Jaargang 43 - Nummer 2,  2009 - 2010

Geert W.: Het juridische offensief tegen Wilders

Alexander Pechtold uitte onlangs hevige kritiek op de politieke ideeën van Geert Wilders en zijn Partij voor de Vrijheid. Een wetenschappelijk onderzoek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken deed hier nog een schepje bovenop: Geert Wilders is een gevaar voor de staatsveiligheid, zijn partij is extreem-rechts en islamofoob en bovendien wordt de democratie hierdoor ondermijnd. Dit zijn geen geringe kwalificaties voor een democratisch geachte partij, waarvoor één op de vier Nederlanders zegt enige sympathie op te kunnen brengen. Het Amsterdamse Gerechtshof heeft besloten dat Wilders zich moet verantwoorden wegens vermeende discriminerende uitlatingen. De Centrumpartij ’86 werd eerder onder andere wegens het aanzetten tot discriminatie en haat verboden. Het juridische offensief tegen Geert Wilders is van start gegaan.

Denaturalisatie, kopvoddentaks en islamisering

Wilders heeft een deel van zijn huidige populariteit te danken aan zijn nietsontziende retoriek: door ex-minister Vogelaar in een debat knettergek te noemen luidde hij het vertrek in van de minister van Wonen, Wijken en Integratie. De voorman van de PVV is schepper van benamingen als ‘islamisering’, ‘denaturalisatie’ en ‘kopvoddentaks’. De voorstellen van de PVV balanceren op het randje van fictie en non-fictie, waardoor de juridische haalbaarheid van zijn proefballonnen zeer matig wordt belicht. Dit wordt tevens veroorzaakt door de houding van Wilders, die zeer radicale voorstellen achteraf afdoet als een slip of the tongue. In een interview met de Deense televisie schetst Wilders het beeld van een Europa dat wordt overspoeld door islamieten. De enige remedie volgens Wilders is om tientallen miljoenen moslims terug te sturen en hun Nederlandse nationaliteit af te pakken en daarnaast een verbod op immigratie uit islamitische landen in te voeren. Afgezien van het feit of er zich überhaupt wel ‘tientallen miljoenen’ moslims in Europa bevinden is er veel ophef over deze uitspraak. Met name omdat dit beelden oproept van deportatie, haast Wilders zich om zijn woorden te bagatelliseren. In het Nederland van Geert Wilders betalen moslima’s belasting voor het dragen van een hoofddoek, worden F-16’s ingezet om rellende jongeren in toom te houden en moeten niet-westerse allochtonen hun straf in hun ‘eigen’ land uitzitten om vervolgens hun Nederlandse nationaliteit te verliezen. Wilders spreekt door zijn ongenuanceerde redekunst een miljoenenpubliek aan, zowel in binnen – als buitenland, en dit keert zich ook uit in electoraal gewin. De politieke tegenstanders van de PVV vallen over elkaar heen om een klinkend tegengeluid te produceren, maar slagen hier niet altijd in. Hoe haalbaar zijn de radicale voorstellen van de Partij voor de Vrijheid eigenlijk?

Een recent voorbeeld van Wilders’ geestdrift is het instellen van een belasting voor het dragen van een hoofddoek, de zogenaamde ‘kopvoddentaks’: één keer per jaar moet elke moslima die een hoofddoek wil dragen een vergunning à 1000 euro aanvragen. De vervuiler betaalt, aldus Wilders.1 Uit het feit dat dit voorstel niet werd ‘doorgerekend’ en uiteindelijk niet officieel werd ingediend, kan worden afgeleid dat het wederom om een publiciteitsstunt ging. Toch beheerste Wilders de actualiteitenrubrieken met zijn voorstel, alhoewel het wel leidde tot twee zetels verlies. Het instellen van een accijns op hoofddoeken is in strijd met vele fundamentele rechten die verankerd liggen in onze Grondwet. Dit voorstel is onder andere strijdig met het recht op gelijke behandeling en non-discriminatie (artikel 1 Grondwet) en de vrijheid van godsdienst (artikel 6 Grondwet): een Nederlandse burger is vrij om een godsdienst te belijden en moet hier niet in worden beperkt. De accijns betekent een inperking van deze vrijheid en een aantasting van het non-discriminatiebeginsel, op grond waarvan de overheid alle gelovigen gelijk moet behandelen. Wilders verweert zich door te stellen dat ongelijke gevallen niet gelijk behandeld hoeven worden, maar dit is nonsens: het gelijkheidsprincipe in artikel 1 Grondwet betekent dat alle burgers op een gelijke manier behandeld dienen te worden, er mag geen onderscheid worden gemaakt. Het denaturaliseren van islamitische criminelen, het verbieden van het bouwen van moskeeën en het stoppen van immigratie uit niet-Westerse landen zijn allerlei vormen van het maken van onderscheid tussen bevolkingsgroepen en deze maatregelen doorkruisen daarmee het gelijkheidsbeginsel.

In het partijprogramma van de PVV valt te lezen dat de partij een wijziging van artikel 1 Grondwet ambieert, om op deze manier de dominante aanwezigheid van een joods/christelijk/humanistische cultuur te bevestigen. Wilders wil artikel 1 Grondwet wijzigen, omdat dit in de weg zou staan aan het oplossen van grote problemen. De instelling van deze dominante cultuur is een aantasting van het staatsrechtelijke beginsel der scheiding van kerk en staat. Dit beginsel is niet expliciet in de Nederlandse Grondwet opgenomen, maar dit wordt geacht besloten te liggen in verschillende grondrechten. De staat dient geen enkele godsdienst aan te wijzen als de juiste en behoort niet bevooroordeeld te zijn ten opzichte van religies. De voorstellen van Wilders zijn vaak juridisch onhaalbaar en dienen louter om bepaalde onderbuikgevoelens te bevredigen, in plaats van dat de voorstellen constructieve bijdrages aan het politieke en maatschappelijke debat zijn. Politici hebben meer ruimte dan burgers om hun standpunten te uiten, dit zal verderop nog ter sprake komen. Het is echter zeer de vraag of de herhaalde extreme uithalen aan het adres van de islam nog gedekt worden door de vrijheid van meningsuiting: de rechtszaak tegen Wilders zal dan ook van een groot constitutioneel belang zijn.

Fundamentele grenzen

In juni 2008 zag het Amsterdams Openbaar Ministerie af van vervolging van de vermeende discriminatoire uitspraken van Wilders. Het OM was van mening dat Wilders niet aanzette tot haat en dat hij louter opereerde in de context van de maatschappelijke arena. De beslissing van het OM was gestoeld op advies van de Tilburgse hoogleraar strafrecht De Roos, die souffleerde dat het strafrecht bevolkingsgroepen beschermt en niet een bepaalde overtuiging. Dit onderscheid wordt goed door Wilders in de gaten gehouden, aldus De Roos, door met name te ageren tegen de islam in het algemeen.

Het Amsterdamse Gerechtshof beval echter in januari 2009, op verzoek van de personen en organisaties die aangifte hadden gedaan, de vervolging van Wilders voor een strafrechter. Deze terzijdestelling van het Openbaar Ministerie is mogelijk via artikel 12 Sv.; als een officier van justitie heeft besloten om een klacht naast zich neer te leggen, kan een belanghebbende de meervoudige strafkamer verzoeken de klacht toch in behandeling te nemen. De beslissing door het Openbaar Ministerie om niet te vervolgen kan door de klager worden voorgelegd aan de strafkamer. Nadat de formele vragen door de strafkamer beantwoordt zijn, buigt deze zich over de inhoud.2 De Amsterdamse strafkamer kwam tot de conclusie dat de ‘eenzijdige, sterk generaliserende formuleringen met een radicale strekking’, genoeg aanknopingspunten bieden om tot vervolging over te gaan.3 Het Hof gaat Geert Wilders vervolgen voor het aanzetten tot haat en discriminatie (art. 137d Sr.) en voor zijn in de media gedane uitspraken aan het adres van moslims en hun geloof. Bovendien heeft het Hof vervolging gelast met betrekking tot de uitspraken strekkende de gelijkstelling van de islam met het nazisme.4

Het Hof was het niet eens met de redenering van het Openbaar Ministerie om af te zien van vervolging en was van mening dat er een algemeen belang wordt gediend met de vervolging van Wilders. Waar het Hof van mening was dat de uitingen van Wilders geen betrekking hebben op een groep geloven, maar op het moslimgeloof in het algemeen, is het Hof de mening toegedaan dat de meningsuitingen van Wilders naar Nederlands recht wel strafbaar kunnen zijn. Het Hof acht de meeste uitlatingen beledigend en Wilders heeft, door islamitische symbolen aan te tasten, wel degelijk de moslimgelovige zelf gekrenkt. Het Hof is van mening dat het aanzetten tot haat in een democratische rechtsorde dermate ernstig is, dat een algemeen belang aanwezig is om in het maatschappelijk debat een grens te markeren.5 En passant verklaart het Hof dat het maatschappelijke debat over netelige kwesties als de immigratie- en integratiepolitiek niet tot het terrein van de rechtspraak behoren, maar dat ook volksvertegenwoordigers gebonden zijn aan enkele fundamentele grenzen, die wel door het strafrecht gehandhaafd worden. In de ogen van het Hof zijn vergelijkingen van de islam met het nazisme, zoals de betiteling van de Koran als ‘het islamitische Mein Kampf’, wel vervolgbaar.6 De meervoudige strafkamer is van mening dat Geert Wilders onnodig schade berokkent aan de moslimgemeenschap; hij kan zijn onvrede ook op een andere manier uiten. Het Hof is dan ook van mening dat Wilders erop uit is ‘bij de Nederlandse bevolking conflictueuze tweespalt te veroorzaken (…) om de Nederlandse bevolking jegens die groep gelovigen tot discriminatie, intolerantie, minachting en vijandschap te bewegen.’ Het Hof besluit met de overweging dat deze beslissing een ‘voorlopig karakter draagt’ en dat Wilders geenszins bij voorbaat al veroordeeld is.

Het publieke debat moet, zoals door het Hof wordt benadrukt, in een ruimte van vrijheid plaatsvinden: artikel 7 GW en artikel 10 EVRM voorzien in een ruime vrijheid van meningsuiting. Deze is echter niet absoluut, iedereen heeft een ‘verantwoordelijkheid volgens de wet’: iedereen moet zich onthouden van smaad en laster en van uitspraken die bijvoorbeeld discriminatoir zijn. Het EHRM hanteert een zeer ruime benadering van het begrip vrijheid van meningsuiting. In de zaak Schwabe v. Austria werd geoordeeld dat uitlatingen binnen het speelveld van het maatschappelijke debat vallen, als de uitlatingen gerelateerd aan dit debat wordt gedaan.7 In een andere uitspraak stelt het EHRM dat uitlatingen schokkend mogen zijn en zelfs verontrustend en aanstootgegevend voor grote delen van de bevolking.8 In een andere zaak voor het EHRM, was het Europese Hof de mening toegedaan dat ingrijpen slechts in zeer beperkte gevallen kan worden toegestaan, bijvoorbeeld in het geval van strafbare feiten.9

CP ‘86

Op 30 september 1997 veroordeelt de Hoge Raad het bestuur van de Centrumpartij ’86, kortweg CP ‘86.10 De partij uit zich in het publieke debat op een discriminerende manier en zet aan tot haat tegen etnische minderheden, middels pamfletten en optredens in televisieprogramma’s. CP ’86 ontstond als voortzetting van de failliet verklaarde Centrumpartij, maar behaalde nooit een zetel in de Tweede Kamer. Wel werden in 1990 vier zetels in het kader van de gemeenteraadsverkiezingen binnengesleept. In de loop van de jaren negentig wordt de partij verscheurd door bestuurlijke en financiële problemen. De veroordeling van 30 september 1997 vormt één van de dieptepunten. Naar aanleiding van de veroordeling in 1997, roept toenmalig minister van Justitie Sorgdrager op tot een verbod op de partij en start een verbodsprocedure. Op 18 november verbiedt de Rechtbank van Amsterdam CP’86, omdat de partij zich racistisch uitlaat en wegens bedreiging van politieke tegenstanders. De Rechtbank streed echter tegen een uitgeholde beweging: op één bestuurslid na hadden alle bestuursleden zich laten uitschrijven, bij de zitting waren geen leden aanwezig en bovendien werd CP’86 niet vertegenwoordigd door een raadsman. De zitting werd hierdoor een anticlimax. Het oud-bestuur was inmiddels drukdoende een nieuwe extreem-rechtse partij op te richten, de Volksnationalisten Nederland, welke ook geen lang leven beschoren was. Nadat de Nationaal Europese Sociale Beweging in 1955 was verboden, was CP ’86 de tweede verboden naoorlogse partij. Het verbieden van partijen kan op veel scepsis rekenen, met name omdat dit ondemocratisch wordt gevonden. Volgens advocaat Willem Anker is een partij verbieden ‘een cosmetische procedure die niets oplevert voor de samenleving’.11 Het extreem-rechtse gedachtegoed wordt daarmee niet bestreden, maar vaak gecontinueerd in nieuwe organisaties of partijen.

Mocht Wilders worden veroordeeld voor het aanzetten tot haat en discriminatie, dan zullen naar alle waarschijnlijkheid ook activiteiten van de PVV nader worden onderzocht. Maar of dit, net als bij CP ’86, tot een verbod zal leiden, is niet waarschijnlijk. De klanken van het maatschappelijk debat zijn verhard door de gebeurtenissen op 11 september 2001 en met de opkomst van Fortuyn; een partij als discriminerend en racistisch kwalificeren is minder gebruikelijk dan in de jaren tachtig en negentig. Bovendien werd CP ’86 aangeduid als een criminele organisatie, het is niet realistisch om te denken dat dit ook bij de PVV zal gebeuren. CP ’86 werd onder andere veroordeeld voor uitspraken die het in verkiezingsspotjes deed, waarbij Justitie met name aandacht had voor de volgende zinsdelen: ‘en het zijn niet alleen asielzoekers die naar Nederland komen, er is ook nog de gezinsvorming en niet te vergeten de illegalen, ze worden voorgetrokken bij van alles en nog wat (…) begin onmiddellijk met een terugkeerbeleid’. Deze uitlatingen verbleken bij de woorden van Wilders, die zich zeer specifiek richt op één bevolkingsgroep en die duidelijk probeert te onderscheiden van de rest. Daarnaast is Wilders leider van een zeer omvangrijke beweging en, niet als de openlijk extreem-rechtse partijen, een paria in het politieke debat. Zijn politieke boodschap wordt breed gedragen en een veroordeling van Wilders wegens discriminatie of het aanzetten tot haat, zal zijn ster naar alle waarschijnlijkheid doen rijzen. Het vervolgen van Wilders en daarmee de juridisering van het politieke debat is primair een zwaktebod; politici dienen in het debat van repliek te worden voorzien. De inmenging van rechters in het politieke debat moet daarom ook met argusogen worden bekeken. Desalniettemin dient altijd te worden ingegrepen als er grenzen worden overschreden, politicus of niet. Zoals het Amsterdamse Gerechtshof zelf al aangeeft is de vrijheid van meningsuiting ruim, maar dienen fundamentele grenzen te worden gerespecteerd.

Het vernietigende rapport van het ministerie van Binnenlandse Zaken en de vervolging door het Gerechtshof te Amsterdam wijzen één ding uit: het offensief tegen Geert Wilders in aanloop naar de verkiezingen is in volle gang, het is afwachten of deze hordes door hem kunnen worden genomen.

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.