Draagmoederschap in Nederland

Door: Jaryl Kanhai

  1. Inleiding

Op het gebied van gezinsvorming en voortplanting is steeds meer mogelijk dankzij technologische en maatschappelijke ontwikkelingen. De gezinsverbanden worden steeds minder traditioneel. Gezinnen bestaan niet alleen meer uit heteroseksuele paren, maar ook lesbische en homoseksuele paren. Ook kiest een man of vrouw er soms bewust voor om een alleenstaande ouder te worden. Met het oog op deze ontwikkeling heeft de ministerraad in april 2014, op voorstel van de toenmalig staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, besloten de Staatscommissie Herijking ouderschap in te stellen. Het doel hiervan was om vraagstukken als afstamming, draagmoederschap, meerouderschap en meeroudergezag te onderzoeken.[1] Vanwege de complexiteit van de materie is de adviesdatum van 1 mei 2016 niet gehaald en is besloten tot verlenging van het mandaat tot 31 december 2016.[2] Uiteindelijk heeft de Staatscommissie op 7 december 2016 haar rapport uitgebracht.[3] In dit artikel ga ik specifiek in op het door de Staatscommissie onderzochte verschijnsel draagmoederschap. In paragraaf 2 bespreek ik wat draagmoederschap is. Vervolgens komt in paragraaf 3 het afstammingsrecht aan bod. Daarna worden in paragraaf 4 de civielrechtelijke aspecten en in paragraaf 5 de strafrechtelijke aspecten van draagmoederschap besproken. Met enkele slotopmerkingen wordt dit artikel afgesloten.

2. Het fenomeen draagmoederschap

Van draagmoederschap is sprake wanneer een vrouw die, eventueel op kunstmatige wijze zwanger wordt, het doel heeft het eenmaal geboren kind af te staan aan anderen en die hierover vóór de zwangerschap afspraken maakt.[4] Met andere woorden: de draagmoeder draagt en baart het kind voor (een) derde(n) en heeft zich daartoe tegenover die derde(n) verplicht.[5] De wettelijke definitie van het begrip draagmoeder in het strafrecht luidt als volgt: De vrouw die zwanger is geworden met het voornemen een kind te baren ten behoeve van een ander die het ouderlijk gezag over dat kind wil verwerven, dan wel anderszins duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind op zich wil nemen.[6] Draagmoederschap komt in twee verschillende hoedanigheden voor. Er kan sprake zijn van hoogtechnologisch of laagtechnologisch draagmoederschap.

Bij hoogtechnologisch draagmoederschap komt eerst een buitenbaarmoederlijke bevruchting tot stand door gebruikmaking van IVF.[7] De eicel wordt verkregen door een ovariumpunctie na hormonale stimulatie van de wensmoeder. Vervolgens wordt de eicel bevrucht door het sperma van de wensvader. De geslachtscellen kunnen echter ook afkomstig zijn van derden. Het embryo dat hieruit ontstaat wordt geïmplanteerd in de baarmoeder van de draagmoeder. Het gaat hierbij dus om een plaatsing en niet om een terugplaatsing. Vaak wordt het embryo geplaatst bij een familielid of een vriendin. Het gevolg is dat het kind genetisch geheel, ten dele of niet verwant is aan de wensouders.[8]

De mogelijkheid van hoogtechnologisch draagmoederschap wordt in Nederland alleen gefaciliteerd door het VU Medisch Centrum in Amsterdam (hierna: VUmc). Er gelden strenge voorwaarden om in aanmerking te komen voor het behandeltraject. Voor de draagmoeder geldt dat zij al eerder zonder complicaties zwanger is geweest en heeft gebaard. Bij voorkeur heeft zij op het aanvangsmoment van het traject al een voltooid gezin. Een keizersnede wordt aangemerkt als een complicatie. De draagmoeder moet fysiek en mentaal gezond zijn en jonger dan 45 jaar.[9] Zij mag geen verhoogd risico lopen op complicaties. Tijdens de behandeling en zwangerschap moet zij zich houden aan een aantal gedragsregels, zoals bijvoorbeeld voorzichtigheid met alcohol, drugs en roken. De partner van de draagmoeder moet schriftelijk instemmen met het besluit om draagmoeder te zijn. De draagmoeder (en haar partner) dienen over de Nederlandse nationaliteit te beschikken en in Nederland woonachtig te zijn. De wensouders mogen geen justitiële documentatie hebben met feiten die adoptie in de weg staan. Zij moeten daartoe een verklaring omtrent goed gedrag overleggen. Zij dienen de Nederlandse nationaliteit te hebben, de Nederlandse taal machtig te zijn en woonachtig te zijn in Nederland.[10]

Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan kan de overeenkomst tussen de draagouder(s), wensouders en het VUmc worden gesloten. Deze overeenkomst moet inhoudelijk aan bepaalde eisen voldoen.[11] Hoogtechnologisch draagmoederschap wordt bij het VUmc alleen uitgevoerd wanneer beide wensouders genetisch verwant zijn aan het kind. Dat betekent dat per definitie een homoseksueel of lesbisch koppel niet in aanmerking komt voor de procedure bij het VUmc.[12]

In het geval van laagtechnologisch draagmoederschap wordt de draagmoeder geïnsemineerd met het sperma van de wensvader of de donor. De draagmoeder verschaft de eicel, zodat de procedure zonder IVF kan worden bewerkstelligd. Zelfs tussenkomst van een arts is niet nodig. Het kind heeft bij deze methode in ieder geval altijd voor 50% de genen van de draagmoeder. De wensvader is alleen genetisch verwant als hij en niet een donor het sperma heeft geleverd.[13]

 

Beide vormen van draagmoederschap kunnen twee verschillende karakters hebben. Ten eerste kan sprake zijn van commercieel draagmoederschap. Als tegenprestatie voor het dragen en baren van het kind wordt een beloning verstrekt door de wensouder(s) aan de draagmoeder. Ten tweede kan de situatie van altruïstisch (idealistisch) draagmoederschap bestaan, waarbij de draagmoeder wel een onkostenvergoeding krijgt, maar geen ‘winst’ maakt op het dragen en baren van het kind.[14]

 

Draagmoederschap biedt een uitkomst voor twee mannen die een kind willen of voor één man. Ook voor een alleenstaande vrouw kan het een oplossing zijn. Een heteroseksueel paar is aangewezen op draagmoederschap indien bijvoorbeeld de vrouw onvruchtbaar, haar baarmoeder verwijderd, beschadigd of misvormd is. Wanneer een zwangerschap voor een vrouw een ernstig gevaar voor de gezondheid oplevert, is draagmoederschap verder een mogelijkheid. Gedacht moet dan worden aan een complicatie bij een eerdere zwangerschap of de kans op een hersenbloeding door de bevalling. Gevaar voor het kind kan door draagmoederschap tevens vermeden worden. Zo kan bijvoorbeeld voorkomen worden dat het kind in aanraking komt met een ernstig erfelijk overdraagbare ziekte die de wensmoeder draagt.[15]

 

  1. Afstammingsrecht: van draagouder(s) naar wensouder(s)

Moeder van het kind is de vrouw uit wie het kind is geboren (art. 1:198 lid 1 onderdeel a BW). Dit is ook het geval wanneer het genetisch materiaal niet van de moeder afkomstig is. Een draagmoeder is daarom automatisch (juridisch) moeder van het kind.[16] Het uitgangspunt van de wetgever is ‘mater semper certa est’. Met andere woorden: het moederschap is zeker. In tegenstelling tot het vaderschap berust het moederschap niet op een rechtsvermoeden, maar is het een rechtsfeit. De geboortemoeder heeft een vooraanstaande positie. Zij heeft de meeste juridische invloed op de rechtspositie van het kind en de andere ouder.[17] Zo kan de moeder bijvoorbeeld een verzoek indienen tot de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap.[18] Ook is voor een erkenning voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder noodzakelijk.[19] Het ging staatssecretaris van Justitie E.M.A. Schmitz te ver om dit uitgangspunt te verlaten en te vervangen door een rechtsvermoeden van moederschap. Dat er tegenwoordig technische mogelijkheden tot embryodonatie voorhanden zijn doet daar niet aan af. Voldoende grondslag voor deze opvatting vormen volgens de staatssecretaris het gegeven dat de vrouw op deze wijze een kind wilde krijgen, de zwangerschap en de geboorte.[20]

 

De man met wie de draagmoeder is getrouwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan is van rechtswege de juridische vader.[21] Indien de wensouders het juridisch ouderschap willen verkrijgen, moet het gezag van de draagmoeder en haar partner eerst worden beëindigd, zodat de wensouders het kind kunnen adopteren.[22]

Een verzoek tot beëindiging van het gezag kan worden ingediend bij de rechter door de Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie naar aanleiding van een verzoek door de draagmoeder en de wensvaders.[23] De betrokken draag- en wensouders hebben zelf dus geen bevoegdheid tot het indienen van een verzoek. In de praktijk leggen zij de situatie vaak informeel voor aan de Raad voor de Kinderbescherming. Ook komt het voor dat voorafgaand aan de geboorte van het kind de Raad al is ingelicht door de betrokken partijen. De rechter gaat na of voldaan is aan de wettelijke norm voor beëindiging van het gezag, zoals neergelegd in art. 1:266 BW. Beëindiging van het gezag is een maatregel van kinderbescherming. Deze is erop gericht om kinderen te beschermen tegen zeer onveilige opvoedsituaties.

Gelijktijdig met een verzoek tot beëindiging van het gezag kunnen de wensouders een verzoek doen om tot voogd benoemd te worden. De wensouders worden dan doorgaans samen tot voogden benoemd.[24] Vervolgens moet een verzoek tot adoptie worden ingediend, zodat familierechtelijke betrekkingen ontstaan tussen het kind, de wensouders en hun bloedverwanten. De familierechtelijke betrekkingen met de draagouders worden definitief doorgesneden.[25]

 

De situatie ligt eenvoudiger wanneer de draagmoeder ongehuwd is of gehuwd is met een vrouw. Zij is dan de enige juridische ouder van het kind en zij heeft het eenhoofdig gezag over het kind.[26]

 

Eén van de wensouders kan de ongeboren vrucht erkennen (prenatale erkenning). Dat kan dus ook de vader (of moeder) zijn die niet genetisch verwant is aan het kind. Deze manier is veel goedkoper, sneller en zekerder dan het traject bij een gehuwde draagmoeder. Wél is vereist dat de draagmoeder toestemming geeft voor de erkenning.[27] Daarna moet de wensouder die het kind heeft erkend een verzoek ter verkrijging van het eenhoofdig gezag indienen bij de rechter.[28] De rechter wijst het verzoek toe wanneer dit in het belang van het kind is. Wanneer de wensouder die het kind heeft erkend het eenhoofdig gezag heeft verkregen kan de andere wensouder het kind na één jaar van verzorging adopteren. Daarvoor is vereist dat de beide wensouders voorafgaand aan het verzoek drie jaren hebben samengeleefd.[29] De jurisprudentie wijst uit dat er ruimte is om van de termijn van één jaar af te wijken. Zo oordeelde de Rechtbank Noord-Nederland dat de verzorgingstermijn niet afgewacht hoefde te worden, omdat in de situatie van de wensouders gelijk zou zijn aan die van lesbische moeders, voor wie de eis van één jaar verzorging en opvoeding en de eis van drie jaar samenleving niet gelden.[30]

4. Civielrechtelijk: het draagmoederschapscontract

Draagmoederschap is civielrechtelijk niet specifiek geregeld. Er zijn geen speciale bepalingen te vinden in boek 1 BW (personen- en familierecht) en de boeken 3,6 en 7 BW (verbintenissenrecht). Daarom moet teruggegrepen worden op de algemene wettelijke regelingen.[31]

 

Een manier om een draagmoederschapsconstructie vorm te geven is door middel van een contract. In het contractenrecht geldt het beginsel van contractsvrijheid. Partijen mogen zelf bepalen met wie, wanneer en waarover zij een overeenkomst sluiten. Het beginsel is niet uitdrukkelijk terug te vinden in de wet, maar impliciet komt zij tot uitdrukking door de erkenning en regeling van de overeenkomst.[32]

De contractsvrijheid is niet ongelimiteerd. Zij vindt haar grenzen in het contractenrecht zelf en het strafrecht.[33] In het contractenrecht zijn de grenzen op een negatieve manier in de wet neergelegd. Art. 3:40 BW bepaalt dat contracten niet in strijd mogen zijn met de wet, openbare orde of de goede zeden.[34] Het voordeel van open normen is dat deze flexibiliteit leveren. Ze bieden de mogelijkheid om meteen te reageren op ontwikkelingen in de samenleving. Een overeenkomst die bijvoorbeeld 40 jaar geleden nietig was, kan tegenwoordig geldig zijn. Het moment van totstandkoming van de overeenkomst is daarom het uitgangspunt. Open normen hebben daarentegen als nadeel dat het geen vastomlijnde begrippen zijn, wat rechtsonzekerheid tot gevolg kan hebben.[35]

 

Er doen zich geen problemen voor als de overeenkomst vrijwillig wordt nagekomen en partijen aan hun verplichtingen voldoen. Dat betekent concreet dat het kind na de geboorte naar de wensouder(s) gaat, de adoptie wordt uitgesproken en voldaan wordt aan de overige contractsbepalingen. Wanneer de draagmoeder het kind niet wil afstaan of als de wensouders het kind niet willen aanvaarden is de vraag in hoeverre de verplichtingen uit het contract afdwingbaar zijn.[36]

Dat een draagmoederschapscontract in principe gesloten kan worden brengt niet mee dat het ook afdwingbaar is. Het is mogelijk dat sprake is van strijd met art. 3:40 BW. Juridisch ouderschap hangt samen met het afstammings- en adoptierecht, het gezagsrecht en het jeugdbeschermingsrecht. Deze wetgeving is van dwingend recht en staat niet ter vrije bepaling van de betrokkenen.[37] Strijd met dwingend recht leidt tot nietigheid van de rechtshandeling.[38] Echter wanneer de dwingende wetsbepaling alleen strekt tot bescherming van één der partijen heeft de afspraak slechts vernietigbaarheid tot gevolg.[39] Nietigheid volgt wanneer de bepaling het doel heeft het kind, dat geen partij is bij het contract, te beschermen.[40] De wensouders kunnen de draagmoeder niet dwingen om een abortus te ondergaan. Ook niet als sprake is van een onvolwaardige vrucht. Wanneer de wensouders extra kosten moeten maken in verband met een (geestelijke) handicap kunnen zij de draagmoeder niet aansprakelijk stellen. Zij hebben namelijk zelf de keuze gemaakt om het kind te aanvaarden.[41]

Indien de overeenkomst (gedeeltelijk) nietig is kan voor het niet-nietige deel geen nakoming worden gevorderd. Al hetgeen dat intussen uit kracht van de overeenkomst werd uitgevoerd of betaald is onverschuldigd. Er kan dan een vordering op grond van art. 6:203 BW worden ingesteld. De aard van de overeenkomst kan echter meebrengen dat terugbetaling van de waarde van de geleverde prestatie niet mogelijk is. Volgens art. 6:211 BW wordt ongedaanmaking niet voor mogelijk gehouden, indien dit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.[42] Het voorgaande is in de literatuur algemeen aanvaard, maar er bestaat discussie over hoe het draagmoederschapscontract uitgelegd moet worden.[43]

5. Strafbepalingen

Art. 151b Sr stelt (commercieel) draagmoederschap strafbaar. Dat in art. 151b lid 3 Sr een definitie van draagmoederschap is opgenomen betekent niet dat het altijd verboden is. Onze wetgever heeft in de bepaling genuanceerd aangegeven wanneer (commercieel) draagmoederschap strafbaar is. Het gaat om een verbod op beroeps- en bedrijfsmatige bemiddeling. Het is verboden om te adverteren voor bemiddeling en de bereidheid van draagmoeders om draagmoeder te worden of beschikbaar te zijn als draagmoeder. Echter het is niet illegaal om draagmoeder te zijn of zoals hiervoor is beschreven een draagmoederschapscontract te sluiten. Voorwaarde is dat geen winst wordt gemaakt bij draagmoederschap.[44] Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad kan echter ook als geen winstoogmerk aanwezig is sprake zijn van bedrijfsbemiddeling. De activiteiten moeten dan geregeld (niet incidenteel) en stelselmatig plaatsvinden.[45]

Er is volgens de Minister van Justitie voor dit type strafbaarstelling gekozen, omdat een geheel verbod van draagmoederschap en bemiddeling niet mogelijk is. Doorgaans zal niet kunnen worden aangetoond dat het voornemen om afstand te doen van het kind al vóór de zwangerschap bestond. Het verweer dat dit voornemen het gevolg is van een ongewenste zwangerschap zal vaak niet verworpen kunnen worden. Bovendien zou een totaal verbod zorgen voor een opsporingsonderzoek dat sterk in de persoonlijke levenssfeer van de betrokken vrouw ingrijpt. Deze bezwaren gelden ook voor commercieel draagmoederschap. Hier geldt wel als extra eis dat bewezen moet worden dat de vergoeding meer dan kostendekkend was. Gekozen is daarom om in de wet vast te leggen wat wel mogelijk is. Ten eerste het strafbaar stellen van de beroeps- en bedrijfsmatige bemiddeling bij draagmoederschap door een samenstel van strafbepalingen. Ten tweede een verbod stellen op het openbaar maken van het beschikbaar zijn van een draagmoeder of het openbaar maken van de vraag naar een draagmoeder.[46]

Het openbaar maken is nader uitgewerkt in art. 151b lid 2 onder a en b Sr. Het openbaar aanbieden van diensten, bestaande uit het teweegbrengen of bevorderen van zodanige onderhandelingen of afspraken (zoals geformuleerd in lid 1) is strafbaar gesteld in art. 151b lid 2 sub a Sr. Strafbaar is ook, ingevolge art. 151b lid 2 sub b Sr, het openbaar maken dat een vrouw zich profileert als draagmoeder en het openbaar maken dat een wensmoeder wordt gezocht. Openbaar maken ziet op het in het openbaar maken opdat een publiek van geïnteresseerden wordt bereikt. Deze betekenis wordt ook gebruikt in art. 3b lid 1 Opiumwet.[47] Met het oog op het doel van de bepaling is aannemelijk dat tegenwoordig websites en sociale media ook onder de verbodsbepalingen vallen.[48] De strafbaarstelling is niet beperkt voor commercieel draagmoederschap, maar geldt voor alle vormen van draagmoederschap. De beroeps- of bedrijfseis is hier verlaten. Tijdens de parlementaire behandeling zijn hier door diverse partijen kanttekeningen bij geplaatst. De Minister van Justitie gaf als antwoord dat moet worden voorkomen dat een klimaat ontstaat waarin het verschijnsel commercieel draagmoederschap zich kan ontwikkelen. Volgens de Minister moet aangenomen worden dat openbaarmakingen van het beschikbaar zijn van draagmoeders de vraag naar een verloop in die richting zouden aanmoedigen.[49]

 

De vraag rijst hoe deze wettelijk regeling zich verhoudt met de praktijk van het VUmc inzake hoogtechnologisch draagmoederschap. Strikt genomen valt een ziekenhuis, zoals het VUmc, onder art. 151b Sr. Echter de Nederlandse regering heeft als intentie gehad om het draagmoederschap zeer gelimiteerd te gedogen. Wanneer een arts hoogtechnologisch draagmoederschap wil toepassen, moet het desbetreffende ziekenhuis een vergunning hebben ex art. 2 Wet bijzondere medische verrichtingen. Het VUmc beschikt over een dergelijke vergunning. Dit betekent a contrario dat een arts die bijdraagt aan hoogtechnologisch draagmoederschap in een vergunningloos medisch instituut strafbaar is.[50]

 

De hiervoor besproken bewijsmoelijkheden met betrekking tot het voornemen van draagmoederschap liggen ten grondslag aan de invoering van art. 151c Sr. Degene die hulpverlening, bestaande uit bemiddeling levert tijdens de zwangerschap of na de bevalling aan de vrouw, die van plan is de verzorging en opvoeding van haar kind duurzaam aan een ander over te laten is strafbaar. Het gaat hier niet om de draagmoeder zoals beschreven in art. 151b lid 3 Sr. De wetgever heeft hier een andere situatie, de ongewenste zwangerschap, voor ogen gehad. In art. 151c lid 2 Sr wordt de Raad voor de Kinderbescherming of een door de Raad daartoe aangewezen rechtspersoon vrijgesteld van het verbod. Volgens de woorden ‘onverminderd het bepaalde in artikel 151b, eerste lid’ geldt echter geen vrijstelling voor het verbod van art. 151b Sr. De organisatie(s) mogen dus niet bemiddelen in het geval van draagmoederschap. Het artikel fungeert als vangnet van art. 151b Sr. Het kan namelijk zijn dat het opzet op draagmoederschap niet bewezen kan worden, omdat de verdachte bij de bemiddeling uitging van een ongewenste zwangerschap. Het Openbaar Ministerie kan dan altijd nog subsidiair art. 151c Sr ten laste leggen.[51]

 

  1. Slotopmerkingen

Gesteld kan worden dat het fenomeen draagmoederschap in Nederland wettelijk gezien nog in de kinderschoenen staat. Strafrechtelijk is er al een rechtskader, maar er ontbreekt (specifieke) privaatrechtelijke regelgeving. Het afstammingsrecht is niet toegesneden op het verschijnsel draagmoederschap. Wanneer de afstammingsregels worden toegepast ontstaan er knelpunten, waardoor omslachtige juridische trajecten door de wensouders gevolgd moeten worden om het juridisch ouderschap te verkrijgen. De draagmoeder heeft wel een erg sterke rechtspositie op grond van het rechtsbeginsel mater semper certa est, wat is uitgewerkt in art. 1:198 BW. Een draagmoederschapscontract kan gesloten worden, maar is niet afdwingbaar. Dit alles heeft tot gevolg dat er voor de betrokkenen bij een draagmoederschapstraject buitengewoon veel rechtsonzekerheid bestaat. Naar mijn mening heeft de ministerraad daarom goed gehandeld door een staatscommissie in te stellen om deze problematiek nader te onderzoeken. Ik ben erg benieuwd hoe onze wetgever in de toekomst zal anticiperen op het fenomeen draagmoederschap.

[1] Nieuwsbericht Staatscommissie Herijking ouderschap, Rijksoverheid 13 april 2015.

[2] Kamerbrief Minister G.A. van der Steur, ‘Verlenging mandaat staatscommissie herijking ouderschap’, Rijksoverheid 4 april 2016.

[3] Nieuwsbericht Staatscommissie Herijking ouderschap, Rijksoverheid 7 december 2016. De bespreking van alle onderzoeksresultaten van dit rapport gaat vanwege de omvang (643 pagina’s) te ver voor dit artikel, zie: Staatscommissie herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21e eeuw, Den Haag 2016.

[4] S.M. Dermout, De eerste logeerpartij, Hoogtechnologisch draagmoederschap in Nederland (diss. Groningen RuG), Groningen: RuG 2001, p. 163 (verder te noemen: Dermout 2011).

[5] Kamerstukken II 1990/91, 21 968, nr. 3, p. 1. (MvT); P. Vlaardingerbroek e.a., Het hedendaagse personen en familierecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 171; H.J.J. Leenen e.a., Handboek Gezondheidsrecht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2014, p. 340 (verder te noemen: Leenen e.a. 2014); A.M.L. Broekhuijsen Molenaar, Civielrechtelijke aspekten van kunstmatige inseminatie en draagmoederschap (diss. Leiden UL), Deventer: Kluwer 1991, p. 151.

[6] Art. 151b lid 3 Sr.

[7] Bij IVF (in-vitrofertilisatie) vindt een fusie van mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen buiten het lichaam van de vrouw in vitro (latijn: in glas) plaats. Zie Leenen e.a. 2014, p. 337; Gezondheidsraad, IVF: afrondende advisering, 1998.

[8] S.C.A. van Vlijmen en van der Tol, ‘Draagmoederschap in opkomst: specifieke wet- en regelgeving noodzakelijk?’, FJR 2012-6, p. 3; K. Boele-Woelki e.a., Draagmoederschap en illegale opneming van kinderen, WODC, UCERF, Utrecht 2011, p. 11 (verder te noemen: Boele-Woelki e.a. 2011); Dermout 2001, p. 163-164; Protocol ASAA 2013, p.15.

[9] Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Edith Schippers steunt het advies van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) om de leeftijdgrens te verhogen tot 50 jaar. Zie Kamerbrief 28 september 2016, Leeftijdsgrens IVF, kenmerk: 987381-152829b-PG

[10] VUmc, brochure inzake draagmoederschap, november 2015, te vinden op: https://www.vumc.nl/afdelingen/patientenfolders-brochures/zoekenalfabet/H/hoog_ technologisch _draagmoe1.pdf (laatst geraadpleegd op 28 september 2016).

[11] Idem; Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 1 december 2010, LJN BO7387, JPF 2011,33.

[12] Richtlijn 18 NVOG: Hoog-technologisch draagmoederschap, 1999, nr. 18; CRM 28 januari 2015, 2015-6; CRM 28 januari 2015, 2015-7.

[13] Dermout 2001, p. 163-164; Protocol ASAA 2013, p.15; van Vlijmen en van der Tol 2012, p. 3; Leenen e.a. 2014, p.332-335; Broekhuijsen Molenaar, Civielrechtelijke aspekten van kunstmatige inseminatie en draagmoederschap (diss. Leiden UL), Deventer: Kluwer 1991, p. 7-16.

[14] Boele-Woelki e.a. 2011, p. 19; Dermout 2001, p. 79; Zie ook I. van Dijk, ‘recht uit het hart: huur en verhuur van baarmoeder is verlies van het zelfbeschikkingsrecht’, Nemesis 1997.

[15] A. Heida & A. Van der Steur, ‘Draagmoederschap, tussen strafrechtelijk verbod en wettelijke regeling’, Nemesis 2001-6, p. 209; De J. de Ruiter, Manipuleren met leven, Preadviezen NJV, deel 1, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle: 1993, p. 79; P. Vlaardingerbroek, ‘Draagmoederschap: een gecompliceerde constructie’, AA 2003-3, p. 172-173; Rechtbank Noord-Holland 20 november 2013, JPF 2014/11, m. nt. P. Vlaardingerbroek.

[16] Vlaardingerbroek 2014, p. 208.

[17] Schrama, in: GS Personen- en Familierecht, art. 1:198 BW, aant. 7 (online, laatst bijgewerkt op 5 juli 2015).

[18] art. 1:207 lid 1 sub a BW.

[19] Art. 1:204 lid c BW.

[20] Kamerstukken II 1995/96, 24649, nr.3 , p. 7 (MvT).

[21] Art. 1:199 onder a BW.

[22] Boele-Woelki e.a. 2011, p. 67-68; Curry-Sumner & Vonk 2006.

[23] art. 1:266 jo. 1:267 BW.

[24] Boele-Woelki e.a. 2011, p. 69; Broekhuijsen-Molenaar 1999, p. 40.

[25] Art. 1:227 BW.

[26] Art. 1:253b BW.

[27] Boele-Woelki e.a. 2011, p. 72; Vlaardingerbroek 2003, p. 239; Rechtbank ’s-Hertogenbosch 8 maart 1995, NJ 1995,490; EHRM 2 juni 2005, nr. 77785/01 (Znamenskaya tegen Rusland); EHRM 27 oktober 1994 mt. nt. Jdb (Kroon tegen Nederland).

[28] 1:253c BW.

[29] Boele-Woelki e.a. 2011, p. 73; Curry-Sumner & Vonk 2006; Art. 1:228 lid 1 aanhef en onder f jo. 1:227 lid 2 BW.

[30] Art. 1:228 lid 3 BW; Zie Rb Noord-Nederland 11 september 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:5503.

[31] Boele-Woelki e.a. 2011, p. 49.

[32] J. Hijma e.a., Rechtshandeling en overeenkomst, Deventer: Kluwer 2010., p. 14-15; T. Hartlief & C.J.J.M. Stolker (red.), Contractsvrijheid, Deventer: Kluwer: 1999, p. 24-25.

[33] Zie voor een strafrechtelijk overzicht paragraaf 2.5

[34] J. Hijma e.a., Rechtshandeling en overeenkomst, Deventer: Kluwer 2010., p. 157-159.

[35] T. Hartlief & C.J.J.M. Stolker (red.), Contractsvrijheid, Deventer: Kluwer: 1999, p. 139-151.

[36] Heida & van der Steur 2001, p. 211-212; Zie hoofdstuk 15 van S.M. Dermout 2001 voor een uitwerking van een standaardcontract tussen wens- en draagouders, p. 255-261; alsook Boele-Woelki e.a. 2011, p. 59.

[37] Asser/De Boer, 1*2010/696; Boele-Woelki e.a. 2011, p. 49; Vlaardingerbroek 2003, p. 175.

[38] 3:40 lid 1 BW.

[39] Art. 3:40 lid 2 BW.

[40] Boele-Woelki e.a. 2011, p. 60.

[41] M. Schoots e.a., ‘Wetsaanpassing in verband met draagmoederschap’, FJR 2004/76, p. 2-3; Leenen e.a. 2014, p. 347 en 369.

[42] M. Schoots e.a., ‘Wetsaanpassing in verband met draagmoederschap’, FJR 2004/76, p. 3.

[43] Zie voor deze discussie: Vlaardingerbroek 2003, p. 176; Broekhuijsen-Molenaar 1991, p. 156-159; J. Klijnsma, ‘De verzakelijking van het menselijk lichaam’, AA 2008-1, p. 12; J.H. Nieuwenhuis, ‘Promises, promises, Over contracten en andere afspraken’, NJB 2001/37, p. 1797-1798; A. Heida & A. Van der Steur, ‘Draagmoederschap, tussen strafrechtelijk verbod en wettelijke regeling’, Nemesis 2001-6, p. 212; Leenen e.a. 2014, p. 351-352; J.B.M. Vranken, ‘Contractualisering en draagmoederschap’, TvPr, p. 1751-1761; J. de Ruiter, Manipuleren met leven, Preadviezen NJV, deel 1, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle: 1993, p. 101 e.v. en p. 108.

[44] Kamerstukken II 1990-1991, 21 968 A, p. 1; van Vlijmen en van der Tol 2012, p. 2.

[45] Kamerstukken II 1990-1991, 21 968, nr. 5, p. 2 (MvA); HR 21 november 1972, NJ 1973,61.

[46] Kamerstukken II 1990-1991, 21 968, nr. 3, p. 2-3 (MvT).

[47] Kamerstukken II 1990-1991, 21 968, nr. 3, p. 6.

[48] Boele-Woelki e.a. 2011, p. 38.

[49] Kamerstukken II 1990-1991, 21 968 nr. B, p. 1-2; Kamerstukken II 1990-1991, 21968 nr. 5, p. 4.

[50] Boele-Woelki e.a. 2011, p. 38.

[51] Kamerstukken II 1990-1991, 21 968, nr. 3, p.7-8 en nr. 5, p. 7.

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedInEmail this to someoneShare on Google+

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.