Jaargang 47 - Nummer 1

Over gedragsregels voor advocaten en de procedure van klacht tot tuchtrechter

Maaike Baan

Over gedragsregels voor advocaten en de procedure van klacht tot tuchtrechter.

Wat een behoorlijk advocaat betaamt

In april van dit jaar deed het Hof van Discipline uitspraak in de zaak tegen Bram Moszkowicz, die zich toen nog één van de bekendste advocaten van Nederland kon noemen. Bekend is hij nog steeds, advocaat niet meer: Moszkowicz werd met de beslissing van het Hof van Discipline geschrapt van het tableau, de zwaarste maatregel die door de tuchtrechter aan een advocaat kan worden opgelegd. Aan welke regels dient een advocaat zich bij de uitoefening van zijn beroep eigenlijk te houden? Hoe bont moet hij het maken voordat hij definitief geschrapt wordt van het tableau en welke procedure gaat er aan een zitting bij het Hof van Discipline, de hoogste tuchtrechter voor advocaten, vooraf?

Gedragsregels voor advocaten
Alle advocaten in Nederland zijn verplicht lid van de Nederlandse Orde van Advocaten. Zij moeten zich houden aan de Advocatenwet en door de Orde gestelde eisen. Aan het beroep van advocaat zijn bepaalde gedragsregels verbonden, die zijn neergelegd in de Gedragsregels 1992. Deze regels zijn bedoeld als richtlijn voor het handelen van advocaten en kunnen tevens dienen als richtlijn voor de tuchtrechter. Zij hebben dus geen bindend karakter. Voorafgaand aan het intreden van de Gedragsregels 1992 – die de Gedragsregels van 1980 vervingen – bestond discussie over het karakter van de regels: moesten die bij verordening worden vastgesteld zodat ze aan gezag zouden winnen en meer gelegitimeerd zouden zijn, of moest het tot dan toe bestaande open stelsel worden behouden? Voor dit laatste werd gekozen en de gedragsregels bleven daarmee, in de woorden van de commissie die de tekst schreef voor de Ereregelen voor advocaten van 1968, “een weergave van datgene wat in de balie in een bepaald tijdvak leefde als ererecht”.

De gedragsregels kunnen worden gezien als een invulling van de wettelijke norm van artikel 46 Advocatenwet. Deze bepaling benoemt het handelen en nalaten ter zake waarvan advocaten aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen.

Artikel 46 Advocatenwet geeft, kort weergegeven, drie regels:
– zorg voor de behartiging van de aan de advocaat toevertrouwde belangen;
– naleving van de verordeningen van de Orde;
– handelen overeenkomstig hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt.

Uiteindelijk bepalen de Raden en het Hof van Discipline (de tuchtrechters in eerste aanleg en hoger beroep) ‘wat een behoorlijk advocaat uit een oogpunt van behoorlijke beroepsuitoefening al dan niet betaamt’. Het gedragsrecht voor advocaten is dus voornamelijk rechtersrecht.

De kernwaarden van de advocatuur gecodificeerd?
Ongeveer tien jaar gelden werd door de Tweede Kamer een motie aangenomen, waarin gevraagd werd om een analyse van de positie en rol van de advocaat in de rechtsstaat en de rechtsorde. In 2005 werd door de minister van Justitie aan deze motie uitvoering gegeven door installatie van de Commissie Advocatuur onder leiding van Van Wijmen. In 2006 verscheen het rapport van de commissie: Een Maatschappelijke Orde. Het rapport stelt onder meer voor om de kernwaarden van de advocatuur – zoals die naar huidige opvattingen al gelden voor de beroepsgroep – vast te leggen in de Advocatenwet. De aanbevelingen van de Commissie Van Wijmen hebben geleid tot het  wetsvoorstel “Positie en toezicht advocatuur”, dat sinds mei 2010 in behandeling is bij Tweede Kamer. Het wetsvoorstel voegt onder andere een nieuw artikel 10a toe aan de Advocatenwet, daarmee de kernwaarden voor de advocatuur worden gecodificeerd. Artikel 10a noemt vijf kernwaarden: onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, integriteit en vertrouwelijkheid. Deze kernwaarden dienen uiteindelijk het belang van een goede rechtsbedeling, dat in de Memorie van Toelichting van het wetsvoorstel wordt aangeduid als het kerndoel van de advocatuur.

Uit het bovenstaande is gebleken dat advocaten zich aan bepaalde regels moeten houden en dat er een speciale tuchtrechter is die hierop kan toezien. Maar welke verschillende manieren zijn er om tot een oplossing van een geschil te komen? En hoe komt een zaak bij de tuchtrechter terecht?

Verschillende klachtenregelingen
Wanneer een persoon niet tevreden is over de werkwijze van zijn of haar advocaat, ligt het voor de hand om het probleem eerst aan de advocaat zelf voor te leggen. Ontevredenheid kan bijvoorbeeld ontstaan over de kwaliteit van de dienstverlening, maar ook over de bereikbaarheid van de advocaat of diens declaraties. Als cliënt en advocaat niet samen tot een oplossing komen kan in veel gevallen een officiële klacht worden ingediend via de interne klachtenprocedure van het kantoor. Veel advocatenkantoren hebben een speciale klachtenfunctionaris die klachten behandelt volgens een interne regeling.

Tegenwoordig zijn ook veel advocaten aangesloten bij de Geschillencommissie Advocatuur: een onafhankelijke instantie die tot taak heeft om geschillen tussen een cliënt en zijn advocaat te beslechten die betrekking hebben op de opdracht aan de advocaat. Zowel de advocaat als de cliënt kan de commissie benaderen wanneer sprake is van een geschil. Wanneer de cliënt een consument is en het werk van de advocaat geen betrekking heeft gehad op de uitoefening van een beroep of bedrijf van de cliënt, treedt de commissie op als bindend adviseur. Is de cliënt geen natuurlijk persoon, maar bijvoorbeeld een stichting of vennootschap, dan treedt de Geschillencommissie op als arbiter. De Geschillencommissie behandelt schadevergoedingsvorderingen tot een bedrag van €10.000.

Op dit moment zijn al meer dan 5.000 advocaten vrijwillig aangesloten bij de Geschillencommissie. De gang naar de commissie wordt door advocaten en hun cliënten vooraf afgesproken, bijvoorbeeld in de algemene voor­waarden. Vereiste is dat de klachten­functionaris voorafgaand aan de gang naar de commissie in kennis is gesteld van de klacht. Wanneer de advocaat van de klager niet bij de commissie is aangesloten, kan het geschil op basis van een Akte van Compromis toch naar de commissie worden doorgeleid.

Een andere optie voor de klager is om direct contact op te nemen met de lokale deken van de Orde van Advocaten. Nederland telt 11 arron­dissementen met 11 lokale Orden van Advocaten. Elk van deze Orden wordt bestuurd door een Raad van Toezicht, waarvan de lokale deken voorzitter is. Hij is gekozen door de advocaten in zijn arrondissement en verantwoorde­lijk voor het toezicht op de advocatuur in die regio. Het arrondissement waar­in de advocaat is gevestigd, bepaalt wie de aangewezen deken is.

De deken stelt een onderzoek in naar alle klachten die bij hem binnenko­men. Wanneer de klager daarom ver­zoekt, helpt de deken hem met het schriftelijk formuleren of verduidelij­ken van zijn klacht. In eerste instantie probeert de deken te bemiddelen tus­sen de advocaat en zijn cliënt: hij tracht – in de woorden van de Advocatenwet – de klachten steeds ‘in der minne te schikken’. Leidt de bemiddeling tot te­vredenheid bij advocaat en klager, dan wordt de schikking schriftelijk vastge­legd en door beide partijen onderte­kend. Voor de klager vervalt hiermee de mogelijkheid om de klacht via de deken aan de Raad van Discipline, de tuchtrechter in eerste instantie, voor te leggen.

De deken kan ook besluiten na zijn eigen onderzoek de klacht voor te leg­gen aan de Raad van Discipline. Dat zal hij doen wanneer naar zijn oor­deel bemiddeling niet mogelijk of niet wenselijk is. Wanneer de cliënt erop staat dat zijn zaak voor de tuchtrechter wordt gebracht, is de deken verplicht om de klacht – na zijn eigen onderzoek – door te zenden aan de Raad.

Tuchtrechtspraak
Er zijn vier raden van discipline in Nederland, die op grond van de wet belast zijn met de tuchtrechtspraak voor advocaten. Daarnaast is er een Hof van Discipline, de tuchtrechter in hoger beroep en tevens laatste instan­tie. De tuchtcolleges oordelen onaf­hankelijk en partijdig. Zij zijn niet ver­bonden aan de Nederlandse Orde van Advocaten of aan de gewone recht­sprekende colleges, zoals rechtbanken. Behandelingen van zaken vinden dan ook niet in toga plaats.

De rechtsgebieden van de raden vallen samen met die van de vier gerechtsho­ven. De raad krijgt een klacht altijd doorgezonden door de deken; het is voor een ontevreden cliënt niet moge­lijk om direct naar een raad van disci­pline te stappen.

De voorzitter van de Raad van Discipline beoordeelt of een binnen­gekomen klacht geschikt is om op een zitting te behandelen. Wanneer dat niet het geval is – de klacht is van onvoldoende gewicht, kennelijk onge­grond of kennelijk niet-ontvankelijk – kan de voorzitter de klacht binnen 30 dagen schriftelijk afdoen. Vindt de voorzitter dat er wel een zitting moet komen dan wordt de zaak behandeld door een raad bestaande uit een voor­zitter en vier leden, bijgestaan door een griffier. De voorzitter is altijd een rechter en de leden zijn advocaten. De griffier is ook een advocaat. De partij­en worden uitgenodigd om bij de zit­ting aanwezig te zijn en kunnen zich laten bijstaan door een advocaat of ge­machtigde. De voorzitter en leden van de Raad hebben tijdens de zitting geen rechtstreeks contact met partijen; het contact verloopt via de griffie.

Als de Raad van Discipline de bezwa­ren over de advocaat gegrond acht, zijn er vier maatregelen die kunnen wor­den opgelegd: een enkele waarschu­wing, een berisping, schorsing voor de maximale duur van een jaar en schrap­ping van het tableau. Het handelen en/of nalaten van de advocaat wordt door de Raad van Discipline steeds getoetst aan het eerder genoemde arti­kel 46 van de Advocatenwet, waarvan de Gedragsregels 1992 als uitwerking kunnen worden gezien. Ook kan wor­den getoetst aan verordeningen die zijn vastgesteld door het College van Afgevaardigden van de Orde.

Is een klacht door de voorzitter schrif­telijk afgewezen en is de klager nog steeds van mening dat zijn zaak toch voor de Raad zou moeten komen, dan kan hij tegen de beslissing van de voorzitter binnen 14 dagen in verzet komen. Indien de Raad van oordeel is dat het verzet gegrond is, wordt de klacht in verdere behandeling geno­men. De Raad kan het verzet zonder nader onderzoek ongegrond verkla­ren wanneer hij van oordeel is dat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of van onvol­doende gewicht is. Dat kan hij echter pas doen na de klager en de betrokken advocaat en deken in de gelegenheid te hebben gesteld om te worden gehoord. Tegen de beslissing van het niet-ont­vankelijk of ongegrond verklaren van het verzet staat geen rechtsmiddel meer open.

Een klacht over een advocaat kan door de klager ook weer worden ingetrok­ken. In beginsel wordt daarmee de be­handeling van de klacht door de Raad gestaakt. Dat is anders wanneer de Raad van mening is dat de klacht toch behandeld moet worden met het oog op het algemeen belang. In dat geval wordt de klacht verder behandeld ‘als ware hij afkomstig van de deken’.

Tegen uitspraken van de Raad van Discipline kan in hoger beroep wor­den gegaan bij het Hof van Discipline: de hoogste instantie voor tuchtrecht­spraak ten aanzien van advocaten. Het Hof houdt zitting in het Paleis van Justitie in ’s Hertogenbosch. Leden van het Hof zijn rechters en advocaten. Een zittingskamer bestaat steeds uit drie leden van de rechterlijke macht en twee advocaatleden. Hoger beroep kan worden ingesteld door de klager, de advocaat ten aanzien van wie de beslissing is genomen en de deken die de klacht bij de Raad heeft aange­bracht. Tegen alle beslissingen van de Raad van Discipline kan hoger beroep worden ingesteld door de algemene deken van de Nederlandse Orde van Advocaten.

Wetsvoorstel Positie en toezicht advocatuur
Hiervoor kwam het wetsvoorstel “Positie en toezicht advocatuur”, dat momenteel in behandeling is bij de Tweede Kamer, al even aan de orde. Naast verankering van de kernwaar­den van de advocatuur in een nieuw artikel 10a van de Advocatenwet houdt het wetsvoorstel een ingrijpen­de wijziging van de manier van toe­zicht op de advocatuur in. Het voorstel wil een college van toezicht installeren dat verantwoordelijk is voor het toe­zicht op advocaten. Benoeming van de leden van het college vindt plaats op voordracht van de minister. Ook kan de minister leden voordragen voor schorsing en ontslag. Het toezicht wordt uitgeoefend door de deken en andere personen die worden aange­wezen door het college van toezicht, waaronder medewerkers van het ei­gen bureau. Het college kan een deken aanwijzingen geven en hem voordra­gen voor schorsing of ontslag.

De Orde van Advocaten is om ver­schillende redenen tegen het aanstel­len van een College van Toezicht. De voornaamste reden is dat de overheid daarmee bevoegdheden krijgt waar­door sprake is van een verregaan­de betrokkenheid en invloed van de overheid op de advocatuur. Controle door de overheid op de advocatuur is volgens de Orde strijdig met de onaf­hankelijke positie van de advocaat in de rechtsstaat. Daarnaast stelt de Orde dat met het voorgestelde College van Toezicht de privacy van cliënten niet langer is gewaarborgd, nu de leden van het college toegang hebben tot alle gegevens van advocaten en zij niet het verschoningsrecht kennen zoals dat voor advocaten geldt. Bovendien merkt de Orde op dat er met het aan­stellen van een College van Toezicht een “toezichtcircus” ontstaat met ver­schillende toezichthouders. De extra kosten en bureaucratie die dit extra toezicht met zich meebrengen, komen de klager niet ten goede.

Ook andere instanties zijn kritisch over het wetsvoorstel. De Raad voor de Rechtspraak noemt de voorgestelde regeling in haar advies “te vergaand en onwenselijk”. De Hoge Raad acht de noodzaak van het wetsvoorstel “on­voldoende beargumenteerd”.

Het alternatief dat de Orde voorstelt is om de huidige positie van de deken te versterken door de introductie van een stelseltoezichthouder. Deze on­derzoekt de werking van het stelsel en het functioneren van de deken, maar houdt zich niet bezig met toezicht op individuele advocaten.

Slotsom
Uit het bovenstaande blijkt dat er verschillende manieren zijn om een ge­schil tussen advocaat en cliënt op te lossen. In eerste instantie wordt steeds geprobeerd de kwestie ‘in der min­ne te schikken’. Pas wanneer dat niet mogelijk of niet wenselijk blijkt, komt de tuchtrechter aan de orde. De tucht­rechter oordeelt aan de hand van art. 46 Advocatenwet, welke norm wordt ingevuld door de Gedragsregels 1992, of een advocaat heeft gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Het gedragsrecht voor advocaten is uitein­delijk vooral rechtersrecht.

Het wetsvoorstel “Positie en toezicht advocatuur” beoogt het toezicht op de advocatuur drastisch te wijzigen. Gezien de kritiek uit verschillende hoeken van de juridische vakwereld is het nog maar de vraag of de voorge­stelde regeling toepassing zal vinden.

Noten
                                                                                                                                                           

1 Daarnaast zijn alle advocaten lid va de Orde in hun arrondis­sement.

2 Gedragsregels 1992, Ten geleide. Geraadpleegd 11 november 2013 via https://www.advocatenorde.nl/advocaten/juridi­sche-databank/wetenregelgeving/list/hoofdstuk/Gedragsre­gels%201992?pagenum=0.

3 Gedragsregels 1992, Inleiding, idem.

4 Gedragsregels 1992, Ten geleide, idem.

5 Commissie Advocatuur (2006). Een Maatschappelijke Orde.

6 Aanpassing van de Advocatenwet en enige andere wetten in verband met de positie van de advocatuur in de rechtsorde en herziening van het toezicht op advocaten (Wet positie en toezicht advocatuur, 32 382).

7 Memorie van Toelichting Wet positie en toezicht advocatuur, p. 6.

8 Memorie van Toelichting Wet positie en toezicht advocatuur, p. 13.

9 Art. 4 Reglement Geschillencommissie.

10 Art. 7 lid 1 Reglement Geschillencommissie.

11 Geschillencommissie Advocatuur. Geraadpleegd 11 november 2013 via https://www.advocatenorde.nl/585/consumenten/geschillencommissie-advocatuur.html.

12 Art. 46c lid 1 Advocatenwet.

13 Art. 46d lid 1 Advocatenwet.

14 Art. 46d lid 2 Advocatenwet.

15 Art. 46e lid 1 Advocatenwet.

16 Art. 46 Advocatenwet.

17 Dijk, J.C. (2012) Jaarverslag Hof van Discipline & Raden van Discipline 2012. Geraadpleegd 11 november 2013 via http://www.hofvandiscipline.nl/admin_assets/content/content_files/public/Jaarverslag%202012%20Hof%20en%20raden%20van%20discipline.pdf.

18 www.hofvandiscipline.nl. Veel gestelde vragen. Geraadpleegd op 11 november 2013.

19 Art. 46a Advocatenwet.

20 Art. 46g lid 1 Advocatenwet.

21 Art. 48 lid 2 Advocatenwet.

22 Alle toepasselijke regelgeving is te vinden in de juridische databank op de website van de Nederlandse Orde van Advocaten: www.advocatenorde.nl.

23 Art.46h lid 5 Advocatenwet.

24 Art. 46h lid 3 Advocatenwet.

25 Art. 46h lid 4 Advocatenwet.

26 Art. 47a Advocatenwet.

27 Art. 56 lid 1 Advocatenwet.

28 Art. 56 lid 2 Advocatenwet.

29 Art. 36a t/m 36c wetsvoorstel 32 382 (Wet positie en toezicht advocatuur).

30 Art. 45a t/m 45f wetsvoorstel 32 382 (Wet positie en toezicht advocatuur).

31 (R)écht onafhankelijk: Het wetsvoorstel. Geraadpleegd op 11 november 2013 via https://www.advocatenorde.nl/9789/echt-onafhankelijk/wetsvoorstel.html.

32 (R)écht onafhankelijk: Veelgestelde vragen. Geraadpleegd op 14 november 2013 via https://www.advocatenorde.nl/9784/echt-onafhankelijk/veelgestelde-vragen.html?faq=9805#­faq9805.

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.