Jaargang 43 - Nummer 2,  2009 - 2010

De levenslange gevangenisstraf: hoezo tot de dood erop volgt?

Door Nari Elisabeth Berloth

Wanneer de Nederlandse strafrechter een gevangenisstraf wil opleggen, heeft hij de mogelijkheid tussen een tijdelijke gevangenisstraf en de levenslange gevangenisstraf. De levenslange gevangenisstraf is aan het einde van de 19e eeuw ingevoerd ter vervanging van de doodstraf. Tijdens een toespraak op 16 oktober jongstleden noemde de huidige minister van Justitie, E.M.H. Hirsch Ballin, de actuele cijfers: op dit moment zijn 28 personen onherroepelijk en 7 personen nog niet onherroepelijk veroordeeld tot de levenslange straf.1 Vandaag de dag roept de politiek dat de levenslange gevangenisstraf duurt tot de dood erop volgt. De toenmalige minister Donner riep het in 2004, en onze huidige minister roept het ook. Is het echter wel zo dat levenslang in Nederland levenslang is?

De wettelijke inbedding

In de wet zijn er maar een paar artikelen die iets regelen met betrekking tot de levenslange gevangenisstraf. Het belangrijkste artikel staat in het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr). Lid 1 van artikel 10 Sr luidt: “De gevangenisstraf is levenslang of tijdelijk”. Als je deze zin puur taalkundig bekijkt, dan kun je concluderen een levenslanggestrafte daadwerkelijk vast zal zitten tot de dood erop volgt. Een rechter legt niet de levenslange straf op met de bedoeling dat de veroordeelde over een aantal jaren weer op vrije voeten komt. Dan zou hij wel een tijdelijke gevangenisstraf opleggen, want die mag tegenwoordig maarliefst 30 jaar duren.2 Oplegging van de levenslange gevangenisstraf is kennelijk een weloverwogen keuze van de rechter. Daarnaast lijkt artikel 31 lid 1 sub 1 Sr ook te zien op situaties dat de verdachte voorgoed achter tralies zit, want als de rechter ontzetting van rechten uitspreekt bij een levenlanggestrafte dan moet hij dit voor het leven doen. Verder bepaalt artikel 59 Sr nog dat er bij oplegging van de levenslange gevangenisstraf, op uitzonderingen na, geen andere straffen opgelegd mogen worden. Als je er vanuit gaat dat de veroordeelde nooit meer vrij komt dan heeft het natuurlijk geen zin om een straf op te leggen, omdat de straf niet ten uitvoer gelegd kan worden.

Tegenover deze artikelen staat artikel 2 lid 2 Penitentiaire Beginselenwet, waarin het resocialisatiebeginsel is verwoord: “Met handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel wordt de tenuitvoerlegging hiervan zoveel mogelijk dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer van de betrokkene in de maatschappij.” Dit artikel is ongeclausuleerd opgenomen; er staat niet dat het artikel niet van toepassing is op levenslanggestraften. Ook zij zouden dus zo veel mogelijk voorbereid moeten worden op terugkeer in de samenleving. Daarnaast bepaalt artikel 2 onder b Gratiewet nog dat gratie kan worden verleend “indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.” Door het feit dat aan een levenslanggestrafte gratie kan worden verleend indien de straf geen redelijk doel meer heeft, lijkt de levenslange gevangenisstraf toch wat minder definitief.

Een 100-jarig gratiebeleid

Beëindiging van een levenslange gevangenisstraf gebeurt meestal door middel van gratie. Om te beoordelen of levenslang in de praktijk wel levenslang is, is het relevant te kijken naar het beleid zoals dat gevoerd werd in de loop der tijd. Het cijfermateriaal van de afgelopen vijftig jaar is schaars. Bekend is dat in de jaren ’50 en ’60 twee personen tot levenslang zijn veroordeeld en dat zij beiden zijn gegratieerd.3 Verder zijn er nog een aantal personen die in de jaren ’80 levenslang hebben gekregen; zij zitten momenteel nog vast en hebben geen idee of ze ooit nog in vrijheid gesteld zullen worden. Het beleid, dat tot voor kort gevoerd werd, ontwikkelde zich eind 19e eeuw. Tussen 1889 en 1963 waren er 47 personen veroordeeld tot de levenslange gevangenisstraf. Aan 32 van hen werd gratie verleend en één van hen wist te ontsnappen. Zeven van hen overleden in detentie: vijf binnen zeven jaar in detentie, één na 12 jaar in detentie en één na 37 jaar in een krankzinnigengesticht. De overige zeven zaten in 1963 nog in detentie. In 1969 zaten nog maar twee personen de levenslange gevangenisstraf uit; aan de rest van de 14 levenslanggestraften van na de oorlog was inmiddels gratie verleend.4 Het beleid van de minister in 1950 was dat bij levenslanggestraften gewoonlijk na 15 jaar werd overwogen of zij voor gratie in aanmerking kwamen. Hij maakte dat duidelijk tijdens de behandeling van het wetsontwerp “Nadere voorzieningen betreffende de voorwaardelijke veroordeling en de voorwaardelijke invrijheidstelling”.5 Dat beleid werd reeds vóór de oorlog gevoerd en had tot gevolg dat de levenslange gevangenisstraf nog nooit echt uitgezeten was.6 In de jaren ’607 en ’708 herhaalden de verschillende ministers van Justitie het beleidsuitgangspunt dat levenslang geen levenslang is.

In 1986 is na 17 jaar detentie gratie verleend aan Hans van Z., wat geheel paste in het bestaande beleid. Pas in de jaren ’80 werden weer nieuwe levenslange straffen opgelegd. Door gebrek aan langdurig levenslanggestraften was gratie lange tijd niet aan de orde. Het beleid, dat tot 1986 werd voorgezet en inmiddels al een eeuw oud was, verdween daardoor uit het zicht.9

De nieuwe koers

Vanaf 2000 groeide het aantal veroordelingen tot levenslang echter snel, dus kwam ook het beleid ten aanzien van levenslanggestraften weer in beeld.10 Maar wat was dit beleid precies? In 2004 werd Lucia de B. door het Hof in Den Haag veroordeeld tot levenslang èn tbs. In tegenstelling tot levenslang is tbs wèl gericht op terugkeer in de samenleving, dus stelde VVD-kamerlid Griffith vragen over deze merkwaardige combinatie van straffen aan de toenmalige minister van Justitie, J.P.H. Donner. Deze antwoordde dat levenslang gewoon voor de rest van het leven is, totaal haaks op het beleid dat tot voor kort gevoerd werd.11

Hirsch Ballin, die de opvolger van Donner is, ondersteunt kennelijk het standpunt van zijn voorganger. Op 16 oktober jl. heeft hij samen met staatssecretaris van Justitie, N. Albayrak, een brief geschreven aan de Tweede Kamer waarin hij informatie verschaft over de gratieprocedure voor levenslanggestraften. Met andere woorden: ze geven aan welk beleid vanaf heden gevoerd gaat worden. Er zijn een aantal redenen waarom de minister overgegaan is tot het schrijven van de brief. Die zullen nu eerst genoemd worden, waarna de inhoud van de brief aan bod zal komen. De eerste reden is de groei van het aantal veroordelingen tot de levenslange straf. De tweede reden zijn de kritische uitlatingen van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (verder: RSJ) en het Forum “Humane tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf” (verder: forum) over het beleid ten aanzien van levenslanggestraften. Eerst zal even stil worden gestaan bij de RSJ en het forum en het kritiek dat zij hebben op het beleid. De derde reden zal daarna genoemd worden.

De RSJ heeft onder andere de taak de minister van Justitie te voorzien van gevraagd of ongevraagd advies over de uitvoering van beleid. Met betrekking tot de levenslange gevangenisstraf heeft de RSJ op 1 december 2006 een ongevraagd advies geschreven aan de minister. De huidige situatie, waarin er voor een tot levenslang veroordeelde geen regelingen bestaan op grond waarvan nut en noodzaak van voortzetting van detentie na verloop van tijd worden getoetst, achtte de instantie ongewenst. Daarnaast zou deze praktijk volgens de RSJ op gespannen voet staan met zowel internationale verdragen als de Europese strafrechtpraktijk. Er zijn dan ook een aantal concrete aanbevelingen gedaan met betrekking tot dit punt. Op 29 april 2008 is er nog een aanvulling op dit advies naar de minister gestuurd. Daarin heeft de RSJ aangegeven dat zijn aanbevelingen breed worden ondersteund en dat de reactie van de staatssecretaris van Justitie minder enthousiast is, maar dat er echt wat moet gaan veranderen aan de huidige situatie.12

Het forum bestaat uit vooraanstaande vertegenwoordigers uit de wetenschap, psychiatrie en rechtspraak die zich hebben verenigd in 2008. Zij maken zich zorgen over het levenslang opsluiten van mensen zonder enig perspectief op vrijlating. In eerste instantie probeert het forum het draagvlak voor een humanere tenuitvoerlegging te vergroten, maar het uiteindelijke doel is een wetswijziging. Als het aan het forum lag, zouden levenslanggestraften periodiek beoordeeld worden om te kijken of ze in aanmerking komen voor strafvermindering of vervroegde vrijlating. Daarbij denkt het forum zelf aan een eerste beoordeling na vijftien jaar.13

De derde reden voor het schrijven van de brief is het arrest van de Hoge Raad op 16 juni jl. In dit arrest is de Hoge Raad ingegaan op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (verder: EHRM) met betrekking tot de levenslange straf. De vraag of deze straf in een bepaald land in strijd is met het verbod op foltering (art. 3 EVRM) is al vaak aan het EHRM voorgelegd. Het volgende kan geconcludeerd worden: de levenslange straf als zodanig is niet in strijd met het artikel, tenzij het daarbij gaat om een ‘irreducable lifesentence’. De levenslange straf moet volgens het EHRM ‘de facto’ en ‘de iure’ reduceerbaar zijn.14 De iure betekent dat de wet moet voorzien in een mogelijkheid tot strafreductie en de facto wil zeggen dat in de praktijk ook daadwerkelijk strafverkorting plaatsvindt. In de zaak van 16 juni jl. heeft de verdediging aangevoerd dat zolang de wet niet voorziet in een periodieke rechterlijke toetsing van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf, het opleggen van de levenslange gevangenisstraf in strijd is met art. 3 EVRM. Daarop heeft de Hoge Raad geantwoord dat aan de jurisprudentie van het EHRM niet te ontlenen valt dat een voorziening ter verkorting van de levenslange gevangenisstraf dient te bestaan uit een wettelijk voorgeschreven periodieke herbeoordeling van de straf door een rechter. Het zou slechts een manier kunnen zijn om gestalte te geven aan de waarborg in de verdragsbepaling. Met de betrekking tot de iure reduceerbaarheid stelt de Hoge Raad het volgende vast: “Aan de veroordeelde kan, ook na oplegging van een levenslange gevangenisstraf, gratie worden verleend, terwijl deze voorts het oordeel van de burgerlijke rechter kan inroepen omtrent de rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van die straf.” De iure is er dus een mogelijkheid tot strafverkorting, maar verdediging voert aan dat de straf de facto niet reduceerbaar is, omdat in Nederland de levenslange gevangenisstraf nimmer wordt verkort. Daarop antwoordt de Hoge Raad met deze woorden: “Dat is een stelling van feitelijke aard die zich niet leent voor onderzoek door de Hoge Raad.” Verderop vervolgt hij: “Indien evenwel zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf in feite nimmer wordt verkort, kan dat van betekenis zijn bij de beantwoording van de vraag of oplegging van een levenslange gevangenisstraf dan wel verdere voortzetting van een dergelijke straf zich verdraagt met de uit art. 3 EVRM voortvloeiende eisen, zoals die door het EHRM in het arrest Kafaris vs. Cyprus nader zijn omlijnd.”15 In de vorige eeuw is vrijwel altijd gratie verleend, maar als we de minister moeten geloven zal dat in de toekomst niet meer gebeuren. Of de Nederlandse levenslange gevangenisstraf wel of niet in strijd is met art. 3 EVRM zal dus afhangen van hoe vaak in de toekomst gratie zal worden verleend.

Dan nu de inhoud van de brief. De minister schrijft dat hij voornemens is om een procedure in het leven te roepen, waarbij minimaal één keer in de vijf jaar aan een levenslanggestrafte de gelegenheid wordt geboden om onderzoek te laten doen gericht op diagnostiek en risicotaxatie. “Dit advies richt zich onder andere op de verdere tenuitvoerlegging van de straf. De levenslanggestrafte kan het psychologisch rapport tevens gebruiken voor het indienen van een gratieverzoek”, aldus de minister. Verder beschouwt hij de uitspraak van de Hoge Raad van 16 juni jl. als ondersteuning van het ingezette beleid. “Levenslang is in beginsel levenslang”, houdt Hirsch Ballin vol. Daarna haakt hij in op het feit dat in 2005 het maximum van de tijdelijke gevangenisstraf is verhoogd naar 30 jaar. Gevolg is dat het verschil met levenslang minder groot is geworden waardoor de rechter meer dan voorheen een weloverwogen keuze maakt voor levenslang. “De mogelijkheid van gratie biedt een veroordeelde een perspectief op vrijlating”, vervolgt de minister. Dit vanuit de wetenschap dat ook bij levenslanggestraften personen en omstandigheden in de loop der tijd kunnen veranderen. Hirsch Ballin meent dat het gevaar dat een levenslanggestrafte vormt voor de samenleving een wezenlijk punt van afweging is voor de beslissing om al dan niet gratie te verlenen. Gratie kan leiden tot het omzetten van levenslang in een tijdelijke gevangenisstraf, waarna alsnog voorwaardelijke invrijheidstelling kan plaatsvinden of het beëindigen van levenslang (eventueel onder voorwaarden). Op het voorstel van onder andere het forum en de RSJ om de levenslange gevangenisstraf periodiek te toetsen, antwoordt de minister dat er in zijn ogen voldoende toetsingsmogelijkheden zijn. Mede gelet op de uitspraak van de Hoge Raad ziet hij er geen noodzaak in om de levenslange gevangenisstraf tussentijds te toetsen, bijvoorbeeld na vijftien jaar. “Op basis van de individuele omstandigheden van de levenslanggestrafte wordt over het gratieverzoek van een levenslanggestrafte beslist. Hierbij spelen naast de vergeldingscomponent en de ernst van het delict ook andere aspecten, zoals de leeftijd van een levenslanggestrafte, medische- en psychiatrische toestand en het recidiverisico.” Volgens Hirsch Ballin doet herziening of voorwaardelijke invrijheidstelling op een vast moment geen recht doet aan het individuele geval van de levenslanggestrafte. De minister sluit de brief af met de volgende woorden: “Het is van belang dat elk gratieverzoek van een levenslanggestrafte per individueel geval wordt bekeken. Hiervoor kan dan ook geen standaard beleid worden voorgeschreven.”16

Conclusie

Tot het eind van de vorige eeuw was het beleid nog luid en duidelijk; levenslang is geen levenslang. Nadat de levenslanggestrafte zo’n 15 jaar had gezeten werd al gekeken naar de mogelijkheid om gratie te verlenen. Veroordeelden tot levenslang wisten waar ze aan toe waren, totdat minister Donner in 2004 riep dat de levenslange straf zou duren totdat de dood erop zou volgen. Dat onze huidige minister Hirsch Ballin dit pad zal volgen heeft hij duidelijk gemaakt in een brief die hij op 16 oktober jl. gestuurd heeft aan de Tweede Kamer. In die brief benadrukt hij dat levenslang in beginsel levenslang is, maar dat een levenslanggestrafte de mogelijkheid heeft een gratieverzoek in te dienen. Een periodieke herbeoordeling ziet hij niet zitten, maar hij is wel voornemens om een procedure in het leven te roepen, waarbij minimaal één keer in de vijf jaar aan een levenslanggestrafte de gelegenheid wordt geboden om onderzoek te laten doen gericht op diagnostiek en risicotaxatie. De inhoud van de brief is door kranten op verschillende manieren geïnterpreteerd, maar mijn conclusie is dat de minister zo veel mogelijk levenslanggestraften achter slot en grendel wil houden. Hij kan echter niet om de rechtspraak van het EHRM heen, waarin bepaald is dat een strafverkorting van de levenslange gevangenisstraf niet alleen mogelijk moet zijn gemaakt in de wet, maar in de praktijk ook toegepast moet worden. In de toekomst zullen er dus een aantal levenslanggestraften in vrijheid gesteld moeten worden. Daarnaast zal hij waarschijnlijk de hete adem van de RSJ en het forum in zijn nek blijven voelen. Het beleid dat de minister wil voeren is duidelijk, maar de praktijk zal ons moeten leren of levenslanggestraften vanaf nu ook daadwerkelijk vast zullen zitten totdat de dood erop volgt.

Graag wil ik mw. mr. W.F. van Hattum bedanken voor het verschaffen van de informatie op basis waarvan ik dit artikel heb kunnen schrijven.

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.