurder is niet gebonden aan de regels die gelden voor sociale huurwoningen.

NB: huurliberalisatie geldt niet voor huurovereenkomsten waarbij een all-in prijs wordt gehanteerd. De kale huurprijs is namelijk niet bekend en kan daardoor ook niet getoetst worden aan de liberalisatiegrens.

[1] De huurliberalisatiegrens van € 710,68 is sinds 1 januari 2016 voor 3 jaar bevroren. Zie ook: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/huurverhoging/vraag-en-antwoord/huurliberalisatiegrens

[2] Zie voor de voorwaarden voor huurtoeslag:

https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/prive/toeslagen/huurtoeslag/huurtoeslag-2017/voorwaarden-2017/zelfstandige-woonruimte

[3] Zie voor een uitgebreid overzicht https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/huurverhoging/vraag-en-antwoord/maximale-huurverhoging

[4] 7:249 BW

[5] A.M. Kloosterman e.a., Hoofdlijnen in het huurrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 159-160.


  • -

Februari 2017

Category : 2017

Februari 2017

Door: Ellen de Vries

Procesinleiding

Inleiding
“Digitaal procederen opnieuw uitgesteld”, zo kopte Advocatenblad woensdag 15 februari jongstleden op haar website.[1] Het artikel verwees naar het interview met KEI-directeur Monique Commelin, welk interview op diezelfde datum was gepubliceerd op Rechtspraak.nl.[2] Commelin maakt hierin duidelijk dat de invoeringsdatum van het wettelijk verplicht digitaal procederen op zich laat wachten. De beoogde startdatum van 1 april 2017 wordt niet gehaald. Derhalve wordt afgeweken van de ‘Tijdlijn modernisering rechtspraak’. Op voornoemde startdatum zou het digitaal procederen in civiele zaken bij de rechtbank Gelderland en Midden-Nederland wettelijk verplicht moeten zijn. Reden voor het uitstel is dat de techniek zich moet hebben bewezen, alvorens het Koninklijk Besluit wordt aangevraagd waarbij het digitaal procederen wettelijk wordt verplicht. Per september 2016 kan bij genoemde rechtbanken al wel op vrijwillige basis digitaal worden geprocedeerd. Deze digitale procedure wordt aangevangen met een zogeheten procesinleiding. In afwachting van, en in voorbereiding op het Koninklijk Besluit, is het nuttig deze eerste proceshandeling nader te bestuderen.

Basisprocedure
De wetswijziging, als onderdeel van het vernieuwingsprogramma KEI, heeft een vereenvoudigde basisprocedure tot gevolg. De basisprocedure wordt ingeleid met de procesinleiding (art. 30a Rv nieuw), waarna het verweer kan worden ingediend (art. 30i RV nieuw). Hierna zal de mondelinge behandeling plaatsvinden (art. 30k Rv nieuw). Deze heeft, na KEI, te gelden als het hart van de procedure.[3] Op de mondelinge behandeling volgt de uitspraak (art. 30q Rv nieuw). De vereenvoudigde basisprocedure is de standaardprocedure, ongeacht of het een dagvaardings- dan wel verzoekschriftprocedure betreft (na KEI: vorderings- respectievelijk verzoekprocedure (art. 30a lid 2 Rv nieuw)).[4] Beide procedures worden derhalve ingeleid met de procesinleiding (art. 30a lid 1 Rv nieuw).

Procesinleiding
De procesinleiding is “een formulier dat naargelang de omstandigheden digitaal of op papier bij één loket wordt ingediend. […] Het wordt zo ingericht dat de rechtzoekende ertoe wordt gebracht om in een beperkt bestek – naar verwachting maximaal 8000 karakters – de gegevens van art. 30a voorstel Rv zo juist en volledig mogelijk in te vullen.”[5] Art. 30a lid 3 Rv nieuw bevat de bepalingen aangaande de inhoud van de procesinleiding. Hoewel beide procedures aanvangen met de procesinleiding, is het onderscheid tussen de vorderings- en de verzoekprocedure van belang voor de inhoud van het processtuk en de te hanteren terminologie. Art. 30b lid 1 Rv nieuw bepaald dat het instellen van een vordering en het indienen van een verzoek kan worden gecombineerd in één procesinleiding, mits tussen beide voldoende samenhang bestaat en de Nederlandse rechter bevoegd is om van beide kennis te nemen. Daarbij bepaalt art. 30i lid 8 Rv nieuw dat het verweerschrift een tegenvordering of een tegenverzoek mag bevatten, ongeacht of het een vorderings- of een verzoekprocedure betreft. “Op gecombineerde procedures zijn in beginsel de regels van de vorderingsprocedure van toepassing.”[6] Zie art. 30b lid 2 Rv nieuw.

Digitaal
In beginsel moet de procesinleiding langs elektronische weg worden ingediend (art. 30c lid 1 Rv nieuw). Uitzondering wordt gemaakt voor natuurlijke personen en voor verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte, tenzij zij worden vertegenwoordigd door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent (art. 30c lid 4 Rv nieuw). Voor zover de procesinleiding op papier is ingeleverd terwijl dit elektronisch had moeten geschieden en vice versa, geeft de wetgever een herstelmogelijkheid in art. 30c lid 6 Rv nieuw. “Op deze wijze zal een eiser/ verzoeker gered worden. […] Op zich komt de zaak dus uiteindelijk wel, met enig kunst-en-vliegwerk, op het goede spoor.”[7]

De indiening van de procesinleiding wordt elektronisch bevestigd (art. 30d lid 1 Rv nieuw). De zaak is aanhangig met het indienen van de procesinleiding overeenkomstig de bepalingen van art. 30a lid 1 Rv nieuw, zo volgt uit art. 125 Rv nieuw. Omdat zij daarmee nog niet bekend is bij de wederpartij, bepaalt art. 111 lid 1 Rv nieuw voor vorderingsprocedures dat de griffier de eiser een oproepingsbericht stuurt na ontvangt van de procesinleiding. Het voert te ver om op deze plaats de inhoud van het oproepingsbericht te behandelen. Zie voor (de betekening van) het oproepingsbericht in vorderingsprocedures art. 111 Rv nieuw en volgende.

[1] ‘Digitaal procederen opnieuw uitgesteld’ www.advocatenblad.nl (zoek op digitaal procederen) Geraadpleegd d.d. 21 februari 2017.

[2] KEI is de afkorting voor het programma Kwaliteit en Innovatie rechtspraak. Het programma heeft de versnelling en digitalisering van het procesrecht ten doel. & ‘Pas verplicht digitaal procederen als we helemaal zeker zijn’, www.rechtspraak.nl (zoek op Raad voor de rechtspraak; nieuws) Geraadpleegd d.d. 21 februari 2017.

[3] A.I.M. van Mierlo & P.J.J. Vonk, ‘Vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht; procederen in een nieuwe jas na KEI’, WPNR 2015, 7065.

[4] Idem.

[5] A.S. Rueb, Compendium van het burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 146-147.

[6] H. Donner & B.J. van Ettekoven, ‘Digitaal procederen bij de bestuursrechter’, NTB 2015, 2, p. 10.

[7] T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Is een dagvaarding een procesinleiding? Het dubbele Rv in de overgangsfase van KEI’, NJB 2016, 2293.


  • -

Januari 2017

Category : 2017

Januari 2017

Verhaal schade ontstaan door aardgaswinning

Door Willem Beerda

Nederland heeft sinds de ontdekking van het grootste aardgasveld van Europa in 1959, veel inkomsten genoten uit de winning van aardgas. De laatste jaren zijn er echter veel huizen beschadigd en in waarde gedaald door de aardbevingen. Dit probleem is begonnen in 2012, bij de aardbeving in Huizinge met een 3,6 op de schaal van Richter. Maar hoe zit het nou eigenlijk met aansprakelijkheid voor de schade die is ontstaan door het winnen van aardgas? Aan dit privaatrechtelijke vraagstuk kleven twee knelpunten; het bewijs van het causale verband en de begroting van de schade. De Nederlandse Aardolie Maatschappij (hierna: NAM), als exploitant en houder van de winningvergunning wordt aansprakelijk gehouden voor deze schade. Dit gebeurt op  grond van artikel 6:177 lid 1 sub b BW, de aansprakelijkheid van de mijnbouwexploitant voor bodembeweging. Uit deze kwalitatieve aansprakelijkheid volgt: de exploitant van een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van de Mijnbouwwet is aansprakelijk voor de schade die ontstaan door: beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van het werk.[1] Er dient hier dus sprake te zijn van een dubbel causaal verband. De schade is ontstaan moet het gevolg zijn van een bodembeweging en die bodembeweging moet het gevolg zijn van de aanleg of exploitatie van het werk.  Op grond van artikel 6:178 BW bestaan er een limitatief aantal mogelijkheden voor de NAM om zich te disculperen. Echter gaat dit niet op bij ondergrondse aardbevingen.

Het eerste knelpunt is het bewijs tussen het verband van de aardbeving en de schade. Dit staat vaak ter discussie in een zaak betreft schadeafhandeling met de NAM. Is de schade ontstaan door een aardbeving of door een andere oorzaak? De hoofdregel is nu nog dat de bewijslast ligt bij de benadeelde. Ze kunnen hierbij een deskundige inschakelen op grond van artikel 113 Mijnbouwwet, het zogenoemde Advies Technische Commissie Bodembeweging. Er is echter een voornemen van de wetgever om de bewijslast te verminderen. Het wetsvoorstel [2]wil een bewijsvermoeden creëren in artikel 6:177a BW. Dit zal uitsluitend gelden voor fysieke schade aan gebouwen en werken die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld.

Het tweede knelpunt betreft de begroting van de schade. Bij de bestaande regeling is het zo dat de schade pas kan worden begroot op het moment dat er fysieke schade is of het gebouw wordt verkocht. Hoe zit het dan met het feit dat je woning niet verkoopt omdat je in een aardbevinggebied woont? Hoe kunnen deze mensen een schadevergoeding krijgen? Hier heeft de rechtbank Noord-Nederland in Assen een uitspraak over gedaan.[3] De kernvraag in deze zaak is of de woning moet zijn verkocht of niet. Uit het vonnis van de rechtbank kunnen een drietal vragen worden gehaald, die hier een antwoord op geven.

De eerste vraag is van welke normschending uit moet worden gegaan. Zoals hierboven al is aangegeven is de NAM aansprakelijk op grond van artikel 6:177 lid 1 sub b BW. De NAM heeft deze aansprakelijkheid ook zelf erkend. Ook staat niet ter discussie dat de aardbevingen in Groningen worden veroorzaakt door gaswinning, en deze aardbeving kunnen tot schade leiden, die ook kan bestaan uit waardedaling van woningen.

De tweede vraag is of schade bestaande uit waardevermindering van onroerende zaken als gevolg voor aardbevingen door gaswinning aannemelijk is. Deze vraag speelt dus ook als er nog geen fysieke schade is opgetreden. De NAM vindt dat waardevermindering alleen in individuele gevallen kan worden vastgesteld en dat algehele waardevermindering in het aardbevingsgebied niet is aangetoond. De rechtbank vindt dat er aanwijzingen zijn dat de aardbevingen een negatief effect hebben op de woningmarkt in het gebied. Voorts betoogd de rechtbank dat hoewel vergoeding voor waardedaling uiteindelijk per individueel geval zal moeten worden vastgesteld, is mogelijkheid van schade door waardevermindering als gevolg van door gaswinning veroorzaakte aardbevingen aannemelijk. De gemiddelde waardedaling is vastgesteld op enkele procenten (2 tot 5%).

De derde vraag die speelt is of de schade nu al kan worden vergoed en begroot, ongeacht de verkoop van de woning en ongeacht fysieke schade. De Stichting Waardevermindering door Aardbevingen Groningen is van mening dat ongeacht de verkoop en ongeacht de fysieke schade, de waardevermindering al abstract kan worden berekend. De NAM is het hier niet mee eens en vindt dat pas op het moment van verkoop de waardevermindering kan worden vastgesteld. Ook vindt de NAM dat de invloed van aardbevingsrisico’s  niet statisch is, het kan wijzigen en daardoor is de waardedaling niet permanent. Daarnaast is de NAM van mening dat abstract vergoeden per welk ander moment dan ook leidt tot onder- of overcompensatie en daarmee tot willekeur. De rechtbank is het hier niet mee eens en maakt korte metten met het standpunt van de NAM. De rechtbank zegt dat er volgens vaste rechtspraak kan worden geabstraheerd van de vraag of de waardevermindering door verkoop wordt gerealiseerd en ook van het feit dat deze schade door tijdsverloop kan wegebben. Rechtvaardiging voor toepassing van een abstracte schadeberekening kan zijn gelegen in blijvende of duurzame waardevermindering. Hiervan is in Groningen sprake, omdat er geen enkele aanwijzing dat waardevermindering tijdelijk of voorbijgaand is en de gunstige maatregelen die de NAM heeft getroffen niet zijn aangetoond.  De rechtbank schrijft in zijn vonnis een belangrijke overweging: “De rechtbank acht het onrechtvaardig wanneer vergoeding van deze schade als gevolg van aardbevingen, die door gaswinning door NAM is veroorzaakt en aan welke gaswinning voor het Rijk, de samenleving en de NAM zelf grote economische en financiele belangen zijn verbonden, pas aan de orde kan komen bij verkoop van de woning, die wellicht nooit plaatsvindt, en/of bij staking van de gaswinning, hetgeen nog vele tientallen jaren kan duren.”[4]  Tegen de uitspraak van de rechtbank is inmiddels hoger beroep ingesteld door de NAM, maar de rechtbank heeft wel een verklaring van recht gegeven. Het is dus niet meer mogelijk voor de NAM om te zeggen dat de schade op dit moment niet abstract kan worden begroot. De verklaring van recht luidt als volgt: “dat de NAM aansprakelijk is voor de schade bestaande uit waardevermindering van onroerende zaken gelegen in het gebied waar aardbevingen ten gevolge van gaswinning door NAM voorkomen, en dat die schadevoorvergoeding in aanmerking komt, ongeacht of er fysieke schade aan de onroerende zaken is opgetreden en ongeacht of de onroerende zaken al dan niet zijn verkocht.”[5]

Kortom de private aansprakelijkheid is zich aan het ontwikkelen wat betreft de aardbevingproblematiek in Groningen. Dit zijn de eerste stappen voor de burger op weg naar schadevergoeding. Deze weg zal nog wel even voortduren aangezien de NAM in hoger beroep is gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank.

[1] Art. 6:177 lid 1 sub b BW.

[2] Kamerstukken II 2015/16, 34 390.

[3] Rb. Noord-Nederland 2 september 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4185.

[4] Rb. Noord-Nederland 2 september 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4185, r.o. 4.4.17.

[5] Rb. Noord-Nederland 2 september 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4185, r.o. 5.1.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.