Implementatiewet richtlijn consumentenrechten

  • -

Implementatiewet richtlijn consumentenrechten

Madelon Zweep
Implementatiewet richtlijn consumentenrechten

Wijzigingen in het Burgerlijk Wetboek

Op het terrein van het consumentenrecht doen zich vanaf 13 juni 2014 een aantal wijzigingen voor. Aanleiding hiervoor is Richtlijn 2011/83, ook wel de Implementatiewet richtlijn consumentenrechten (hierna: de Richtlijn). Twee eerdere richtlijnen, de Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en de Richtlijn betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, worden samengevoegd.

De samentrekking beoogt een verbetering en vereenvoudiging van de bestaande Europese regels in het geval van overeenkomsten tussen handelaren en consumenten. Dit geldt op het terrein van roerende zaken – waaronder elektriciteit en gas begrepen – en diensten. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen overeenkomsten op afstand, buiten verkoopruimten of anders gesloten overeenkomsten.

Vernieuwingen
De vernieuwingen die worden doorgevoerd hebben betrekking op overeenkomsten tussen handelaren en consumenten. Het gaat om overeenkomsten op afstand, overeenkomsten buiten verkoopruimten gesloten, maar ook op andere wijze zoals overeenkomsten gesloten in een winkel. De nieuwe regeling geldt slechts voor overeenkomsten gesloten op of na 13 juni 2014. De wijzigingen zien we terug in boek 6 en boek 7 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Er komt een nieuwe afdeling die de artikelen 6:230g tot en met 6:230z BW  omvat. De afdeling van de overeenkomsten op afstand die nu staat geregeld in afdeling 7.1.9A vervalt, net zoals de Colportagewet. In art. 6:230h BW is opgenomen in welke gevallen het nieuwe consumentenrecht geen toepassing vindt. Het betreft onder andere overeenkomsten aangaande een prestatie met een waarde van minder dan vijftig euro, het verhuren van woonruimte en gezondheidsdiensten. De belangrijkste wijzigingen zijn de verruiming van de bedenktijd en de informatieverplichtingen voor de handelaar. Bovendien komt er een bepaling die betrekking heeft op oneerlijke handelspraktijken. Mocht een overeenkomst in strijd zijn met een oneerlijke handelspraktijk dan kan de consument deze vernietigen. De Richtlijn staat maximale harmonisatie voor en wil daarmee uniforme regels binnen de lidstaten creëren. Daarnaast zijn definities aangepast aan de huidige moderne tijd en vooruitdenkend, denk aan ontwikkelingen in de digitale wereld. Hierbij moeten we denken aan specifieke informatieplichten bij het aankopen van digitale producten.

Herroepingsrecht
Een belangrijke wijziging vormt de verruiming van het herroepingsrecht voor  consumenten. Deze is verlengd naar veertien kalenderdagen. Voorwaarde voor dit recht is dat het dient te gaan om een overeenkomst op afstand of een overeenkomst buiten de verkoopruimte. Door de inwerkingtreding van de implementatiewet komt het herroepingsrecht dat is neergelegd in art. 7:46d BW te vervallen. Het nieuwe herroepingsrecht wordt opgenomen in afdeling 6.5.2A BW en heeft betrekking op overeenkomsten op afstand tussen handelaren en consumenten. Het huidige herroepingsrecht uit art. 7:46d BW komt voort uit de Richtlijn overeenkomsten op afstand. Het regelt dat consumenten binnen zeven werkdagen de overeenkomst zonder opgave van redenen kunnen ontbinden; de wettelijke bedenktijd. Deze richtlijn wordt nu ingetrokken door de invoering van de Richtlijn consumentenrechten.(1) Met de vernieuwing wordt de wettelijke bedenktijd verruimd van zeven werkdagen naar veertien kalenderdagen ingevolge art. 6:230o BW. Het ontbinden zelf geschiedt door een ondubbelzinnige verklaring aan de verkoper. Dit is voor de consument vergemakkelijkt middels een  modelformulier, dat wordt teruggestuurd aan de verkoper. Het aanbieden van een modelformulier door de verkoper is overigens niet verplicht. Nadat de verkoper een bevestiging van de ontbinding kennisgeeft heeft de koper opnieuw veertien dagen de tijd om het product terug te sturen. Mocht het een product betreffen dat in verschillende delen wordt geleverd, dan gaat de bedenktijd pas in wanneer het laatste gedeelte van dit product  is ontvangen. De veertiendagentermijn kan op verschillende tijdstippen beginnen te lopen. Het meest voor de hand liggend is de mogelijkheid dat het bestelde product is ontvangen door de consument; het moment van het in bezit krijgen. Een andere mogelijkheid is dat een bestelling uit meerdere producten bestaat. Het moment van start van de termijn betreft dan de dag waarop het laatste onderdeel is ontvangen. Dit in fysiek ontvangst nemen van het product als startpunt is gekozen, omdat de consument vanaf dan het product kan testen.(2) Maar wat nu als je als student niet thuis bent omdat je in de vakantieperiode niet op je kamer bent? Het pakket wordt dan waarschijnlijk bij de buurvrouw afgeleverd. Dit brengt mee dat de veertiendagentermijn pas begint te lopen wanneer het pakket wordt opgehaald. Dit is ook het geval als het bij een afhaalpunt wordt opgehaald. Zoals voor te stellen kan het soms lastig zijn om aan te tonen wanneer de termijn is gaan lopen. Wanneer de overeenkomst is ontbonden is de consument verplicht om de producten onverwijld en binnen veertien dagen terug te sturen, zo bepaalt art. 6:230s lid 1 BW. De verkoper dient op zijn beurt het betaalde terug te betalen en heeft hier maximaal veertien dagen de tijd voor.De Richtlijn voorziet ons tevens van informatie met betrekking tot de reikwijdte van het herroepingsrecht. Een interessant punt betreft de vraag in hoeverre de consument het ontvangen product mag testen. Dit hangt natuurlijk af van het soort product. De bekende vraagstukken duiken op; mag van een fiets worden verwacht dat deze een persoon kan vervoeren op de pakjesdrager? De consument krijgt de gelegenheid om het product uit te proberen. Dit uitproberen reikt tot voor zover dit noodzakelijk is om de aard, de kenmerken en de werking van producten na te gaan. Nieuw is dat met de Richtlijn wordt bepaald dat, mocht een consument te ver zijn gegaan in dit uitproberen, een waardevermindering voor rekening van de koper komt. Dit dient van geval tot geval te worden beoordeeld. Het nieuwe herroepingsrecht doelt voornamelijk op voordelen voor de interne markt. Door de termijnen gelijk te trekken zal de grensoverschrijdende handel op dit punt verbeterd worden. Er wordt maximum harmonisatie bereikt, van waaruit niet meer of minder bescherming mag worden geboden. Het gaat hier te ver om inhoudelijk op de  regeling in te gaan, maar zij is zeker een kijkje waard. De nieuwe regeling betreft een verruiming en specificering van de oude regeling.(3)

Informatieverplichting
Bij het kopen van een product of het afnemen van een dienst wil de consument een zo goed mogelijke keuze maken die aansluit op zijn of haar wensen. De handelaar kan hierbij helpen door de juiste informatie te verstrekken, op hem rust de zogenaamde informatieplicht. Bij de verkoop in een winkel dient de ondernemer informatie te geven over de kenmerken van het product of de dienst die hij verkoopt, over de totale prijs die betaald dient te worden, over de garanties enzovoort. De ondernemer dient dit op een duidelijke en begrijpelijke wijze over te brengen voordat de overeenkomst is gesloten. Bij telemarketing of verkoop via het internet gelden nog enkele aanvullende informatieverplichtingen. Het gaat te ver om hier in deze bijdrage op in te gaan. Ook de bedenktijd en de duur van de overeenkomst zijn voorbeelden van informatieverplichtingen. Wanneer de consument niet wordt geïnformeerd over de bedenktijd, dan wordt de bedenktijd van veertien dagen verlengd naar maximaal twaalf maanden. De duur van deze verlening hangt af van het soort overeenkomst dat is gesloten. Wel heeft de verkoper een herstelmogelijkheid om  alsnog informatie over de bedenktijd te verstrekken. Wordt deze informatie inderdaad  alsnog verstrekt, dan geldt vanaf dat moment een nieuwe bedenktijd van veertien dagen. Na de koopovereenkomst dient er door de verkoper een bevestiging van de overeenkomst worden overlegd. Dit gebeurt uiterlijk bij het leveren van de gekochte producten. De bevestiging dient te worden verstrekt in een duidelijke begrijpelijke taal, waarvoor geen handeling van de consument nodig is. Bovendien dient deze bevestiging op een duurzame  gegevensdrager ontvangen te worden, die dezelfde waarborgen kan bieden als papier.(4) Wat nu als de informatieplicht niet wordt nageleefd door de verkoper? De consument kan in dat geval, wanneer sprake is van misleidende omstandigheden door het weglaten van belangrijke informatie de overeenkomst vernietigen.(5) Voorwaarde is dat er een causaal verband dient te bestaan tussen het ontbreken van informatie en het aangaan van de overeenkomst. Er is echter in Boek 7 BW geen expliciete mogelijkheid opgenomen voor de vernietigingsmogelijkheid. Daarom zal de consument een beroep moeten doen op de oneerlijke handelspraktijken. Als andere mogelijkheid blijft bestaan het eisen van schadevergoeding. Het weglaten van informatie ex art. 6:230m BW wordt immers reeds als onrechtmatig beschouwd.(6)

Slot
De Richtlijn is van toepassing op overeenkomsten met consumenten. Business 2 business overeenkomsten vallen hier buiten. De belangrijkste vernieuwing is de verruiming van de ontbindingstermijn naar veertien kalenderdagen. Deze verruiming hangt samen  met een informatieverplichting die op de handelaar rust. Zo dient deze onder andere een modelformulier ter ontbinding van de overeenkomst aan te bieden. Daarnaast dient er een bevestiging te worden aangeboden, op welke manier de consument uitdrukkelijk akkoord gaat met het aangaan van de overeenkomst. Ontbreken dergelijke informatieplichten dan kan de ontbindingstermijn verlengd worden tot maximaal een jaar. De belangrijkste ontwikkeling is dat de consument de gehele koopovereenkomst kan vernietigen als de verkoper niet voldoet aan de informatieplicht van art. 6:230m BW. Als we een aantal  regelingen uit de Richtlijn bekijken kunnen we constateren dat de ondernemer er niet veel op voor uit gaat. Deze moet er rekening mee houden dat er geen betalingsverplichting is voor de consument. Bovendien is de wettelijke bedenktermijn een stukje rechtsonzekerheid voor de ondernemer. Het lijkt alsof de consument bij het aankopen van een product op afstand meer ruimte wordt gegeven. Zo mag hij het product uit de verpakking halen om het uit te proberen, mits dit binnen de grenzen blijft van wat als redelijk uittesten beschouwd kan worden. Mocht de tablet bij het inschakelen ervan toch niet aan de eisen voldoen, dan mag deze retour gestuurd worden. Wanneer de consument echter in een winkel een paar schoenen aanschaft, zal deze ze alleen kunnen ruilen wanneer zij in de originele verpakking zit – lees; de schoenendoos. Aan de andere kant is ook het bewijzen van een causaal verband tussen het verzuim van de informatieplicht en het aangaan van de overeenkomst vrij lastig. Het is de vraag of de consument kennis heeft van deze mogelijkheid tot vernietiging, te meer nu dit niet expliciet staat opgenomen.

Noten
1 M.Y. Schaub: in NTBR 2014/23: Het herroepingsrecht bij overeenkomsten op
afstand, afl. 5, p. 185- 193.
2 Kamerstukken II 2012/13, 33 520, 3, p. 38.
3 M.Y. Schaub, in: NTBR 2014/23, Het herroepingsrecht bij overeenkomsten
op afstand, afl. 5, p. 185- 193.
4 C- 49/11, ECLI:EU:C:2012:419 (Content Services LTD vs.
Bundesarbeitskammer).
5 Artikel I onder C Implementatiewet richtlijn consumentenrechten.
6 L.B.A. Tigelaar, Sancties op schending van informatieplichten uit de
Richtlijn consumentenrechten, TvCH, 2013-4, p. 158.

 


  • -

Een dag in het leven van een strafrechtadvocaat M.R.M. Schaap

Maaike Baan en Madelon Zweep

Een dag in het leven van een strafrechtadvocaat M.R.M. Schaap

Het strafrecht is een geliefd vakgebied onder rechtenstudenten. Een baan in de strafrechtadvocatuur lijkt echter niet voor het grijpen te liggen. Voor deze editie van Terecht Gesteld nemen we een kijkje in een dag in het leven van strafrechtadvocaat Maartje Schaap om erachter te komen dat haar werk inderdaad vol zit met verrassingen en uitdagingen.

Over Maartje Schaap
Maartje Schaap is strafrechtadvocaat bij De Haan Advocaten & Notarissen te Groningen. In 1999 begon zij aan de rechtenstudie in Groningen waar ze de specialisaties privaat- en strafrecht succesvol afrondde. Vanwege het gebrek aan praktische onderdelen koos Maartje ervoor om de togamaster te volgen. Zij dacht feeling te hebben met het togaberoep en achteraf bleek dit een uitstekende keuze te zijn. Als onderdeel van de master liep Maartje onder andere een half jaar stage bij het Openbaar Ministerie (OM). Daar schreef ze uiteindelijk haar eindscriptie, waarna ze mocht blijven als junior parketsecretaris in Leeuwarden. In die functie deed zij het voorwerk voor de officier van justitie. Dezelfde functie heeft ze daarna nog enige tijd uitgeoefend in Groningen. Maartje miste in dit werk toch het contact met clienten en besloot te solliciteren voor een baan in de strafrechtadvocatuur. Ze kwam in eerste instantie terecht bij een civielrechtelijk kantoor, waar ze haar passie voor het strafrecht slechts gedeeltelijk kon waarmaken. Strafrecht was het rechtsgebied dat Maartje nog altijd erg aansprak en waar zij in verder wilde. Dit kwam onder andere tot uiting toen ze tijdens de beroepsopleiding advocatuur een grote  strafzaak deed. In 2010 kwam ze terecht op het strafrechtkantoor van De Haan, waar ze tot op heden werkzaam is.

De werkdag
Om 8.45 uur hebben we met Maartje afgesproken bij de rechtbank Noord-Nederland locatie Assen. Haar werkdag begint met een zitting in een grote payrollfraudezaak. De fraude speelde zich af in 2010 en is toen ook behandeld in een uitzending van TROS Opgelicht. Van Maartje begrepen wij dat payrollfraude als volgt in zijn werk gaat: een payrollbedrijf ontvangt een aanvraag van bedrijf X om de verloning van diens werknemers op zich te nemen. Er wordt een overeenkomst gesloten, waarna het payrollbedrijf steeds het afgesproken loon uitkeert aan de opgegeven werknemers. Bedrijf X blijft in gebreke met de betaling van de door het payrollbedrijf aan de werknemers voorgeschoten lonen. Dan blijkt dat Bedrijf X geen draaiende onderneming is en de ‘werknemers’slechts zijn ingezet om geld te kunnen witwassen. De client van Maartje is opgegeven als werknemer en verdachte in de eerste zaak die we vandaag gaan bijwonen. Bij de rechtbank aangekomen blijken we niet de enigen te zijn die vandaag een zitting komen bijwonen; er staat een hele schoolklas in de rij om door de beveiligingspoortjes te lopen. Eenmaal binnen nemen we plaats in de hal en al snel zien we een hoogzwangere Maartje binnenlopen. Ze haast zich naar de advocatenkamer en verschijnt al snel weer in de hal, nu in toga. Voor de zitting heeft Maartje nog even de tijd om ons bij te praten. Haar client is niet aanwezig omdat hij in voorlopige hechtenis zit in een andere zaak. De zaak wordt omgeroepen en wij nemen als publiek plaats in een aparte ruimte achter een glasplaat. Naast de client van Maartje zijn er nog drie verdachten in deze strafzaak, die wel zijn verschenen en worden bijgestaan door hun advocaten. De voorzitter neemt eerst met de aanwezige verdachten het tenlastegelegde door en stelt hen kritische vragen. De drie aanwezige verdachten vertellen ongeveer hetzelfde verhaal: zij kregen in 2010 een telefoontje van een onbekend persoon. Er werd hen verteld dat er een administratieve fout was gemaakt, waardoor zij geld van een payrollbedrijf op hun rekening zouden ontvangen. Verzocht werd om dit geld over te boeken naar een andere rekening. Dit hadden de drie aanwezige verdachten ook gedaan. De client van Maartje heeft echter het geld niet overgeboekt, maar zelf opgemaakt. Na een korte pauze worden de persoonlijke omstandigheden van de verdachten besproken. Maartje vertelt over de persoonlijke situatie van haar client en vraagt de rechtbank daarmee rekening te houden. Hierna krijgen alle advocaten de gelegenheid om te pleiten. Onderling hebben ze afgesproken dat Maartje als eerste het woord doet. Met krachtige stem en in heldere bewoordingen levert ze kritiek op de tenlastelegging van de officier van justitie. De andere advocaten sluiten zich in hun pleidooien bij haar standpunt aan. De zitting wordt gesloten en over twee weken wordt uitspraak gedaan.

Na deze zaak blijven we in Assen en vertelt Maartje ons over de politierechterzitting waar we straks naar toe gaan. Haar client is een jongeman die verdacht wordt van bedreiging van Geert  Wilders via de computer. We krijgen te horen dat een andere zitting blijkt uit te lopen: een voor Maartje veelvoorkomende ergernis. Rechters kunnen het vaak niet voor elkaar krijgen om zich aan de dagelijkse agenda te houden, wat begrijpelijk is gezien de vele zaken per dag. Er worden vaak meerdere zittingen op hetzelfde tijdstip gepland omdat verdachten vaak niet verschijnen of omdat ze verschijnen zonder advocaat. Toen Maartje zich meldde bij de bodebalie werd het uitlopen van de agenda haar niet gemeld. Door de uitloop missen we het hoger beroep in Leeuwarden dat dezelfde middag dient. Maartje geeft aan dat je je als advocaat altijd moet kunnen aanpassen, zo ook nu. Ze belt naar kantoor om een collega te vragen of hij naar Leeuwarden kan om de zaak van haar over te nemen. Als strafrechtadvocaat moet je je op dit vlak erg flexibel kunnen opstellen. Maartje vertelt dat dit in het begin niet altijd even leuk was, maar dat je na verloop van tijd leert om op zulke situaties te anticiperen.

De tweede zaak van de dag betreft dus een leerling tegen wie aangifte is gedaan door Geert Wilders vanwege bedreiging. In de tenlastelegging is opgenomen dat het ging om bedreiging gezamenlijk en in vereniging. Primair voert Maartje als verweer dat er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Het was onduidelijk wie wat had gedaan in het geheel. Bovendien voert Maartje aan dat het de vraag is of er wel gesproken kan worden van bedreiging. Hiervoor moet er een concrete aankondiging zijn met de daadwerkelijke verwachting de bedreiging zich kan verwezenlijken. Als de rechter

vervolgens uitspraak doet wordt er helaas niet ingegaan op de jurisprudentie die Maartje had aangevoerd. Maartje geeft aan dat dit vaker voorkomt bij de politierechter. Uiteindelijk spreekt de rechter de client van Maartje vrij omdat er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. De zittingsdag werd op deze manier toch nog goed afgesloten.

 De Turfsingel
De rest van de dag brengt Maartje door op kantoor. We rijden met haar mee naar een pandje aan de  Turfsingel, dat uitkijkt op de gracht en op een steenworp afstand ligt van de rechtbank. Dat laatste is erg handig, want een dag met meerdere zittingen is voor een strafrechtadvocaat geen uitzondering. Het kantoor aan de Turfsingel is een vestiging van De Haan die zich uitsluitend bezighoudt met strafrecht. Het pand ademt de sfeer uit van een woonhuis. Er is zelfs een tuintje dat gedeeld wordt met de pizzeria ernaast. Bij binnenkomst is er een balie waar clienten of andere mensen met vragen zich kunnen melden. Het gebeurt vaak dat mensen even langs komen om een vraag te stellen of papieren af te geven, wat zorgt voor een levendige sfeer op kantoor.

We gaan naar Maartje haar kamer op de tweede verdieping. Het is een lichte ruimte met een balkonnetje en opvallend veel schaapjes ter decoratie. Bij haar bureau ligt een artikel uit het Dagblad van het Noorden over een man uit Beilen die door de burgemeester uit zijn woning werd gezet nadat daar 42   hennepplantjes waren aangetroffen. Maartje vertelt dat zij werkt aan de zaak van het krantenartikel. Haar client werdin de strafzaak vrijgesproken, maar werd alsnog voor drie maanden zijn huis uitgezet door de burgemeester. Tegen die beslissing maakte Maartje namens haar client bezwaar. Maartje staat als strafrechtadvocaat vrij regelmatig voor de bestuursrechter. Zo doet ze geregeld zaken tegen het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), bijvoorbeeld inzake de oplegging van een alcoholslotprogramma. Ze vertelt over een zaak van een 23-jarige vrachtwagenchauffeur aan wie een alcoholslot werd opgelegd. Ook in dit geval werd haar client vrijgesproken in de strafzaak voor rijden onder invloed, omdat uit het proces-verbaal niet bleek dat een blaastest was afgenomen op de manier die het protocol voorschrijft. Daardoor was geen sprake van een geldig onderzoek en ontbrak een betrouwbare metingsuitslag waarop de rechter zijn uitspraak kon baseren. Om die reden heeft Maartje bij de bestuursrechter gevraagd om een herziening van het besluit van het CBR tot het opleggen van het alcoholslotprogramma. De bestuursrechter heeft in principe niets te maken met de uitspraak van de strafrechter. Dat maakt de uitspraak van de bestuursrechter lastig te voorspellen.

Ongeveer negentig procent van de zaken die Maartje doet is op basis van toevoegingen. Dat betekent dat de Raad voor de Rechtsbijstand voor de client een groot gedeelte van de kosten voor de advocaat betaalt (1). Afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de client wordt aan de hand van een puntensysteem een eigen bijdrage berekend. In haar werk heeft Maartje veel te maken met de politie, onder andere met betrekking tot het bezoeken en verhoren van clienten. Ook is er contact met reclassering, die informatie geeft over de achtergronden van clienten. Daarnaast zijn er behandelende en begeleidende instanties voor clienten waarmee je als strafrechtadvocaat in contact staat. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan verslavingszorg en begeleiding in werk en dienstverlening.

 Er zijn in Groningen weinig kantoren die alleen gespecialiseerd zijn in het strafrecht. De werkgelegenheid gespecificeerd tot het strafrecht is in het westen van het land een stuk groter dan in het noorden. Maartje benadrukt echter dat als je iets wilt, je ervoor moet gaan. Als je besluit om voor het strafrecht te kiezen dan moet je het niet als vervelend

ervaren om je flexibel te kunnen opstellen qua tijd en om zaken van collega’s over te nemen met een korte

voorbereidingstijd. Daarnaast moet je ook als persoon kunnen levelen met de clienten; je moet je kunnen inleven in degene die je als advocaat bijstaat. Er vallen in het strafrecht soms bijzondere figuren binnen met de vraag of ze kunnen worden bijgestaan. Hiermee moet je wel kunnen omgaan.

Op het strafrechtkantoor van De Haan zijn zes advocaten werkzaam. Het werk zelf is vrij individualistisch; ieder draait nu eenmaal zijn eigen agenda. Iedere week worden de agenda’s naast elkaar gelegd om met elkaar te communiceren en door te nemen hoe de week er uitziet. Het kantoor is strafrecht-minded en Maartje omschrijft de sfeer als relaxed. Kortom; het leven als strafrechtadvocaat is druk maar interessant met elke dag nieuwe uitdagingen en ontwikkelingen.

Noot

                                                                                                                                                  

1 Raadpleeg voor meer informatie de website van de Raad voor Rechtsbijstand, www.rvr.org.


  • -

Het adviesrecht: een hoofdrol voor het slachtoffer

Madelon Zweep

Het adviesrecht: een hoofdrol voor het slachtoffer

De invloed van het adviesrecht nader bekeken
Het zwaartepunt van het strafproces lijkt de afgelopen jaren te verschuiven naar het slachtoffer. Het nieuwe wetsvoorstel van staatssecretaris Fred Teeven doet hier een schepje bovenop. Het heeft betrekking op een aanvulling van het huidige spreekrecht voor slachtoffers; het adviesrecht. Op dit moment mogen slachtoffers en nabestaanden de rechter op de hoogte stellen van de gevolgen die het misdrijf voor hen persoonlijk heeft. Met de uitbreiding van het spreekrecht kunnen slachtoffers zich ook uitlaten over de beslissingen in strafzaken. Hierbij moet worden gedacht aan uitlatingen betreffende het bewijs, de schuld van de verdachte en de hoogte van de straf. Mocht dit wetsvoorstel groen licht krijgen dan zal dit van grote invloed zijn op de structuur van het strafproces. Er laait een interessante discussie op tussen politiek en juridisch Nederland; heeft het slachtoffer recht op meer bevoegdheden in de rechtszaal? Of krijgt hij hiermee een te grote rol binnen het strafproces?

Het spreekrecht
De eerste stap naar meer rechten voor het slachtoffer vormde de invoering van het spreekrecht in 2005. Slachtoffers en nabestaanden kunnen naar voren brengen welke persoonlijke gevolgen het delict voor hen teweeg heeft gebracht. Zij mogen dit als er sprake is van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van acht jaar of langer staat. Na 2005 is de kring van spreekgerechtigden gewijzigd, nu het slachtoffer niet altijd zelf in staat is om van het spreekrecht gebruik te maken.

Naast deze mogelijkheid is er de zogenaamde schriftelijke slachtofferverklaring. In deze verklaring worden de persoonlijke gevolgen voor het slachtoffer opgenomen waarna deze wordt toegevoegd aan het strafdossier. Slachtoffers kunnen zo zelf bepalen wat zij het prettigst vinden. Wanneer zij liever niet in de rechtszaal willen spreken kunnen zij terugvallen op een dergelijke verklaring.

Het spreekrecht is besproken in het evaluatierapport: ‘Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers?’. Hieruit volgt dat slachtoffers niet vaak gebruik maken van het spreekrecht. Zoals eerder genoemd ziet het huidige spreekrecht slechts op de uitlatingen over de persoonlijke gevolgen voor het slachtoffer. Veel slachtoffers zien graag dat dit wordt uitgebreid, zodat zij zich ook mogen uitlaten omtrent onder andere de strafmaat. Ook volgt uit dit rapport dat rechters het in de praktijk toelaten als een slachtoffer zich toch uitspreekt over een, volgens hem passende straf. Teeven komt de slachtoffers met het nieuwe wetsvoorstel tegemoet, door hen deze bevoegdheid uitdrukkelijk toe te kennen.

Het adviesrecht zal ervoor zorgen dat slachtoffers zich onder andere mogen uitspreken over het bewijs, de hoogte van de straf en de schuld van de verdachte. Daarnaast is een belangrijke verandering dat slachtoffers tevens ondervraagd mogen worden door de verdachte als zijnde getuige. Als het slachtoffer een belastende verklaring ten laste van de verdachte geeft, mag de verdachte deze betwisten. Onder het huidige spreekrecht kan het slachtoffer een verklaring zonder nadere ondervraging toelichten.

Het adviesrecht wordt bekritiseerd door degenen die met de juridische praktijk te maken hebben. Volgens rechtbankverslaggever Chris Klomp draait een rechtszaak om de verhouding tussen de verdachte en het openbaar ministerie. Hij stelt dat je niet in de beginfase van het strafproces kunt toelaten dat een slachtoffer spreekt over de op te leggen straf. Dit omdat deze beginfase juist het onderdeel vormt waarin je moet kijken naar het wel of niet schuldig zijn van de verdachte, een vaststelling die normaal wordt verricht door de rechter. Wel vindt Klomp dat er ruimte moet zijn voor slachtoffers om hun emoties naar voren te kunnen brengen. Volgens hem moeten we in het achterhoofd houden dat een rechtszaak draait om rechtvaardigheid.

Rechtbankverslaggever Rob Zijlstra deelt deze mening. Hij geeft aan dat het adviesrecht schuurt met het uitgangspunt dat de verdachte onschuldig is tot de rechter hem schuldig verklaart. Slachtoffers mogen zich uitspreken over de strafmaat en de schuld van de verdachte, terwijl de schuld nog niet door de rechter is vastgesteld.

Secundaire victimisatie
Met het adviesrecht kunnen verdachten de slachtoffers als getuigen ondervragen als er een belastende verklaring wordt afgelegd. Dit is anders dan in het huidige spreekrecht, waarin slachtoffers en nabestaanden hun verhaal zonder ondervraging kunnen doen. Deze verandering brengt mee dat er vrees bestaat voor secundaire victimisatie. Advocaten van de verdachten zullen zich, wanneer de belangen van zijn of haar cliënt in het spel zijn, niet inhouden tegen over het slachtoffer. Er kan immers worden aangenomen dat het gros van de slachtoffers geen juridische kennis heeft. Als zij geen relevante feiten naar voren brengen zullen advocaten van verdachten hier fel tegen in gaan. Het lijkt erop dat er dan een discussie tussen het slachtoffer en de verdachte plaats gaat vinden.

Aan de andere kant kunnen slachtoffers juist de behoefte hebben om te spreken. VVD lid Ard van der Steur stelt zich in het programma ‘Debat op Twee’ op het standpunt dat juist op dit moment het slachtoffer opnieuw slachtoffer wordt omdat hij weinig te zeggen heeft. Hij wordt in feite beperkt in zijn rechten. Hij geeft aan dat het voor het slachtoffer wellicht een volwaardig gevoel geeft om zich uit te mogen laten over de strafmaat, ongeacht of de rechter gehoor geeft aan de gedane uitspraken.

Niet vergeten moet worden dat slachtoffers een bevoegdheid krijgen toegekend. Zij hebben geen verplichting om van het spreekrecht of komende adviesrecht gebruik te maken. Slachtoffers zijn op deze manier zelf in staat te bepalen of zij de behoefte hebben om de verdachte toe te spreken. Zij kunnen hierin met hulp van Slachtofferhulp Nederland een weloverwogen keuze maken. Voordat slachtoffers van hun rechten gebruik maken worden zij op het proces voorbereid en vergaren daardoor al enige kennis omtrent het feit waar zij uitspraken over mogen doen. Veelal nemen slachtoffers ook zelf het initiatief door zich in te lezen in de relevante feiten van de zaak.

Vrees voor het meewegen van emotie
Een ander punt van kritiek op de uitbreiding van het spreekrecht is het in gevaar brengen van de objectieve blik van het OM. Het is niet verwonderlijk dat slachtoffers zich laten leiden door hun emoties als zij tegenover de verdachte staan. Onder andere strafrechter van der Schepop geeft haar visie over dit punt in het programma ‘Debat op Twee’. Zij geeft aan dat ze slachtoffers de ruimte geeft om in de rechtszaal te spreken. Ze vindt het belangrijk om te horen wat er omgaat in het slachtoffer. Tegelijkertijd zegt ook zij, in overeenstemming met Rob Zijlstra, dat we wel als uitgangspunt moeten nemen dat de dader nog niet direct dader is, maar slechts verdachte totdat deze door de rechter schuldig is verklaard.

De vraag of van der Schepop zich laat beïnvloeden door een slachtofferverklaring beantwoordt ze negatief. Wel meent ze dat door een verruiming van het spreekrecht het slachtoffer valse hoop wordt gegeven. Voor het slachtoffer wordt de verwachting geschapen dat de rechter gehoor zal geven aan de uitgesproken emoties. Van der Schepop noemt dit het vertalen van emotie in een straf. Mocht de straf die door de rechter wordt opgelegd lager uitvallen dan die naar mening van het slachtoffer had moeten zijn, dan kan dit uitvallen in een teleurstelling.

Als laatste maakt zij in de praktijk veel gevallen mee waarin slachtoffers zich ook nu uitlaten over de strafmaat en daarmee de grenzen van het spreekrecht overschrijden. Door rechters wordt hier over het algemeen vrij soepel mee omgegaan en wordt er dan ook ruimte voor gegeven. Soms ook wordt het slachtoffer wel op de vingers getikt. De ene rechter is natuurlijk de andere niet. Dit stemt overeen met de uitkomst van het eerder besproken evaluatierapport betreffende het spreekrecht.

Tweefasenproces
Het strafproces is op dit moment opgedeeld in een fase van informatievergaring en van informatiewaardering. Het slachtoffer spreekt zich uit over de persoonlijke gevolgen die het delict op hem of haar heeft gehad, terwijl de rechter de schuld der verdachte nog niet heeft vastgesteld.

Het tweefasenproces houdt zodoende in dat in de eerste fase de schuld van de verdachte aan de orde zal zijn. In de tweede fase wordt vervolgens de mogelijkheid aan het slachtoffer gegeven om gebruik te maken van het spreek- en adviesrecht. Het adviesrecht wordt zodoende ingepast na het requisitoir van de officier van justitie. Wordt hiertoe besloten dan zal de verdachte langer als onschuldige worden behandeld. Als men te maken heeft met een ontkennende verdachte is het niet gunstig dat het slachtoffer wel reeds spreekt over de persoonlijke gevolgen voor hem of haar. Dit argument pleit voor invoering van een tweefasenproces.

Echter is het onwaarschijnlijk om een tweefasen proces in te voeren als we kijken naar bijvoorbeeld de vervangbaarheid van rechters. Er wordt namelijk veel waarde gehecht aan de manier waarop het nu gaat. Dit is de omstandigheid dat het één en dezelfde rechter is die de straf op legt, zij die nu ook beslist over de bewijsvraag. Wanneer de rechters die de schuld van de verdachte hebben vastgesteld niet vervangbaar zijn, is het ook niet logisch om een dergelijke vernieuwing door te voeren.

Een oplossing is dat rechters zelf beslissen of zij van het tweefasenproces gebruik willen maken. Men bedenke hier dat het gevaar van rechtsonzekerheid op de loer ligt.

Slotsom

De voorgenomen uitbreiding van het spreekrecht blijkt aan vele bezwaren onderhevig. De angst voor het afbranden van het slachtoffer, het in geding zijn der onschuldpresumptie en een langere tijdsduur van het strafproces. Voor slachtoffers brengt de uitbreiding meer ruimte om de verdachte schuldig te verklaren, alvorens de rechter hierover een uitspraak heeft gedaan. Het is begrijpelijk dat slachtoffers ook hun zegje willen doen in de rechtszaal, maar een beperking is hier op zijn plaats. Slachtoffers hebben doorgaans nu eenmaal niet de kennis die de juridische praktijk vergt. De vraag is of je jezelf als slachtoffer zijnde zodanig in het juridisch getouwtrek wilt mengen. Advocaten van verdachten staan immers in voor de belangen van hun cliënt en zullen hier een grote waarde aan hechten. Dit is in het bijzonder het geval als er door het slachtoffer een belastende verklaring over de verdachte wordt afgelegd.

Natuurlijk bestaat er geen verplichting om van het spreekrecht gebruik te maken. Het slachtoffer kan zelf afwegen of het gebrek aan juridische kennis een bezwaar vormt om van het spreekrecht af te zien. Slachtoffers krijgen hulp van de officier van justitie en Slachtofferhulp Nederland, waardoor zij zich op betere wijze kunnen voorbereiden. Daarmee ligt een college strafrecht voor het slachtoffer in het verschiet.

Een opsplitsing in een tweefasenproces blijkt niet erg populair en is dan ook geen noodzakelijke voorwaarde voor invoering van het adviesrecht. Dit zal slechts leiden tot een onwenselijk gevolg, namelijk het overhoop gooien van de structuur van het strafproces.

Noten

1 MvT: Wetsvoorstel ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces, paragraaf 1.

2 Lens, K., Pemberton, A., Groenhuijsen, M. (2010), Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers?, Tilburg: intervict.

3 Debat op 2; het slachtoffer centraal <http://debatop2.incontxt.nl/seizoenen/3/afleveringen/27-02-2013>

4 Zijlstra, R. Slachtoffer wordt adviseur, de verdachte vogelvrij. Dagblad van het Noorden

5 MvT: Wetsvoorstel ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces, paragraaf 3.

6 Keulen, B.F., Dijk, A.A. van. (red.) (2013), Naar een tweefasenproces?, Groningen: Rijksuniversiteit Groningen- Faculteit der Rechtsgeleerdheid, p. 12.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.