Interview met… voormalig rechter van het EHRM Egbert Myjer

  • 0

Interview met… voormalig rechter van het EHRM Egbert Myjer

Egbert Myjer, voormalig rechter bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens

EHRM ‘The Conscience of Europe’?

 

Gelske Speerstra & Roya Tazib

 

De heer Egbert Myjer studeerde van 1966 tot 1972 rechten aan de Universiteit Utrecht. Na zijn studie was hij verbonden aan de Universiteit Leiden als wetenschappelijk medewerker strafrecht. In de periode tussen 1979 en 1991 bekleedde Egbert Myjer diverse rechterlijke functies in Nederland. Na tot 2004 werkzaam te zijn geweest als (hoofd)advocaat-generaal bij het Openbaar Minister, was hij tot november 2012 rechter bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Sinds 2000 is Egbert Myjer tevens bijzonder hoogleraar Mensenrechten aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

 

Wat voor student was U? Was U actief binnen studenten- en/of studieverenigingen?

Mijn hemel. Het is lang geleden dat iemand mij dat heeft gevraagd. Dan moet ik toch een ding voorop stellen: ik studeerde in een tijd dat het collegegeld 200 gulden per jaar bedroeg. De minimumstudieduur voor rechten was 4 ½-5 jaar. Ik heb er uiteindelijk 6 jaar over gedaan. Zoiets was in die tijd vrij straffeloos mogelijk maar heb er wel heel wat naast gedaan. Ik was een student die de eerste jaren netjes zijn vakken haalde voor wat toen nog het kandidaatsexamen heette. Het eerste jaar met een kleine 4 (op een score van 5); het tweede jaar met een ruime 3. Dat kwam omdat ik dat tweede jaar ook meer nevenactiviteiten deed. En ja, ik was lid van een gezelligheidsvereniging: het Collegium Studiosorum Veritas, een katholieke studentenvereniging met een kleine 2000 leden. Ik had op de lagere school en op de middelbare school op een jongensschool gezeten. Een ding was duidelijk voor mij: niet nog eens alleen maar jongens. Daarom koos ik niet voor het (nog steeds) ongemengde Utrechts Studentencorps. Binnen Veritas ben ik vrij actief geweest: in mijn tweede jaar praeses diescommissie Veritas, in mijn derde jaar praeses lustrumcommissie Veritas, in mijn vierde jaar zelfs een tijdje interim praeses collegii. Ook ben ik nog secretaris geweest van de federatie Utrechtse Gezelligheidsverenigingen. Ik heb het geweldige geluk dat ik studeerde toen de studentenrevolutie begon (1968). Eerst vond ik dat linksig gedoe. Maar al gauw zag ik dat  ik met al die activiteiten rond de gezelligheidsverenigingen het risico liep te veel in een elitair isolement te blijven.  Ik ben me daarna veel meer gaan bezighouden met belangrijker zaken: het organiseren van de Utrechtse oriënteringsdagen en zaken die op het gebied van het recht lagen:  student-lid van de Instituutsraad van het strafrechtelijk instituut en bestuurslid van de zojuist opgerichte Utrechtse wetswinkels.

 

Heeft U spijt van Uw activiteiten in de gezelligheidsvereniging?

Allerminst. Ik raad ook nu nog iedere student aan om ook zoiets te doen naast de studie. Niet dat je een kroegtijger moet worden. Dat is, denk ik, heel stom. Maar je moet ook geen studie-nerd worden die alleen maar met puntenhalen bezig is. Juist door je lidmaatschap van een studenten en/of studievereniging kom je op een andere manier in contact met studiegenoten. Dankzij anderen word je alleen maar een vollediger mens. Pas achteraf zie je hoe belangrijk die contacten uit je studentenleven zijn. En als het enigszins mogelijk is: kijk ook eens buiten je eigen rechtenfaculteit. In het woord universiteit zit ook juist dat universele.

(lacht)

 

Het strafrechtelijk instituut? Was dat niet wat eenzijdig voor iemand die naar de rechterlijke macht is gedaan?

Dat klopt. Maar ook dat komt door de sfeer na de studentenrevolutie. Ik wilde iets met mensen doen en had het idee dat ik met civiel recht (even los van het personen- en familierecht) daar te ver van af stond. Ik geef toe dat men mij van alle kanten afraadde om me al te zeer strafrechtelijk bezig te houden. Ik heb dat toch gedaan en het heeft me uiteindelijk niet opgebroken. Ook naar aanleiding daarvan een les van deze oude man: ga ook in je studie voor datgene wat je begeestert. Zet je daarvoor in. Als je echt voor iets wilt gaan, ga je vanzelf ook goede studieresultaten halen. Wat mij betreft is er niets ergers dan iemand die is afgestudeerd op een standaardpakket met alleen maar gemiddelde cijfers en keuzevakken waar geen gezicht in te ontdekken valt, en die bovendien niets naast zijn studie heeft gedaan. Zelfs niet redacteur van een juridisch studentenblad.

 

Wat heeft u doen besluiten de overstap te maken van het Openbaar Ministerie naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens?

Ik was al vanaf mijn eerste baan bezig geweest met strafrecht en mensenrechten. Ik gaf in Leiden zelfs een keuzevak op dat gebied. Toen het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) was opgericht, was ik een van de eerste leden. Ik ben medeoprichter geweest van het in 1976 voor het eerst verschenen NJCM-bulletin en ben redacteur gebleven tot het moment dat ik in 2004 ben gekozen tot rechter in het Europese Hof. Daarnaast ben ik in 2000 benoemd tot hoogleraar mensenrechten aan de VU. Ik was dus altijd al op het gebied van mensenrechten bezig. Ook in de 12 jaar dat ik rechter was en in de 13 jaar dat ik lid was van het Openbaar Ministerie bleef  ik uitspraken van het Europese Hof annoteren en me met het onderwijs op dat vakgebied bezighouden. Toen eind 2003 werd geadverteerd voor de plek van Nederlandse rechter in Straatsburg keek ik eens om me heen. Ik wist dat ik niet helemaal kansloos zou zijn. En dat klopte.

 

Maar waarom deed U mee?

Het lag in het verlengde van mijn twee vakgebieden: het zijn van magistraat en het bezig zijn met de rechten van de mens. Ik was al veel in Straatsburg geweest en had een vrij goed beeld van wat mij eventueel te wachten stond.

 

Wat maakte uw werk als rechter bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zo interessant?

Het daadwerkelijk meewerken aan datgene wat de kerntaak is van het Europese Hof: kijken of de lidstaten zich wel houden aan hun beloften in hun eigen land de rechten van het EVRM aan een ieder te garanderen. En door die werkzaamheden (toepassen en interpreteren van het EVRM) mede gestalte te geven aan Europese minimumnormen, die in de 47 lidstaten voor meer dan 800.000.000 mensen gelden. Juist het vaststellen van de grenzen is iets heel fascinerends. Het betekent ook een immense verantwoordelijkheid. Als je te ruim interpreteert kunnen de lidstaten zich terecht opwinden; als je te beperkt interpreteert word je al gauw door klagers en NGO’s als te conserverend beschouwd. Op basis van mijn 8 jaar Straatsburg kan ik zeggen dat die Straatsburgse  mensenrechtbescherming nog lang geen overbodige luxe is. Het aantal personae miserabiles dat zich met de meest mensonterende ervaringen tot het Europese Hof wendt is nog steeds schrikbarend groot. Kijk voor de grap eens naar de arresten die het afgelopen jaar door de Grote Kamer van het Hof zijn afgedaan (www.echr.coe.int, zoekmachine HUDOC). Daar zitten zaken tussen die je alleen in de meest zwarte televisiefilms voor mogelijk zou houden.

 

 

Jaarlijks worden er duizenden zaken bij het Europese Hof voor de Rechten van het Mens aanhangig gemaakt. Niet in al deze zaken wordt uitspraak gedaan door het  Europese Hof. Op welke wijze vindt er een selectie tussen deze zaken plaats? Hebben de lidstaten enige invloed op deze selectie?

Er komen tegenwoordig al meer dan 60.000 zaken per jaar binnen. Dat is immens. De ervaring leert dat ongeveer 95% van die zaken niet ontvankelijk wordt verklaard. Niet omdat het Hof geen zin heeft in die zaken, maar omdat niet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden is voldaan. Te laat ingediend, geen uitputting van nationale rechtsmiddelen, klagen alsof het Hof een soort vierde instantie is, klagen over iets dat niet in het EVRM staat opgenomen etc.

 

Maar weten advocaten dan niet wat ze doen?

Hoe zeg ik dat diplomatiek? Aan klagen in Straatsburg zit geen verplichting tot het betalen van enig griffiegeld. Ongetwijfeld zijn er advocaten die denken dat je niet zeker weet of een koe een haas kan vangen. Soms eisen de cliënten om ook nog eens een keertje Europees te gaan. En soms bedenken advocaten iets wat nu nog te ver gaat. En vergeet niet: soms gaat ook het Hof om. Maar ook: advocaten mogen best eens wat zuiniger zijn op Straatsburg.

 

Maar hoe gaat het in de praktijk van het filteren? Hebben Staten enige zeggenschap?

Om met het laatste te beginnen: de Staten hebben geen enkele zeggenschap op het filteren. Ook hebben de Staten geen zeggenschap over de rechters of de leden van de griffie. OK, je wordt met twee andere kandidaten door je land voorgesteld. Dan wordt in de regel een van die kandidaten gekozen door der parlementaire vergadering van de Raad van Europa. Maar vanaf dat moment ben je als rechter volkomen onafhankelijk. Ik was, net zoals mijn collega’s, in die acht jaar zelfs vrijgesteld van de verplichting belasting te betalen op mijn Straatsburgs inkomen. Dat is juist gedaan om je nog meer onafhankelijk te maken. En voor wat betreft de praktijk: alle klachten die binnenkomen worden eerst bekeken door een zeer ervaren lid van de griffie. In 9 op de 10 gevallen kun je met je kennis van de procedureregels al zien dat het een niet-ontvankelijkheid is. Zo’n dossier wordt dan meteen naar een junior jurist gestuurd om een kort uittreksel te maken, eindigend in een motivering waarom de zaak niet ontvankelijk is. Als de senior jurist aarzelt legt hij het voor aan de nationale rechter of aan een speciaal benoemde rapporteur. Afhankelijk van diens antwoord gaat de zaak op de stapel van de korte uittreksels of op de stapel waar wellicht iets in zit. De stapel uittreksels met kennelijk niet ontvankelijke zaken ondergaat nog een kwaliteitscheck en wordt dan voorgelegd aan een ‘single judge’. Dat is nooit de nationale rechter. Als de single judge het met het voorstel eens is, is dat het eind van de zaak; als hij vindt dat er toch iets meer aan de hand kan zijn, wordt het in de regel voorgelegd aan de Kamer van 7 rechters. In zo’n zaak wordt dan een rechter-rapporteur benoemd. Eerst zullen dan aan de aangeklaagde Staat nadere feitelijke vragen worden gesteld. Het kan ook zijn dat alleen maar aan de Staat wordt gevraagd zich te verweren op de ingediende beschuldigingen. Op basis van het aldus opgebouwde dossier wordt dan onder verantwoordelijkheid van de rechter-rapporteur door een jurist van de griffie een concept gemaakt. Ook dat ondergaat een aantal quality checks en wordt uiteindelijk, voorzien van een door de rapporteur vastgestelde memorie van toelichting ter beslissing aan de Kamer voorgelegd. Daar volgt dan een mondelinge behandeling en discussie. Als er overeenstemming is (of tenminste een meerderheid) wordt het concept pagina voor pagina doorgenomen en wordt gestemd. Het resultaat is een paar weken later op HUDOC te vinden.

 

Hoe ziet u de toekomst van Europa en welke rol speelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens daarin?

De toekomst voorspellen van Europa is zelfs voor een oud-rechter uit Straatsburg wat veel gevraagd. Maar een paar dingen kan ik wel zeggen. Op financieel gebied is Europese samenwerking inmiddels een noodzaak. Maar dat is de EU. Op juridische samenwerking geldt dat evenzeer. Denk eens in als er niet meer alle internationale verdragen bestonden en we weer terug zouden moeten naar bi-laterale afspraken. Veel zou in het honderd kwadraat lopen.

Maar voor wat betreft de mensenrechten in Europa: dat blijft helaas een bittere noodzaak. Wie  ziet wat er ook nu nog wekelijks binnenkomt, weet dat het Hof geen overbodige luxe is.  Het is niet voor niets aangeduid als ‘The Conscience of Europe’.

En wat is Europa zonder geweten?

 

Catchphrases

 

‘Als je echt voor iets wilt gaan, ga je vanzelf ook goede studieresultaten halen.’

 

‘Wie ziet wat er ook nu nog wekelijks binnenkomt, weet dat het Hof geen overbodige luxe is.’

 

‘Het is niet voor niets aangeduid als ‘The Conscience of Europe’.

 

 


  • 0

Minaretten verbod; een schending van de geloofsvrijheid?!

Door: Dirk Kuiken

Sinds 29 november 2009 is de bouw van minaretten in Zwitserland verboden. Het door volksstemming aangenomen verbod heeft nog al wat voeten in aarde gehad, velen verafschuwden het verbod, sommigen omarmden het verbod; maar hoe dient het verbod eigenlijk te worden bezien vanuit het perspectief van de Europese mensenrechten? Een schets, omtrent de positie van het verbod ten opzichte van art. 9 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens….

Kort na het Zwitserse verbod op de bouw van minaretten, volgde er in de Nederlandse Tweede Kamer een motie waarin een verbod op de bouw van minaretten werd voorgesteld. De motie, ingediend door de SGP, leek aanvankelijk, door de steun van de PVV en de VVD, niet eens geheel kansloos, ware het niet dat de VVD later besloot de motie toch niet te steunen. Een dergelijk verbod roept altijd de nodige vragen op, zeker in juridisch opzicht. Zo is het bijvoorbeeld twijfelachtig of het verbod op de bouw van minaretten niet in strijd is met de vrijheid van geloof. Het kwam dan ook niet als een verrassing, toen de Zwitserse moslim gemeenschap een beroep deed op haar vrijheid van godsdienst. De vraag of een minaretten verbod verenigbaar is met de vrijheid van godsdienst, zoals vastgelegd in art. 9 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM), zal de spil vormen van de komende alinea’s.

Zwitsers verbod

Sinds 29 november 2009 luidt artikel 72 lid 3 van de Zwitserse grondwet als volgt: “The construction of minarets is prohibited”.[1] Dit verbod is er naar aanleiding van een referendum gekomen. In dit referendum, dat naar aanleiding van een burgerinitiatief plaats vond, stemde 57.5% voor het verbod.[2] Een beroep om de uitslag van het referendum (op basis van de verspreiding van “propaganda”, waardoor een bevooroordeeld beeld zou zijn ontstaan omtrent minaretten) ongeldig te verklaren, werd door het Zwitserse Federale Hof als niet-ontvankelijk beschouwd.[3] Overigens is dit niet de eerste maal dat het Federale Hof zich uit moest laten over een ‘minaretten-kwestie’, voordat het burgerinitiatief werd gestart, was de Turkse gemeenschap in de gemeente Wangen bei Olten al aan het procederen tegen de gemeente. Dit betrof een geschil waarin een bouwvergunning van de Turkse gemeenschap om een minaret te bouwen, keer op keer werd afgewezen. De gemeente stelde dat het te bouwen gebouw (met inbegrip van de minaret), niet zou voldoen aan de bouwvoorschriften. Uiteindelijk stelde het Federale Hof de gemeente in het gelijk.[4] Desalniettemin is deze kwestie de aanleiding geweest voor het burgerinitiatief, waarin de Zwitserse bevolking haar ongenoegen heeft laten blijken over de minaretten.

De vraag blijft echter, of dit Zwitserse verbod niet de grens van de vrijheid van godsdienst heeft overschreden. Het wekt geen verbazing, dat de Islamitische gemeenschap in Zwitserland een beroep op deze vrijheid heeft gedaan. De Islamitische gemeenschap dacht in Zwitserland echter geen gehoor te vinden voor deze claim, waardoor de Islamitische gemeenschap zich heeft gewend tot het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). In december 2009, dus vrijwel direct na de instelling van het verbod, werd dit beroep bij het EHRM ingediend. Het beroep behelsde de volgende klacht: het verbod leidt tot een beperking van de religieuze vrijheid en discriminatie op basis van godsdienst. Verder werd er gesteld dat er in Zwitserland geen effectieve middelen bestaan, om het verbod te toetsen aan het EVRM.[5]

Het oordeel van het EHRM

Op basis van de door de Islamitische gemeenschap ingediende klachten, kwam het Hof tot het oordeel dat de klachten als niet-ontvankelijk moesten worden beschouwd.[6] De klagers konden volgens het Hof niet aantonen dat zij slachtoffer waren van een verdragsschending van het EVRM (zoals vereist in art. 34 EVRM). De klagers konden volgens het Hof niet aannemelijk maken dat ze in hun religieuze opvattingen geraakt zouden zijn; een ‘praktisch effect’ van het verbod op de klagers zou ontbreken, waardoor ze noch rechtstreeks, noch indirect, geraakten kunnen zijn. Het gegeven dat geen van de klagers de directe intentie heeft of had, om nu of in de nabije toekomst een minaret te bouwen, vormt het fundament voor het oordeel van het Hof; ‘stel dat’ gevallen zijn volgens het Hof van onvoldoende gewicht om tot een andere conclusie te kunnen komen. Kortom, het Hof weigert om hypothetische gevallen te beoordelen. Daarnaast is het Hof op het tweede deel van de klacht (een specifieke klacht van Dhr. Ouardiri), dat er geen rechtsmiddel open zou staan op nationaal niveau, om het verbod te laten toetsen aan het EVRM, van mening dat dit ook niet is wat wordt beoogd door art. 13 van het EVRM. Dit lijkt opmerkelijk, echter nu het hier een hypothetisch geval zou betreffen, kan er ook nog geen feitelijke verdragsschending bestaan en hoeft er ook geen rechtsmiddel tegenover te staan in dit geval, lijkt de redeneertrend van het Hof.

Wat met name opvalt aan het oordeel van het Hof, is dat het Hof de feitelijke vraag, of een verbod op de bouw van minaretten verenigbaar is met art. 9 van het EVRM (vrijheid van godsdienst), uit de weg lijkt te gaan. Of dit het geval is, of dat het onhandigheid van de klagers betreft (allicht dat als hier de Turkse gemeenschap uit Wangen bei Olten zich onder de klagers had bevonden, het Hof tot de conclusie zou zijn gekomen dat het geval niet-hypothetisch zou zijn geweest), het antwoord op de vraag, of het verbod verenigbaar is met art. 9 het EVRM, blijft onbeantwoord.

Art. 9 EVRM

Om na te gaan wat de conclusie van het Hof zou zijn geweest (ten opzichte van art. 9 EVRM) wanneer het wel tot een inhoudelijk oordeel over het verbod zou zijn gekomen, moet worden nagegaan welke factoren een rol spelen. Welke rol spelen minaretten bijvoorbeeld in de geloofsuiting van de Islam, maakt een verbod, het voor Islamieten onmogelijk om hun godsdienst te belijden, of vormt het een onevenredige belemmering in hun geloofsbelijding.[7] Daarnaast moet ook in acht worden genomen dat art. 9 lid 2, de mogelijkheid biedt om beperkingen op geloofsuitingen aan te brengen, indien dit  “in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen” noodzakelijk is en zolang dit in een democratische setting tot stand komt (een volksstemming wordt over het algemeen wel als democratisch aangenomen). Wanneer er wordt gekeken naar de formule die het Hof gebruikelijk toepast, in de beoordeling van een mogelijke schending van art. 9 EVRM, valt het op dat er door het Hof zowel concrete, als ook vagere beoordelingscriteria gebruikt.[8] Allereerst stelt het Hof vast of er een inbreuk is op art. 9 EVRM. Dit doet het Hof aan de hand van de vraag of de ‘actie’ het de klager onmogelijk maakt zijn geloofsovertuiging te manifesteren. Is dit niet het geval, is er uiteraard ook geen inbreuk op art. 9 EVRM en is de klacht ongegrond. In het geval van de Zwitserse minaret is dit een moeilijk te beantwoorden vraag. Men zou eerst met zekerheid moeten kunnen stellen, dat de minaret een uiting van het geloof is, of essentieel bij de uiting van het geloof. Hierbij is het misschien ook belangrijk te beschouwen dat een verbod op minaretten, geen verbod op de bouw van moskeeën is. De primaire functie van de minaret is het oproepen tot gebed, waarbij de minaret het best kan worden vergeleken met de kerktoren (oorspronkelijk is de minaret ook geïnspireerd op de kerktoren).[9] De minaret is ontstaan uit functionele behoefte.[10] Of deze functionele behoefte vandaag de dag in Zwitserland nog steeds bestaat kan in twijfel worden getrokken; anders dan in de begindagen van de minaret, zijn er immers voldoende andere middelen om tot gebed op te roepen. De keuze voor een grondwettelijk verbod lijkt echter overtrokken, mocht een minaret voor overlast zorgen, kan hier middels bouwvoorschriften, of andere regelgeving (van openbare orde) ook wel een grens worden gesteld. Een verbod op het bouwwerk ‘de minaret’, hoeft niet per definitie te zijn gericht op het eventueel storende gebruik van dit bouwwerk (waarmee het verbod overigens wel al snel te rigoureus lijkt). Het verbod op het bouwwerk, stelt dus ook niet per definitie dat het oproepen tot gebed verboden is, waarbij het maar zeer de vraag is of het minaretten verbod een beperking op de geloofsuiting is en daarmee een inbreuk op art. 9 EVRM vormt. Of dit ook het geval is voor art. 14 EVRM (het discriminatie verbod), is een ander verhaal. Door te stellen dat het minaretten verbod een inperking van de geloofsvrijheid is, moet om te beginnen worden aangetoond wat de functie van een minaret is en of dergelijke bouwwerken essentieel zijn voor deze functie (geloofsbelijding).

Mocht er sprake van een inbreuk zijn, dan gaat het Hof na of die inbreuk rechtvaardig is of niet. Om een antwoord op deze rechtvaardigheidskwestie te verkrijgen, hanteert het Hof de volgende drie criteria: is de beperking voorgeschreven door nationaal recht, streeft de beperking een legitiem doel na en is de beperking noodzakelijk in een democratische gemeenschap. Bij de vereiste dat de beperking wordt voorgeschreven door nationaal recht, wordt tevens de kwaliteit van een dergelijke rechtsregel getoetst; is de betreffende rechtsregel voldoende duidelijk, toegankelijk en overzichtelijk. In het geval van het Zwitserse minaretten verbod, kan worden gesteld dat art. 72 lid 3 van de Zwitserse grondwet voldoet aan deze eisen, het artikel laat, noch aan ondubbelzinnigheid, noch aan toegankelijkheid, te wensen over. Hoewel de vereiste van een regel van nationaal recht als eenvoudige horde kan worden beschouwd, biedt het vereiste van een legitiem doel meer reden tot kopzorgen in het geval van het Zwitserse minaretten verbod. Hierbij beoordeelt het Hof of het de argumenten, die de Zwitserse staat aanvoert voor het verbod, overtuigend genoeg vindt. Als standaard uitgangspunt bij de beoordeling van de legitimiteit, kent het Hof echter een ruime beoordelingsvrijheid toe aan de beklaagde staat. Het verbod dient enigszins logisch te zijn. Het doel van het minaretten verbod lijkt toe te zijn gespitst op de groeiende Zwitserse ergernis omtrent de minaretten, het is moeilijk om hier een legitiem doel in te onderscheiden. Bij de laatste vereiste, de noodzakelijkheid van een beperking voor een democratische gemeenschap, moet in acht worden genomen dat de staat een onpartijdige, neutrale organisator is, waarbij religieuze harmonie en tolerantie het doel zijn. Het lijkt ontegenzeggelijk dat een minaretten verbod hieraan niet kan voldoen.

Het is twijfelachtig of het Zwitserse verbod in strijd is met art. 9 EVRM, mocht dit wel het geval zijn, is er voor het Zwitserse verbod weinig hoop. Hoewel het verbod een duidelijke en vrij toegankelijke bepaling is, is het lastig het legitieme doel van een dergelijk verbod te onderscheiden, laat staan dat er een noodzakelijkheid voor het verbod is ten behoeve van de democratische gemeenschap. Mede door de willekeur van het minaretten verbod (waarom minaretten niet, maar kerktorens -met kerkklokken- wel), valt er meer te zeggen voor een beroep op discriminatie; (potentiële) overlast van dergelijke bouwwerken zou immers ook wel via andere kanalen kunnen worden gereguleerd.

Conclusie

Hoewel de benadering van het Hof in Ouardiri en Ligue des Musulmans de Suisse and Others, in eerste instantie wel iets weg heeft van een handsoff approach, is het niet meer dan terecht dat het Hof stelt dat het een hypothetisch geval betreft. Er is immers bij klagers geen enkele blijk gebleken dat ze ook maar enigszins van plan waren om een minaret te bouwen. Mocht er echter wel een dergelijke klacht zijn, dan zou deze klacht zeker niet ongegrond zijn. Doordat het Hof niet inhoudelijk in is gegaan op de klacht, blijft het de vraag of het minaretten verbod ansich een schending van art. 9 EVRM op zou kunnen leveren, gelet op de benadering van het Hof in andere gevallen waarin een beroep werd gedaan op art. 9 EVRM. Hoewel speculatief, lijkt het echter wel duidelijk dat een dergelijk verbod wel degelijk discriminerend is, nu het verbod specifiek op minaretten is gericht en niet op kerktorens (of andere spitsvormige bouwwerken). Al met al, is en blijft het een rigoureus verbod, waarvan de legitimiteit op wat voor grond ook, twijfelachtig is.


[1]    Zie de Engelse vertaling van de Zwitserse grondwet, <http://www.admin.ch/ch/e/rs/1/101.en.pdf> (voor het laatst bezocht op 18-08-2011).

[2]    Volksinitiatief van 28 juli 2008, <http://www.admin.ch/ch/d/ff/2008/6851.pdf>, uitslag stemming van 29 november 2009, <http://www.admin.ch/ch/d/pore/va/20091129/det547.html> (voor het laatst bezocht op 1-09-2011).

[3]    Zwitserse Federale Hof, 26 januarie 2010, 1C 33/2010.

[4]    Zwitserse Federale Hof, 4 juli 2007, 1P.26/2007.

[5]    Ouardiri v. Switzerland (65840/09) en Ligue des Musulmans de Suisse and Others v. Switzerland (66274/09).

[6]    Idem.

[7]    Art. 9 EVRM:
1. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in practische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.
2. De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

[8]    Bayatyan v. Armenia (23459/03), r.o. 112-123.

[9]    J.M. Bloom, ‘Creswell and the Origins of the Minaret’, Muqarnas (Vol. 8), p. 55-56.

[10]  Idem.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.