Jaargang 41 - Nummer 1,  2007 - 2008

Combinatie van religie en recht: de sharia

Op 2 november 2004 schoot de Nederlandse moslimextremist Mohammed Bouyeri Theo van Gogh dood. Tijdens de rechtszitting verklaarde hij dat hij niet uit haat gehandeld had, maar omdat zijn geloof hem dat bevolen had: “Ik heb me laten leiden door de wet die mij opdraagt om iedereen die Allah en de profeet beledigt zijn kop eraf te hakken.” (soera 8, aya 12 “Toen uw Heer aan de engelen openbaarde: ‘Ik ben met u; versterkt de gelovigen. Ik boezem ontzag in de harten der ongelovigen. Slaat daarom hun hoofd af en slaat alle toppen van hun vingers af.’”) Bouyeri erkent de Nederlandse rechtspraak niet omdat deze in strijd zou zijn met de islamitische wetgeving, de sharia.

Door: Iris Hermans

In november 2006 doet voormalig minister van Justitie Donner een uitspraak die veel stof doet opwaaien. Hij zegt in een interview met Vrij Nederland geen principiële bezwaren te koesteren tegen de invoering van de sharia: “Als tweederde van alle Nederlanders morgen de sharia zou willen invoeren, dan moet die mogelijkheid toch bestaan?” Donner noemt dit de essentie van een democratie, de meerderheid telt. Een paar dagen en veel kritiek later, sust hij de gemoederen door te verklaren dat het slechts hypothetisch bedoeld was. “Mensen proberen me nu in de mond te leggen dat ik voor invoering van de sharia ben. Dat is niet het geval.”
De CDA-minister benadrukt dat de sharia in strijd is met de Nederlandse grondwet. Als in het theoretische geval een meerderheid van de Nederlanders die wetgeving toch wil invoeren, moet de grondwet worden gewijzigd. Donner zegt dat hij dat altijd zal bestrijden om te voorkomen dat het zover komt.

(Catchphrase: “Als tweederde van alle Nederlanders morgen de sharia zou willen invoeren, dan moet die mogelijkheid toch bestaan?”)

De sharia is het Arabische woord voor de islamitische wet en betekent ‘weg naar de bron’. Het islamitische recht is niet te vergelijken met ons westerse recht. Niet alleen omdat er geen wetboeken bestaan in dit recht, maar ook omdat de sharia in de eerste plaats een religieuze plichtenleer is, wat in ons seculiere stelsel ondenkbaar is. De sharia is nooit gecodificeerd en in plaats van wetboeken wordt de fiqh in acht genomen. De fiqh wordt gezien als de jurisprudentie van de sharia en betekent letterlijk ‘het goede inzicht in iets hebben’. Het complexe aan de sharia is dat er niet één sharia bestaat, net zoals er niet één rechtssysteem bestaat in het overige deel van de wereld. Daarom wordt er gekeken naar de interpretaties van de leerscholen. De soennitische leerschool kent de meeste volgelingen onder de islam en heeft vier rechtsbronnen, te weten de koran, de soennah, qijas en idjma.
De koran is geen wetboek maar wordt door de meeste moslims beschouwd als eerste bron van het recht. Er staan slechts een aantal juridische elementen in. Met uitzondering van een aantal misdrijven, waaronder overspel en diefstal, die later toegelicht worden, zijn in de koran geen strafbare feiten vastgelegd en voor het formuleren van een rechtsstelsel was een tweede bron noodzakelijk.
De soennah levert het grootste deel van de jurisprudentie en bestaat uit voorbeelden en uitspraken van de profeet Mohammed. Mohammed wordt door moslims gezien als de perfecte mens en moslims hechten dan ook grote waarden aan zijn uitspraken en handelingen.
Qijas wordt toegepast op een analogische manier. Wanneer zich een situatie voordoet waarvoor geen regels bestaan in de koran of soennah, wordt naar analogie een regel toegepast van een vergelijkbare situatie die wel in de koran of soennah staat.
Idjma geldt als vierde bron maar slechts wanneer de andere drie bronnen niet in aanmerking komen. Een vraagstuk wordt bekeken door rechtsgeleerden en deze moeten een meerderheidsstandpunt bereiken over wat te doen. Na deze consensus geldt de conclusie voor altijd.
De koran bestaat uit 114 soera’s (hoofdstukken) die uit 6226 ayat (verzen) bestaan.
Enerzijds zijn er soera’s die vooral over de grootheid van Allah gaan, de Mekkaanse soera’s, en anderzijds zijn er soera’s die meer nadruk leggen op de regelgeving en bekering, de Medinaanse soera’s. Een aparte status hebben de direct uit de koran afgeleide verbodsbepalingen, de zogenaamde hadd-misdrijven. Het zijn deze soera’s die door niet-moslims als problematisch worden ervaren. Echter, in andere religies bestaan ook teksten die minstens net zo problematisch genoemd kunnen worden. Hieronder staan een paar soera’s uit de koran én een paar voorbeelden uit andere gebedsschriften, die sterk overeenkomen in hun extremiteit.

Soera 4, aya 34
“De mannen zijn opzichters over de vrouwen. Maar zij van wie gij opstandigheid vreest, vermaant haar en vermijdt haar op de rustplaatsen en slaat haar. Maar indien zij u gehoorzaam worden zoekt dan geen weg om haar te tuchtigen.”

Soera 24, aya 2
“Geselt iedere echtbreekster en echtbreker met honderd slagen. En laat medelijden met hen u van de gehoorzaamheid aan Allah niet afhouden indien gij in Allah en de Laatste Dag gelooft. En laat een groep gelovigen getuige zijn van hun bestraffing.”

Soera 5, aya 38
“En snijdt de dief en de dievegge de hand af, als straf voor wat zij misdeden, een voorbeeldige straf van Allah. Allah is Almachtig, Alwijs.”

Soera 24, aya 2
“Geselt iedere echtbreekster en echtbreker met honderd slagen. En laat medelijden met hen u van de gehoorzaamheid aan Allah niet afhouden indien gij in Allah en de Laatste Dag gelooft. En laat een groep gelovigen getuige zijn van hun bestraffing.”

Deze laatste soera gaat over overspel. Er wordt niet gesproken over steniging, terwijl dit in een paar landen helaas nog de straf is die op overspel staat. Meestal wordt de dood door steniging toegepast overeenkomstig de joodse wet.

Leviticus 20:10 (het derde boek van de Hebreeuwse bijbel)
“Wie overspel pleegt met een getrouwde vrouw, een vrouw die een ander toebehoort, moet ter dood gebracht worden. Beide echtbrekers moeten worden gedood.”

Deuteronomium 22:20-21 (het vijfde boek van de Hebreeuwse bijbel
“Maar als het wél waar is en de maagdelijkheid van het meisje niet kan worden aangetoond, moet zij naar haar ouderlijk huis worden teruggebracht en daar voor de deur door de andere inwoners van de stad worden gestenigd tot de dood erop volgt.”

Deuterononium 22:22
“Als een man wordt betrapt met een getrouwde vrouw moeten beiden ter dood gebracht worden, zowel de man als de vrouw met wie hij geslapen heeft.”

De sharia wordt gezien als een factor die bijdraagt aan de kloof tussen islam en het democratische westen. Zo hebben veel islamitische landen zowel het Universeel Verdrag van de Rechten voor de Mens getekend als de botsende Universele islamitische verklaring van mensenrechten, waarin ze de koran als een hogere norm beschouwen dan het UVRM.
In het arrest Refah versus Turkije had de politieke partij Refah als één van haar doelstellingen het vestigen van een Sharia rechtssysteem en een theocratisch regime. De Turkse staat wilde het partijprogramma van Refah verbieden, omdat haar doelstellingen absoluut niet verenigbaar waren met de doelstellingen van een democratische en seculiere staat. Het Hof van de Rechten voor de Mens oordeelde dat ondanks de rechten die een politieke partij geniet, voorrang gegeven wordt aan de normen van het EVRM en “dat de sharia niet verenigbaar is met de fundamentele principes van een democratie.”
De zaak Leyla Sahin tegen Turkije gaat over een klacht van een studente medicijnen die toegang ontzegd werd bij colleges omdat ze zich niet aan de kledingvoorschriften hield, die het verbod op een hoofddoek inhielden. Het Hof van de Rechten voor de Mens oordeelde unaniem dat een verbod op religieuze uitingen mag bestaan om het seculiere karakter van staatsinstellingen en het principe van scheiding van kerk en staat te bewaken. Niet-islamitische studenten worden zo beschermd tegen de druk van fundamentalistische bewegingen. Het vonnis heeft ook grote gevolgen gehad voor de discussie over het verbieden van de hoofddoek op scholen in andere Europese landen, zoals in Frankrijk, Duitsland en Nederland.

(Catchphrase: “Een verbod op religieuze uitingen mag bestaan om het seculiere karakter van staatsinstellingen en het principe van scheiding van kerk en staat te bewaken.”)

De sharia moet niet slechts als synoniem beschouwd worden van steniging en de praktijk van ‘handafhakking’. De sharia is het religieuze islamitische recht en de meeste landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika kennen een duaal rechtssysteem met religieuze en seculiere rechtbanken. De religieuze rechtbanken behandelen voornamelijk familie- en erfrechtzaken. De hadd-misdrijven vallen in de meeste gevallen onder het seculiere recht, maar in Iran en Saoedi-Arabië geldt wel integraal een vorm van sharia en worden hadd-straffen opgelegd. Turkije en Tunesië zijn bezig hun rechtssysteem te verwestersen en zo kan de kloof stapje voor stapje kleiner worden. Desondanks lijkt de gulden middenweg tussen recht en religie een steeds grotere utopie te worden in deze roerige tijden. Door uitspraken van Geert Wilders over het verbieden van de koran en bedreigingen aan het adres van Ehsan Jami van het comité voor ex-moslims zal het nog lang duren voor er wederzijds respect ontstaat en zal de kloof tussen moslims en niet-moslims moeilijk te dichten zijn.

Leave a Reply

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.