Column Rob Zijlstra: Eis tegen niemand

  • -

Column Rob Zijlstra: Eis tegen niemand

Column Rob Zijlstra
Eis tegen niemand

Juridisch bezien zou de prostitutie van vandaag de dag ook wel verkrachting kunnen heten.

Een nu 34-jarige man uit Tsjechië stond afgelopen donderdag terecht voor de rechtbank van Groningen wegens mensenhandel. Dat wil zeggen: hij stond op papier.

De aanpak van mensenhandel – met als doel die te bestrijden – heet een speerpunt te zijn. Dat betekent dat deze vorm van zware misdaad extra aandacht krijgt en als het even kan met grote voortvarendheid wordt aangepakt. Ook in Noord-Nederland.

Op 26 januari 2006 deed een jonge vrouw uit Tsjechië aangifte bij de politie in Groningen. Wat ze deed – de hoer spelen achter de ramen in de Groningen (en soms ook in benauwde kamertjes in Leeuwarden) – deed ze omdat ze daartoe werd gedwongen door een man die haar met een grote grijze Citroën naar Nederland had gebracht. Ze moest 450 euro per week voor haar peeskamertje betalen, het geld dat ze verdiende –soms wel 2.000 euro in de week – moest ze afdragen. Ze werkte vijftien, zestien uur per dag, ook wanneer ze ziek was of ongesteld. Ze werd gecontroleerd en regelmatig in elkaar  geslagen. Dat hoorde er gewoon bij.

De man die al dit naars op zijn geweten zou hebben, had haar gekocht van zigeuners in Tsjechië. Zij had zich op 18-jarige leeftijd bij hen aangesloten omdat ze te oud was geworden voor het kindertehuis waar ze haar rotjeugd had versleten. De zigeuners beloofden haar van alles, maar ze belandde in seksclubs. Toen was die man gekomen. Hij had duizend euro voor haar betaald. Daarmee was hij haar vriend geworden. Drie jaar had ze voor hem gewerkt in een bordeel. Op een dag zei haar ’vriend’ dat ze naar Nederland zouden gaan, naar Groningen waar ze bergen met geld zouden verdienen aan Groninger mannen. Op de dag van aankomst in Groningen moest ze direct aan de slag. Op de  eerste werkdag verdiende ze 800 euro, maar ze bleef met lege handen zitten. Ze moest alles afdragen.

Een ernstig verhaal, dat politiemensen die zich bezighouden met de  bestrijding van mensenhandel niet heel vreemd voorkomt. Zij kennen dit soort verhalen,  soms nog veel erger. Juridisch bezien zou prostitutie van vandaag de dag ook verkrachting kunnen heten. Legale verkrachting, want de burgemeester – de overheid – heeft er een vergunning voor verstrekt. Wie legaal een vrouw wil verkrachten, een vrouw seksueel binnen wil dringen, is vijftig tot zestig euro kwijt. Wie zoiets spotgoedkoop wil, kan zieke vrouwen verkrachten op de gemeentelijke tippelzone (Groningen, Bornholmstraat). Ook dat is daar door de overheid goed geregeld.
Dit terzijde.

Het verhaal van de jonge vrouw leidt in 2006 tot een onderzoek dat de codenaam ‘Vleugel’ krijgt. Vleugellam was misschien een betere benaming geweest. A ls gevolg van andere  onderzoeken in dezelfde sfeer wordt Vleugel in de loop van 2006 stilgelegd om in 2009 weer te worden opgepakt. En dan is het snel raak. De verdachte in dit verhaal heet Richard D., in 1979 geboren in Chomutov. De politie weet hem rap op te sporen: op 21 juni 2010 wordt hij op verzoek van de Nederlandse autoriteiten in Tsjechië aangehouden. Hij ontkent. Jawel, hij heeft in 2005 en ook in 2006 wel eens meisjes naar Nederland, naar Groningen gebracht, maar verder is zijn naam haas. Hij is geen mensenhandelaar, hij handelt in autobanden, dat is heel iets anders.

Hij zit een paar dagen vast voor verhoor en mag dan gaan. Op 25 januari 2012 is er de rechtszaak in Groningen. Richard D. komt niet opdagen. Hij is in Tsjechië waar hij altijd is. Naar Groningen kwam hij alleen om geld op te halen. De advocaat wil nieuwe getuigen horen wat tot vertraging leidt. Groninger politieagenten reizen af naar Tsjechië, horen
de getuigen en zetten alles op papier. Er wordt een nieuwe rechtszaak gepland op 27 juni 2013. Die gaat niet door omdat niemand weet waar de verdachte dan is. En hij moet wel weten dat er een rechtszaak tegen hem is, dat vereist de wet. Afgelopen donderdag ging de rechtszaak wel door. De vrouw die Richard D. als een slavin zou hebben uitgebuit zit met een tolk in de rechtszaal. Richard D. is er weer niet. Op de dagvaarding staat dat hij ‘zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland’ is.

De rechters zeggen ambtshalve te weten dat Richard D. in Tsjechië bij zijn moeder woont ‘op een bekend adres’. De officier van justitie reageert daar niet op, maar zegt dat het inderdaad allemaal veel te lang heeft geduurd, ze zegt dat de redelijke termijn is overschreden. Niet goed, dat moet een kleine consequentie hebben.

Ze zal daarom geen achttien maanden gevangenisstraf eisen, maar een jaar. Verdachte heeft recht op korting. Daarnaast moet verdachte, vindt de officier van justitie, nog wel 15.000 euro aan de vrouw betalen die hij heeft uitgebuit. De slavin zelf heeft een claim van 100.000 euro ingediend. De advocaat vindt dat het Openbaar Ministerie het recht op vervolging heeft verspeeld. Wanneer in januari 2006 aangifte wordt gedaan en de  verdachte vervolgens ruim vier jaar later, in juni 2010, wordt aangehouden kun je weer vier jaar later, juli 2014, niet nog eens een vrijheidsstraf van een jaar eisen tegen iemand die niet eens in Nederland woont. Dus…De rechters hebben twee weken nodig om uitspraak te doen.
Rob Zijlstra
.
naschrift voor het idee Deze veel te late strafzaak zonder verdachte duurde bijna drie uur. De zitting werd beroepsmatig bijgewoond door vijftien mensen, in de vorm van personen. Er was een officier van justitie [1], drie strafrechters [4], een griffier [5], een bode  (gerechtsdeurwaarder) [6], een advocaat (jan boone, toegevoegd) [7], een tolk (voor het slachtoffer) [8], een parketwachter (politie) [9], drie rechercheurs (politie) [12] en drie verslaggevers [15]. De drie verslaggevers zaten er op eigen kosten – zij het dat een [1] van hen werkt voor een door de overheid gesubsidieerde (regionale) omroep. De overige twaalf beroepsmatig aanwezigen zijn (of worden) betaald door de overheid.

UPDATE – 24 juli 2014 – uitspraak Richard D. is veroordeeld tot 18 maanden celstraf. Aan twee van zijn slachtoffers moet  hij opgeteld 30.985 euro betalen.


  • -

Column Marjelle van ’t Ende: Een eenvoudig proces

Column Marjelle van ’t Ende

Een eenvoudig proces

Bij veel mensen bestaat het beeld dat rechtszaken eindeloos duren en nodeloos ingewikkeld worden gemaakt. De Rechtspraak zou een logge, bureaucratische organisatie zijn die niet in staat is om maatwerk te leveren. Voor de burger is het voeren van een proces onoverzichtelijk en ntoegankelijk. Deze kritiek is niet nieuw.

Montesquieu klaagde al dat zijn collega-rechters zich teveel bezighielden met procesrechtelijke details. Charles Dickens beschreef in het aangrijpende Bleak House hoe de advocaten van procespartijen jarenlang een onoverzichtelijk proces voerden over een nalatenschap zodat de hele erfenis uiteindelijk opgaat aan proceskosten. En dan is er de klassieker Der Prozess van Franz Kafka, waarin een man vast komt te zitten in een bureaucratisch proces, waarbij de aanklacht nooit duidelijk wordt.

Hoewel deze wantoestanden ver af staan van het hedendaags Nederlands procesrecht is kritiek op de processuele gang van zaken logisch en begrijpelijk. Het is van het grootste belang dat het procesrecht overzichtelijk en helder is. Dit wordt ook in de politiek erkend. Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie heeft een wetsvoorstel gedaan om het procesrecht te  vereenvoudigen, waar de ministerraad op 17 april 2014 mee heeft ingestemd.

Het is de bedoeling dat het civiele proces eenvoudiger wordt door de invoering van een basisprocedure waarbij de mondelinge behandeling al snel na de start van het proces plaatsvindt. De rechter heeft dan al vroeg contact met partijen en kan hen dan om toelichting vragen, derden horen en ook onderzoeken of de partijen tot een schikking kunnen komen. Bij complexere zaken kunnen er extra schriftelijke en mondelinge rondes volgen. Partijen krijgen duidelijkheid over termijnen om verweer te voeren waardoor de procedure vlotter zal verlopen. In de meeste gevallen volgt dan binnen zes weken na de mondelinge behandeling een uitspraak.

 Een tweede grote verandering is de digitalisering van het procesrecht. Partijen kunnen hun zaak dan online starten en volgen. Vanaf 2015 zal deze digitalisering van start gaan maar eerst moet het advies van de Raad van State over dit wetsvoorstel nog worden afgewacht. Deze voorgestelde vernieuwing lijkt mij een goede zaak.

Voor juristen is procederen een voor de hand liggende oplossing maar voor iemand die niet bekend is met De Rechtspraak, juridisch jargon en de formalistische procedures ligt dat anders. De digitalisering zal bijdragen aan de toegankelijkheid van De Rechtspraak. Belangrijk is dat burgers niet afzien van een procedure vanwege de complexiteit ervan. Wie ergens recht op heeft, moet dat ook kunnen krijgen.


  • -

Column Rob Zijlstra: Aljona. Wat heeft Aljona gedaan?

Column Rob Zijlstra

Aljona. Wat heeft Aljona gedaan?

Wanneer de strafzaak het vijfde uur ingaat, kijk ik eens om mij heen. Ik tel, inclusief mijzelf, zeventien aanwezigen in zittingszaal 14. Stel vast: vijftien aanwezigen zijn hier beroepsmatig. De zestiende is student. Wij allen luisteren naar nummer zeventien: de verdachte.

De verdachte is een kleine vrouw, ze draagt bijpassende laarsjes. Ze heet Aljona, ze is 33 jaar. Tijdens de zitting wordt duidelijk dat ze een rotleven had toen ze nog jong was. Op haar zestiende piepte ze er tussenuit en kwam in Nederland terecht. In Groningen.

In die tijd, vertelt ze, werkten acht van de tien vrou­wen gedwongen in de prostitutie. Misschien kan ze dat weten, want ze zat toen zelf achter de ramen. In deze tijd, vervolgt ze, werkt nog maar een op de tien vrouwen onder dwang. Misschien zegt ze dat omdat het haar beter past. Omdat ze wordt verdacht van mensenhandel: ze zou zich schuldig hebben gemaakt aan het uitbuiten van jonge vrouwen uit haar geboorteland Bulgarije.

Aljona zegt dat ze heel direct is. Ze zegt, in vloeiend Ne­derlands, wat ze denkt. Dat komt omdat ze al veel ellende in haar leven heeft meegemaakt. Dan word je vanzelf zo.

In november 2011 werd ze door de politie aangehou­den. Ze zou, zo leerde het eerste politieonderzoek onder de codenaam ‘hoofdluis’, wel veertig jonge prostitu­tie-vrouwen hebben uitgebuit. Gaandeweg werden dat er steeds minder. Tweeëntwintig. Veertien. Uiteindelijk vier. Ze had het ook niet leuk gevonden dat een onderzoek naar haar ‘hoofdluis’ werd genoemd.

Het dossier ‘hoofdluis’ telt desondanks veertien ord­ners. Dat is veel. Er zijn 38 getuigen gehoord, ook veel. Op de publieke tribune zitten, behalve de student, de recher­cheurs die dat allemaal hebben gedaan. Vijf.

Nadat ze was aangehouden, zat ze 171 dagen vast en opgesloten. Toen werd de voorlopige hechtenis onder voorwaarden geschorst. Ze moest haar paspoort inleve­ren, ze mocht niet in Groningen (stad) komen en – vrij ongewoon – ze moest 10.000,- borg betalen.

Twee jaar na de aanhouding wordt haar strafzaak dan eindelijk behandeld. De officier van justitie vindt het niet nodig uit te leggen waarom zoiets zo lang moet du­ren. Misschien vinden ze zoiets bij het Openbaar Ministe­rie inmiddels wel heel gewoon.

Wat heeft Aljona gedaan? Ze heeft gefaciliteerd. En dat is strafbaar.

Ze ving de Bulgaarse meisjes, dan wel jonge vrouwen, op die misschien ook wel een rotleven thuis hadden gehad. Met die dames – uiteindelijk met vier – ging ze eerst naar het stadhuis. Daar werd de vrouw ingeschre­ven in de gemeentelijke basisadministratie. Dan krijg je een sofinummer. Daarna gingen ze naar de Kamer van Koophandel. Daar werd het vereiste ondernemersplan en een exploitatieplan ingediend. Dat leverde met sofinum­mer een KvK-nummer op. Een GBA-inschrij­ving, een sofinummer en een KvK-nummer is bij de Immigratie- en Naturali­satiedienst (IND) goed voor een sticker in het paspoort: met zo’n sticker mag je als zelfstandig ondernemer legaal prostituee zijn.

Aan gemeentelijke leges kost een bureaucratische pros­titutie-exercitie ongeveer 100 euro. Maar Aljona, zo wil het strafdossier, kreeg soms wel 800 euro. Omdat ze dat eiste. In ieder geval, vindt de aanklager, veel te veel en dus is er sprake van uitbuiting.

Ook zou Aljona woonadressen regelen die in het echt slechts postadressen waren. Vaargeul, Irislaan, Slacht­huisstraat. De jonge Bulgaarse prostituees woonden in werkelijkheid in hun peeskamers, ook dat is verboden.

Aljona zegt dat het allemaal niet waar is. Ze hielp wel eens, zij wist immers als geen ander hoe het is in een land te komen, de taal niet te spreken, maar wel met al die Groninger mannen in de blote kont in bed. Ze had er wel eens over nagedacht een adviesbureau te beginnen. In Amsterdam bestaan die ook. Die meisjes, jonge vrouwen komen hier vrijwillig, ze weten heus wat hen hier te doen staat. Zo naïef zijn ze in Bulgarije ook niet meer. Boven­dien, beter zij, zij Aljona, dan die pimps, die mannen, die pooiers.

En wat is er mis om iemand met adviezen te begeleiden langs het stadhuis, de Kamer van Koophandel en de IND? Die faciliteren toch ook? De officier van justitie: ze kreeg er veel te veel geld voor.

Aljona is strafbaar vanwege artikel 273f, Wetboek van strafrecht. De officier van justitie zegt dat de vrouwen, die vier arme vrouwen, zonder haar bemoeienis hier niet zouden werken. Ze waren van haar afhankelijk, ze hadden geen idee van de formaliteiten. Verdachte Aljona maakte daar tussen juli 2009 en maart 2010 misbruik van. Daar­om werd ze in november 2011 aangehouden. En moest zij zich op donderdag 21 november 2013 verantwoorden voor de rechtbank.

Voor rechters die vroegen: ‘Spreekt, verstaat u Neder­lands? Aljona, met zelfs een licht Groningse tongval: ‘Ja, inmiddels wel ja.’

Misschien belazert ze de kluit en is Aljona de gehaaide woekeraarster. Een geharde hoerenmadam, die maar een ding wil: nog meer geld.

Maar dan komt, ruim vijf uur na aanvang van de straf­zaak, de officier van justitie met de strafeis. Ze heeft ruim drie kwartier nodig om die te formuleren. Ze eist dan 261 dagen gevangenisstraf waarvan 90 dagen voorwaar­delijk. Daarmee zijn de 171 dagen die Aljona al heeft gezeten, afgedekt.

En dat was het dan. De vijf rechercheurs hadden er iets meer van verwacht. Dat zeiden ze niet. Je kon het gewoon aan ze zien.


  • -

Het adviesrecht: een hoofdrol voor het slachtoffer

Madelon Zweep

Het adviesrecht: een hoofdrol voor het slachtoffer

De invloed van het adviesrecht nader bekeken
Het zwaartepunt van het strafproces lijkt de afgelopen jaren te verschuiven naar het slachtoffer. Het nieuwe wetsvoorstel van staatssecretaris Fred Teeven doet hier een schepje bovenop. Het heeft betrekking op een aanvulling van het huidige spreekrecht voor slachtoffers; het adviesrecht. Op dit moment mogen slachtoffers en nabestaanden de rechter op de hoogte stellen van de gevolgen die het misdrijf voor hen persoonlijk heeft. Met de uitbreiding van het spreekrecht kunnen slachtoffers zich ook uitlaten over de beslissingen in strafzaken. Hierbij moet worden gedacht aan uitlatingen betreffende het bewijs, de schuld van de verdachte en de hoogte van de straf. Mocht dit wetsvoorstel groen licht krijgen dan zal dit van grote invloed zijn op de structuur van het strafproces. Er laait een interessante discussie op tussen politiek en juridisch Nederland; heeft het slachtoffer recht op meer bevoegdheden in de rechtszaal? Of krijgt hij hiermee een te grote rol binnen het strafproces?

Het spreekrecht
De eerste stap naar meer rechten voor het slachtoffer vormde de invoering van het spreekrecht in 2005. Slachtoffers en nabestaanden kunnen naar voren brengen welke persoonlijke gevolgen het delict voor hen teweeg heeft gebracht. Zij mogen dit als er sprake is van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van acht jaar of langer staat. Na 2005 is de kring van spreekgerechtigden gewijzigd, nu het slachtoffer niet altijd zelf in staat is om van het spreekrecht gebruik te maken.

Naast deze mogelijkheid is er de zogenaamde schriftelijke slachtofferverklaring. In deze verklaring worden de persoonlijke gevolgen voor het slachtoffer opgenomen waarna deze wordt toegevoegd aan het strafdossier. Slachtoffers kunnen zo zelf bepalen wat zij het prettigst vinden. Wanneer zij liever niet in de rechtszaal willen spreken kunnen zij terugvallen op een dergelijke verklaring.

Het spreekrecht is besproken in het evaluatierapport: ‘Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers?’. Hieruit volgt dat slachtoffers niet vaak gebruik maken van het spreekrecht. Zoals eerder genoemd ziet het huidige spreekrecht slechts op de uitlatingen over de persoonlijke gevolgen voor het slachtoffer. Veel slachtoffers zien graag dat dit wordt uitgebreid, zodat zij zich ook mogen uitlaten omtrent onder andere de strafmaat. Ook volgt uit dit rapport dat rechters het in de praktijk toelaten als een slachtoffer zich toch uitspreekt over een, volgens hem passende straf. Teeven komt de slachtoffers met het nieuwe wetsvoorstel tegemoet, door hen deze bevoegdheid uitdrukkelijk toe te kennen.

Het adviesrecht zal ervoor zorgen dat slachtoffers zich onder andere mogen uitspreken over het bewijs, de hoogte van de straf en de schuld van de verdachte. Daarnaast is een belangrijke verandering dat slachtoffers tevens ondervraagd mogen worden door de verdachte als zijnde getuige. Als het slachtoffer een belastende verklaring ten laste van de verdachte geeft, mag de verdachte deze betwisten. Onder het huidige spreekrecht kan het slachtoffer een verklaring zonder nadere ondervraging toelichten.

Het adviesrecht wordt bekritiseerd door degenen die met de juridische praktijk te maken hebben. Volgens rechtbankverslaggever Chris Klomp draait een rechtszaak om de verhouding tussen de verdachte en het openbaar ministerie. Hij stelt dat je niet in de beginfase van het strafproces kunt toelaten dat een slachtoffer spreekt over de op te leggen straf. Dit omdat deze beginfase juist het onderdeel vormt waarin je moet kijken naar het wel of niet schuldig zijn van de verdachte, een vaststelling die normaal wordt verricht door de rechter. Wel vindt Klomp dat er ruimte moet zijn voor slachtoffers om hun emoties naar voren te kunnen brengen. Volgens hem moeten we in het achterhoofd houden dat een rechtszaak draait om rechtvaardigheid.

Rechtbankverslaggever Rob Zijlstra deelt deze mening. Hij geeft aan dat het adviesrecht schuurt met het uitgangspunt dat de verdachte onschuldig is tot de rechter hem schuldig verklaart. Slachtoffers mogen zich uitspreken over de strafmaat en de schuld van de verdachte, terwijl de schuld nog niet door de rechter is vastgesteld.

Secundaire victimisatie
Met het adviesrecht kunnen verdachten de slachtoffers als getuigen ondervragen als er een belastende verklaring wordt afgelegd. Dit is anders dan in het huidige spreekrecht, waarin slachtoffers en nabestaanden hun verhaal zonder ondervraging kunnen doen. Deze verandering brengt mee dat er vrees bestaat voor secundaire victimisatie. Advocaten van de verdachten zullen zich, wanneer de belangen van zijn of haar cliënt in het spel zijn, niet inhouden tegen over het slachtoffer. Er kan immers worden aangenomen dat het gros van de slachtoffers geen juridische kennis heeft. Als zij geen relevante feiten naar voren brengen zullen advocaten van verdachten hier fel tegen in gaan. Het lijkt erop dat er dan een discussie tussen het slachtoffer en de verdachte plaats gaat vinden.

Aan de andere kant kunnen slachtoffers juist de behoefte hebben om te spreken. VVD lid Ard van der Steur stelt zich in het programma ‘Debat op Twee’ op het standpunt dat juist op dit moment het slachtoffer opnieuw slachtoffer wordt omdat hij weinig te zeggen heeft. Hij wordt in feite beperkt in zijn rechten. Hij geeft aan dat het voor het slachtoffer wellicht een volwaardig gevoel geeft om zich uit te mogen laten over de strafmaat, ongeacht of de rechter gehoor geeft aan de gedane uitspraken.

Niet vergeten moet worden dat slachtoffers een bevoegdheid krijgen toegekend. Zij hebben geen verplichting om van het spreekrecht of komende adviesrecht gebruik te maken. Slachtoffers zijn op deze manier zelf in staat te bepalen of zij de behoefte hebben om de verdachte toe te spreken. Zij kunnen hierin met hulp van Slachtofferhulp Nederland een weloverwogen keuze maken. Voordat slachtoffers van hun rechten gebruik maken worden zij op het proces voorbereid en vergaren daardoor al enige kennis omtrent het feit waar zij uitspraken over mogen doen. Veelal nemen slachtoffers ook zelf het initiatief door zich in te lezen in de relevante feiten van de zaak.

Vrees voor het meewegen van emotie
Een ander punt van kritiek op de uitbreiding van het spreekrecht is het in gevaar brengen van de objectieve blik van het OM. Het is niet verwonderlijk dat slachtoffers zich laten leiden door hun emoties als zij tegenover de verdachte staan. Onder andere strafrechter van der Schepop geeft haar visie over dit punt in het programma ‘Debat op Twee’. Zij geeft aan dat ze slachtoffers de ruimte geeft om in de rechtszaal te spreken. Ze vindt het belangrijk om te horen wat er omgaat in het slachtoffer. Tegelijkertijd zegt ook zij, in overeenstemming met Rob Zijlstra, dat we wel als uitgangspunt moeten nemen dat de dader nog niet direct dader is, maar slechts verdachte totdat deze door de rechter schuldig is verklaard.

De vraag of van der Schepop zich laat beïnvloeden door een slachtofferverklaring beantwoordt ze negatief. Wel meent ze dat door een verruiming van het spreekrecht het slachtoffer valse hoop wordt gegeven. Voor het slachtoffer wordt de verwachting geschapen dat de rechter gehoor zal geven aan de uitgesproken emoties. Van der Schepop noemt dit het vertalen van emotie in een straf. Mocht de straf die door de rechter wordt opgelegd lager uitvallen dan die naar mening van het slachtoffer had moeten zijn, dan kan dit uitvallen in een teleurstelling.

Als laatste maakt zij in de praktijk veel gevallen mee waarin slachtoffers zich ook nu uitlaten over de strafmaat en daarmee de grenzen van het spreekrecht overschrijden. Door rechters wordt hier over het algemeen vrij soepel mee omgegaan en wordt er dan ook ruimte voor gegeven. Soms ook wordt het slachtoffer wel op de vingers getikt. De ene rechter is natuurlijk de andere niet. Dit stemt overeen met de uitkomst van het eerder besproken evaluatierapport betreffende het spreekrecht.

Tweefasenproces
Het strafproces is op dit moment opgedeeld in een fase van informatievergaring en van informatiewaardering. Het slachtoffer spreekt zich uit over de persoonlijke gevolgen die het delict op hem of haar heeft gehad, terwijl de rechter de schuld der verdachte nog niet heeft vastgesteld.

Het tweefasenproces houdt zodoende in dat in de eerste fase de schuld van de verdachte aan de orde zal zijn. In de tweede fase wordt vervolgens de mogelijkheid aan het slachtoffer gegeven om gebruik te maken van het spreek- en adviesrecht. Het adviesrecht wordt zodoende ingepast na het requisitoir van de officier van justitie. Wordt hiertoe besloten dan zal de verdachte langer als onschuldige worden behandeld. Als men te maken heeft met een ontkennende verdachte is het niet gunstig dat het slachtoffer wel reeds spreekt over de persoonlijke gevolgen voor hem of haar. Dit argument pleit voor invoering van een tweefasenproces.

Echter is het onwaarschijnlijk om een tweefasen proces in te voeren als we kijken naar bijvoorbeeld de vervangbaarheid van rechters. Er wordt namelijk veel waarde gehecht aan de manier waarop het nu gaat. Dit is de omstandigheid dat het één en dezelfde rechter is die de straf op legt, zij die nu ook beslist over de bewijsvraag. Wanneer de rechters die de schuld van de verdachte hebben vastgesteld niet vervangbaar zijn, is het ook niet logisch om een dergelijke vernieuwing door te voeren.

Een oplossing is dat rechters zelf beslissen of zij van het tweefasenproces gebruik willen maken. Men bedenke hier dat het gevaar van rechtsonzekerheid op de loer ligt.

Slotsom

De voorgenomen uitbreiding van het spreekrecht blijkt aan vele bezwaren onderhevig. De angst voor het afbranden van het slachtoffer, het in geding zijn der onschuldpresumptie en een langere tijdsduur van het strafproces. Voor slachtoffers brengt de uitbreiding meer ruimte om de verdachte schuldig te verklaren, alvorens de rechter hierover een uitspraak heeft gedaan. Het is begrijpelijk dat slachtoffers ook hun zegje willen doen in de rechtszaal, maar een beperking is hier op zijn plaats. Slachtoffers hebben doorgaans nu eenmaal niet de kennis die de juridische praktijk vergt. De vraag is of je jezelf als slachtoffer zijnde zodanig in het juridisch getouwtrek wilt mengen. Advocaten van verdachten staan immers in voor de belangen van hun cliënt en zullen hier een grote waarde aan hechten. Dit is in het bijzonder het geval als er door het slachtoffer een belastende verklaring over de verdachte wordt afgelegd.

Natuurlijk bestaat er geen verplichting om van het spreekrecht gebruik te maken. Het slachtoffer kan zelf afwegen of het gebrek aan juridische kennis een bezwaar vormt om van het spreekrecht af te zien. Slachtoffers krijgen hulp van de officier van justitie en Slachtofferhulp Nederland, waardoor zij zich op betere wijze kunnen voorbereiden. Daarmee ligt een college strafrecht voor het slachtoffer in het verschiet.

Een opsplitsing in een tweefasenproces blijkt niet erg populair en is dan ook geen noodzakelijke voorwaarde voor invoering van het adviesrecht. Dit zal slechts leiden tot een onwenselijk gevolg, namelijk het overhoop gooien van de structuur van het strafproces.

Noten

1 MvT: Wetsvoorstel ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces, paragraaf 1.

2 Lens, K., Pemberton, A., Groenhuijsen, M. (2010), Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers?, Tilburg: intervict.

3 Debat op 2; het slachtoffer centraal <http://debatop2.incontxt.nl/seizoenen/3/afleveringen/27-02-2013>

4 Zijlstra, R. Slachtoffer wordt adviseur, de verdachte vogelvrij. Dagblad van het Noorden

5 MvT: Wetsvoorstel ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces, paragraaf 3.

6 Keulen, B.F., Dijk, A.A. van. (red.) (2013), Naar een tweefasenproces?, Groningen: Rijksuniversiteit Groningen- Faculteit der Rechtsgeleerdheid, p. 12.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.