Jaargang 41 - Nummer 2,  2007 - 2008

Leugendetector?! Liegen is niet strafbaar

In Nederland mag in strafzaken een leugendetector gebruikt worden. De uitslag hiervan mag echter niet gebruikt worden als “doorslaggevend bewijs”. De uitslag vormt slechts een aanwijzing voor de rechter. Het onderstaande artikel geeft inzicht in waarom in Nederland de uitslag van een leugendetectortest slechts een aanwijzing is voor de rechter. Eerst zal er worden ingegaan op liegen in het algemeen, daarna wordt de werking van een leugendetector uitgelegd, hierbij komen onder andere de zwakke punten van het apparaat aan de orde. Tenslotte wordt er kort ingegaan op andere methoden die liegen aan proberen te tonen.

Liegen
Al vanaf zesjarige leeftijd kunnen mensen bewust liegen. Kinderen liegen vaak omdat ze bang zijn voor de straf die ze krijgen als ze eerlijk zeggen wat er gebeurd is, of omdat ze zich beter willen voordoen dan in werkelijkheid het geval is. Ook kan liegen een vorm van opscheppen zijn. Jongens liegen over het algemeen iets vaker dan meisjes.
Het is moeilijk aan te tonen wanneer een persoon een leugen vertelt. De neus van Pinocchio groeide als hij een leugen vertelde, bij de neus van de mens is dit niet het geval. Er zijn andere indicaties nodig om liegen aan te tonen. Een instrument dat als hulpmiddel gebruikt kan worden is een leugendetector.

Spanning
Een leugendetector, ook wel polygraaf genoemd, is een instrument dat allerlei lichamelijke reacties registreert. Er wordt bijvoorbeeld gelet op bloeddruk, hartslagfrequentie en ademhaling, de zweetproductie en spieractiviteit. Een leugendetector meet de spanning van een persoon. Spanning gaat gepaard met fysieke veranderingen: de bloeddruk wordt hoger, het hart klopt sneller, mensen gaan trillen en transpireren.
Het meten van spanning gebeurt op de volgende manier. Tijdens een leugendetectortest worden er aan de proefpersoon relevantievragen en controlevragen gesteld die beide met ja of nee beantwoord kunnen worden. De relevante vragen hebben betrekking op de feiten die men aan het licht wil brengen, terwijl de resterende controlevragen als vergelijkingsmateriaal dienen. Door het stellen van twee soorten vragen wordt er rekening gehouden met de spanning die iemand heeft vanwege de gestelde vragen en het onderzoek zelf.
Om er achter te komen of liegen de oorzaak is van deze spanning, wordt de spanningswaarde die gemeten wordt tijdens het geven van antwoord op een relevante vraag, vergeleken met de hoeveelheid spanning die een persoon tijdens het beantwoorden van controlevragen heeft. Controlevragen roepen bij onschuldige personen meer spanning op dan relevante vragen, die over daden gaan die ze naar waarheid kunnen ontkennen. Bij schuldige personen werkt dit net omgekeerd, hierbij roepen relevante vragen dus meer spanning op dan controlevragen. Hieruit kun je afleiden of een persoon liegt.

Gebruik
In Nederland werden in 1951 de eerste proefnemingen met een leugendetector gedaan. De proeven werden afgenomen door dr. Holtzer, hij was een neuroloog en psychiater uit Eindhoven. Het eerste experiment met een leugendetector vond echter veel eerder plaats. In 1935 toetste de Amerikaan Leonard Keeler in een politieonderzoek de verklaringen van twee mannen. Keeler deed dit met een apparaat die gelijktijdig iemands bloeddruk, hartslag, ademhalingsfrequentie en veranderingen in huidweerstand kon registreren. Zijn apparaat werd wereldwijd bekend en hij richtte het Keeler Polygraphic Institute op.  Tegenwoordig zijn er in de VS tientallen van zulke instituten waar men zich binnen een paar maanden tot polygrafist kan laten opleiden.
In de VS wordt de leugendetector op verschillende terreinen gebruikt. Een voorbeeld hiervan is dat bedrijven polygrafisten inhuren om sollicitanten door te lichten. Verder wordt er binnen de Amerikaanse overheid veel gebruik gemaakt van de leugendetector, in het bijzonder bij de CIA en de binnenlandse veiligheidsdienst. Ten slotte maakt ook de Amerikaanse politie regelmatig gebruik van de leugendetector om een onderzoek te bespoedigen.
Bij strafzaken wordt er echter zelden gebruikt gemaakt van testuitslagen van de Amerikaanse politie. In de meeste staten is dit tegenwoordig zelfs verboden. De voornaamste reden hiervoor is de vrees dat de jury te veel waarde aan de uitslag zal hechten.
In Nederland is de leugendetector niet in de wet opgenomen als toegestane onderzoeksmethode. De uitslag van een leugendetectortest kan eventueel wel als wettig bewijsmiddel dienst doen, bijvoorbeeld in de vorm van een deskundigenverslag hetzij een ander geschrift.   De Hoge raad heeft echter bepaald dat als de uitslag van een test voor de verdachte belastend is, in tegenstelling tot wat de verdediging veronderstelt, dan kan dit resultaat niet als bewijs dienen. Hieruit valt af te leiden dat de resultaten van de leugendetector in ons strafprocesrecht niet veel waarde hebben.
Op een ander terrein wordt er wél gebruikt gemaakt van de leugendetector, namelijk in de Nederlandse TBS Klinieken. In deze klinieken wordt er momenteel experimenteel onderzoek met een leugendetector gedaan.  Bij TBS patiënten worden periodiek leugendetectortesten afgenomen. Het doel van deze testen is niet puur de waarheid of leugen per gebeurtenis te achterhalen. Waar het wel om gaat is gedragsveranderingen van patiënten te ontdekken en te registreren. Door gedrag te registreren willen de klinieken voorkomen dat patiënten onopgemerkt nieuw delictgedrag kunnen ontwikkelen.

Betrouwbaarheid
Een zwak punt van een leugendetector is de te geringe betrouwbaarheid van het apparaat. Men kan namelijk niet met 100 procent zekerheid vaststellen of iemand de waarheid vertelt. De betrouwbaarheid van het apparaat wordt geschat tussen de 60 en 70 procent. Overigens verschilt dit erg per apparaat en per ondervraagde persoon. De betrouwbaarheid van een leugendetector is lastig te meten. De betrouwbaarheid van een leugendetector wordt op verschillende manieren onderzocht. Voorbeelden hiervan zijn laboratoriumexperimenten en veldstudies.
De resultaten van de laboratoriumexperimenten lopen echter sterk uiteen. Sommige onderzoekers boeken in bijna 90 procent van de experimenten succes, dit wil zeggen dat in 90 procent van de experimenten de juiste conclusie wordt getrokken, terwijl andere maar nauwelijks boven de kansverwachting scoren. Verder valt te betwijfelen of kunstmatige experimenten een goede weergave zijn van de dagelijkse praktijk. De proefpersonen staan aan minder grote bedreigingen bloot dan echte verdachten. Proefpersonen worden vaak gemotiveerd door een beloning in het vooruitzicht te stellen indien ze de polygrafist van hun onschuld kunnen overtuigen. Echte verdachten staan aan grotere bedreigingen bloot dan het mislopen van de beloning. De angst voor een positieve testuitslag zal bij echte verdachten ongetwijfeld veel groter zijn, en dat kan van invloed zijn op hun gedrag.
Een andere manier om betrouwbaarheid te onderzoeken is door gebruik te maken van veldstudies. Hierbij wordt er gebruikt gemaakt van polygrafische gegevens die in de praktijk door de politie zijn verzameld. Deze gegevens worden dan opnieuw beoordeeld door polygrafisten. Aan veldstudies kleven echter bezwaren. Het voornaamste bezwaar is, dat men alleen gegevens gebruikt van verdachten die later een bekentenis hebben afgelegd waarbij is komen vast te staan dat ze wel of niet schuldig waren. Dit kan een vertekend beeld van de werkelijkheid geven. Daders bekennen vaak als gevolg van een positief uitgevallen leugendetectortest. Schuldigen die niet door de mand vallen bij de test, hebben geen prikkel om hun daad te bekennen.  Zij ontlopen dus meestal hun straf en zijn daardoor nauwelijks terug te vinden in de statistieken.

Manipulatie
Er bestaan mogelijkheden voor de ondervraagde om de uitslag van de leugendetectortest te manipuleren. Zo kan de ondervraagde bijvoorbeeld hard op zijn tong bijten als hem een controlevraag wordt gesteld. Op die manier zorgt hij ervoor dat de relevante vragen relatief gezien niet méér spanning opleveren. Bij schuldige ondervraagden roepen relevante vragen immers meer spanning op dan controlevragen, waaruit af te leiden is of ondervraagde liegt. Door het gebruik van een tegenmaatregel ligt de spanning gemeten bij een controlevraag dus hoger dan de spanning gemeten bij een relevante vraag.
Andere tegenmaatregelen die hetzelfde effect hebben zijn het aanspannen van de buik en een persbeweging te maken, alsof je naar het toilet moet. Uit experimenteel onderzoek is gebleken dat tegenmaatregelen zo effectief zijn dat de meeste schuldigen niet meer kunnen worden betrapt.
Er zijn de afgelopen jaren andere technieken ontwikkeld om te beoordelen of een persoon liegt. Het voert te ver om hier uitgebreid op in te gaan maar ik zal ze toch even kort noemen. Een voorbeeld hiervan is de Voice Stress Analyzer, dit is een apparaat dat stemfrequenties meet. Verder heb je het elekro-encefalogram (EEG) welke de hersenactiviteit registreert. Het onderzoek naar de EEG lijkt vooralsnog veel belovend.

Conclusie
Uit het bovenstaande kan het volgende afgeleid worden. In Nederland vindt men de uitslag van een leugendetectortest op zich zelf onvoldoende bewijs in strafzaken. De voornaamste reden is dat met een leugendetector niet met 100 procent zekerheid vastgesteld kan worden of iemand de waarheid verteld. Met andere woorden de betrouwbaarheid van een leugendetector is te gering. Bovendien is uit onderzoek gebleken dat de uitslag van een leugendetectortest door de ondervraagde is te manipuleren. Dit komt de betrouwbaarheid van het apparaat niet ten goede. Wie weet verandert er in de nabije toekomst iets aan de zwakke betrouwbaarheid van de leugendetector. Het zou ook goed mogelijk zijn dat andere technieken, zoals de EEG, zich als zodanig ontwikkelen, maar dit blijft vooralsnog giswerk.

Leave a Reply

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.