Jaargang 46 - Nummer 2

Interview met… voormalig rechter van het EHRM Egbert Myjer

Egbert Myjer, voormalig rechter bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens

EHRM ‘The Conscience of Europe’?

 

Gelske Speerstra & Roya Tazib

 

De heer Egbert Myjer studeerde van 1966 tot 1972 rechten aan de Universiteit Utrecht. Na zijn studie was hij verbonden aan de Universiteit Leiden als wetenschappelijk medewerker strafrecht. In de periode tussen 1979 en 1991 bekleedde Egbert Myjer diverse rechterlijke functies in Nederland. Na tot 2004 werkzaam te zijn geweest als (hoofd)advocaat-generaal bij het Openbaar Minister, was hij tot november 2012 rechter bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Sinds 2000 is Egbert Myjer tevens bijzonder hoogleraar Mensenrechten aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

 

Wat voor student was U? Was U actief binnen studenten- en/of studieverenigingen?

Mijn hemel. Het is lang geleden dat iemand mij dat heeft gevraagd. Dan moet ik toch een ding voorop stellen: ik studeerde in een tijd dat het collegegeld 200 gulden per jaar bedroeg. De minimumstudieduur voor rechten was 4 ½-5 jaar. Ik heb er uiteindelijk 6 jaar over gedaan. Zoiets was in die tijd vrij straffeloos mogelijk maar heb er wel heel wat naast gedaan. Ik was een student die de eerste jaren netjes zijn vakken haalde voor wat toen nog het kandidaatsexamen heette. Het eerste jaar met een kleine 4 (op een score van 5); het tweede jaar met een ruime 3. Dat kwam omdat ik dat tweede jaar ook meer nevenactiviteiten deed. En ja, ik was lid van een gezelligheidsvereniging: het Collegium Studiosorum Veritas, een katholieke studentenvereniging met een kleine 2000 leden. Ik had op de lagere school en op de middelbare school op een jongensschool gezeten. Een ding was duidelijk voor mij: niet nog eens alleen maar jongens. Daarom koos ik niet voor het (nog steeds) ongemengde Utrechts Studentencorps. Binnen Veritas ben ik vrij actief geweest: in mijn tweede jaar praeses diescommissie Veritas, in mijn derde jaar praeses lustrumcommissie Veritas, in mijn vierde jaar zelfs een tijdje interim praeses collegii. Ook ben ik nog secretaris geweest van de federatie Utrechtse Gezelligheidsverenigingen. Ik heb het geweldige geluk dat ik studeerde toen de studentenrevolutie begon (1968). Eerst vond ik dat linksig gedoe. Maar al gauw zag ik dat  ik met al die activiteiten rond de gezelligheidsverenigingen het risico liep te veel in een elitair isolement te blijven.  Ik ben me daarna veel meer gaan bezighouden met belangrijker zaken: het organiseren van de Utrechtse oriënteringsdagen en zaken die op het gebied van het recht lagen:  student-lid van de Instituutsraad van het strafrechtelijk instituut en bestuurslid van de zojuist opgerichte Utrechtse wetswinkels.

 

Heeft U spijt van Uw activiteiten in de gezelligheidsvereniging?

Allerminst. Ik raad ook nu nog iedere student aan om ook zoiets te doen naast de studie. Niet dat je een kroegtijger moet worden. Dat is, denk ik, heel stom. Maar je moet ook geen studie-nerd worden die alleen maar met puntenhalen bezig is. Juist door je lidmaatschap van een studenten en/of studievereniging kom je op een andere manier in contact met studiegenoten. Dankzij anderen word je alleen maar een vollediger mens. Pas achteraf zie je hoe belangrijk die contacten uit je studentenleven zijn. En als het enigszins mogelijk is: kijk ook eens buiten je eigen rechtenfaculteit. In het woord universiteit zit ook juist dat universele.

(lacht)

 

Het strafrechtelijk instituut? Was dat niet wat eenzijdig voor iemand die naar de rechterlijke macht is gedaan?

Dat klopt. Maar ook dat komt door de sfeer na de studentenrevolutie. Ik wilde iets met mensen doen en had het idee dat ik met civiel recht (even los van het personen- en familierecht) daar te ver van af stond. Ik geef toe dat men mij van alle kanten afraadde om me al te zeer strafrechtelijk bezig te houden. Ik heb dat toch gedaan en het heeft me uiteindelijk niet opgebroken. Ook naar aanleiding daarvan een les van deze oude man: ga ook in je studie voor datgene wat je begeestert. Zet je daarvoor in. Als je echt voor iets wilt gaan, ga je vanzelf ook goede studieresultaten halen. Wat mij betreft is er niets ergers dan iemand die is afgestudeerd op een standaardpakket met alleen maar gemiddelde cijfers en keuzevakken waar geen gezicht in te ontdekken valt, en die bovendien niets naast zijn studie heeft gedaan. Zelfs niet redacteur van een juridisch studentenblad.

 

Wat heeft u doen besluiten de overstap te maken van het Openbaar Ministerie naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens?

Ik was al vanaf mijn eerste baan bezig geweest met strafrecht en mensenrechten. Ik gaf in Leiden zelfs een keuzevak op dat gebied. Toen het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) was opgericht, was ik een van de eerste leden. Ik ben medeoprichter geweest van het in 1976 voor het eerst verschenen NJCM-bulletin en ben redacteur gebleven tot het moment dat ik in 2004 ben gekozen tot rechter in het Europese Hof. Daarnaast ben ik in 2000 benoemd tot hoogleraar mensenrechten aan de VU. Ik was dus altijd al op het gebied van mensenrechten bezig. Ook in de 12 jaar dat ik rechter was en in de 13 jaar dat ik lid was van het Openbaar Ministerie bleef  ik uitspraken van het Europese Hof annoteren en me met het onderwijs op dat vakgebied bezighouden. Toen eind 2003 werd geadverteerd voor de plek van Nederlandse rechter in Straatsburg keek ik eens om me heen. Ik wist dat ik niet helemaal kansloos zou zijn. En dat klopte.

 

Maar waarom deed U mee?

Het lag in het verlengde van mijn twee vakgebieden: het zijn van magistraat en het bezig zijn met de rechten van de mens. Ik was al veel in Straatsburg geweest en had een vrij goed beeld van wat mij eventueel te wachten stond.

 

Wat maakte uw werk als rechter bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zo interessant?

Het daadwerkelijk meewerken aan datgene wat de kerntaak is van het Europese Hof: kijken of de lidstaten zich wel houden aan hun beloften in hun eigen land de rechten van het EVRM aan een ieder te garanderen. En door die werkzaamheden (toepassen en interpreteren van het EVRM) mede gestalte te geven aan Europese minimumnormen, die in de 47 lidstaten voor meer dan 800.000.000 mensen gelden. Juist het vaststellen van de grenzen is iets heel fascinerends. Het betekent ook een immense verantwoordelijkheid. Als je te ruim interpreteert kunnen de lidstaten zich terecht opwinden; als je te beperkt interpreteert word je al gauw door klagers en NGO’s als te conserverend beschouwd. Op basis van mijn 8 jaar Straatsburg kan ik zeggen dat die Straatsburgse  mensenrechtbescherming nog lang geen overbodige luxe is. Het aantal personae miserabiles dat zich met de meest mensonterende ervaringen tot het Europese Hof wendt is nog steeds schrikbarend groot. Kijk voor de grap eens naar de arresten die het afgelopen jaar door de Grote Kamer van het Hof zijn afgedaan (www.echr.coe.int, zoekmachine HUDOC). Daar zitten zaken tussen die je alleen in de meest zwarte televisiefilms voor mogelijk zou houden.

 

 

Jaarlijks worden er duizenden zaken bij het Europese Hof voor de Rechten van het Mens aanhangig gemaakt. Niet in al deze zaken wordt uitspraak gedaan door het  Europese Hof. Op welke wijze vindt er een selectie tussen deze zaken plaats? Hebben de lidstaten enige invloed op deze selectie?

Er komen tegenwoordig al meer dan 60.000 zaken per jaar binnen. Dat is immens. De ervaring leert dat ongeveer 95% van die zaken niet ontvankelijk wordt verklaard. Niet omdat het Hof geen zin heeft in die zaken, maar omdat niet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden is voldaan. Te laat ingediend, geen uitputting van nationale rechtsmiddelen, klagen alsof het Hof een soort vierde instantie is, klagen over iets dat niet in het EVRM staat opgenomen etc.

 

Maar weten advocaten dan niet wat ze doen?

Hoe zeg ik dat diplomatiek? Aan klagen in Straatsburg zit geen verplichting tot het betalen van enig griffiegeld. Ongetwijfeld zijn er advocaten die denken dat je niet zeker weet of een koe een haas kan vangen. Soms eisen de cliënten om ook nog eens een keertje Europees te gaan. En soms bedenken advocaten iets wat nu nog te ver gaat. En vergeet niet: soms gaat ook het Hof om. Maar ook: advocaten mogen best eens wat zuiniger zijn op Straatsburg.

 

Maar hoe gaat het in de praktijk van het filteren? Hebben Staten enige zeggenschap?

Om met het laatste te beginnen: de Staten hebben geen enkele zeggenschap op het filteren. Ook hebben de Staten geen zeggenschap over de rechters of de leden van de griffie. OK, je wordt met twee andere kandidaten door je land voorgesteld. Dan wordt in de regel een van die kandidaten gekozen door der parlementaire vergadering van de Raad van Europa. Maar vanaf dat moment ben je als rechter volkomen onafhankelijk. Ik was, net zoals mijn collega’s, in die acht jaar zelfs vrijgesteld van de verplichting belasting te betalen op mijn Straatsburgs inkomen. Dat is juist gedaan om je nog meer onafhankelijk te maken. En voor wat betreft de praktijk: alle klachten die binnenkomen worden eerst bekeken door een zeer ervaren lid van de griffie. In 9 op de 10 gevallen kun je met je kennis van de procedureregels al zien dat het een niet-ontvankelijkheid is. Zo’n dossier wordt dan meteen naar een junior jurist gestuurd om een kort uittreksel te maken, eindigend in een motivering waarom de zaak niet ontvankelijk is. Als de senior jurist aarzelt legt hij het voor aan de nationale rechter of aan een speciaal benoemde rapporteur. Afhankelijk van diens antwoord gaat de zaak op de stapel van de korte uittreksels of op de stapel waar wellicht iets in zit. De stapel uittreksels met kennelijk niet ontvankelijke zaken ondergaat nog een kwaliteitscheck en wordt dan voorgelegd aan een ‘single judge’. Dat is nooit de nationale rechter. Als de single judge het met het voorstel eens is, is dat het eind van de zaak; als hij vindt dat er toch iets meer aan de hand kan zijn, wordt het in de regel voorgelegd aan de Kamer van 7 rechters. In zo’n zaak wordt dan een rechter-rapporteur benoemd. Eerst zullen dan aan de aangeklaagde Staat nadere feitelijke vragen worden gesteld. Het kan ook zijn dat alleen maar aan de Staat wordt gevraagd zich te verweren op de ingediende beschuldigingen. Op basis van het aldus opgebouwde dossier wordt dan onder verantwoordelijkheid van de rechter-rapporteur door een jurist van de griffie een concept gemaakt. Ook dat ondergaat een aantal quality checks en wordt uiteindelijk, voorzien van een door de rapporteur vastgestelde memorie van toelichting ter beslissing aan de Kamer voorgelegd. Daar volgt dan een mondelinge behandeling en discussie. Als er overeenstemming is (of tenminste een meerderheid) wordt het concept pagina voor pagina doorgenomen en wordt gestemd. Het resultaat is een paar weken later op HUDOC te vinden.

 

Hoe ziet u de toekomst van Europa en welke rol speelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens daarin?

De toekomst voorspellen van Europa is zelfs voor een oud-rechter uit Straatsburg wat veel gevraagd. Maar een paar dingen kan ik wel zeggen. Op financieel gebied is Europese samenwerking inmiddels een noodzaak. Maar dat is de EU. Op juridische samenwerking geldt dat evenzeer. Denk eens in als er niet meer alle internationale verdragen bestonden en we weer terug zouden moeten naar bi-laterale afspraken. Veel zou in het honderd kwadraat lopen.

Maar voor wat betreft de mensenrechten in Europa: dat blijft helaas een bittere noodzaak. Wie  ziet wat er ook nu nog wekelijks binnenkomt, weet dat het Hof geen overbodige luxe is.  Het is niet voor niets aangeduid als ‘The Conscience of Europe’.

En wat is Europa zonder geweten?

 

Catchphrases

 

‘Als je echt voor iets wilt gaan, ga je vanzelf ook goede studieresultaten halen.’

 

‘Wie ziet wat er ook nu nog wekelijks binnenkomt, weet dat het Hof geen overbodige luxe is.’

 

‘Het is niet voor niets aangeduid als ‘The Conscience of Europe’.

 

 

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.