Een strafrechtfilosofisch perspectief

  • -

Een strafrechtfilosofisch perspectief

Maaike Baan

Een strafrechtfilosofisch perspectief

Het wetsvoorstel TBO

Pieter steelt een paar dure schoenen uit de Bijenkorf. Voordat hij ‘veilig’ de winkel uit is, wordt hij in zijn kraag gegrepen door de beveiliging: op heterdaad betrapt. De politie wordt erbij gehaald en daar blijft het niet bij; enige tijd later moet Pieter voorkomen voor de politierechter. Tijdens de zitting vraagt de rechter naar eerder gepleegde kleine delicten en de persoonlijke omstandigheden. Een klein half uur later loopt Pieter ietwat verbouwereerd de zittingszaal uit. Hij moet van de rechter naar school.

Bovenstaande casus is een fictieve, maar wanneer het wetsvoorstel Terbeschikkingstelling aan het Onderwijs (hierna: TBO) tot wet wordt gemaakt, zou deze situatie zich in de praktijk kunnen voordoen. In maart 2014 stemde de ministerraad in met het wetsvoorstel TBO. Dit voorstel wil een bepaling aan het wetboek van Strafrecht toevoegen die het mogelijk maakt om jeugdige delinquenten te verplichten onderwijs te volgen. Het idee van de maatregel is dat het volgen van onderwijs de mogelijkheden voor jongeren vergroot om ‘aansluiting te vinden bij de samenleving en daarin een volwaardige en opbouwende rol te vervullen’.(1) Dit moet de kans op recidive verkleinen. Tegenover het niet naleven van de onderwijsverplichting staat een vervangende vrijheidsstraf die kan oplopen tot een jaar. De maatregel kan ook worden opgelegd voor relatief lichte delicten zoals winkeldiefstallen. De plannen van het kabinet hebben tot de nodige kritiek geleid. De Onderwijsraad (2) adviseerde staatssecretaris Dekker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) in juni om het wetsvoorstel te heroverwegen.(3) De raad geeft onder meer aan niet overtuigd te zijn van de noodzaak, effectiviteit en uitvoerbaarheid van de tbo-maatregel.

Doel artikel
In dit artikel wordt gekeken naar het doel en de strekking van de voorgestelde TBO-maatregel. Omdat het gaat om een strafrechtelijke regeling, is het in dit verband interessant om in te gaan op de eeuwenoude vraag: waarom straffen we eigenlijk? Het wetsvoorstel TBO wordt onder een strafrechtfilosofische loep gelegd om erachter te komen in hoeverre de gedachten achter het wetsvoorstel te verenigen zijn met de theorieën die aan ons Wetboek van Strafrecht ten grondslag liggen.

Elementen
De TBO-maatregel bestaat uit twee elementen: de onderwijsverplichting, die de  oorspronkelijke maatregel vormt als reactie op het gepleegde delict, en de vervangende vrijheidsstraf. Van beide elementen wordt onderzocht wat de achterliggende doelen zijn en in hoeverre zij zijn te rechtvaardigen als sancties. In het denken over strafrecht bestaan twee hoofdstromingen die het hebben over de zin en de rechtvaardiging van straffen: het retributivisme en het utilitarisme. Deze theorieën zullen kort worden uiteengezet om vervolgens in te gaan op de ratio achter het wetsvoorstel TBO.

Retributivisme
Volgens het retributivisme is een straf gerechtvaardigd wanneer die verdiend is. Vergelding staat in deze opvatting voorop. Vergelding heeft in deze context niet de betekenis van wraak, maar van vereffening. Het gepleegde delict moet op een bepaalde manier worden vereffend, de schade die de rechtsorde is toegebracht moet – voor zover dat mogelijk is – worden hersteld. De straf is dus gericht op het verleden, het is een reactie op het delict. De straf is op zichzelf goed en gerechtvaardigd en dient geen in de toekomst gelegen  doel. De straf is het doel, want het is juist om misdadigers leed toe te voegen. Dat een straf alleen gerechtvaardigd is wanneer zij verdiend is, veronderstelt dat de veroordeelde verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn daden. Het retributivisme hecht veel waarde aan de notie van de mens als redelijk wezen met de vrijheid om zelf te kiezen hoe hij handelt.

Utilitarisme
De tweede stroming is het utilitarisme. Het doel van straffen is volgens de theorieën van het utilitarisme gelegen in de toekomst: een straf dient ter voorkoming van toekomstige criminaliteit. De effectiviteit van de straf is daarom van groot belang: op welke manier kan het beoogde doel het beste worden bereikt? De straf is in deze visie instrumenteel: zij vindt haar rechtvaardiging in het toekomstige maatschappelijke nut.(4) Straf is geen gerechtvaardigd doel op zich, maar een middel.(5) Het utilitarisme ziet crimineel gedrag niet alleen als een keuze. Het kan ook het gevolg zijn van factoren die buiten de macht van de delinquent liggen, zoals omgevingsfactoren, opvoeding of neurologische afwijkingen.(6) Met het juiste inzicht in zulke factoren kan de meest effectieve straf worden gekozen, waardoor verder crimineel gedrag zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het Nederlandse strafrechtsysteem bevat zowel retributivistische als utilitaristische elementen. Een dergelijke combinatie noemt men een ‘verenigingstheorie’.

De onderwijsverplichting
Met de TBO-maatregel kan via het strafrecht een verplichting tot het volgen van onderwijs worden opgelegd. Met welk doel is voor een onderwijsverplichting onderwijsverplichting gekozen? ‘Het doel van de maatregel is niet gelegen in de bestraffing en de vergelding van het gedrag dat tot het opleggen van de maatregel heeft geleid’, aldus de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel.(7) De maatregel is geheel gericht op het ‘wegnemen van criminogene factoren’ en heeft daarmee een puur utilitaristisch karakter. De gedachte is dat bij de veroordeelde door het volgen van onderwijs een gedragsverandering optreedt die ervoor zorgt dat hij niet opnieuw in crimineel gedrag vervalt. Bij deze vorm van preventie zal ik verderop uitgebreider stilstaan. Het doel van het opleggen van de onderwijsverplichting is dus niet om het gedrag van de jeugdige delinquent te veroordelen. Eigenlijk wordt nauwelijks meer aandacht besteed aan het gepleegde delict; de ogen zijn slechts gericht op de toekomst. De focus ligt op de omstandigheden die er mogelijk voor zorgden dat de veroordeelde het delict pleegde. Het doel is om die omstandigheden te veranderen om verder crimineel gedrag te voorkomen. Een verplichting tot het volgen van onderwijs is niet aan elke winkeldief op te leggen; de maatregel heeft een specifieke doelgroep. ‘De TBO-maatregel richt zich op jeugdigen en jongvolwassenen die een problematisch onderwijsverleden hebben en die strafbare feiten hebben begaan.’(8) Het idee achter deze keuze is dat er een verband bestaat tussen recidive en ‘het niet waarnemen van onderwijskansen’. De maatregel wil dat verband verbreken. De oorzaak voor het criminele gedrag wordt dus niet zozeer gezocht in de persoon zelf, maar in de situatie waarin hij zich bevindt. Geprobeerd wordt om de veroordeelde uit die situatie te halen met de verwachting dat dit de kans op recidive verkleint. Verondersteld wordt dat het hebben van een problematisch onderwijsverleden crimineel gedrag in de hand werkt. Niet de persoon zelf, maar eerder de situatie waarin hij verkeert wordt gezien als ‘de schuldige’, de oorzaak van het criminele gedrag. Dit is een zuiver utilistische benadering: de reactie op het delict moet bestaan in het meest effectieve middel om het beoogde doel, het voorkomen van recidive, te bereiken. Deze benadering roept vragen op over de verantwoordelijkheid van de delinquent. Door de aandacht te vestigen op de situatie van de delinquent en niet op zijn persoon, wordt het lastig om hem ter verantwoording te roepen voor zijn gedrag. Zoals we hierboven hebben gezien is dat ook juist niet wat de TBOmaatregel beoogt te doen.

Vrijheidsstraf
Het niet naleven van de onderwijsverplichting heeft geen lichte consequenties. Een maand vervangende vrijheidsstraf kan worden opgelegd voor elke maand dat de onderwijsverplichting niet wordt nageleefd. De Memorie van Toelichting noemt de  vervangende vrijheidsstraf een ‘stok achter de deur’ en ‘de juiste motivatie’ voor het volgen van een vorm van onderwijs die geschikt is voor de veroordeelde en die ervoor zorgt dat hij  niet terugvalt in crimineel gedrag.(9) Waar de onderwijsverplichting zelf niet bedoeld is als straf, lijkt het erop dat niet-naleving daarvan wel degelijk bestraft wordt. Wat is het doel  van de vervangende vrijheidsbeneming? Het doel van de vervangende vrijheidsstraf is de veroordeelde ‘de juiste motivatie’ te geven voor het volgen van onderwijs, zo volgt uit de Memorie van Toelichting. Hoe moeten we dit doel precies begrijpen? De term ‘motivatie’ is in deze context een positieve verwoording van het begrip ‘afschrikking’. Afschrikking kan zowel een vorm van generale als speciale preventie zijn. Bij generale afschrikking weerhoudt de dreiging van de straf mensen ervan om delicten te plegen. Van Dijk zegt hierover: ‘Het effect wordt bereikt door de ogenschijnlijk op te leggen straf. Het daadwerkelijk opleggen van straf geschiedt slechts om de dreiging te onderstrepen’. (10) Speciale afschrikking werkt zo dat de onplezierige ervaring van de straf de veroordeelde afschrikt om nogmaals de fout in te gaan. Dit levert voor de gestrafte een extrinsieke  motivatie op om op het juiste pad te blijven.(11) Een andere vorm van speciale preventie is resocialisatie. Dit geeft de gestrafte een intrinsieke motivatie op om niet te recidiveren: hij voelt geen behoefte meer om het slechte pad op te gaan. Leeft de tot de TBO-maatregel veroordeelde zijn onderwijsverplichting na, dan zou hem dat een intrinsieke motivatie moeten geven om op het juiste pad te blijven. De Memorie van Toelichting zegt dat de onderwijsverplichting ervoor zorgt dat de jongere ‘zoveel mogelijk in de dagelijkse setting blijft van wonen en onderwijs volgen en dat hij terug kan vallen op het sociale netwerk dat daarbij hoort’. De behoefte tot recidive verdwijnt door het aanbrengen van een zekere  structuur.

Hoewel… vervangend?
De TBO-maatregel legt een verplichting tot het volgen van onderwijs op als reactie op het gepleegde delict. Wordt de onderwijsverlichting niet nageleefd, dan volgt een vrijheidsstraf. De vrijheidsbeneming vervangt de verplichting tot het volgen van onderwijs. Dat zou moeten betekenen dat de vrijheidsstraf een reactie is op het oorspronkelijke delict, een reactie die in de plaats treedt van de onderwijsverplichting die in eerste instantie werd opgelegd. De vervangende vrijheidsstraf is bedoeld als een ogenschijnlijk op te leggen straf die in de eerste plaats moet leiden tot het volgen van passend onderwijs. Het is een extrinsieke motivatie voor de veroordeelde om te voldoen aan zijn onderwijsverplichting. In het strafrecht worden soortgelijke extrinsieke motivaties vaker gebruikt, namelijk in de vorm van voorwaardelijke straffen. Het verschil is echter dat een voorwaardelijke straf ten uitvoer wordt gelegd wanneer de veroordeelde opom (gedeeltelijk) onbestraft verder te leven, maar zodra hij een gelijksoortig delict pleegt, treedt de voorwaardelijke straf alsnog  in werking. In het geval van de TBO-maatregel wordt de straf niet gekoppeld aan eventuele recidive, maar aan een middel dat bedacht is om recidive te voorkomen: de verplichting tot  het volgen van onderwijs. De onderwijsverplichting is het middel om het uiteindelijke doel – het voorkomen van recidive – te bereiken. Door de dreiging van de vervangende vrijheidsbeneming direct te koppelen aan de verplichting tot het volgen van onderwijs, wordt het onderwijs echter een doel op zichzelf. De vrijheidsstraf wordt niet opgelegd wanneer de veroordeelde recidiveert, maar wanneer hij niet naar school gaat. De onderwijsverplichting wordt op deze manier tot regel gemaakt, een regel die in geval van niet-naleving wordt bestraft. De straf vormt hier een reactie op die geïndividualiseerde regel en niet op het oorspronkelijke delict. Het is daarom feitelijk onjuist om te spreken van een vervangende vrijheidsstraf. De vrijheidsbeneming neemt niet de plaats in van de onderwijsverplichting als reactie op het gepleegde delict, maar vormt een zelfstandige sanctie voor het niet naleven van die onderwijsverplichting. Hoe het verdergaat met het wetsvoorstel TBO, zal nog moeten blijken. Het voorstel ligt nu voor advies bij de Raad van State.

Samenvattend
De vraag waarom wij straffen is eeuwenoud. Het blijft om verschillende redenen boeiend om over dit vraagstuk na te denken. Er bestaan verschillende opvattingen over de doelen en rechtvaardigingen van straf. Het retributivisme heeft als uitgangspunt dat straffen moeten vergelden, in het utilitarisme staan nut en effectiviteit voorop. Op het eerste  gezicht lijken de theorieën van deze twee stromingen lijnrecht tegenover elkaar te staan en  niet te verenigen. In de praktijk blijkt echter dat strafrechtsystemen een combinatie vormen van beide stromingen, zo ook het Nederlandse systeem. Een andere reden waarom de vraag naar de doelen en rechtvaardigingen van straffen interessant blijft is dat het strafrecht constant in beweging is; er worden regelmatig nieuwe straffen en  maatregelen bedacht. Het wetsvoorstel voor de TBO-maatregel geeft een bijzondere tweeledige constructie die erop gericht is om recidive bij jeugddelinquenten te voorkomen. De constructie bestaat uit een onderwijsverplichting als reactie op het gepleegde delict met een vervangende vrijheidsstraf als stok achter de deur om die verplichting daadwerkelijk na te leven. Het doel van de onderwijsverplichting is uitdrukkelijk niet om te vergelden en te bestraffen. Het is een voorbeeld van een zuiver utilitaristische visie op straf. De oorzaak voor het gepleegde delict wordt gezocht in het problematische onderwijsverleden van de delinquent. De straf is erop gericht om die problematische  onderwijssituatie te veranderen om recidive tegen te gaan. De straf is een middel om een  in de toekomst gelegen doel te bereiken. Met het gepleegde delict houdt de straf zich eigenlijk niet meer bezig. Het is niet de bedoeling het gedrag van de jeugdige delinquent te veroordelen. Het doel van de vervangende vrijheidsstraf is volgens de Memorie van Toelichting om de veroordeelde een stok achter de deur te bieden voor het naleven van zijn onderwijsverplichting. Het mechanisme van afschrikking wordt gebruikt, niet direct om recidive te voorkomen maar om af te dwingen dat het middel daartoe optimaal benut wordt. Door de manier waarop de vrijheidsstraf is gekoppeld aan de onderwijsverplichting is feitelijk gezien van een vervangende vrijheidsstraf geen sprake. De vrijheidsbeneming vormt immers geen reactie op het oorspronkelijke delict, maar op de opgelegde verplichting tot het volgen van onderwijs. Zou je willen betogen dat de vrijheidsstraf wél een echte vervangende reactie vormt op het oorspronkelijke delict, dan is evengoed sprake van een inconsistent gebruik van het strafrecht. De Memorie van Toelichting geeft uitdrukkelijk  aan dat het doel van de TBO- maatregel niet is gelegen in het bestraffen of vergelden van het gepleegde delict. De vrijheidsstraf als reactie op het delict is in deze context niet te rechtvaardigen. Een strafrechtfilosofische analyse van de TBO-maatregel illustreert hoe  belangrijk het is om te blijven stilstaan bij het waarom van het straffen en bij de aard van  het strafrecht. De handigste constructies kunnen worden bedacht om beoogde doelen te bereiken, maar wanneer die intern in strijd zijn met de grondgedachten van ons strafrechtelijk systeem, ontstaan scheve situaties.

Noten
1 Consultatieversie wetsvoorstel TBO-maatregel d.d. 15 september 2013, p. 8.
2 ‘De Onderwijsraad is een onafhankelijk adviescollege, opgericht in 1919. De raad adviseert de regering en de Kamer, gevraagd en ongevraagd, over hoofdlijnen van beleid en wetgeving op het gebied van het onderwijs’. Bron: Onderwijsraad.nl
3 Advies (concept)wetsvoorsel TBO-maatregel d.d. 19 juni 2014, Onderwijsraad.nl (zoek op: Advies TBO-maatregel).
4 G.P. Hoekendijk & M.M. Kommer, ‘Strafdoelen en tenuitvoerlegging: perspectief op een nieuwe verenigingstheorie?’ in: Sancties: Tijdschrift over straffen en maatregelen 2011, p. 212 e.v.
5 P. Westerman, Recht als raadsel: Een inleiding in de rechtsfilosofie, Zutphen: Uitgeverij Parijs 2013, p. 251.
6 Ibid, p. 263.
7 Consultatieversie wetsvoorstel TBO-maatregel d.d. 15 september 2013, p. 13.
8 Consultatieversie wetsvoorstel TBO-maatregel d.d. 15 september 2013, p. 9.
9 Consultatieversie wetsvoorstel TBO-maatregel d.d. 15 september 2013, p. 10 & 12.
10 A.A. Van Dijk, Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen, Apeldoorn: Maklu 2008, p. 90.
11 Ibid, p. 91.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.