Jaargang 41 - Nummer 1,  2007 - 2008

De Nederlandse rechtsstaat; een kwestie van vertrouwen

Recent onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (hierna: SCP) heeft uigewezen dat 61 procent van de Nederlandse bevolking van vijftien jaar en ouder vertrouwen heeft in justitie en het nationale rechtssysteem. Hiermee staat Nederland op de vierde plek van alle EU-lidstaten. Wanneer bij verkiezingen iemand 61 procent van de stemmen behaalt, dan heeft diegene de verkiezingen glansrijk gewonnen; wordt bij een tentamen door 61 procent van de studenten een voldoende gehaald, dan wordt geconcludeerd dat het tentamen goed is gemaakt. Dat 61 procent van de bevolking vertrouwen heeft in het rechssysteem is mooi. Het spreekt mijns inziens echter vanzelf dat de rechtsstaat niet op haar lauweren mag gaan rusten, maar moet proberen het percentage te verhogen (immers: het hoogste plekje op het podium is veel mooier dan de vierde plek). Er zijn in Nederland mensen die stellen dat er de afgelopen jaren sprake is van een sterke daling in het vertrouwen in het hele systeem en dat deze daling door invoering van lekenrechtspraak is om te buigen in een stijging. De lekenrechtspraak bestaat hieruit, dat een aantal lekenrechters mee zal ‘raadkameren’ met de echte rechters.
Dit roept een aantal vragen op. Zo is er de vraag, of er daadwerkelijk sprake is van een daling van vertrouwen in de afgelopen jaren, en zo ja, waar daling dan aan ligt. Bovendien kun men zich afvragen of lekenrechtspraak, zoals gesteld, het vertrouwen in de rechtspraak zal verhogen. In dit artikel zal ik proberen op deze vragen af te geven.
Het simpele antwoord op deze vraag luidt: nee. In het SCP-rapport valt volgende het volgende te lezen: “Er valt in het verlengde van ons eerdere rapport (Dekker et al. 2004) goed vol te houden dat de afgelopen jaren geen substantiële daling is opgetreden in het vertrouwen in het rechtssysteem.” En ook: “Opvallend is ook dat er geen aanwijzing is voor een effect van de ophef rond de Schiedammer Parkmoordzaak in 2005.” Overigens had in de herfst van 2005, ten tijde van de Parkmoordhype dus, óók 61 procent van de bevolking vertrouwen in het Nederlandse rechtssysteem. Dit is naar mijn mening op zijn minst opvallend te noemen.
Er is blijkbaar dus helemaal geen daling van vertrouwen in de rechtsstaat en zeker niet na de Parkmoordzaak, hoewel dit door velen (Joost Eerdmans bijvoorbeeld) wel wordt gesteld. Uit het rapport blijkt, middels allerlei statistieken en grafieken, dat er geen sprake is van een trendmatige daling van vertrouwen, maar eerder een fluctuering daarvan, zoals de aandelen koersen ook stijgen en dalen. Gemeten over de periode van 1997 (toen 55 procent) tot 2006 (61 procent) schommelt het vertrouwen zo rond de 60 procent. Inderdaad daalde het vertrouwen in september 2005 – de berichtgeving rond de Parkmoord was toen op haar hoogtepunt en ook de problematiek met ontsnapte TBS’ers was ‘hot news’. Het vertrouwen was echter enige maanden later alweer op vrijwel hetzelfde niveau als vóór de Parkmoord.
Hieruit valt naar mijn mening én die van de SCP onderzoekers op te maken dat schandalen (of, in de woorden van Eerdmans, blunders) het vertrouwen in het justitiële apparaat niet langdurig, doch slechts tijdelijk, schade toebrengen.
Het Sociaal Cultureel Planbureau concludeert naar aanleiding van haar onderzoek, dat vertrouwen in de rechtstaat vooral is gerelateerd aan het vertrouwen in de samenleving op zich, en dan met name het vertrouwen in het politieke apparaat.
Zoals gezegd had 61 procent van het Nederlandse volk in 2006 vertrouwen in het Nederlandse rechtssysteem/justitie. De Verenigde Naties konden rekenen op 59 procent; de Tweede Kamer op 54 procent; de regering kon rekenen op 49 procent vertrouwen, terwijl de politieke partijen het moesten doen met slechts 38 procent van het volk dat op hen vertrouwt.
De rechtsprekende macht doet het dus van de klassieke Trias het beste en hoeft van als het gaat om maatschappelijke instituten slechts de politie (72 procent) en het leger (75 procent) voor zich te dulden.
Er is dus geen sprake van een dalend vertrouwen in het Nederlandse rechtsstelsel. Dat veel politici dit desondanks beweren, lijkt meer op een manier om ‘zieltjes’ te winnen (het is namelijk heel lekker en makkelijk om met het vingertje te wijzen en tegen het gezag te schoppen) en het wantrouwen in hun eigen functioneren te verbloemen.
Zoals ik in mijn inleiding al aangaf, moet het juridische systeem er alles aan doen het vertrouwen in het functioneren te vergroten. De vraag is, of rechtspraak met leken daarvoor het goede middel is.
De invoering van lekenrechtspraak lijkt mij geen goed idee. Minister Hirsch Balin vindt dat de invoering van lekenrechtspraak een breuk zou betekenen met de Nederlandse rechttraditie. Joost Eerdmans schrijft in dagblad Trouw van veertien augustus dat juist dát hem zorgen baart, omdat, volgens Eerdmans, ‘die traditie gekenmerkt wordt door enorme geslotenheid, zelfgenoegzaamheid en wantrouwen ten opzichte van het oordeel van burgers over de rechtspraak.’ Het tegendeel van het wantrouwen is in het bovenstaande al aan de orde gekomen. Of de Nederlandse rechtspraak zelfgenoegzaam is, is meer een kwestie van smaak dan een op feiten waardeerbaar iets. Bovendien is juist de Nederlandse rechtspraak enorm open. Arresten van de Hoge Raad worden gelijk gepubliceerd, alle rechtszaken van Rechtbank en Hof zijn vrijwel direct op internet te vinden en ook zien we vaak genoeg persberichten van Justitie. De invoering van lekenrechtspraak, zal die rechtspraak niet minder open maken.
Een ander argument is dat door de bemoeienis van leken met het vonnis, dat vonnis beter te begrijpen zal zijn door het volk. Ook hier durf ik mijn vraagtekens bij te zetten.
Het vak van rechter blijft, hoe je het ook wendt of keert, ook een vak van nuances. Lekenrechters zullen in hun vonnis niet beter, maar slechter, kunnen motiveren waarom een verdachte vrijgesproken wordt van moord, maar veroordeeld wordt voor doodslag, simpelweg omdat de scheidslijn tussen wel of niet met voorbedachten rade iemand opzettelijk van het leven beroven heel moeilijk is om uit te leggen.
Ik vermoed bovendien dat de professionele rechter, vanwege zijn opleiding, te gemakkelijk in staat is de leken te overtuigen van zijn gelijk, terwijl bij het raadkameren met louter professionele rechters er een evenwichtigere discussie zal zijn.
Vaak wordt ook als argument genoemd het feit dat Nederland het enige Westerse land met louter professionele rechtspraak is, en dat wij daarom mondiaal een buitenbeentje zijn. Om deze reden die louter professionele rechtspraak af te schaffen is onzin. Nederland is ook het enige land met een Euromast, maar die schaffen we daarom ook niet af, zoals advocaat Peter Plasman reageerde op Eerdmans’ voorstel.
Nee, juist omdat Nederland het enige Westerse land zonder vorm van lekenrechtspraak is, moet de professionele rechtspraak worden behouden. Met die louter professionele rechtspraak scoren wij in Europees verband een vierde plek. Dat betekent dat wij vele landen, waar wel lekenrechtspraak is, achter ons laten. Dat roept bij mij de vraag op, of lekenrechtspraak wel zo effectief is. Je zou namelijk zeggen dat Nederland qua waardering juist onder alle landen met lekenrechtspraak zou moeten eindigen. Het feit dat dat niet het geval is, lijkt mij er op duiden dat het prima is om van lekenrechtspraak verstoken te blijven.
Bovendien blijkt uit het CPB-rapport dat de waardering van het rechtssysteem ernstig samenhangt met de waardering van andere instituties in ons land. De afgelopen jaren zijn tamelijk woelig geweest, om het voorzichtig uit te drukken. Er was een terroristische aanslag, naar aanleiding waarvan de stabiliteit in het Midden-Oosten ernstige deuken heeft opgelopen. Nederland heeft te kampen gehad met twee politieke moorden in zeer korte tijd en Paars 1 is het enige kabinet in de laatste jaren dat de termijn heeft uitgediend. Woelige tijden, kortom, die verklaren waarom het rechtssysteem minder gewaardeerd wordt dan voorheen.
Bij deze weerleggingen wil ik het laten, alhoewel er nog tal van argumenten tegen invoering van lekenrechtspraak te noemen zijn (zoals bijvoorbeeld de extra druk op de algemene middelen die het met zich mee zal brengen.)
Alles kan, dus ook het vertrouwen in de rechtspraak kan worden verbeterd. De vraag is dan natuurlijk wel hoe dat moet.
Als eerste lijkt mij dat de ingeslagen weg door de rechterlijke macht moet worden blijven gevolgd. Open dagen van de rechtbank, waar hele rechtszaken (juridische, civiele en bestuursrechtelijke) worden nagespeeld en waar officieren, rechters én advocaten rondlopen om allerlei vragen zo goed en uitgebreid mogelijk te beantwoorden. Ook de open dagen van de politie zijn druk bezocht. Door beide soorten open dagen wordt er een kijkje in de keuken gegund en laat men zien wat er daadwerkelijk gebeurt.
Die open dagen zijn in feite niet veel meer dan een ‘goednieuws-show’, waarbij serieuze zaken op zij worden geschoven voor actie. Daarom ook is het goed dat het Openbaar Ministerie vaker met perscommuniqués naar buiten komt, waarin uitgelegd waarom men bepaalde lijnen volgt. Om dezelfde reden is het goed dat er met meer persrechters en -officieren gewerkt wordt, die in het journaal, in gewone mensentaal, kunnen uitleggen waarom gebeurt wat gebeurd is.
Ook de, sinds de Parkmoord, ingeslagen weg van zelfreflectie moet worden blijven behandeld. Bij het Openbaar Ministerie wordt steeds meer gebruik gemaakt van iemand, die naast de Officier of A-G het onderzoek begeleidt en dus met meer afstand kan kijken naar wat er gebeurt. Niet zelden stelt deze persoon zich als een soort advocaat van de duivel op, om maar te zorgen dat het onderzoek zo scherp mogelijk verloopt.
Echter, ik denk dat met name de media heel erg bij kunnen dragen aan het vergroten van het vertrouwen.
Vele juridisch getinte begrippen zijn geschreven door mensen die géén verstand hebben van de wereld van het recht. Vonnis, uitspraak en arrest worden vaak genoeg gebruikt voor het zelfde ‘ding’. Niet elke journalist snapt dat als iemand terechtstaat op verdenking van een strafbaar feit, diegene een verdachte is – en dus géén dader. Laatst stond, naar aanleiding van de invrijheidstelling van Mink K., in de krant dat laatstgenoemde van het Openbaar Ministerie een schadevergoeding van 50.000 euro zou ontvangen. Zulke berichtgeving schept ten eerste een beeld dat er van alles achter de schermen zou gebeuren, maar wat erger is, is dat er een verwachting wordt gewekt die helemaal niet waar gemaakt kan worden. Een journalist moet objectief berichten, dus vermelden dat het OM, waarschijnlijk, in hoger beroep zal gaan, én, dat als er al sprake zou zijn van een schadevergoeding, dit op initiatief van Mink K. via een civiele procedure zal verlopen.
Vaak wordt bij een artikel in een krant of een weekblad, of bij item in een actualiteitenrubriek op televisie vermeld dat het Openbaar Ministerie niet bereikbaar was voor commentaar. Het spreekt voor zich dat zo het beeld wordt opgeroepen als zou het Openbaar Ministerie (en daarmee, generaliserend, het hele rechtssysteem) een gesloten groep van elkaar beschermende magistraten zou zijn. Dat het Openbaar Ministerie niet bereikbaar is voor commentaar heeft niets te maken met bescherming van de magistraten. Een krant, tijdschrift of televisieprogramma gaat naar de betreffende instantie toe, maar stelt daarbij een deadline om te reageren. Dit in verband met het ter perse gaan, of de voorbereiding van het programma. Naar aanleiding van de Schiedammer Parkmoord is er ténminste in vier gevallen zeer kort voor de uitzending of het ter perse gaan contact gezocht met het Openbaar Ministerie, terwijl de betreffende journalistieke instantie veel meer tijd in het artikel heeft kunnen stoppen. Van een faire ‘hoor en wederhoor’ lijkt mij in dit soort gevallen dus absoluut geen sprake.
Wat ik met dit artikel hoop te hebben bereikt, is aan te geven dat er géén daling is van vertrouwen in de rechtsstaat. Het percentage van nu, 61 procent, is ongeveer het gemiddelde van de laatste jaren.
De roep om invoering van lekenrechtspraak, om het vertrouwen te vergroten, is niet meer dan een roep om aandacht en een lege huls. De rechtspraak wordt er niet meer open door, de vonnissen zullen niet begrijpelijker worden. Nederland is het enige Westerse land met geen enkele vorm van lekenrechtspraak, maar dit is geen reden om dat niet zo te houden. Zonder lekenrechtspraak, staan wij Europees gezien op de vierde plek.
Meer vertrouwen in de rechtspraak zal ontstaan als het systeem open blijft. Open dagen kunnen hieraan bijdragen. Ook onderzoeken naar het eigen functioneren van de instituten zal helpen het vertrouwen te vergroten en de roep om betere begeleiding tijdens het onderzoek in strafzaken heeft geleid tot de nodige maatregelen.
Een grote rol in de mate van vertrouwen, wordt door de journalistiek ingevoerd. Journalisten moeten op een juridisch juiste manier over rechtszaken verslag doen. Ook zal het journalistieke adagium van hoor en wederhoor beter moeten worden toegepast.
Zoals altijd is er hoop, dus ook in dit geval. Nederland heeft in de loop der jaren de Noormannen overleefd, de Spanjaarden hebben we naar huis gestuurd en ook de Fransen zijn hier nog even op bezoek geweest. Ook deze woelige tijd, kortom, zal Nederland en haar rechtssysteem overleven.

Leave a Reply

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.