Een strafrechtfilosofisch perspectief

  • -

Een strafrechtfilosofisch perspectief

Maaike Baan

Een strafrechtfilosofisch perspectief

Het wetsvoorstel TBO

Pieter steelt een paar dure schoenen uit de Bijenkorf. Voordat hij ‘veilig’ de winkel uit is, wordt hij in zijn kraag gegrepen door de beveiliging: op heterdaad betrapt. De politie wordt erbij gehaald en daar blijft het niet bij; enige tijd later moet Pieter voorkomen voor de politierechter. Tijdens de zitting vraagt de rechter naar eerder gepleegde kleine delicten en de persoonlijke omstandigheden. Een klein half uur later loopt Pieter ietwat verbouwereerd de zittingszaal uit. Hij moet van de rechter naar school.

Bovenstaande casus is een fictieve, maar wanneer het wetsvoorstel Terbeschikkingstelling aan het Onderwijs (hierna: TBO) tot wet wordt gemaakt, zou deze situatie zich in de praktijk kunnen voordoen. In maart 2014 stemde de ministerraad in met het wetsvoorstel TBO. Dit voorstel wil een bepaling aan het wetboek van Strafrecht toevoegen die het mogelijk maakt om jeugdige delinquenten te verplichten onderwijs te volgen. Het idee van de maatregel is dat het volgen van onderwijs de mogelijkheden voor jongeren vergroot om ‘aansluiting te vinden bij de samenleving en daarin een volwaardige en opbouwende rol te vervullen’.(1) Dit moet de kans op recidive verkleinen. Tegenover het niet naleven van de onderwijsverplichting staat een vervangende vrijheidsstraf die kan oplopen tot een jaar. De maatregel kan ook worden opgelegd voor relatief lichte delicten zoals winkeldiefstallen. De plannen van het kabinet hebben tot de nodige kritiek geleid. De Onderwijsraad (2) adviseerde staatssecretaris Dekker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) in juni om het wetsvoorstel te heroverwegen.(3) De raad geeft onder meer aan niet overtuigd te zijn van de noodzaak, effectiviteit en uitvoerbaarheid van de tbo-maatregel.

Doel artikel
In dit artikel wordt gekeken naar het doel en de strekking van de voorgestelde TBO-maatregel. Omdat het gaat om een strafrechtelijke regeling, is het in dit verband interessant om in te gaan op de eeuwenoude vraag: waarom straffen we eigenlijk? Het wetsvoorstel TBO wordt onder een strafrechtfilosofische loep gelegd om erachter te komen in hoeverre de gedachten achter het wetsvoorstel te verenigen zijn met de theorieën die aan ons Wetboek van Strafrecht ten grondslag liggen.

Elementen
De TBO-maatregel bestaat uit twee elementen: de onderwijsverplichting, die de  oorspronkelijke maatregel vormt als reactie op het gepleegde delict, en de vervangende vrijheidsstraf. Van beide elementen wordt onderzocht wat de achterliggende doelen zijn en in hoeverre zij zijn te rechtvaardigen als sancties. In het denken over strafrecht bestaan twee hoofdstromingen die het hebben over de zin en de rechtvaardiging van straffen: het retributivisme en het utilitarisme. Deze theorieën zullen kort worden uiteengezet om vervolgens in te gaan op de ratio achter het wetsvoorstel TBO.

Retributivisme
Volgens het retributivisme is een straf gerechtvaardigd wanneer die verdiend is. Vergelding staat in deze opvatting voorop. Vergelding heeft in deze context niet de betekenis van wraak, maar van vereffening. Het gepleegde delict moet op een bepaalde manier worden vereffend, de schade die de rechtsorde is toegebracht moet – voor zover dat mogelijk is – worden hersteld. De straf is dus gericht op het verleden, het is een reactie op het delict. De straf is op zichzelf goed en gerechtvaardigd en dient geen in de toekomst gelegen  doel. De straf is het doel, want het is juist om misdadigers leed toe te voegen. Dat een straf alleen gerechtvaardigd is wanneer zij verdiend is, veronderstelt dat de veroordeelde verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn daden. Het retributivisme hecht veel waarde aan de notie van de mens als redelijk wezen met de vrijheid om zelf te kiezen hoe hij handelt.

Utilitarisme
De tweede stroming is het utilitarisme. Het doel van straffen is volgens de theorieën van het utilitarisme gelegen in de toekomst: een straf dient ter voorkoming van toekomstige criminaliteit. De effectiviteit van de straf is daarom van groot belang: op welke manier kan het beoogde doel het beste worden bereikt? De straf is in deze visie instrumenteel: zij vindt haar rechtvaardiging in het toekomstige maatschappelijke nut.(4) Straf is geen gerechtvaardigd doel op zich, maar een middel.(5) Het utilitarisme ziet crimineel gedrag niet alleen als een keuze. Het kan ook het gevolg zijn van factoren die buiten de macht van de delinquent liggen, zoals omgevingsfactoren, opvoeding of neurologische afwijkingen.(6) Met het juiste inzicht in zulke factoren kan de meest effectieve straf worden gekozen, waardoor verder crimineel gedrag zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het Nederlandse strafrechtsysteem bevat zowel retributivistische als utilitaristische elementen. Een dergelijke combinatie noemt men een ‘verenigingstheorie’.

De onderwijsverplichting
Met de TBO-maatregel kan via het strafrecht een verplichting tot het volgen van onderwijs worden opgelegd. Met welk doel is voor een onderwijsverplichting onderwijsverplichting gekozen? ‘Het doel van de maatregel is niet gelegen in de bestraffing en de vergelding van het gedrag dat tot het opleggen van de maatregel heeft geleid’, aldus de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel.(7) De maatregel is geheel gericht op het ‘wegnemen van criminogene factoren’ en heeft daarmee een puur utilitaristisch karakter. De gedachte is dat bij de veroordeelde door het volgen van onderwijs een gedragsverandering optreedt die ervoor zorgt dat hij niet opnieuw in crimineel gedrag vervalt. Bij deze vorm van preventie zal ik verderop uitgebreider stilstaan. Het doel van het opleggen van de onderwijsverplichting is dus niet om het gedrag van de jeugdige delinquent te veroordelen. Eigenlijk wordt nauwelijks meer aandacht besteed aan het gepleegde delict; de ogen zijn slechts gericht op de toekomst. De focus ligt op de omstandigheden die er mogelijk voor zorgden dat de veroordeelde het delict pleegde. Het doel is om die omstandigheden te veranderen om verder crimineel gedrag te voorkomen. Een verplichting tot het volgen van onderwijs is niet aan elke winkeldief op te leggen; de maatregel heeft een specifieke doelgroep. ‘De TBO-maatregel richt zich op jeugdigen en jongvolwassenen die een problematisch onderwijsverleden hebben en die strafbare feiten hebben begaan.’(8) Het idee achter deze keuze is dat er een verband bestaat tussen recidive en ‘het niet waarnemen van onderwijskansen’. De maatregel wil dat verband verbreken. De oorzaak voor het criminele gedrag wordt dus niet zozeer gezocht in de persoon zelf, maar in de situatie waarin hij zich bevindt. Geprobeerd wordt om de veroordeelde uit die situatie te halen met de verwachting dat dit de kans op recidive verkleint. Verondersteld wordt dat het hebben van een problematisch onderwijsverleden crimineel gedrag in de hand werkt. Niet de persoon zelf, maar eerder de situatie waarin hij verkeert wordt gezien als ‘de schuldige’, de oorzaak van het criminele gedrag. Dit is een zuiver utilistische benadering: de reactie op het delict moet bestaan in het meest effectieve middel om het beoogde doel, het voorkomen van recidive, te bereiken. Deze benadering roept vragen op over de verantwoordelijkheid van de delinquent. Door de aandacht te vestigen op de situatie van de delinquent en niet op zijn persoon, wordt het lastig om hem ter verantwoording te roepen voor zijn gedrag. Zoals we hierboven hebben gezien is dat ook juist niet wat de TBOmaatregel beoogt te doen.

Vrijheidsstraf
Het niet naleven van de onderwijsverplichting heeft geen lichte consequenties. Een maand vervangende vrijheidsstraf kan worden opgelegd voor elke maand dat de onderwijsverplichting niet wordt nageleefd. De Memorie van Toelichting noemt de  vervangende vrijheidsstraf een ‘stok achter de deur’ en ‘de juiste motivatie’ voor het volgen van een vorm van onderwijs die geschikt is voor de veroordeelde en die ervoor zorgt dat hij  niet terugvalt in crimineel gedrag.(9) Waar de onderwijsverplichting zelf niet bedoeld is als straf, lijkt het erop dat niet-naleving daarvan wel degelijk bestraft wordt. Wat is het doel  van de vervangende vrijheidsbeneming? Het doel van de vervangende vrijheidsstraf is de veroordeelde ‘de juiste motivatie’ te geven voor het volgen van onderwijs, zo volgt uit de Memorie van Toelichting. Hoe moeten we dit doel precies begrijpen? De term ‘motivatie’ is in deze context een positieve verwoording van het begrip ‘afschrikking’. Afschrikking kan zowel een vorm van generale als speciale preventie zijn. Bij generale afschrikking weerhoudt de dreiging van de straf mensen ervan om delicten te plegen. Van Dijk zegt hierover: ‘Het effect wordt bereikt door de ogenschijnlijk op te leggen straf. Het daadwerkelijk opleggen van straf geschiedt slechts om de dreiging te onderstrepen’. (10) Speciale afschrikking werkt zo dat de onplezierige ervaring van de straf de veroordeelde afschrikt om nogmaals de fout in te gaan. Dit levert voor de gestrafte een extrinsieke  motivatie op om op het juiste pad te blijven.(11) Een andere vorm van speciale preventie is resocialisatie. Dit geeft de gestrafte een intrinsieke motivatie op om niet te recidiveren: hij voelt geen behoefte meer om het slechte pad op te gaan. Leeft de tot de TBO-maatregel veroordeelde zijn onderwijsverplichting na, dan zou hem dat een intrinsieke motivatie moeten geven om op het juiste pad te blijven. De Memorie van Toelichting zegt dat de onderwijsverplichting ervoor zorgt dat de jongere ‘zoveel mogelijk in de dagelijkse setting blijft van wonen en onderwijs volgen en dat hij terug kan vallen op het sociale netwerk dat daarbij hoort’. De behoefte tot recidive verdwijnt door het aanbrengen van een zekere  structuur.

Hoewel… vervangend?
De TBO-maatregel legt een verplichting tot het volgen van onderwijs op als reactie op het gepleegde delict. Wordt de onderwijsverlichting niet nageleefd, dan volgt een vrijheidsstraf. De vrijheidsbeneming vervangt de verplichting tot het volgen van onderwijs. Dat zou moeten betekenen dat de vrijheidsstraf een reactie is op het oorspronkelijke delict, een reactie die in de plaats treedt van de onderwijsverplichting die in eerste instantie werd opgelegd. De vervangende vrijheidsstraf is bedoeld als een ogenschijnlijk op te leggen straf die in de eerste plaats moet leiden tot het volgen van passend onderwijs. Het is een extrinsieke motivatie voor de veroordeelde om te voldoen aan zijn onderwijsverplichting. In het strafrecht worden soortgelijke extrinsieke motivaties vaker gebruikt, namelijk in de vorm van voorwaardelijke straffen. Het verschil is echter dat een voorwaardelijke straf ten uitvoer wordt gelegd wanneer de veroordeelde opom (gedeeltelijk) onbestraft verder te leven, maar zodra hij een gelijksoortig delict pleegt, treedt de voorwaardelijke straf alsnog  in werking. In het geval van de TBO-maatregel wordt de straf niet gekoppeld aan eventuele recidive, maar aan een middel dat bedacht is om recidive te voorkomen: de verplichting tot  het volgen van onderwijs. De onderwijsverplichting is het middel om het uiteindelijke doel – het voorkomen van recidive – te bereiken. Door de dreiging van de vervangende vrijheidsbeneming direct te koppelen aan de verplichting tot het volgen van onderwijs, wordt het onderwijs echter een doel op zichzelf. De vrijheidsstraf wordt niet opgelegd wanneer de veroordeelde recidiveert, maar wanneer hij niet naar school gaat. De onderwijsverplichting wordt op deze manier tot regel gemaakt, een regel die in geval van niet-naleving wordt bestraft. De straf vormt hier een reactie op die geïndividualiseerde regel en niet op het oorspronkelijke delict. Het is daarom feitelijk onjuist om te spreken van een vervangende vrijheidsstraf. De vrijheidsbeneming neemt niet de plaats in van de onderwijsverplichting als reactie op het gepleegde delict, maar vormt een zelfstandige sanctie voor het niet naleven van die onderwijsverplichting. Hoe het verdergaat met het wetsvoorstel TBO, zal nog moeten blijken. Het voorstel ligt nu voor advies bij de Raad van State.

Samenvattend
De vraag waarom wij straffen is eeuwenoud. Het blijft om verschillende redenen boeiend om over dit vraagstuk na te denken. Er bestaan verschillende opvattingen over de doelen en rechtvaardigingen van straf. Het retributivisme heeft als uitgangspunt dat straffen moeten vergelden, in het utilitarisme staan nut en effectiviteit voorop. Op het eerste  gezicht lijken de theorieën van deze twee stromingen lijnrecht tegenover elkaar te staan en  niet te verenigen. In de praktijk blijkt echter dat strafrechtsystemen een combinatie vormen van beide stromingen, zo ook het Nederlandse systeem. Een andere reden waarom de vraag naar de doelen en rechtvaardigingen van straffen interessant blijft is dat het strafrecht constant in beweging is; er worden regelmatig nieuwe straffen en  maatregelen bedacht. Het wetsvoorstel voor de TBO-maatregel geeft een bijzondere tweeledige constructie die erop gericht is om recidive bij jeugddelinquenten te voorkomen. De constructie bestaat uit een onderwijsverplichting als reactie op het gepleegde delict met een vervangende vrijheidsstraf als stok achter de deur om die verplichting daadwerkelijk na te leven. Het doel van de onderwijsverplichting is uitdrukkelijk niet om te vergelden en te bestraffen. Het is een voorbeeld van een zuiver utilitaristische visie op straf. De oorzaak voor het gepleegde delict wordt gezocht in het problematische onderwijsverleden van de delinquent. De straf is erop gericht om die problematische  onderwijssituatie te veranderen om recidive tegen te gaan. De straf is een middel om een  in de toekomst gelegen doel te bereiken. Met het gepleegde delict houdt de straf zich eigenlijk niet meer bezig. Het is niet de bedoeling het gedrag van de jeugdige delinquent te veroordelen. Het doel van de vervangende vrijheidsstraf is volgens de Memorie van Toelichting om de veroordeelde een stok achter de deur te bieden voor het naleven van zijn onderwijsverplichting. Het mechanisme van afschrikking wordt gebruikt, niet direct om recidive te voorkomen maar om af te dwingen dat het middel daartoe optimaal benut wordt. Door de manier waarop de vrijheidsstraf is gekoppeld aan de onderwijsverplichting is feitelijk gezien van een vervangende vrijheidsstraf geen sprake. De vrijheidsbeneming vormt immers geen reactie op het oorspronkelijke delict, maar op de opgelegde verplichting tot het volgen van onderwijs. Zou je willen betogen dat de vrijheidsstraf wél een echte vervangende reactie vormt op het oorspronkelijke delict, dan is evengoed sprake van een inconsistent gebruik van het strafrecht. De Memorie van Toelichting geeft uitdrukkelijk  aan dat het doel van de TBO- maatregel niet is gelegen in het bestraffen of vergelden van het gepleegde delict. De vrijheidsstraf als reactie op het delict is in deze context niet te rechtvaardigen. Een strafrechtfilosofische analyse van de TBO-maatregel illustreert hoe  belangrijk het is om te blijven stilstaan bij het waarom van het straffen en bij de aard van  het strafrecht. De handigste constructies kunnen worden bedacht om beoogde doelen te bereiken, maar wanneer die intern in strijd zijn met de grondgedachten van ons strafrechtelijk systeem, ontstaan scheve situaties.

Noten
1 Consultatieversie wetsvoorstel TBO-maatregel d.d. 15 september 2013, p. 8.
2 ‘De Onderwijsraad is een onafhankelijk adviescollege, opgericht in 1919. De raad adviseert de regering en de Kamer, gevraagd en ongevraagd, over hoofdlijnen van beleid en wetgeving op het gebied van het onderwijs’. Bron: Onderwijsraad.nl
3 Advies (concept)wetsvoorsel TBO-maatregel d.d. 19 juni 2014, Onderwijsraad.nl (zoek op: Advies TBO-maatregel).
4 G.P. Hoekendijk & M.M. Kommer, ‘Strafdoelen en tenuitvoerlegging: perspectief op een nieuwe verenigingstheorie?’ in: Sancties: Tijdschrift over straffen en maatregelen 2011, p. 212 e.v.
5 P. Westerman, Recht als raadsel: Een inleiding in de rechtsfilosofie, Zutphen: Uitgeverij Parijs 2013, p. 251.
6 Ibid, p. 263.
7 Consultatieversie wetsvoorstel TBO-maatregel d.d. 15 september 2013, p. 13.
8 Consultatieversie wetsvoorstel TBO-maatregel d.d. 15 september 2013, p. 9.
9 Consultatieversie wetsvoorstel TBO-maatregel d.d. 15 september 2013, p. 10 & 12.
10 A.A. Van Dijk, Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen, Apeldoorn: Maklu 2008, p. 90.
11 Ibid, p. 91.


  • -

Een dag in het leven van een strafrechtadvocaat M.R.M. Schaap

Maaike Baan en Madelon Zweep

Een dag in het leven van een strafrechtadvocaat M.R.M. Schaap

Het strafrecht is een geliefd vakgebied onder rechtenstudenten. Een baan in de strafrechtadvocatuur lijkt echter niet voor het grijpen te liggen. Voor deze editie van Terecht Gesteld nemen we een kijkje in een dag in het leven van strafrechtadvocaat Maartje Schaap om erachter te komen dat haar werk inderdaad vol zit met verrassingen en uitdagingen.

Over Maartje Schaap
Maartje Schaap is strafrechtadvocaat bij De Haan Advocaten & Notarissen te Groningen. In 1999 begon zij aan de rechtenstudie in Groningen waar ze de specialisaties privaat- en strafrecht succesvol afrondde. Vanwege het gebrek aan praktische onderdelen koos Maartje ervoor om de togamaster te volgen. Zij dacht feeling te hebben met het togaberoep en achteraf bleek dit een uitstekende keuze te zijn. Als onderdeel van de master liep Maartje onder andere een half jaar stage bij het Openbaar Ministerie (OM). Daar schreef ze uiteindelijk haar eindscriptie, waarna ze mocht blijven als junior parketsecretaris in Leeuwarden. In die functie deed zij het voorwerk voor de officier van justitie. Dezelfde functie heeft ze daarna nog enige tijd uitgeoefend in Groningen. Maartje miste in dit werk toch het contact met clienten en besloot te solliciteren voor een baan in de strafrechtadvocatuur. Ze kwam in eerste instantie terecht bij een civielrechtelijk kantoor, waar ze haar passie voor het strafrecht slechts gedeeltelijk kon waarmaken. Strafrecht was het rechtsgebied dat Maartje nog altijd erg aansprak en waar zij in verder wilde. Dit kwam onder andere tot uiting toen ze tijdens de beroepsopleiding advocatuur een grote  strafzaak deed. In 2010 kwam ze terecht op het strafrechtkantoor van De Haan, waar ze tot op heden werkzaam is.

De werkdag
Om 8.45 uur hebben we met Maartje afgesproken bij de rechtbank Noord-Nederland locatie Assen. Haar werkdag begint met een zitting in een grote payrollfraudezaak. De fraude speelde zich af in 2010 en is toen ook behandeld in een uitzending van TROS Opgelicht. Van Maartje begrepen wij dat payrollfraude als volgt in zijn werk gaat: een payrollbedrijf ontvangt een aanvraag van bedrijf X om de verloning van diens werknemers op zich te nemen. Er wordt een overeenkomst gesloten, waarna het payrollbedrijf steeds het afgesproken loon uitkeert aan de opgegeven werknemers. Bedrijf X blijft in gebreke met de betaling van de door het payrollbedrijf aan de werknemers voorgeschoten lonen. Dan blijkt dat Bedrijf X geen draaiende onderneming is en de ‘werknemers’slechts zijn ingezet om geld te kunnen witwassen. De client van Maartje is opgegeven als werknemer en verdachte in de eerste zaak die we vandaag gaan bijwonen. Bij de rechtbank aangekomen blijken we niet de enigen te zijn die vandaag een zitting komen bijwonen; er staat een hele schoolklas in de rij om door de beveiligingspoortjes te lopen. Eenmaal binnen nemen we plaats in de hal en al snel zien we een hoogzwangere Maartje binnenlopen. Ze haast zich naar de advocatenkamer en verschijnt al snel weer in de hal, nu in toga. Voor de zitting heeft Maartje nog even de tijd om ons bij te praten. Haar client is niet aanwezig omdat hij in voorlopige hechtenis zit in een andere zaak. De zaak wordt omgeroepen en wij nemen als publiek plaats in een aparte ruimte achter een glasplaat. Naast de client van Maartje zijn er nog drie verdachten in deze strafzaak, die wel zijn verschenen en worden bijgestaan door hun advocaten. De voorzitter neemt eerst met de aanwezige verdachten het tenlastegelegde door en stelt hen kritische vragen. De drie aanwezige verdachten vertellen ongeveer hetzelfde verhaal: zij kregen in 2010 een telefoontje van een onbekend persoon. Er werd hen verteld dat er een administratieve fout was gemaakt, waardoor zij geld van een payrollbedrijf op hun rekening zouden ontvangen. Verzocht werd om dit geld over te boeken naar een andere rekening. Dit hadden de drie aanwezige verdachten ook gedaan. De client van Maartje heeft echter het geld niet overgeboekt, maar zelf opgemaakt. Na een korte pauze worden de persoonlijke omstandigheden van de verdachten besproken. Maartje vertelt over de persoonlijke situatie van haar client en vraagt de rechtbank daarmee rekening te houden. Hierna krijgen alle advocaten de gelegenheid om te pleiten. Onderling hebben ze afgesproken dat Maartje als eerste het woord doet. Met krachtige stem en in heldere bewoordingen levert ze kritiek op de tenlastelegging van de officier van justitie. De andere advocaten sluiten zich in hun pleidooien bij haar standpunt aan. De zitting wordt gesloten en over twee weken wordt uitspraak gedaan.

Na deze zaak blijven we in Assen en vertelt Maartje ons over de politierechterzitting waar we straks naar toe gaan. Haar client is een jongeman die verdacht wordt van bedreiging van Geert  Wilders via de computer. We krijgen te horen dat een andere zitting blijkt uit te lopen: een voor Maartje veelvoorkomende ergernis. Rechters kunnen het vaak niet voor elkaar krijgen om zich aan de dagelijkse agenda te houden, wat begrijpelijk is gezien de vele zaken per dag. Er worden vaak meerdere zittingen op hetzelfde tijdstip gepland omdat verdachten vaak niet verschijnen of omdat ze verschijnen zonder advocaat. Toen Maartje zich meldde bij de bodebalie werd het uitlopen van de agenda haar niet gemeld. Door de uitloop missen we het hoger beroep in Leeuwarden dat dezelfde middag dient. Maartje geeft aan dat je je als advocaat altijd moet kunnen aanpassen, zo ook nu. Ze belt naar kantoor om een collega te vragen of hij naar Leeuwarden kan om de zaak van haar over te nemen. Als strafrechtadvocaat moet je je op dit vlak erg flexibel kunnen opstellen. Maartje vertelt dat dit in het begin niet altijd even leuk was, maar dat je na verloop van tijd leert om op zulke situaties te anticiperen.

De tweede zaak van de dag betreft dus een leerling tegen wie aangifte is gedaan door Geert Wilders vanwege bedreiging. In de tenlastelegging is opgenomen dat het ging om bedreiging gezamenlijk en in vereniging. Primair voert Maartje als verweer dat er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Het was onduidelijk wie wat had gedaan in het geheel. Bovendien voert Maartje aan dat het de vraag is of er wel gesproken kan worden van bedreiging. Hiervoor moet er een concrete aankondiging zijn met de daadwerkelijke verwachting de bedreiging zich kan verwezenlijken. Als de rechter

vervolgens uitspraak doet wordt er helaas niet ingegaan op de jurisprudentie die Maartje had aangevoerd. Maartje geeft aan dat dit vaker voorkomt bij de politierechter. Uiteindelijk spreekt de rechter de client van Maartje vrij omdat er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. De zittingsdag werd op deze manier toch nog goed afgesloten.

 De Turfsingel
De rest van de dag brengt Maartje door op kantoor. We rijden met haar mee naar een pandje aan de  Turfsingel, dat uitkijkt op de gracht en op een steenworp afstand ligt van de rechtbank. Dat laatste is erg handig, want een dag met meerdere zittingen is voor een strafrechtadvocaat geen uitzondering. Het kantoor aan de Turfsingel is een vestiging van De Haan die zich uitsluitend bezighoudt met strafrecht. Het pand ademt de sfeer uit van een woonhuis. Er is zelfs een tuintje dat gedeeld wordt met de pizzeria ernaast. Bij binnenkomst is er een balie waar clienten of andere mensen met vragen zich kunnen melden. Het gebeurt vaak dat mensen even langs komen om een vraag te stellen of papieren af te geven, wat zorgt voor een levendige sfeer op kantoor.

We gaan naar Maartje haar kamer op de tweede verdieping. Het is een lichte ruimte met een balkonnetje en opvallend veel schaapjes ter decoratie. Bij haar bureau ligt een artikel uit het Dagblad van het Noorden over een man uit Beilen die door de burgemeester uit zijn woning werd gezet nadat daar 42   hennepplantjes waren aangetroffen. Maartje vertelt dat zij werkt aan de zaak van het krantenartikel. Haar client werdin de strafzaak vrijgesproken, maar werd alsnog voor drie maanden zijn huis uitgezet door de burgemeester. Tegen die beslissing maakte Maartje namens haar client bezwaar. Maartje staat als strafrechtadvocaat vrij regelmatig voor de bestuursrechter. Zo doet ze geregeld zaken tegen het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), bijvoorbeeld inzake de oplegging van een alcoholslotprogramma. Ze vertelt over een zaak van een 23-jarige vrachtwagenchauffeur aan wie een alcoholslot werd opgelegd. Ook in dit geval werd haar client vrijgesproken in de strafzaak voor rijden onder invloed, omdat uit het proces-verbaal niet bleek dat een blaastest was afgenomen op de manier die het protocol voorschrijft. Daardoor was geen sprake van een geldig onderzoek en ontbrak een betrouwbare metingsuitslag waarop de rechter zijn uitspraak kon baseren. Om die reden heeft Maartje bij de bestuursrechter gevraagd om een herziening van het besluit van het CBR tot het opleggen van het alcoholslotprogramma. De bestuursrechter heeft in principe niets te maken met de uitspraak van de strafrechter. Dat maakt de uitspraak van de bestuursrechter lastig te voorspellen.

Ongeveer negentig procent van de zaken die Maartje doet is op basis van toevoegingen. Dat betekent dat de Raad voor de Rechtsbijstand voor de client een groot gedeelte van de kosten voor de advocaat betaalt (1). Afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de client wordt aan de hand van een puntensysteem een eigen bijdrage berekend. In haar werk heeft Maartje veel te maken met de politie, onder andere met betrekking tot het bezoeken en verhoren van clienten. Ook is er contact met reclassering, die informatie geeft over de achtergronden van clienten. Daarnaast zijn er behandelende en begeleidende instanties voor clienten waarmee je als strafrechtadvocaat in contact staat. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan verslavingszorg en begeleiding in werk en dienstverlening.

 Er zijn in Groningen weinig kantoren die alleen gespecialiseerd zijn in het strafrecht. De werkgelegenheid gespecificeerd tot het strafrecht is in het westen van het land een stuk groter dan in het noorden. Maartje benadrukt echter dat als je iets wilt, je ervoor moet gaan. Als je besluit om voor het strafrecht te kiezen dan moet je het niet als vervelend

ervaren om je flexibel te kunnen opstellen qua tijd en om zaken van collega’s over te nemen met een korte

voorbereidingstijd. Daarnaast moet je ook als persoon kunnen levelen met de clienten; je moet je kunnen inleven in degene die je als advocaat bijstaat. Er vallen in het strafrecht soms bijzondere figuren binnen met de vraag of ze kunnen worden bijgestaan. Hiermee moet je wel kunnen omgaan.

Op het strafrechtkantoor van De Haan zijn zes advocaten werkzaam. Het werk zelf is vrij individualistisch; ieder draait nu eenmaal zijn eigen agenda. Iedere week worden de agenda’s naast elkaar gelegd om met elkaar te communiceren en door te nemen hoe de week er uitziet. Het kantoor is strafrecht-minded en Maartje omschrijft de sfeer als relaxed. Kortom; het leven als strafrechtadvocaat is druk maar interessant met elke dag nieuwe uitdagingen en ontwikkelingen.

Noot

                                                                                                                                                  

1 Raadpleeg voor meer informatie de website van de Raad voor Rechtsbijstand, www.rvr.org.


  • -

Over gedragsregels voor advocaten en de procedure van klacht tot tuchtrechter

Maaike Baan

Over gedragsregels voor advocaten en de procedure van klacht tot tuchtrechter.

Wat een behoorlijk advocaat betaamt

In april van dit jaar deed het Hof van Discipline uitspraak in de zaak tegen Bram Moszkowicz, die zich toen nog één van de bekendste advocaten van Nederland kon noemen. Bekend is hij nog steeds, advocaat niet meer: Moszkowicz werd met de beslissing van het Hof van Discipline geschrapt van het tableau, de zwaarste maatregel die door de tuchtrechter aan een advocaat kan worden opgelegd. Aan welke regels dient een advocaat zich bij de uitoefening van zijn beroep eigenlijk te houden? Hoe bont moet hij het maken voordat hij definitief geschrapt wordt van het tableau en welke procedure gaat er aan een zitting bij het Hof van Discipline, de hoogste tuchtrechter voor advocaten, vooraf?

Gedragsregels voor advocaten
Alle advocaten in Nederland zijn verplicht lid van de Nederlandse Orde van Advocaten. Zij moeten zich houden aan de Advocatenwet en door de Orde gestelde eisen. Aan het beroep van advocaat zijn bepaalde gedragsregels verbonden, die zijn neergelegd in de Gedragsregels 1992. Deze regels zijn bedoeld als richtlijn voor het handelen van advocaten en kunnen tevens dienen als richtlijn voor de tuchtrechter. Zij hebben dus geen bindend karakter. Voorafgaand aan het intreden van de Gedragsregels 1992 – die de Gedragsregels van 1980 vervingen – bestond discussie over het karakter van de regels: moesten die bij verordening worden vastgesteld zodat ze aan gezag zouden winnen en meer gelegitimeerd zouden zijn, of moest het tot dan toe bestaande open stelsel worden behouden? Voor dit laatste werd gekozen en de gedragsregels bleven daarmee, in de woorden van de commissie die de tekst schreef voor de Ereregelen voor advocaten van 1968, “een weergave van datgene wat in de balie in een bepaald tijdvak leefde als ererecht”.

De gedragsregels kunnen worden gezien als een invulling van de wettelijke norm van artikel 46 Advocatenwet. Deze bepaling benoemt het handelen en nalaten ter zake waarvan advocaten aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen.

Artikel 46 Advocatenwet geeft, kort weergegeven, drie regels:
– zorg voor de behartiging van de aan de advocaat toevertrouwde belangen;
– naleving van de verordeningen van de Orde;
– handelen overeenkomstig hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt.

Uiteindelijk bepalen de Raden en het Hof van Discipline (de tuchtrechters in eerste aanleg en hoger beroep) ‘wat een behoorlijk advocaat uit een oogpunt van behoorlijke beroepsuitoefening al dan niet betaamt’. Het gedragsrecht voor advocaten is dus voornamelijk rechtersrecht.

De kernwaarden van de advocatuur gecodificeerd?
Ongeveer tien jaar gelden werd door de Tweede Kamer een motie aangenomen, waarin gevraagd werd om een analyse van de positie en rol van de advocaat in de rechtsstaat en de rechtsorde. In 2005 werd door de minister van Justitie aan deze motie uitvoering gegeven door installatie van de Commissie Advocatuur onder leiding van Van Wijmen. In 2006 verscheen het rapport van de commissie: Een Maatschappelijke Orde. Het rapport stelt onder meer voor om de kernwaarden van de advocatuur – zoals die naar huidige opvattingen al gelden voor de beroepsgroep – vast te leggen in de Advocatenwet. De aanbevelingen van de Commissie Van Wijmen hebben geleid tot het  wetsvoorstel “Positie en toezicht advocatuur”, dat sinds mei 2010 in behandeling is bij Tweede Kamer. Het wetsvoorstel voegt onder andere een nieuw artikel 10a toe aan de Advocatenwet, daarmee de kernwaarden voor de advocatuur worden gecodificeerd. Artikel 10a noemt vijf kernwaarden: onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, integriteit en vertrouwelijkheid. Deze kernwaarden dienen uiteindelijk het belang van een goede rechtsbedeling, dat in de Memorie van Toelichting van het wetsvoorstel wordt aangeduid als het kerndoel van de advocatuur.

Uit het bovenstaande is gebleken dat advocaten zich aan bepaalde regels moeten houden en dat er een speciale tuchtrechter is die hierop kan toezien. Maar welke verschillende manieren zijn er om tot een oplossing van een geschil te komen? En hoe komt een zaak bij de tuchtrechter terecht?

Verschillende klachtenregelingen
Wanneer een persoon niet tevreden is over de werkwijze van zijn of haar advocaat, ligt het voor de hand om het probleem eerst aan de advocaat zelf voor te leggen. Ontevredenheid kan bijvoorbeeld ontstaan over de kwaliteit van de dienstverlening, maar ook over de bereikbaarheid van de advocaat of diens declaraties. Als cliënt en advocaat niet samen tot een oplossing komen kan in veel gevallen een officiële klacht worden ingediend via de interne klachtenprocedure van het kantoor. Veel advocatenkantoren hebben een speciale klachtenfunctionaris die klachten behandelt volgens een interne regeling.

Tegenwoordig zijn ook veel advocaten aangesloten bij de Geschillencommissie Advocatuur: een onafhankelijke instantie die tot taak heeft om geschillen tussen een cliënt en zijn advocaat te beslechten die betrekking hebben op de opdracht aan de advocaat. Zowel de advocaat als de cliënt kan de commissie benaderen wanneer sprake is van een geschil. Wanneer de cliënt een consument is en het werk van de advocaat geen betrekking heeft gehad op de uitoefening van een beroep of bedrijf van de cliënt, treedt de commissie op als bindend adviseur. Is de cliënt geen natuurlijk persoon, maar bijvoorbeeld een stichting of vennootschap, dan treedt de Geschillencommissie op als arbiter. De Geschillencommissie behandelt schadevergoedingsvorderingen tot een bedrag van €10.000.

Op dit moment zijn al meer dan 5.000 advocaten vrijwillig aangesloten bij de Geschillencommissie. De gang naar de commissie wordt door advocaten en hun cliënten vooraf afgesproken, bijvoorbeeld in de algemene voor­waarden. Vereiste is dat de klachten­functionaris voorafgaand aan de gang naar de commissie in kennis is gesteld van de klacht. Wanneer de advocaat van de klager niet bij de commissie is aangesloten, kan het geschil op basis van een Akte van Compromis toch naar de commissie worden doorgeleid.

Een andere optie voor de klager is om direct contact op te nemen met de lokale deken van de Orde van Advocaten. Nederland telt 11 arron­dissementen met 11 lokale Orden van Advocaten. Elk van deze Orden wordt bestuurd door een Raad van Toezicht, waarvan de lokale deken voorzitter is. Hij is gekozen door de advocaten in zijn arrondissement en verantwoorde­lijk voor het toezicht op de advocatuur in die regio. Het arrondissement waar­in de advocaat is gevestigd, bepaalt wie de aangewezen deken is.

De deken stelt een onderzoek in naar alle klachten die bij hem binnenko­men. Wanneer de klager daarom ver­zoekt, helpt de deken hem met het schriftelijk formuleren of verduidelij­ken van zijn klacht. In eerste instantie probeert de deken te bemiddelen tus­sen de advocaat en zijn cliënt: hij tracht – in de woorden van de Advocatenwet – de klachten steeds ‘in der minne te schikken’. Leidt de bemiddeling tot te­vredenheid bij advocaat en klager, dan wordt de schikking schriftelijk vastge­legd en door beide partijen onderte­kend. Voor de klager vervalt hiermee de mogelijkheid om de klacht via de deken aan de Raad van Discipline, de tuchtrechter in eerste instantie, voor te leggen.

De deken kan ook besluiten na zijn eigen onderzoek de klacht voor te leg­gen aan de Raad van Discipline. Dat zal hij doen wanneer naar zijn oor­deel bemiddeling niet mogelijk of niet wenselijk is. Wanneer de cliënt erop staat dat zijn zaak voor de tuchtrechter wordt gebracht, is de deken verplicht om de klacht – na zijn eigen onderzoek – door te zenden aan de Raad.

Tuchtrechtspraak
Er zijn vier raden van discipline in Nederland, die op grond van de wet belast zijn met de tuchtrechtspraak voor advocaten. Daarnaast is er een Hof van Discipline, de tuchtrechter in hoger beroep en tevens laatste instan­tie. De tuchtcolleges oordelen onaf­hankelijk en partijdig. Zij zijn niet ver­bonden aan de Nederlandse Orde van Advocaten of aan de gewone recht­sprekende colleges, zoals rechtbanken. Behandelingen van zaken vinden dan ook niet in toga plaats.

De rechtsgebieden van de raden vallen samen met die van de vier gerechtsho­ven. De raad krijgt een klacht altijd doorgezonden door de deken; het is voor een ontevreden cliënt niet moge­lijk om direct naar een raad van disci­pline te stappen.

De voorzitter van de Raad van Discipline beoordeelt of een binnen­gekomen klacht geschikt is om op een zitting te behandelen. Wanneer dat niet het geval is – de klacht is van onvoldoende gewicht, kennelijk onge­grond of kennelijk niet-ontvankelijk – kan de voorzitter de klacht binnen 30 dagen schriftelijk afdoen. Vindt de voorzitter dat er wel een zitting moet komen dan wordt de zaak behandeld door een raad bestaande uit een voor­zitter en vier leden, bijgestaan door een griffier. De voorzitter is altijd een rechter en de leden zijn advocaten. De griffier is ook een advocaat. De partij­en worden uitgenodigd om bij de zit­ting aanwezig te zijn en kunnen zich laten bijstaan door een advocaat of ge­machtigde. De voorzitter en leden van de Raad hebben tijdens de zitting geen rechtstreeks contact met partijen; het contact verloopt via de griffie.

Als de Raad van Discipline de bezwa­ren over de advocaat gegrond acht, zijn er vier maatregelen die kunnen wor­den opgelegd: een enkele waarschu­wing, een berisping, schorsing voor de maximale duur van een jaar en schrap­ping van het tableau. Het handelen en/of nalaten van de advocaat wordt door de Raad van Discipline steeds getoetst aan het eerder genoemde arti­kel 46 van de Advocatenwet, waarvan de Gedragsregels 1992 als uitwerking kunnen worden gezien. Ook kan wor­den getoetst aan verordeningen die zijn vastgesteld door het College van Afgevaardigden van de Orde.

Is een klacht door de voorzitter schrif­telijk afgewezen en is de klager nog steeds van mening dat zijn zaak toch voor de Raad zou moeten komen, dan kan hij tegen de beslissing van de voorzitter binnen 14 dagen in verzet komen. Indien de Raad van oordeel is dat het verzet gegrond is, wordt de klacht in verdere behandeling geno­men. De Raad kan het verzet zonder nader onderzoek ongegrond verkla­ren wanneer hij van oordeel is dat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of van onvol­doende gewicht is. Dat kan hij echter pas doen na de klager en de betrokken advocaat en deken in de gelegenheid te hebben gesteld om te worden gehoord. Tegen de beslissing van het niet-ont­vankelijk of ongegrond verklaren van het verzet staat geen rechtsmiddel meer open.

Een klacht over een advocaat kan door de klager ook weer worden ingetrok­ken. In beginsel wordt daarmee de be­handeling van de klacht door de Raad gestaakt. Dat is anders wanneer de Raad van mening is dat de klacht toch behandeld moet worden met het oog op het algemeen belang. In dat geval wordt de klacht verder behandeld ‘als ware hij afkomstig van de deken’.

Tegen uitspraken van de Raad van Discipline kan in hoger beroep wor­den gegaan bij het Hof van Discipline: de hoogste instantie voor tuchtrecht­spraak ten aanzien van advocaten. Het Hof houdt zitting in het Paleis van Justitie in ’s Hertogenbosch. Leden van het Hof zijn rechters en advocaten. Een zittingskamer bestaat steeds uit drie leden van de rechterlijke macht en twee advocaatleden. Hoger beroep kan worden ingesteld door de klager, de advocaat ten aanzien van wie de beslissing is genomen en de deken die de klacht bij de Raad heeft aange­bracht. Tegen alle beslissingen van de Raad van Discipline kan hoger beroep worden ingesteld door de algemene deken van de Nederlandse Orde van Advocaten.

Wetsvoorstel Positie en toezicht advocatuur
Hiervoor kwam het wetsvoorstel “Positie en toezicht advocatuur”, dat momenteel in behandeling is bij de Tweede Kamer, al even aan de orde. Naast verankering van de kernwaar­den van de advocatuur in een nieuw artikel 10a van de Advocatenwet houdt het wetsvoorstel een ingrijpen­de wijziging van de manier van toe­zicht op de advocatuur in. Het voorstel wil een college van toezicht installeren dat verantwoordelijk is voor het toe­zicht op advocaten. Benoeming van de leden van het college vindt plaats op voordracht van de minister. Ook kan de minister leden voordragen voor schorsing en ontslag. Het toezicht wordt uitgeoefend door de deken en andere personen die worden aange­wezen door het college van toezicht, waaronder medewerkers van het ei­gen bureau. Het college kan een deken aanwijzingen geven en hem voordra­gen voor schorsing of ontslag.

De Orde van Advocaten is om ver­schillende redenen tegen het aanstel­len van een College van Toezicht. De voornaamste reden is dat de overheid daarmee bevoegdheden krijgt waar­door sprake is van een verregaan­de betrokkenheid en invloed van de overheid op de advocatuur. Controle door de overheid op de advocatuur is volgens de Orde strijdig met de onaf­hankelijke positie van de advocaat in de rechtsstaat. Daarnaast stelt de Orde dat met het voorgestelde College van Toezicht de privacy van cliënten niet langer is gewaarborgd, nu de leden van het college toegang hebben tot alle gegevens van advocaten en zij niet het verschoningsrecht kennen zoals dat voor advocaten geldt. Bovendien merkt de Orde op dat er met het aan­stellen van een College van Toezicht een “toezichtcircus” ontstaat met ver­schillende toezichthouders. De extra kosten en bureaucratie die dit extra toezicht met zich meebrengen, komen de klager niet ten goede.

Ook andere instanties zijn kritisch over het wetsvoorstel. De Raad voor de Rechtspraak noemt de voorgestelde regeling in haar advies “te vergaand en onwenselijk”. De Hoge Raad acht de noodzaak van het wetsvoorstel “on­voldoende beargumenteerd”.

Het alternatief dat de Orde voorstelt is om de huidige positie van de deken te versterken door de introductie van een stelseltoezichthouder. Deze on­derzoekt de werking van het stelsel en het functioneren van de deken, maar houdt zich niet bezig met toezicht op individuele advocaten.

Slotsom
Uit het bovenstaande blijkt dat er verschillende manieren zijn om een ge­schil tussen advocaat en cliënt op te lossen. In eerste instantie wordt steeds geprobeerd de kwestie ‘in der min­ne te schikken’. Pas wanneer dat niet mogelijk of niet wenselijk blijkt, komt de tuchtrechter aan de orde. De tucht­rechter oordeelt aan de hand van art. 46 Advocatenwet, welke norm wordt ingevuld door de Gedragsregels 1992, of een advocaat heeft gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Het gedragsrecht voor advocaten is uitein­delijk vooral rechtersrecht.

Het wetsvoorstel “Positie en toezicht advocatuur” beoogt het toezicht op de advocatuur drastisch te wijzigen. Gezien de kritiek uit verschillende hoeken van de juridische vakwereld is het nog maar de vraag of de voorge­stelde regeling toepassing zal vinden.

Noten
                                                                                                                                                           

1 Daarnaast zijn alle advocaten lid va de Orde in hun arrondis­sement.

2 Gedragsregels 1992, Ten geleide. Geraadpleegd 11 november 2013 via https://www.advocatenorde.nl/advocaten/juridi­sche-databank/wetenregelgeving/list/hoofdstuk/Gedragsre­gels%201992?pagenum=0.

3 Gedragsregels 1992, Inleiding, idem.

4 Gedragsregels 1992, Ten geleide, idem.

5 Commissie Advocatuur (2006). Een Maatschappelijke Orde.

6 Aanpassing van de Advocatenwet en enige andere wetten in verband met de positie van de advocatuur in de rechtsorde en herziening van het toezicht op advocaten (Wet positie en toezicht advocatuur, 32 382).

7 Memorie van Toelichting Wet positie en toezicht advocatuur, p. 6.

8 Memorie van Toelichting Wet positie en toezicht advocatuur, p. 13.

9 Art. 4 Reglement Geschillencommissie.

10 Art. 7 lid 1 Reglement Geschillencommissie.

11 Geschillencommissie Advocatuur. Geraadpleegd 11 november 2013 via https://www.advocatenorde.nl/585/consumenten/geschillencommissie-advocatuur.html.

12 Art. 46c lid 1 Advocatenwet.

13 Art. 46d lid 1 Advocatenwet.

14 Art. 46d lid 2 Advocatenwet.

15 Art. 46e lid 1 Advocatenwet.

16 Art. 46 Advocatenwet.

17 Dijk, J.C. (2012) Jaarverslag Hof van Discipline & Raden van Discipline 2012. Geraadpleegd 11 november 2013 via http://www.hofvandiscipline.nl/admin_assets/content/content_files/public/Jaarverslag%202012%20Hof%20en%20raden%20van%20discipline.pdf.

18 www.hofvandiscipline.nl. Veel gestelde vragen. Geraadpleegd op 11 november 2013.

19 Art. 46a Advocatenwet.

20 Art. 46g lid 1 Advocatenwet.

21 Art. 48 lid 2 Advocatenwet.

22 Alle toepasselijke regelgeving is te vinden in de juridische databank op de website van de Nederlandse Orde van Advocaten: www.advocatenorde.nl.

23 Art.46h lid 5 Advocatenwet.

24 Art. 46h lid 3 Advocatenwet.

25 Art. 46h lid 4 Advocatenwet.

26 Art. 47a Advocatenwet.

27 Art. 56 lid 1 Advocatenwet.

28 Art. 56 lid 2 Advocatenwet.

29 Art. 36a t/m 36c wetsvoorstel 32 382 (Wet positie en toezicht advocatuur).

30 Art. 45a t/m 45f wetsvoorstel 32 382 (Wet positie en toezicht advocatuur).

31 (R)écht onafhankelijk: Het wetsvoorstel. Geraadpleegd op 11 november 2013 via https://www.advocatenorde.nl/9789/echt-onafhankelijk/wetsvoorstel.html.

32 (R)écht onafhankelijk: Veelgestelde vragen. Geraadpleegd op 14 november 2013 via https://www.advocatenorde.nl/9784/echt-onafhankelijk/veelgestelde-vragen.html?faq=9805#­faq9805.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.