Januari 2017

  • -

Januari 2017

Category : 2017

Januari 2017

Verhaal schade ontstaan door aardgaswinning

Door Willem Beerda

Nederland heeft sinds de ontdekking van het grootste aardgasveld van Europa in 1959, veel inkomsten genoten uit de winning van aardgas. De laatste jaren zijn er echter veel huizen beschadigd en in waarde gedaald door de aardbevingen. Dit probleem is begonnen in 2012, bij de aardbeving in Huizinge met een 3,6 op de schaal van Richter. Maar hoe zit het nou eigenlijk met aansprakelijkheid voor de schade die is ontstaan door het winnen van aardgas? Aan dit privaatrechtelijke vraagstuk kleven twee knelpunten; het bewijs van het causale verband en de begroting van de schade. De Nederlandse Aardolie Maatschappij (hierna: NAM), als exploitant en houder van de winningvergunning wordt aansprakelijk gehouden voor deze schade. Dit gebeurt op  grond van artikel 6:177 lid 1 sub b BW, de aansprakelijkheid van de mijnbouwexploitant voor bodembeweging. Uit deze kwalitatieve aansprakelijkheid volgt: de exploitant van een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van de Mijnbouwwet is aansprakelijk voor de schade die ontstaan door: beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van het werk.[1] Er dient hier dus sprake te zijn van een dubbel causaal verband. De schade is ontstaan moet het gevolg zijn van een bodembeweging en die bodembeweging moet het gevolg zijn van de aanleg of exploitatie van het werk.  Op grond van artikel 6:178 BW bestaan er een limitatief aantal mogelijkheden voor de NAM om zich te disculperen. Echter gaat dit niet op bij ondergrondse aardbevingen.

Het eerste knelpunt is het bewijs tussen het verband van de aardbeving en de schade. Dit staat vaak ter discussie in een zaak betreft schadeafhandeling met de NAM. Is de schade ontstaan door een aardbeving of door een andere oorzaak? De hoofdregel is nu nog dat de bewijslast ligt bij de benadeelde. Ze kunnen hierbij een deskundige inschakelen op grond van artikel 113 Mijnbouwwet, het zogenoemde Advies Technische Commissie Bodembeweging. Er is echter een voornemen van de wetgever om de bewijslast te verminderen. Het wetsvoorstel [2]wil een bewijsvermoeden creëren in artikel 6:177a BW. Dit zal uitsluitend gelden voor fysieke schade aan gebouwen en werken die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld.

Het tweede knelpunt betreft de begroting van de schade. Bij de bestaande regeling is het zo dat de schade pas kan worden begroot op het moment dat er fysieke schade is of het gebouw wordt verkocht. Hoe zit het dan met het feit dat je woning niet verkoopt omdat je in een aardbevinggebied woont? Hoe kunnen deze mensen een schadevergoeding krijgen? Hier heeft de rechtbank Noord-Nederland in Assen een uitspraak over gedaan.[3] De kernvraag in deze zaak is of de woning moet zijn verkocht of niet. Uit het vonnis van de rechtbank kunnen een drietal vragen worden gehaald, die hier een antwoord op geven.

De eerste vraag is van welke normschending uit moet worden gegaan. Zoals hierboven al is aangegeven is de NAM aansprakelijk op grond van artikel 6:177 lid 1 sub b BW. De NAM heeft deze aansprakelijkheid ook zelf erkend. Ook staat niet ter discussie dat de aardbevingen in Groningen worden veroorzaakt door gaswinning, en deze aardbeving kunnen tot schade leiden, die ook kan bestaan uit waardedaling van woningen.

De tweede vraag is of schade bestaande uit waardevermindering van onroerende zaken als gevolg voor aardbevingen door gaswinning aannemelijk is. Deze vraag speelt dus ook als er nog geen fysieke schade is opgetreden. De NAM vindt dat waardevermindering alleen in individuele gevallen kan worden vastgesteld en dat algehele waardevermindering in het aardbevingsgebied niet is aangetoond. De rechtbank vindt dat er aanwijzingen zijn dat de aardbevingen een negatief effect hebben op de woningmarkt in het gebied. Voorts betoogd de rechtbank dat hoewel vergoeding voor waardedaling uiteindelijk per individueel geval zal moeten worden vastgesteld, is mogelijkheid van schade door waardevermindering als gevolg van door gaswinning veroorzaakte aardbevingen aannemelijk. De gemiddelde waardedaling is vastgesteld op enkele procenten (2 tot 5%).

De derde vraag die speelt is of de schade nu al kan worden vergoed en begroot, ongeacht de verkoop van de woning en ongeacht fysieke schade. De Stichting Waardevermindering door Aardbevingen Groningen is van mening dat ongeacht de verkoop en ongeacht de fysieke schade, de waardevermindering al abstract kan worden berekend. De NAM is het hier niet mee eens en vindt dat pas op het moment van verkoop de waardevermindering kan worden vastgesteld. Ook vindt de NAM dat de invloed van aardbevingsrisico’s  niet statisch is, het kan wijzigen en daardoor is de waardedaling niet permanent. Daarnaast is de NAM van mening dat abstract vergoeden per welk ander moment dan ook leidt tot onder- of overcompensatie en daarmee tot willekeur. De rechtbank is het hier niet mee eens en maakt korte metten met het standpunt van de NAM. De rechtbank zegt dat er volgens vaste rechtspraak kan worden geabstraheerd van de vraag of de waardevermindering door verkoop wordt gerealiseerd en ook van het feit dat deze schade door tijdsverloop kan wegebben. Rechtvaardiging voor toepassing van een abstracte schadeberekening kan zijn gelegen in blijvende of duurzame waardevermindering. Hiervan is in Groningen sprake, omdat er geen enkele aanwijzing dat waardevermindering tijdelijk of voorbijgaand is en de gunstige maatregelen die de NAM heeft getroffen niet zijn aangetoond.  De rechtbank schrijft in zijn vonnis een belangrijke overweging: “De rechtbank acht het onrechtvaardig wanneer vergoeding van deze schade als gevolg van aardbevingen, die door gaswinning door NAM is veroorzaakt en aan welke gaswinning voor het Rijk, de samenleving en de NAM zelf grote economische en financiele belangen zijn verbonden, pas aan de orde kan komen bij verkoop van de woning, die wellicht nooit plaatsvindt, en/of bij staking van de gaswinning, hetgeen nog vele tientallen jaren kan duren.”[4]  Tegen de uitspraak van de rechtbank is inmiddels hoger beroep ingesteld door de NAM, maar de rechtbank heeft wel een verklaring van recht gegeven. Het is dus niet meer mogelijk voor de NAM om te zeggen dat de schade op dit moment niet abstract kan worden begroot. De verklaring van recht luidt als volgt: “dat de NAM aansprakelijk is voor de schade bestaande uit waardevermindering van onroerende zaken gelegen in het gebied waar aardbevingen ten gevolge van gaswinning door NAM voorkomen, en dat die schadevoorvergoeding in aanmerking komt, ongeacht of er fysieke schade aan de onroerende zaken is opgetreden en ongeacht of de onroerende zaken al dan niet zijn verkocht.”[5]

Kortom de private aansprakelijkheid is zich aan het ontwikkelen wat betreft de aardbevingproblematiek in Groningen. Dit zijn de eerste stappen voor de burger op weg naar schadevergoeding. Deze weg zal nog wel even voortduren aangezien de NAM in hoger beroep is gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank.

[1] Art. 6:177 lid 1 sub b BW.

[2] Kamerstukken II 2015/16, 34 390.

[3] Rb. Noord-Nederland 2 september 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4185.

[4] Rb. Noord-Nederland 2 september 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4185, r.o. 4.4.17.

[5] Rb. Noord-Nederland 2 september 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4185, r.o. 5.1.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.