2017

Februari 2017

Februari 2017

Door: Ellen de Vries

Procesinleiding

Inleiding
“Digitaal procederen opnieuw uitgesteld”, zo kopte Advocatenblad woensdag 15 februari jongstleden op haar website.[1] Het artikel verwees naar het interview met KEI-directeur Monique Commelin, welk interview op diezelfde datum was gepubliceerd op Rechtspraak.nl.[2] Commelin maakt hierin duidelijk dat de invoeringsdatum van het wettelijk verplicht digitaal procederen op zich laat wachten. De beoogde startdatum van 1 april 2017 wordt niet gehaald. Derhalve wordt afgeweken van de ‘Tijdlijn modernisering rechtspraak’. Op voornoemde startdatum zou het digitaal procederen in civiele zaken bij de rechtbank Gelderland en Midden-Nederland wettelijk verplicht moeten zijn. Reden voor het uitstel is dat de techniek zich moet hebben bewezen, alvorens het Koninklijk Besluit wordt aangevraagd waarbij het digitaal procederen wettelijk wordt verplicht. Per september 2016 kan bij genoemde rechtbanken al wel op vrijwillige basis digitaal worden geprocedeerd. Deze digitale procedure wordt aangevangen met een zogeheten procesinleiding. In afwachting van, en in voorbereiding op het Koninklijk Besluit, is het nuttig deze eerste proceshandeling nader te bestuderen.

Basisprocedure
De wetswijziging, als onderdeel van het vernieuwingsprogramma KEI, heeft een vereenvoudigde basisprocedure tot gevolg. De basisprocedure wordt ingeleid met de procesinleiding (art. 30a Rv nieuw), waarna het verweer kan worden ingediend (art. 30i RV nieuw). Hierna zal de mondelinge behandeling plaatsvinden (art. 30k Rv nieuw). Deze heeft, na KEI, te gelden als het hart van de procedure.[3] Op de mondelinge behandeling volgt de uitspraak (art. 30q Rv nieuw). De vereenvoudigde basisprocedure is de standaardprocedure, ongeacht of het een dagvaardings- dan wel verzoekschriftprocedure betreft (na KEI: vorderings- respectievelijk verzoekprocedure (art. 30a lid 2 Rv nieuw)).[4] Beide procedures worden derhalve ingeleid met de procesinleiding (art. 30a lid 1 Rv nieuw).

Procesinleiding
De procesinleiding is “een formulier dat naargelang de omstandigheden digitaal of op papier bij één loket wordt ingediend. […] Het wordt zo ingericht dat de rechtzoekende ertoe wordt gebracht om in een beperkt bestek – naar verwachting maximaal 8000 karakters – de gegevens van art. 30a voorstel Rv zo juist en volledig mogelijk in te vullen.”[5] Art. 30a lid 3 Rv nieuw bevat de bepalingen aangaande de inhoud van de procesinleiding. Hoewel beide procedures aanvangen met de procesinleiding, is het onderscheid tussen de vorderings- en de verzoekprocedure van belang voor de inhoud van het processtuk en de te hanteren terminologie. Art. 30b lid 1 Rv nieuw bepaald dat het instellen van een vordering en het indienen van een verzoek kan worden gecombineerd in één procesinleiding, mits tussen beide voldoende samenhang bestaat en de Nederlandse rechter bevoegd is om van beide kennis te nemen. Daarbij bepaalt art. 30i lid 8 Rv nieuw dat het verweerschrift een tegenvordering of een tegenverzoek mag bevatten, ongeacht of het een vorderings- of een verzoekprocedure betreft. “Op gecombineerde procedures zijn in beginsel de regels van de vorderingsprocedure van toepassing.”[6] Zie art. 30b lid 2 Rv nieuw.

Digitaal
In beginsel moet de procesinleiding langs elektronische weg worden ingediend (art. 30c lid 1 Rv nieuw). Uitzondering wordt gemaakt voor natuurlijke personen en voor verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte, tenzij zij worden vertegenwoordigd door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent (art. 30c lid 4 Rv nieuw). Voor zover de procesinleiding op papier is ingeleverd terwijl dit elektronisch had moeten geschieden en vice versa, geeft de wetgever een herstelmogelijkheid in art. 30c lid 6 Rv nieuw. “Op deze wijze zal een eiser/ verzoeker gered worden. […] Op zich komt de zaak dus uiteindelijk wel, met enig kunst-en-vliegwerk, op het goede spoor.”[7]

De indiening van de procesinleiding wordt elektronisch bevestigd (art. 30d lid 1 Rv nieuw). De zaak is aanhangig met het indienen van de procesinleiding overeenkomstig de bepalingen van art. 30a lid 1 Rv nieuw, zo volgt uit art. 125 Rv nieuw. Omdat zij daarmee nog niet bekend is bij de wederpartij, bepaalt art. 111 lid 1 Rv nieuw voor vorderingsprocedures dat de griffier de eiser een oproepingsbericht stuurt na ontvangt van de procesinleiding. Het voert te ver om op deze plaats de inhoud van het oproepingsbericht te behandelen. Zie voor (de betekening van) het oproepingsbericht in vorderingsprocedures art. 111 Rv nieuw en volgende.

[1] ‘Digitaal procederen opnieuw uitgesteld’ www.advocatenblad.nl (zoek op digitaal procederen) Geraadpleegd d.d. 21 februari 2017.

[2] KEI is de afkorting voor het programma Kwaliteit en Innovatie rechtspraak. Het programma heeft de versnelling en digitalisering van het procesrecht ten doel. & ‘Pas verplicht digitaal procederen als we helemaal zeker zijn’, www.rechtspraak.nl (zoek op Raad voor de rechtspraak; nieuws) Geraadpleegd d.d. 21 februari 2017.

[3] A.I.M. van Mierlo & P.J.J. Vonk, ‘Vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht; procederen in een nieuwe jas na KEI’, WPNR 2015, 7065.

[4] Idem.

[5] A.S. Rueb, Compendium van het burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 146-147.

[6] H. Donner & B.J. van Ettekoven, ‘Digitaal procederen bij de bestuursrechter’, NTB 2015, 2, p. 10.

[7] T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Is een dagvaarding een procesinleiding? Het dubbele Rv in de overgangsfase van KEI’, NJB 2016, 2293.

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.