Jaargang 33 - Nummer 2,  1998 - 1999

Onrechtmatige bewijsgaring en art. 359a SV

Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan ui het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen (art. 338 Sw.) Politie en justitie is er dus veel aan gelegen om bij het verzamelen van bewijs in het vooronderzoek niet in de val te lopen van onrechtmatige bewijsgaring. Het gevolg kan namelijk zijn dat, zoals de Hoge Raad beslist in het befaamde Bloedproef II- arrest uit 1962, hierop wordt gereageerd met bewijsuitsluiting. Het nieuwe art. 359a Sv. Geeft de rechter behalve deze mogelijkheden nu nog twee andere manieren om te reageren op onrechtmatige bewijsgaring: niet- ontvankelijkheidsverklaring van het OM en strafmaatcompensatie. De vraag die zich opwerpt is hoe deze drie mogelijkheden zich tot elkaar verhouden.


Klik hier om het volledige artikel te lezen.

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.