Jaargang 44 - Nummer 4

Hulp bij zelfdoding: van barmhartigheid naar zelfbeschikking?

Tekst Nikki Wilmink & Pauline Lindeman

Het is niet iedereen gegeven om op 99-jarige leeftijd de voorpagina’s van nagenoeg alle kranten en de belangrijkste nieuws- en actualiteitenprogramma’s op de televisie te halen. Het lukte Moek Heringa in februari 2010. Niet omdat ze binnen afzienbare tijd de respectabele leeftijd van 100 jaar zou bereiken, maar juist omdat ze te kennen had gegeven die niet meer te willen halen. Haar wens was niet ingegeven door ziekte of ondraaglijk lijden, maar door het gevoel dat haar leven voltooid was. Haar zoon verschafte haar de middelen en zij overleed. In dit artikel wordt de strafbaarstelling van hulp bij zelfdoding besproken. Daarnaast aandacht voor de actualiteit en rechtspraak over dit onderwerp.  

Actualiteit

De laatste jaren is de roep om opheffing of aanpassing van het verbod op hulp bij zelfdoding toegenomen en wordt in verschillende media veel aandacht aan het onderwerp besteed. Zo ontstond in november 2009 ophef over het feit dat de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (hierna: NVVE) op haar website tips had geplaatst voor zelfdoding door middel van medicatie. In het programma Netwerk was in februari 2010 een indrukwekkende reportage te zien over de genoemde 99-jarige Moek Heringa.[1] Deze vrouw was voor haar leeftijd lichamelijk redelijk in orde, maar had het gevoel dat haar leven voltooid was en wenste niet meer verder te leven. Haar zoon besloot haar te helpen door haar een grote hoeveelheid pillen te verschaffen. Ook werd het burgerinitiatief ‘Voltooid Leven’ gestart. Dit is afkomstig van initiatiefgroep ‘Uit vrije wil’ die onder andere bestaat uit een aantal oud-politici, wetenschappers en juristen. Deze groep wil het mogelijk maken dat aan oude mensen, die hun leven voltooid achten en waardig willen sterven, hulp bij zelfdoding mag worden geboden. Het burgerinitiatief heeft inmiddels al meer dan 100.000 steunbetuigingen ontvangen. De initiatiefgroep heeft in februari van dit jaar een wetsvoorstel, genaamd ‘Wet toetsing stervenshulp aan ouderen’, aan de Tweede Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie aangeboden.[2] Het wachten is op agendering van het burgerinitiatief in de plenaire vergadering van de Tweede Kamer.

De roep om opheffing of aanpassing van het verbod op hulp bij zelfdoding is weliswaar de laatste jaren toegenomen, maar is geen verschijnsel van de laatste jaren. Al vanaf de jaren zeventig kennen we verschillende belangenorganisaties die zich richten op hulp bij zelfdoding. De NVVE, Stichting Vrijwillig Levenseinde (hierna: SVL) en Stichting de Einder zijn allen voorstander van het mogelijk maken van euthanasie en hulp bij zelfdoding voor mensen die ‘lijden aan het leven’.[3]

Hulp bij zelfdoding is strafbaar gesteld in artikel 294 lid 2 Sr. Artsen mogen op grond van deze wet onder bepaalde voorwaarden wel straffeloos hulp bij zelfdoding verlenen. De hierboven genoemde organisaties hebben gemeen dat zij met hun activiteiten de grenzen van het toelaatbare opzoeken onder artikel 294 lid 2 Sr.

Strafbaarstelling van hulp bij zelfdoding

De strafbaarstelling van hulp bij zelfdoding is in 1886 bij de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht ingevoerd. De zelfdoding op zich is nooit strafbaar geweest. De ontwikkeling van artikel 294 Sr blijkt nauw samen te hangen met de ontwikkeling die de strafbaarstelling van euthanasie heeft ondergaan. Er moet echter wel een strikt onderscheid worden gemaakt tussen euthanasie, strafbaar gesteld in artikel 293 Sr, en hulp bij zelfdoding, strafbaar gesteld in artikel 294 lid 2 Sr. Onder het begrip euthanasie wordt verstaan: het opzettelijk levensbeëindigend handelen door een ander dan degene die wenst te overlijden, op diens verzoek. Dit handelen kan ook uit nalaten bestaan. Hulp bij zelfdoding kan omschreven worden als opzettelijk hulp verlenen bij levensbeëindigend handelen door degene die wenst te overlijden zelf, op diens verzoek.[4] Deze hulp kan bijvoorbeeld bestaan uit het verschaffen van een dodelijke hoeveelheid medicatie.

Voor zover kan worden nagegaan heeft artikel 294 Sr tot de jaren zestig van de vorige eeuw nooit tot een behandeling voor de strafrechter geleid. Vanaf de jaren zestig veranderde de Nederlandse samenleving en ontwikkelde het denken over dood en sterven zich snel.[5] In de jaren zeventig en tachtig verschenen een aantal belangrijke rechterlijke uitspraken waarbij sterven op verzoek en hulp bij zelfdoding onder bepaalde voorwaarden door de rechterlijke macht werden aanvaard.[6] Deze voorwaarden hielden in dat de hulp alleen door een arts mag worden geboden, mits hij zich aan bepaalde zorgvuldigheidseisen houdt. Naar aanleiding van deze jurisprudentie werd in de jaren negentig gewerkt aan nieuwe wetgeving met betrekking tot euthanasie en hulp bij zelfdoding. Op 1 april 2002 trad uiteindelijk de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: WTL) in werking. Het huidige artikel 294 lid 2 Sr luidt:

‘Hij die opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam is of hem de middelen daartoe verschaft, wordt, indien de zelfdoding volgt, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie. Artikel 293, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.’

In de laatste zin wordt het tweede lid van artikel 293 Sr van toepassing verklaard. Artikel 293 Sr ziet op de strafbaarstelling van levensbeëindiging op verzoek, ofwel euthanasie. In het tweede lid van dit artikel is een kwalificatie-uitsluitingsgrond opgenomen voor de arts die levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast en daarbij voldoet aan bepaalde zorgvuldigheidseisen[7]:

‘Het in het eerste lid bedoelde feit is niet strafbaar, indien het is begaan door een arts die daarbij voldoet aan de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en hiervan mededeling doet aan de gemeentelijke lijkschouwer overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging.’

De belangrijkste eisen zijn dat er sprake moet zijn van een weloverwogen en vrijwillig verzoek en dat het moet gaan om ‘ondraaglijk en uitzichtloos lijden’. Daarnaast is een tweede oordeel van een onafhankelijke arts vereist.[8]

Bewijs, kwalificatie, strafbaarheid en straf

Zoals hierboven aangegeven, zijn verschillende organisaties op zoek naar de grenzen van het toelaatbare onder artikel 294 lid 2 Sr. In deze paragraaf bespreken we de rechtspraak over dit artikel aan de hand van de vier materiële vragen die door de rechter in een strafzaak beantwoord moeten worden.

Bewijs
De belangrijkste en waarschijnlijk ook lastigste vraag die door de rechter beantwoord moet worden, is wanneer sprake is van behulpzaamheid in de zin van artikel 294 lid 2 Sr. In de zaak Mulder, die in 1995 werd voorgelegd aan de Hoge Raad, ging het om een verdachte die als vertrouwensarts van de NVVE werd ingeschakeld bij een ernstig zieke en suïcidale patiënt.[9] De huisarts van de patiënt wilde ondanks herhaaldelijk verzoek niet meewerken aan euthanasie. Waarschijnlijk vanwege het feit dat de ziekte geen direct dodelijke bedreiging vormde. De patiënt besloot daarom zelf een einde aan zijn leven te maken. Verdachte had duidelijk gemaakt geen euthanasie te willen verlenen, maar was uiteindelijk wel betrokken bij de zelfdoding. De rechtszaak spitste zich toe op de vraag hoe het begrip ‘behulpzaamheid’ moet worden uitgelegd.

De feiten in de zaak waren als volgt. De patiënt heeft zelf medicijnen verzameld en deze met vla gemengd. Na het eten van deze vla, dronk hij zelf aangeschafte jenever. Vervolgens zei verdachte tegen de patiënt dat het tijd was om de, door patiënt zelf klaargelegde, plastic zak over zijn hoofd te doen. De patiënt heeft dit gedaan en overleed. De vraag was of de handeling van verdachte behulpzaamheid bij zelfdoding opleverde. Het Hof stelde voorop dat behulpzaamheid slechts dan strafbaar is, indien deze tijdens de zelfdoding plaatsvindt. Een aantal ten laste gelegde handelingen van de verdachte, voorafgaand aan de zelfdoding, leverde daarom volgens het Hof geen behulpzaamheid op. Vervolgens maakte het Hof onderscheid tussen het bieden van morele steun en het doen van louter informatieve mededelingen, die geen hulp in de zin van artikel 294 Sr opleveren, en het geven van een instructie. Dit laatste was volgens het Hof wel strafbaar. De enkele aanwezigheid van verdachte bij de zelfdoding moest worden opgevat als het bieden van morele steun. In deze zaak had de verdachte, volgens het Hof, echter ook een instructie gegeven door te zeggen dat het tijd was om de plastic zak over het hoofd te doen. Het Hof veroordeelde verdachte uiteindelijk tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand.
Uit het Mulder arrest van de Hoge Raad blijkt dat artikel 294 lid 2 Sr een eigensoortig karakter heeft, en dat er bij het begrip ‘behulpzaamheid’ aansluiting moet worden gezocht bij het algemeen spraakgebruik. Uit de rechtspraak en de parlementaire geschiedenis blijkt dat het bieden van morele steun en het doen van louter informatieve mededelingen geen strafbare hulp bij zelfdoding opleveren.

In de zaak Muns die in 2003 voor de Rechtbank Groningen diende, ging het om zelfmoordconsulent Muns van Stichting de Einder.[10] Betrokkene was een vrouw die zogenoemd ‘levensmoe’ was en bij wie geen sprake was van ondraaglijk en uitzichtloos lijden in de zin van de WTL. De verdachte heeft voor de betrokkene een lijst gemaakt met voor de zelfdoding benodigde zaken en materialen. Verdachte heeft water, biogarde, jam en een glas alcoholische drank klaar gezet. Deze waren bestemd voor het innemen van de voor de zelfdoding benodigde medicijnen. Ook gaf verdachte betrokkene te kennen dat de aanvankelijke hoeveelheid medicijnen niet voldoende was voor de door haar gewenste dood en dat een plastic zak om verstikking te bevorderen noodzakelijk was. Verdachte maakte voor de zelfdoding een elastiek en legde deze om de nek van de betrokkene. Daarnaast legde hij een plastic zak klaar. Verdachte heeft betrokkene vervolgens geholpen met het innemen van de alcoholische drank en hieromtrent een aanwijzing gegeven.

Volgens de rechtbank konden deze actieve, ondersteunende en voorbereidende handelingen voorafgaande aan de zelfdoding ook behulpzaamheid in de zin van artikel 294 lid 2 Sr opleveren. In hoger beroep en cassatie werd de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd. Het is, zo blijkt uit het Muns arrest van de Hoge Raad, niet van belang of de hulp tijdens of voor de zelfdoding plaatsvindt. Of er in een concreet geval sprake is van behulpzaamheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarvan de weging voorbehouden is aan de feitenrechter, aldus de Hoge Raad in de zaak Mulder.[11]

Uit voorgaande en verschillende andere uitspraken blijkt dat strafbare hulp wordt gezien als concrete, op de persoon gerichte aanwijzingen of instructies. Het moet gaan om situaties waarin de hulpverlener een regiefunctie vervult, het proces bewaakt of daarbij initiatieven neemt en in het algemeen actief en sturend optreedt.[12]

Kwalificatie
Bij de volgende vraag die de rechter moet beantwoorden komt de kwalificatie-uitsluitingsgrond uit artikel 294 lid 2 Sr aan de orde. Op grond van deze kwalificatie-uitsluitingsgrond zijn artsen niet strafbaar voor het verlenen van hulp bij zelfdoding als zij zich hebben gehouden aan de eisen uit de WTL. Zoals eerder aangegeven is een belangrijke eis dat sprake moet zijn van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. De Hoge Raad heeft in het Brongersma arrest beslist dat hiervan alleen sprake is als het lijden in overwegende mate voortvloeit uit een geclassificeerde somatische of psychische ziekte of aandoening. [13]  Dit leidt tot de conclusie dat artsen alleen aan personen met geclassificeerd leed straffeloos hulp bij zelfdoding kunnen verlenen en dat artikel 294 Sr niet ziet op enkel ‘lijden aan het leven’.  

Strafbaarheid
Voor niet-artsen geldt de kwalificatie-uitsluitingsgrond uit de WTL niet. Voor hen geldt het verbod op hulp bij zelfdoding dus zonder meer. Wanneer het gedrag van een niet-arts hulp bij zelfdoding oplevert, kan nog wel een beroep worden gedaan op de strafuitsluitingsgronden. De meeste verdachten van hulp bij zelfdoding beroepen zich op de strafuitsluitingsgrond overmacht-noodtoestand. Uit de rechtspraak blijkt echter dat een beroep op deze strafuitsluitingsgrond niet snel zal slagen.[14] Volgens de rechtbank Almelo is er voor de rechter namelijk weinig manoeuvreerruimte, omdat de wetgever de verschillende belangen al heeft afgewogen bij het formuleren van de wet en de kwalificatie-uitsluitingsgrond. Een beroep op overmacht-noodtoestand door een niet-arts kan slechts onder bijzondere omstandigheden succesvol zijn. Volgens de rechtbank moet je hierbij denken aan een situatie waarin door een ramp of oorlog geen arts beschikbaar is. Een arts die weigert euthanasie of hulp bij zelfdoding te verlenen, levert in elk geval geen noodtoestand op voor een niet-arts, hoe schrijnend de situatie ook is.[15]

Straf
De maximale gevangenisstraf die men voor hulp bij zelfdoding kan krijgen is drie jaar. Zelfmoordconsulenten krijgen doorgaans een gevangenisstraf van 10 tot 12 maanden, waarvan in de meeste gevallen acht maanden voorwaardelijk worden opgelegd. De straf in een zaak van hulp bij zelfdoding in de relationele sfeer lag beduidend lager.[16]

Zelfbeschikking

Zoals hierboven aangegeven zet een aantal belangenorganisaties zoals de NVVE, SVL en De Einder zich al jaren in voor een ruimere mogelijkheid tot hulp bij zelfdoding. Zij menen dat het zelfbeschikkingsrecht voorop moet staan en dat er geen ruimte meer is voor het huidige artikel 294 lid 2 Sr.[17]

Het is horizonverruimend om over grenzen te kijken en dat zullen de genoemde organisaties ook hebben gedaan. Ongetwijfeld namen zij kennis van de op het gebied van hulp bij zelfdoding zeer liberale wetgeving in Zwitserland. Artikel 115 van het Zwitserse Wetboek van Strafrecht stelt alleen de zelfzuchtige hulp bij zelfdoding strafbaar. Onzelfzuchtige hulp is niet strafbaar, omdat de zelfdoding op zich ook niet strafbaar is. Hieruit blijkt dat de Zwitserse wetgever veel waarde hecht aan het zelfbeschikkingsrecht.[18] In de Nederlandse wetgeving speelt het zelfbeschikkingsrecht alleen een rol met betrekking tot het essentiële vereiste dat er een verzoek aan de hulp bij zelfdoding vooraf moet gaan. Er bestaat dus een principieel verschil ten aanzien van de rechtvaardigende grond van de regelingen omtrent hulp bij zelfdoding. De Nederlandse rechtspraak is vooral gebaseerd op barmhartigheid en de rol van de arts. De plicht van de arts om het lijden van de patiënt te verzachten is af te leiden uit barmhartigheid en ook de eis van ondraaglijk en uitzichtloos lijden in de WTL vindt zijn grond in barmhartigheid en niet in zelfbeschikking. Vanuit deze achtergrond is in de Nederlandse regeling gekozen voor  een centrale rol voor de arts en is uitsluitend voor deze beroepsgroep een uitzondering gecreëerd om rechtmatig hulp bij zelfdoding te verlenen. Dat geeft aan dat het zelfbeschikkingsrecht niet de rechtvaardigende grond voor de WTL is, maar de barmhartigheid. Zwitserland kent geen voorbehoud met betrekking tot de mensen die de hulp straffeloos mogen verlenen, mits er geen sprake is van zelfzuchtige beweegredenen.

Het is evident dat de twee opvattingen wezenlijk verschillen. In het wetsvoorstel van initiatiefgroep ‘De vrije wil’ (let wel dat het ‘stervenshulp aan ouderen’ van >70 jaar betreft) speelt zelfbeschikking een belangrijke rol. In de memorie van toelichting staat dan ook: ‘Aan de vrije mens komt de ruimte toe zelf te beslissen over zijn leven én zijn sterven. Zelfbeschikking is immers een wezenlijk beginsel van onze beschaving.’[19] Daarnaast gaat het wetsvoorstel uit van een ander perspectief dan het strikt medische, waarmee ook anderen dan artsen (onder voorwaarden) in de gelegenheid worden gesteld deze hulp te verlenen.[20]

Ten slotte

De discussie over hulp bij zelfdoding duurt voort. Uit het voorgaande blijkt dat de Nederlandse wetgeving, zoals vastgelegd in de WTL, gekenmerkt kan worden als een medisch model waarin barmhartigheid en de rol van de arts belangrijke grondslagen zijn. Verschillende belangenorganisaties zetten zich echter in voor wetgeving waarbij de nadruk ligt op het zelfbeschikkingsrecht en waarbij de hulp niet uitsluitend door een arts mag worden geboden. Het wetsvoorstel dat dit jaar door initiatiefgroep ‘De Vrije Wil’ aan de Tweede Kamer is aangeboden, is dan ook eigenlijk niets minder dan een breuk met de grondslagen van de huidige wetgeving. Het is de vraag of de Nederlandse wetgever hier klaar voor is.


[1] Netwerk 8 februari 2010.

[2] www.nvve.nl.

[3] www.svleven.nl; www.deeinder.nl.

[4] H.J.J. Leenen, ‘Euthanasie en hulp bij zelfdoding’, NJB 1982-4, p. 103-106.

[5] D. van Tol, Hulp bij zelfdoding. Medische en juridische problemen, Amsterdam: Elsevier 1985, p. 52-53.

[6] Rb. Leeuwarden 21 februari 1973, NJ 1973, 183; Rb. Rotterdam 1 december 1981, NJ 1982, 63; HR 27 november 1984, NJ 1985, 106; HR 21 juni 1994, NJ 1994, 656.

[7] Kamerstukken II 1998/99, 26 691, nr. 3, p. 1 (MvT).

[8] Kamerstukken II 1998/99, 26 691, nr. 3, p. 1 (MvT).

[9] HR 5 december 1995, NJ 1996, 322 (Mulder; m.nt. ’t Hart).

[10] Rb. Groningen 10 april 2003, LJN AF7260 (Muns).  

[11] HR 5 december 1995, NJ 1996, 322 (Mulder; m.nt. ’t Hart).

[12] HR 5 december 1995, NJ 1996, 322 (Mulder; m.nt. ’t Hart); Rb. Groningen 10 april 2003, LJN AF7260 (Muns); Rb. ’s Hertogenbosch 10 juni 2003, LJN AF9725; Rb. Alkmaar 7 december 2005, LJN AU7519; HR 18 maart 2008, NJ 2006, 264; Rb. Amsterdam 22 januari 2007, LJN AZ6713; Rb. Almelo 29 mei 2009, LJN BI5890.

[13] HR 24 december 2002, NJ 2003, 167.

[14] Rb. Almelo 29 mei 2009, LJN BI5890; Rb. Alkmaar 7 december 2005, LJN AU7519; HR 9 november 2004, NJ 2005, 217.

[15] Rb. Almelo 29 mei 2009, LJN BI5890.

[16] Rb. Leeuwarden 20 juni 2006, LJN AX8950.

[17] www.svleven.nl; www.nvve.nl; www.deeinder.nl.

[18] C. Schwarzenegger, ‘Selbstsüchtige Beweggründe bei der Verleitung und Beihilfe zum Selbstmord (Art. 115 StGB)’, p. 97 <www.zora.uzh.ch>.

[19] www.uitvrijewil.nu.

[20] www.uitvrijewil.nu.

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.