Jaargang 41 - Nummer 4,  2007 - 2008

De werknemer in het verkeer; aansprakelijkheid van de werkgever

De rechtsontwikkeling met betrekking tot de aansprakelijkheid van de werkgever bij een ongeval van de werknemer heeft de laatste jaren een ontwikkeling doorgemaakt. Een aanzienlijk deel van die ongevallen vindt plaats in het verkeer terwijl de werknemer gebruik maakt van een vervoermiddel dat hem door de werkgever ter beschikking is gesteld. Ook komt het vaak voor dat een werknemer voor de uitoefening van zijn arbeidsovereenkomst gebruik maakt van zijn eigen auto, fiets of ander vervoermiddel. Stel nu dat de werknemer bij een verkeersongeval raakt betrokken. De vraag is wat in zo’n geval de rechten en plichten zijn van de werkgever en wat die van de werknemer zijn. In dit artikel wordt nader bekeken wie aansprakelijk is voor de(materiele en immateriële) schade in geval van een verkeersongeval van de werknemer. Hierbij zal met name de betekenis van art. 7:658 en 7:611 BW worden behandeld.

Art. 7:658 BW
De Nederlandse wetgever legt de werkgever de verplichting op om te zorgen voor de veiligheid van zijn of haar werknemers. Ingeval de verkeersschade in de uitvoering van de werkzaamheden voor de werknemer zelf is ontstaan, geldt de aansprakelijkheidsnorm van art. 7:658 BW. Het tweede lid van dit artikel bevat de hoofdregel dat de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever kan aantonen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan of het ongeval te wijten is aan opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Uit de rechtspraak blijkt dat opzet en bewuste roekeloosheid van de werknemer niet snel worden aangenomen.  In de visie van de Hoge Raad is het ervaringsfeit van belang dat in de dagelijkse werksituatie niet altijd alle voorzichtigheid in acht wordt genomen. De werkgever heeft derhalve te kampen met een zware bewijslast.
In het arrest Van Uitert/Jalas  overweegt de Hoge Raad dat de schade van de werknemer in de uitvoering van de werkzaamheden dient te zijn opgelopen, ruim dient te worden uitgelegd. De laatste jaren wordt vaker een beroep gedaan op art. 7:658 BW om zo de schade die men heeft opgelopen af te wentelen op de werkgever. De Hoge Raad heeft in een groot aantal arresten de inhoud van dit wetsartikel uiteengezet en verfijnd.

De zorgplicht
Art. 7:658 BW legt de werkgever een zeer vergaande zorgplicht op. De werkgever moet alles doen wat ‘redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer schade lijdt’. De werkgever moet verwijtbaar tekort zijn geschoten in het treffen van veiligheidsmaatregelen om aansprakelijk te zijn. De zorgplicht van de werkgever heeft ook betrekking op de werknemer die in verband met zijn werkzaamheden buiten de werkplek schade lijdt. De zorgplicht houdt allereerst in dat de werkgever de wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de veiligheid van de werknemer nauwgezet nakomt. Wat van de werkgever kan worden verwacht hangt af van de omstandigheden van het geval. In een chemisch productiebedrijf zullen uiteraard andere veiligheidsmaatregelen moeten worden genomen dan in een boekwinkel. De zorgplicht van de werkgever wordt erg ruim uitgelegd, zie daarvoor het volgende arrest.

Een voorbeeld van aansprakelijkheid van de werkgever voor een verkeersongeval veroorzaakt door de werknemer, is gegeven in een arrest van 2001 . Een postbode zette zijn dienstauto in de berm van een buitenweg en stapte uit om de achterdeur te openen. Een envelop waaide uit de laadruimte de weg op. In een impuls rende hij de envelop achterna en werd daardoor aangereden door een tegemoetkomende auto. De postbode loopt ernstig hersenletsel op en raakt voor 50 procent arbeidsongeschikt. De postbode stelt zijn werkgever, PTT Post, aansprakelijk en vordert schadevergoeding. Volgens de Hoge Raad had PTT Post maatregelen moeten nemen tegen wegwaaien, zodat de kans op impulsieve gedragingen wordt verkleind. PTT Post wordt hier aansprakelijk gesteld voor de schade.

De ruime uitleg van de zorgplicht wordt in het arrest van 16 mei 2003  enigzins een halt toegeroepen. Een ervaren dakdekker komt ten val omdat hij in een gat van het dak valt, waar een lichtkoepel geplaatst moest worden. Over het gat was isolatiemateriaal gelegd, zodat het gat niet zichtbaar was. De dakdekker wist echter niet dat de lichtkoepel geplaatst zou worden. De dakdekker sprak zijn werkgever aan voor de door hem geleden schade primair op grond van art. 7:658 BW en subsidiair op grond van art. 7:611 BW. De Hoge Raad wijst echter de vordering van de dakdekker af. Mede omdat hier sprake was van een eenvoudige klus en hij een ervaren dakdekker was in bezit van diverse veiligheidsdiploma’s.

De Hoge Raad hanteert een ruimte uitleg voor het begrip ‘in de uitoefening van de werkzaamheden’. Ook ongevallen die plaatsvinden bij cursussen, personeelsuitjes of ‘teambuilding op de hei’ kunnen leiden tot aansprakelijkheid op grond van art. 7:658 BW.

Woon- werkverkeer
Al in 1992 was de Hoge Raad van mening dat een werkgever de schade moest vergoeden aan de eigen auto van zijn werknemer, toen deze na werktijd een pakket moest bezorgen bij een klant.  Tijdens deze rit veroorzaakte de werknemer een ongeluk. De auto was total loss. Er was geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid. De Hoge Raad was van mening dat de schade op grond van redelijkheid en billijkheid voor rekening van de werkgever diende te komen en dus niet op grond van art. 7:658 BW. Het gaat hier dus om een bijzondere en vergaande vorm van aansprakelijkheid.

In principe valt woon- werkverkeer niet onder de reikwijdte van art. 7:658 BW. Zo kon een vrouw haar werkgever niet aansprakelijk stellen voor de geleden schade die zij opliep terwijl ze lopend op weg naar haar werk was en uitgleed op het besneeuwde fietspad.  Woon- werkverkeer valt volgens de Hoge Raad in principe niet onder ‘verrichtingen in dienstverband’. De Hoge Raad benadrukt nog dat de werkgever alleen aansprakelijk is als de werknemer daadwerkelijk werkzaamheden uitoefent op de openbare weg, te denken valt hierbij aan een taxichauffeur, een vuilnisman of een vertegenwoordiger op weg naar een klant.

Art. 7:661 BW
In het voorgaande is de situatie besproken waarin de werknemer zelf verkeersongevalschade lijdt. Nu kijken we naar de situatie waarin de werknemer aan de werkgever of aan een derde door een verkeersfout schade toebrengt. In veel gevallen zal een verkeersongeval van een werknemer niet vallen onder de reikwijdte van art. 7:658 BW. De betekenis van deze bepaling is beperkt, aangezien in veel gevallen de werkgever met succes het verweer zal kunnen voeren dat hij niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht of dat er sprake is van woon- werkverkeer, zodat het geval buiten de reikwijdte van art. 7:658 BW valt. Voor de werknemer staat dan nog wel een beroep open op grond van art. 7:661 BW (en art. 6:248 BW).

Hoofdregel van art. 7:661 BW is dat de werknemer in beginsel niet aansprakelijk is voor de schade die hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden aan de werkgever of aan een derde toebrengt, tenzij de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Hieruit vloeit voort dat indien een werknemer tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst een motorrijtuig bestuurt, dat betrokken raakt bij een verkeersongeval en schade veroorzaakt aan de werkgever dan wel aan een derde, hij in beginsel niet aansprakelijk is behoudens zijn opzet of bewuste roekeloosheid . Dit sluit aan bij hetgeen hierover in art. 7:658 BW is bepaald.

Art. 7:611 BW
In het arrest Vonk/Van der Hoeven was de grondslag voor de vordering van de werknemer art. 7:658 BW. In dit arrest kwam aan de orde de vraag of een werknemer van zijn werkgever vergoeding kan vorderen voor de letselschade die hij heeft geleden doordat hij als bestuurder van een auto een ongeval heeft veroorzaakt. De rechtbank te Zutphen oordeelt dat de werkgever schadeplichtig is jegens de werknemer. Onder meer omdat het ongeval heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van zijn werkzaamheden, de werknemer verplicht als chauffeur moest rijden en de werknemer niet opzettelijk of bewust roekeloos
handelde. De Hoge Raad liet het vonnis van de rechtbank in stand.
Het arrest Vonk/Van der Hoeven  is gewezen in lijn met het arrest Bruinsma/Schuitmaker .
In dit laatstgenoemde arrest ging het om vergoeding van zaaksschade. De werkgever was gehouden de zaaksschade die de werknemer tijdens een ongeval had opgelopen te vergoeden.
In uitspraken die voortborduren op het arrest Vonk/ Van der Hoeven, wordt benadrukt dat het verzekeringsaspect een belangrijke rol speelt bij de aansprakelijkheid.

Met dit arrest wordt bevestigd dat een werkgever ook aansprakelijk kan zijn als niet aan de eisen van 7:658 BW is voldaan. Redelijkheid en billijkheid en art. 7:611 BW (goed werkgeverschap) kunnen meebrengen dat ook aansprakelijkheid kan worden aangenomen als de werkgever geen zorgplicht heeft geschonden. Een voorbeeld hiervan is de uitspraak Oudenallen Betonbouw BV.  In dit arrest gaat het om de firma Oudenallen wiens werknemer, een betontimmerman, iedere dag zijn eigen auto van zijn woonplaats Oosterhout naar een project te Deventer rijdt en terug. Hij vervoert telkens enkele collega’s. In 1998 veroorzaakt hij door zijn eigen schuld een ongeluk. Hijzelf en enkele collega’s raken ernstig gewond. De collega’s zijn verzekerd, maar de timmerman heeft geen verhaal op de verzekering. De Hoge Raad oordeelde hier dat een geval als onderhavige niet valt onder de zorgplicht van de werkgever en dat deze dus niet aansprakelijk is voor het ongeluk. Echter, het ontbreken van aansprakelijk op grond van art. 7:658 BW betekent nog niet dat een werkgever onder omstandigheden niet op een andere grond jegens werknemer aansprakelijk kan zijn, zo stelt de Hoge Raad. De werkgever is in dit geval wel aansprakelijk op grond van art. 6:248 BW, de redelijkheid en billijkheid. De Hoge Raad overwoog hierbij dat de werknemer gezien de grote afstand gewezen is met zijn eigen auto het vervoer te verzorgen voor hemzelf en een aantal collega’s en dat hij daarvoor ook reisurenvergoeding, een autokostenvergoeding en meerijderstoeslag ontving. De Hoge Raad oordeelde dat dit moest worden gekwalificeerd als vervoer krachtens de verplichting uit de arbeidsovereenkomst en in het kader van de uit te voeren werkzaamheden. Door deze omstandigheden acht de Hoge Raad de werkgever toch aansprakelijk en wel op grond van de aard van de arbeidsovereenkomst en de redelijkheid en billijkheid.

Conclusie
De grondslag voor de vordering tot vergoeding van de schade die de werknemer in de uitvoering van zijn werkzaamheden in het verkeer oploopt, verschilt al naar gelang de situatie.
Indien de werknemer bij de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden (bijv. bij een verkeersongeval), dan is bijna per definitie de werkgever verplicht die schade te vergoeden. Hoewel naar de letter van de wet de werkgever alleen aansprakelijk is indien hij zijn zorgplicht heeft geschonden wordt dit laatste in de praktijk bijna per definitie (achteraf) aangenomen indien zich een ongeval heeft voorgedaan. Het arrest PTT Post/Baas is daarvan een voorbeeld.

Naast de aansprakelijkheid van de werkgever ex art. 7:658 BW heeft zich in de rechtspraak een aansprakelijkheid van de werkgever ontwikkeld voor ongevallen en schade die niet in direct verband staan met de uitoefening van de werkzaamheden, dit op grond van de redelijkheid en billijkheid en het goed werkgeverschap. Uit het arrest Oudenallen Betonbouw BV blijkt dat ook als de werkgever niet op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk kan worden gesteld, hij onder omstandigheden wel aansprakelijk kan zijn op grond van art. 7:611 (goed werkgeverschap).

Leave a Reply

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.