2017

Mei 2017

Mei 2017

Door: Willem Beerda

Verkorting levenslange gevangenisstraf

De civiele procedure

De levenslange gevangenisstraf kan wettelijk gezien op twee manieren worden verkort. De meest bekendste weg is middels de gratieprocedure. Een tweede mogelijkheid om de straf te verkorten is de civiele procedure. Deze procedure kan enkel worden gezien als een theoretische mogelijkheid, de procedure heeft tot nu toe nog geen enkele keer tot een positief resultaat geleid voor een gedetineerde.

De civiele procedure is een kort geding, waarin de veroordeelde een gebod tot invrijheidstelling vraagt aan de rechter. De veroordeelde beroept zich op artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek en stelt dat de voortzetting van de gevangenisstraf een onrechtmatige daad oplevert aan de kant van de overheid. Voor toewijzing van de vordering moet zijn voldaan aan het volgende: ‘indien de rechter vaststelt dat bij de veroordeling tot levenslange gevangenisstraf dan wel bij de tenuitvoerlegging daarvan dermate fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden dat de voortzetting van de tenuitvoerlegging niet langer als rechtmatig kan worden beschouwd.’[1] Een ernstige schending van de waarborgen van het EVRM is hier een voorbeeld van.

Zoals in de inleiding al is aangegeven, is er tot de dag van vandaag geen levenslanggestrafte door middel van deze procedure in vrijheid gesteld. Een zaak waar via deze weg wel geprobeerd is de straf te beëindigen, is de zaak betreffende de wegens oorlogsmisdrijven ter dood veroordeelde Duitser Kotälla.[2] Door middel van gratie werd zijn straf destijds omgezet naar een levenslange gevangenisstraf. In 1973 kreeg hij een hersenbloeding, waardoor zijn gezondheid ernstig verslechterde. Hij diende een klacht in wegens schending van artikel 3 en/of 5 EVRM. Er kon volgens hem geen enkel doel worden bereikt met de voortzetting van zijn detentie. De Hoge Raad vond uiteindelijk dat het gevangen blijven houden van Kotälla geen blijk geeft van een onrechtmatige daad.

Niettemin heeft de Hoge Raad bepaalt dat een veroordeelde altijd het oordeel van de burgerlijke rechter moet kunnen inroepen omtrent de rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van de straf.[3] Dat de civiele procedure theoretisch gezien wel een mogelijkheid is wordt in 2004 bevestigd door de toenmalige Minister van Justitie Donner. Echter spreekt hij van een ‘louter theoretische’ mogelijkheid.[4] Daarbovenop ziet voormalig Staatssecretaris van Justitie Albayrak de gratieprocedure als ‘de enige weg.’[5] Hieruit valt op te maken dat deze mogelijkheid er theoretisch gezien wel is, maar in de praktijk enkel de gratieprocedure kan leiden tot verkorting van de straf.

[1] Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 1972, p.41.

[2] HR 11 februari 1977, NJ 1977, 255.

[3] HR 16 juni 2009, LJN BF3741, r.o. 2.10.

[4] Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 1972, p.41.

[5] Kamerstukken II 2009/10, 24 587, nr. 377, p. 32.

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.