Een dag in het leven van Tweede Kamerlid Erik Ziengs

  • -

Een dag in het leven van Tweede Kamerlid Erik Ziengs

Karen Lely & Marjelle van ‘t Ende

Een dag in het leven van: Een liberale Drent in het parlement

Op 19 juni jl. togen redacteuren Marjelle en Karen speciaal voor Terecht Gesteld naar politiek Den Haag, om Tweede Kamerlid Erik Ziengs te ontmoeten. Voorafgaand aan de ontmoeting bezochten ze een plenaire vergadering in de Tweede Kamer, waar minister Schippers (Volkgezondheid, Welzijn en Sport) ondervraagd werd over de vrije artsenkeuze bij zorgverzekeringen. Halverwege de vergadering vertrokken ze vanaf de publieke tribune richting de fractievleugel van de VVD, waar het kantoor van Erik Ziengs en diens fractiemedewerker zich bevindt.

Erik Ziengs werd rond zijn 18e lid van de VVD. Toen hij op zijn 23e lid werd van de VVD-afdeling in Assen, was hij al vrij snel lid van de promotiecommissie. Hierna werd hij bestuurslid. Van 1993 tot 1995 was Erik Ziengs actief als gemeenteraadslid van de gemeente Assen. Na zijn functie als gemeenteraadslid werd hij afdelingsvoorzitter van de VVD-afdeling in Assen. Vervolgens was Ziengs zes jaar voorzitter van de Kamercentrale
van de provincie Drenthe. De Kamercentrale vormt een brug tussen de twaalf VVD-afdelingen uit Drenthe en Den Haag. Gedurende deze periode hield Erik Ziengs zich bezig met het samenstellen van de stemlijst voor de Provinciale Staten en adviseerde hij bij andere lijsten, zoals bijvoorbeeld die van de Tweede Kamer en het Europees Parlement. Door zijn werkzaamheden als voorzitter van de Kamercentrale was hij regelmatig in Den Haag te vinden. Dit heeft hem ertoe laten besluiten om een interne opleiding tot fractielid van de Tweede Kamer te volgen. Hiervoor liep hij destijds stage bij
(toen nog) Kamerlid Halbe Zijlstra. In juni 2010 werd hij beëdigd als lid van de Tweede Kamer.

Ondernemerschap
Inmiddels is Ziengs al vier jaar Kamerlid. Hij houdt zich als Kamerlid vooral bezig met het ondernemerschap. Zo is hij onder andere woordvoerder MKB, recreatie en toerisme en
ZZP’ers. Een ander onderwerp waar hij zich op richt is regeldruk.

Hoe ziet uw werkweek als Tweede Kamerlid eruit?
“Op maandag en vrijdag houd ik mij onder andere bezig met werkbezoeken. Op maandag vindt soms een wetgevingsoverleg plaats. Verder zijn op dinsdag, woensdag en donderdag de Kamerdagen. Dit zijn de dagen waarop er wordt vergaderd in de Kamercommissies en in de plenaire zaal, de zaal met de bekende blauwe stoelen.”

Fractievergadering
Elke dinsdag vindt er tot ongeveer 13.00 uur een fractievergadering van de VVD plaats.  Tijdens deze vergadering worden talloze fractienotities stuk voor stuk behandeld. Ziengs: “Als iedereen het eens is over de in te zetten lijn, kan een agendapunt snel afgerond worden. Voorzitter bij de fractievergadering is fractievoorzitter Halbe Zijlstra. Tijdens de vergadering heeft iedereen die wat wil zeggen de mogelijkheid om het woord te voeren,
vragen te stellen en kritische opmerkingen te plaatsen. Als na de discussie het VVD-standpunt is vastgesteld, kan de woordvoerder later die week het debat aangaan.”
“Om 14.00 uur vindt het wekelijkse vragenuurtje plaats. Kamerleden hebben tot 12.00 uur de tijd om vragen in te dienen bij de griffie van de Tweede Kamer. Vervolgens keurt de
Kamervoorzitter ongeveer vier à vijf vragen goed. De Kamerleden ontvangen hierover uiterlijk om 13.00 uur bericht. Na het vragenuurtje is het rond half vier, tijd voor de vaste wekelijkse stemmingen. Er wordt dan gestemd over moties en amendementen die de week ervoor zijn ingediend.”

Debat
“Op woensdag en donderdag vinden vanaf ongeveer 10.00 uur debatten, overleg en ronde
tafelgesprekken plaats. Ik start die dag altijd om 8.00 uur, zodat ik mij in alle rust op mijn
werkzaamheden kan richten.” “Gelet op het vroege tijdstip overnacht ik de tussenliggende
nachten in mijn appartement in Den Haag. De vrijdag kan door het ieder Kamerlid zelf  worden ingedeeld. Hierdoor vertrek ik altijd op donderdagavond weer richting mijn woonplaats Assen.” “Verder komen op vrijdag de stukken van mijn fractiegenoten binnen.  In het weekend neem ik deze stukken altijd door. Als ik vragen over de inhoud heb, neem ik telefonisch contact op met de collega die het stuk geschreven heeft. De stukken worden overigens eerst al door de fractiecommissie bekeken.” “Afgelopen maandag nam ik deel aan een politiek debat in Zoetermeer. Hierbij waren meerdere politici aanwezig. Het doel van het debat was dat er in de Tweede Kamer meer nagedacht wordt over zelfstandigen zonder personeel. Dinsdag had ik een plenair overleg over franchise. Morgen gaat een
notitie van dit overleg mee met de fractiestukken. Een notitie mag maximaal uit drie pagina’s bestaan.” Een keer per veertien dagen vindt er een procedurevergadering plaats.
Soms komt het voor dat er een extra vergadering is. Ziengs: “In de procedurevergadering
nemen commissies van de Tweede Kamer besluiten over brieven van bewindspersonen, procedures en de werkwijze die zij gaan volgen.1 Als een partij graag wil dat een onderwerp op de politieke agenda komt, dan is het belangrijk om ervoor te zorgen dat het stuk bij een vaste commissie komt. Wil het onderwerp daadwerkelijk op de politieke agenda komen, dan is vereist dat andere partijen met het stuk akkoord gaan, zodat er een meerderheid gevormd wordt. Tussendoor kunnen er spoeddebatten plaatsvinden.
Dergelijke debatten kunnen alleen plaatsvinden als ze worden verzocht door minimaal dertig Kamerleden.”

Wat zijn de leuke en minder leuke dingen aan uw werk?
“Ik vind de politiek erg leuk, omdat het dynamisch is. Hierdoor is het nooit saai. Doordat je dicht op de besluitvorming zit, zie je dat dingen die je doet soms direct uitwerking hebben. Som kan ik mij ergeren aan partijen, die ondanks de economische crisis, minder relevante punten naar voren brengen. Op dit moment is er veel te veel wet- en regelgeving, waardoor Nederlanders  vaak onbekend zijn met de inhoud daarvan. Personen kunnen zelf onderling wel dingen regelen, zonder dat daarvoor wet- en regelgeving vereist is.”

Hoe zet u zich in voor het Noorden van Nederland?
“Ik wil graag met mijn functie als Tweede Kamerlid een brug slaan tussen het Noorden van Nederland en de Randstad. Dit doe ik door werkbezoeken af te leggen bij ondernemingen
in het Noorden. Naar mijn mening is het Noorden te bescheiden, terwijl er een goede infrastructuur is en er prachtige bedrijven te vinden zijn. Dit heeft te maken met het verschil in mentaliteit tussen het Noorden en de Randstad. Ik hoop met mijn functie bedrijven binnen te kunnen loodsen bij politiek Den Haag, zodat er makkelijker deuren voor hen open gaan.” “Verder wil ik graag op de hoogte blijven van onder andere de  werkgelegenheid en investeringen. Zo heb ik bij de dreigende sluiting van de kazerne in Assen wegens bezuinigingen een rondetafelgesprek met noordelijke Kamerleden en de burgemeester en een wethouder van Assen geregeld.”

Wie is uw politieke voorbeeld?
“Mijn politieke held is Frits Bolkestein (VVD). Ik vind het knap dat Bolkestein altijd belangrijke zaken op de agenda wist te plaatsen. Voorbeelden hiervan zijn minderheden, het asielbeleid en integratie. Ondanks de politieke gevoeligheid van deze onderwerpen wist
hij dit op een nette manier te doen. Bolkestein had als kracht om goede argumenten naar voren te brengen en gebruik te maken van herhaling. Dit zorgde er uiteindelijk voor dat veel
Nederlanders op hem wilden stemmen.”

Burgers voelen zich vaak onbegrepen door politici. Staat ‘Den Haag’ te ver van de burger af?
“Dit is een discussie die je eindeloos kunt blijven voeren. Zelf denk ik dat als je je verdiept in de politiek, je al snel aansluiting kunt vinden. Mijn vader is 93 en leest de krantenartikelen
die over de politiek gaan. Deze knipt hij regelmatig uit en bewaart hij: dit is een manier om betrokken te zijn.”

Doe normaal man!
“Maar anderzijds begrijp ik ook goed dat de burger regelmatig denkt: ‘help, wat gebeurt daar allemaal in Den Haag?’ Neem bijvoorbeeld het geval dat Wilders in een discussie tegen premier Rutte zei: ‘Doe eens normaal man’, waarop Rutte antwoordde: ‘Doe zelf eens normaal man!’.2 Dat komt uitgebreid in de kranten en iedereen vormt er een mening over. Maar waar het debat nu werkelijk over ging, dat weet niemand meer. Dan bepaalt zo’n incident de beeldvorming en dat is jammer.”

Zichtbaar
“Er wordt ook een hoop onzin gezegd en geschreven, over wat er in de politiek gebeurt. Daarom is het ontzettend belangrijk dat politici laten zien wat ze doen. Het is niet voldoende om je werk alleen inhoudelijk goed te doen. Politici moeten hun verhaal ook overbrengen naar de mensen. Als mensen niets van je horen, vragen ze zich af wat je nu eigenlijk doet, daar in Den Haag. Het persoonlijke contact is daarin essentieel. Als mensen
mailen of bellen met een probleem, dan reageer ik daar altijd op en help ik als dat kan. Op meerdere sites en in tijdschriften schrijf ik columns, ik laat mijn gezicht zien op evenementen en ik neem deel aan debatten. Mijn plaats in het parlement heb ik verworven
door voorkeursstemmen. Die heb ik voornamelijk te danken aan het feit dat ik veel campagne heb gevoerd, met name in het Noorden. Ik heb hier veel tijd in gestoken. Ik ben allerlei activiteiten afgegaan, heb filmpjes gemaakt, ben met mensen in gesprek gegaan en
heb eigen campagneposters laten maken. Het is ontzettend belangrijk dat je zichtbaar bent als politicus.”

U houdt zich bezig met het verminderen van regeldruk. Over regels uit Den Haag en Europa wordt vaak geklaagd. Hoe gaat u daarmee om?
“Regelmatig kom ik met mensen in gesprek die negatief zijn over de Haagse politiek. Het is belangrijk om uit te leggen wat er gebeurt. Vaak wordt er over van alles geklaagd, bijvoorbeeld over de regeldruk. Dan vraag ik ook wel eens: ‘Kunt u mij een regel noemen die zou moeten worden afgeschaft?’ Daar kunnen mensen dan vaak geen antwoord op geven. Laatst sprak ik een aantal fabrikanten die mij wel een wet konden noemen. Hun fabrieken draaiden zeven dagen per week, en op zondag moesten ze het personeel dan dubbel betalen. Dat vonden ze nou een typisch geval van een regel die afgeschaft zou moeten worden. Dan vraag ik: ‘waar komt die regel dan vandaan?’ Want dat is helemaal geen wetgeving. Dit is gewoon een bepaling die in de CAO is neergelegd. Dat betekent dat de werkgevers hier dus zelf voor getekend hebben. Als je dat wilt veranderen, prima, maar dat is iets wat je zelf gecreëerd hebt en zelf kunt veranderen. Ga dan zelf aan de  onderhandelingstafel zitten met de werknemersverenigingen.”

Doorbetaling loon
“Een ander voorbeeld is het doorbetalen van loon bij ziekte. Werkgevers beklagen zich er wel eens over dat ze een zieke werknemer nog twee jaar lang 100% van zijn loon moeten doorbetalen. De wettelijke regeling schrijft in het tweede jaar 70% voor, maar in sommige CAO’s is dit opgehoogd naar 100%.3 Ook iets wat dus niet vanuit de politiek geregeld is.

Vrij verkeer
“Wat Europa betreft wil ik voorop stellen dat wij veel handel en werkgelegenheid te danken hebben aan de Europese samenwerking. Nederland is een handelsland. Vrij verkeer is heel belangrijk en daar moeten we optimaal van profiteren. Maar tegelijkertijd moeten we ook alert zijn op de regels die vanuit Europa komen. We willen een gelijk speelveld creëren
in de Europese Unie, maar meer ook niet. Aan belemmerende regels hebben we geen behoefte. Ook in dit verband ontstaan er misverstanden.”

Hoge hakken
“In 2012 kwam er in het nieuws dat Europa kapsters zou verbieden om hoge hakken te dragen, vanwege de veiligheid. Van alle kanten kreeg ik de vraag wat dat nou weer voor een belachelijke regel was. Ook mijn vrouw, die een kapperszaak runt in Assen, vroeg ernaar. Zelf heb ik contact opgenomen met Toine Manders (toenmalig Europarlementariër voor de VVD) die in eerste instantie ook nergens vanaf wist. Dat kwam omdat dit een afspraak was die door de brancheorganisaties zelf gemaakt was om de veiligheid in kapsalons te bevorderen. In de media was er een totaal verkeerde beeldvorming ontstaan. Mensen waren verontwaardigd omdat ‘Europa’ zich met van alles zou bemoeien.” “Ik  maak me hard voor een lagere regeldruk: dat is één van mijn speerpunten. Ik zeg altijd: gebruik ook je gezonde boerenverstand. Bedenk waar de regels vandaan komen en wat je zelf kunt veranderen zonder direct de politiek aan te kijken. En als ik dit dan uitleg, geeft het ook veel voldoening omdat er dan ook begrepen wordt wat er in de politiek gebeurt.”

Als rechtenstudenten associëren we de Tweede Kamer vooral met het maken van wetgeving. Hoewel Tweede Kamerleden natuurlijk ook veel andere dingen doen, is dit een belangrijk deel van het takenpakket. Is een juridische opleiding (dus) een pre?
Als ik iets zou willen veranderen in de wetgeving kan ik terecht bij Bureau Wetgeving. Een tijd geleden werd duidelijk dat de Aanbestedingswet niet goed werkte. Er werden bij aanbestedingen van grote projecten onredelijke eisen aan bouwbedrijven gesteld, zodat bijna geen enkel bedrijf aan de eisen kon voldoen. Als er een brandweerkazerne gebouwd moest worden, gold de eis dat de aannemer al tenminste drie andere kazernes had gebouwd. Ook als hij al andere grote projecten succesvol had afgerond, kon hij dan niet meedingen naar de opdracht. Veel ondernemers waren hier uiteraard niet blij mee. Terecht, dus deze wet wilde ik samen met enkele andere parlementariërs veranderen.
Voor de juridische ondersteuning om dit amendement te schrijven wordt je dan geholpen van medewerkers van het Bureau Wetgeving. Daar leg je uit waar je heen wilt en wat de bedoeling is. De juristen die daar werken zorgen dan voor een ‘vertaling’ in wetgeving om dat doel te bereiken. Ze zorgen ervoor dat de teksten juridisch juist zijn en controleren of je wensen goed zijn verwoord. Vanwege deze begeleiding is een juridische opleiding dus zeker niet nodig.”

We bedanken Erik Ziengs voor dit interessante inkijkje in zijn leven als politicus.Door de VVD-vleugel waar de andere fractieleden en –medewerkers hun kamers hebben lopen we naar buiten. Dan staan we weer op het Binnenhof, in de stromende regen. We verlaten het politieke centrum van Nederland en stappen in de trein terug naar Groningen, wetend dat ook de belangen van het Noorden in Den Haag behartigd worden.

Noten
1 ‘Procedurevergadering’, Parlement & Politiek, http://www.parlement.com/
id/vh8lnhrpmxv6/procedurevergadering.
2 Algemene Beschouwingen, 22 september 2011.
3 In artikel 7:629 BW is de hoofdregel opgenomen dat de werkgever verplicht
is 70% van het vastgestelde loon te betalen.


  • -

Erven zonder financiële zorgen

Marjelle van ’t Ende

Erven zonder financiële zorgen? (1)

De Wet bescherming erfgenamen tegen onverwachte schulden

Jaarlijks vallen in Nederland zo’n 140.000 nalatenschappen open met een totale waarde van ongeveer 10 miljard euro. In 2009 is door overledenen ongeveer 12 miljard euro aan vermogen nagelaten (2). Een erfgenaam heeft drie mogelijkheden, blijkt uit artikel 4:190 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Hij kan de nalatenschap aanvaarden, verwerpen of aanvaarden onder het voorrecht van boedelbeschrijving (hierna: beneficiair aanvaarden). Als een erfgenaam de erfenis zuiver aanvaardt, wordt hij op grond van artikel 4:182 BW met zijn privevermogen aansprakelijk. Dit geldt ook voor schulden waar hij van tevoren geen wetenschap van had. Staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie) wil deze erfgenamen bescherming bieden. Op 5 februari 2014 heeft hij daartoe een wetsvoorstel ingediend, namelijk de ‘Wet bescherming erfgenamen tegen onverwachte schulden (3). In uitzonderlijke situaties kan de erfgenaam dan, als hij zuiver aanvaard heeft, ontheffing vragen van de verplichting om onverwachte schulden met privevermogen te moeten voldoen.

1. Huidige systeem
Een erfgenaam die zuiver aanvaardt, krijgt automatisch alle goederen en schulden van de erflater. Dat betekent dat hij van rechtswege schuldenaar wordt van de schulden van de erflater (artikel 4:182 BW). Dat heeft tot gevolg dat hij met zijn eigen vermogen aansprakelijk is als het saldo van de nalatenschap negatief is. Het belangrijkste rechtsgevolg van zuivere aanvaarding is dat de erfgenaam verplicht is de schulden van de nalatenschap ten laste van zijn gehele vermogen te voldoen. Dus ook ten laste van zijn privevermogen, als blijkt dat zijn erfdeel onvoldoende is om de schulden te betalen. Verwerping heeft als belangrijkste rechtsgevolg dat de erfgenaam het recht op de goederen van de nalatenschap verliest, waarbij hij gelijktijdig ook wordt verlost van de verplichting om de schulden van de nalatenschap te voldoen. Een erfgenaam die de nalatenschap beneficiair aanvaardt, voorkomt dat de schulden van de nalatenschap uit zijn privevermogen moeten worden voldaan. De  nalatenschap vormt in dat geval een afgescheiden vermogen en moet volgens de regels van de wettelijke vereffening (Boek 4, Titel 6, Afdeling 3 BW) worden afgewikkeld. Dit komt erop neer dat eerst alle schulden moeten worden voldaan en dat daarna de overgebleven baten van de nalatenschap kunnen worden verdeeld onder de erfgenamen. In geval van een negatieve nalatenschap of bij twijfel of er na betaling van alle schulden er positief vermogen overblijft, doet de erfgenaam er goed aan beneficiair te aanvaarden. Hij voorkomt hiermee dat schuldeisers van de nalatenschap zich kunnen verhalen op zijn privévermogen (4).

De keuze die een erfgenaam voor zuivere aanvaarding, beneficiaire aanvaarding of verwerping maakt, is in beginsel onomkeerbaar (artikel 4:190 lid 4 BW). Voorafgaand aan het uitbrengen van hun keuze hebben de erfgenamen een termijn van drie maanden om zich te beraden (artikel 4:185 BW). Binnen deze termijn kunnen eventuele schuldeisers zich niet verhalen op de nalatenschap. Beneficiaire aanvaarding en verwerping vinden plaats door het afleggen van een verklaring bij de griffie van de rechtbank. Zuivere aanvaarding kan uitdrukkelijk plaatsvinden doordat de erfgenaam een verklaring bij de griffie van de rechtbank aflegt of doordat hij zich gedraagt als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam (artikel 4:192 lid 1 BW). Het recht om een nalatenschap te  aanvaarden kan niet verjaren. De kantonrechter kan wel op verzoek van een belanghebbende, nadat de termijn voor beraad is verlopen, een termijn stellen waarin de erfgenaam zijn keuze moet maken (artikel 4:192 lid 2 BW). Als deze termijn is verlopen zonder dat de erfgenaam actie heeft ondernomen dan wordt hij geacht de nalatenschap zuiver te aanvaarden (artikel 4:192 lid 3 BW). Wanneer een of meer mede-erfgenamen beneficiair aanvaarden, wordt de erfgenaam die nog geen keuze heeft uitgebracht, geacht ook beneficiair te aanvaarden, tenzij hij alsnog zuiver aanvaardt of verwerpt. Dat kan binnen drie maanden nadat hij van de beneficiaire aanvaarding kennis heeft gekregen of binnen de termijn die de kantonrechter aan hem heeft gesteld (artikel 4:192 lid 4 BW). Door zuivere aanvaarding verliest de erfgenaam de bevoegdheid om beneficiair te aanvaarden. Artikel 4:194 BW biedt hier in bepaalde gevallen enkele uitzonderingen op. Deze zullen later in dit artikel worden besproken (5).

2. Zuivere aanvaarding en schulden
In artikel 4:192 lid 1 BW is opgenomen dat een erfenis zuiver aanvaard wordt als de erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt. In de lagere rechtspraak is dat begrip ingevuld (6). De minister stelde in de memorie van antwoord dat een erfgenaam die zich beperkt tot daden van beheer zijn keuzemogelijkheid niet verspeelt (7). De erfgenaam aanvaardt de erfenis wel als hij ‘als heer en meester’ over de goederen van de nalatenschap beschikt of anderszins aan de schuldeisers van de nalatenschap doet blijken dat hij de schulden der nalatenschap geheel voor zijn rekening neemt. Dit houdt een risico voor de erfgenamen in omdat door het verrichten van bepaalde gedragingen de zuivere aanvaarding het gevolg kan zijn. Erfgenamen kunnen zonder zich daar bewust van te zijn een erfenis zuiver aanvaarden. Een erfgenaam zal niet altijd beseffen wat de consequenties zijn van zijn gedragingen. Ook als zijn wil niet op zuivere aanvaarding is gericht, kan de erfgenaam door feitelijk handelen zuiver aanvaarden (8). De gemiddelde erfgenaam zal zonder notariële bijstand niet altijd op de hoogte zijn van de daden die hij wel en niet mag verrichten. Zo kan hij zonder het te weten de erfenis zuiver aanvaarden zonder dat dit zijn bedoeling is. Dit wordt problematisch als de erfgenaam een nalatenschap aanvaardt waarin de lasten de baten blijken te overtreffen. Soms blijken er ook schulden in de nalatenschap aanwezig te zijn waarvan de erfgenamen geen wetenschap hadden. Het wordt door erfgenamen als  onrechtvaardig ervaren dat ze een voor hen onbekende schuld ‘zomaar’ kunnen erven.

Er zijn steeds meer erfenissen met schulden waardoor er inmiddels vaker beneficiair wordt aanvaard. Dit blijkt uit een enquête van de NOS en Netwerk Notarissen. Volgens het rapport ‘Erven zonder financiële zorgen?!’ is in 2012 sprake van een stijging ten opzichte van 2011 van het aantal geweigerde erfenissen met 15,6% naar een totaal van 2.944 en een stijging van het aantal beneficiaire aanvaardingen met 13,4% naar een totaal van 7.170. In 2011 was ook al sprake van een stijging van het aantal geweigerde erfenissen ten opzichte van 2010 met 5,2% (2.422) en beneficiaire aanvaardingen met 9,7% (5.765) (9). In 2012 verschenen in verschillende media (o.a. de Volkskrant, Trouw, de Telegraaf en de NOS) artikelen over erfgenamen die een negatieve nalatenschap zuiver aanvaard hebben (10). Daardoor werden ze ingevolge artikel 4:182 BW met hun privévermogen aansprakelijk voor schulden, zonder dat ze hier van tevoren bewust van waren. Ook in de politiek is het erven van schulden onderwerp van discussie geworden. Tweede Kamerleden hebben kritische vragen gesteld over het rechtvaardigheidsgehalte van de in de media naar voren gebrachte gang van

Zaken (11). Daarbij refereren zij aan het rapport ‘Erven zonder financiële zorgen?! ´. In dit rapport wordt gesteld dat een erfgenaam die door zuivere aanvaarding met een onbekende schuld te maken krijgt hiertegen beschermd dient te worden, als hem niets valt aan te rekenen (12).

3. Wetsvoorstel ‘Wet bescherming erfgenamen tegen onverwachte schulden’
Staatssecretaris Teeven heeft naar aanleiding van de besproken problematiek gezegd dat hij de wet wil laten aanpassen. Op 5 februari 2014 heeft hij daartoe een wetsvoorstel gemaakt, namelijk de al aangehaalde‘Wet bescherming erfgenamen tegen onverwachte schulden’. Daarin wordt voorgesteld een nieuw wetsartikel toe te voegen aan Titel 6 van boek 4 BW. In dit nieuwe artikel 194a wordt in uitzonderlijke situaties een erfgenaam de mogelijkheid geboden om zijn privévermogen te beschermen tegen een schuld van de nalatenschap. Het eerste uitgangspunt daarbij is dat de erfgenaam de schuld op het moment van zuivere aanvaarding van de nalatenschap niet kende en ook niet behoorde te kennen. Het tweede uitgangspunt is dat de erfgenaam geheel of gedeeltelijk door de kantonrechter kan worden ontheven van de verplichting om de schuld uit eigen zak te moeten betalen. Dit dient binnen drie maanden na de ontdekking van die schuld te gebeuren. De kantonrechter stelt dan vast of en in hoeverre redelijkerwijs niet van de erfgenaam kan worden gevergd dat hij deze schuld uit zijn overige vermogen voldoet.

3.1 Aansluiting
Deze uitgangspunten zijn in overeenstemming met andere beschermingsbepalingen die de wet kent. De minister wijst in dit verband op artikel 4:194 BW, op grond waarvan een erfgenaam wordt beschermd tegen een hem onbekend testament van de erflater. Met behulp van artikel 4:194, eerste lid, BW kan de erfgenaam voorkomen dat een hem later bekend testament tot gevolg heeft dat hij in een financieel nadeliger situatie komt. Zo zou uit een hem nog niet eerder bekend testament kunnen blijken dat op hem de verplichting rust om bepaalde legaten en lasten uit zijn erfdeel te voldoen of dat zijn erfdeel kleiner is, doordat er nog een erfgenaam is benoemd. Dit kan tot gevolg hebben dat een erfgenaam de op hem rustende schulden van de nalatenschap niet meer uit zijn erfdeel kan voldoen. Als de erfgenaam zuiver heeft aanvaard, moet hij dit tekort met zijn eigen vermogen bijpassen. Artikel 4:194 BW biedt de erfgenaam de mogelijkheid om alsnog beneficiair te aanvaarden. Hij moet hiervoor binnen drie maanden na ontdekking van het voor hem nadelige testament machtiging vragen aan de kantonrechter. De beneficiaire aanvaarding heeft tot gevolg dat de erfgenaam niet met zijn privevermogen aansprakelijk wordt voor het tekort dat is ontstaan als gevolg van de inhoud van het eerder onbekende testament. De gedachte achter de beschermingsbepaling uit artikel 4:194 BW was dat als de erfgenaam op het moment van het aanvaarden van de nalatenschap op de hoogte zou zijn geweest van de inhoud van het testament, hij deze waarschijnlijk niet zuiver zou hebben aanvaard. De onbekendheid met het testament is de erfgenaam niet aan te rekenen, zodat het redelijk is om hem alsnog de mogelijkheid te geven om de nalatenschap beneficiair te aanvaarden (13). Dit wetsvoorstel sluit aan bij deze gedachte.

In de huidige rechtspraak zijn er al voorbeelden van schulden waarvan de rechter oordeelde dat de aansprakelijkheid van een erfgenaam moest worden beperkt, omdat de erfgenaam die schuld redelijkerwijs niet kon kennen. In de memorie van toelichting wordt het vonnis van de Kantonrechter Roermond van 1 februari 2013 genoemd (14). In deze zaak waren er vijf erfgenamen (hierna: de erven X) die de erfenis van hun moeder zuiver aanvaarden. Deze erfenis was nog belast met vorderingen van de kinderen van hun stiefvader. Deze kinderen (hierna: de erven Y) hebben de nalatenschap wel beneficiair aanvaard. Als erfgenamen dienden de erven X deze vorderingen aan de erven Y te voldoen. Omdat de nalatenschap hiervoor niet toereikend was waren ze verplicht uit hun eigen vermogen bij te leggen. De kantonrechter verleende op basis van de redelijkheid en billijkheid – en niet op grond van artikel 4:194 BW- aan de erven X een machtiging om alsnog beneficiair te aanvaarden.

Een ander voorbeeld is de uitspraak van de bestuursrechter Roermond van 24 november 2011 (15). In deze zaak oordeelde de rechter dat door de te late vaststelling van de eigen bijdrage op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten de erfgenamen hebben afgezien van het beneficiair aanvaarden van de erfenis. De erfgenamen waren op het moment van zuivere aanvaarding van de nalatenschap niet op de hoogte en konden redelijkerwijs ook niet op de hoogte zijn van de verschuldigde eigen bijdrage. De rechter oordeelde dat het nalatig handelen – het niet tijdig een factuur sturen voor de eigen bijdrage – niet voor rekening en risico van de erfgenamen diende te komen. Bij dit oordeel werd meegewogen dat in het geval de erfgenamen de erfenis beneficiair hadden aanvaard, er geen gelden meer beschikbaar zouden zijn geweest voor het betalen van de verschuldigde eigen bijdrage en dat deze dan zou zijn kwijtgescholden.

3.2 ‘Onverwachte schuld’
De bescherming van het voorgestelde artikel 4:194a BW kan alleen worden ingeroepen voor onverwachte schulden. Een onverwachte schuld is een schuld die de erfgenaam niet kende en evenmin behoorde te kennen op het moment dat hij de nalatenschap zuiver aanvaardde. Met de woorden ‘kende en behoren te kennen’ wordt verwezen naar het begrip goede trouw in het Burgerlijk Wetboek (artikel 3:11 BW). Bij de invulling van hetgeen een erfgenaam ‘behoorde te kennen’, gaat het erom wat hij redelijkerwijze had kunnen weten. In ieder geval wordt van een erfgenaam verwacht dat hij heeft onderzocht waaruit de nalatenschap bestaat. Op grond van de wet rust op hem de verplichting om de nalatenschap af te wikkelen. Onderdeel van de afwikkeling is het betalen van alle schulden. Om deze te kunnen betalen, zal hij de administratie van de erflater moeten hebben geraadpleegd om zo te achterhalen welke schulden er zijn. Van schulden die uit de administratie van de erflater blijken (zoals hypotheekschulden, onbetaalde facturen en belastingschulden) wordt in beginsel aangenomen dat een erfgenaam deze kende dan wel behoorde te kennen. De meeste schulden van de erflater zullen dus niet als een onverwachte schuld kunnen worden aangemerkt. Slechts in uitzonderingssituaties zal sprake zijn van een schuld waarvan gezegd kan worden dat een erfgenaam deze redelijkerwijs niet kon kennen. Enkele voorbeelden van schulden waarvan in de rechtspraak is aangenomen dat een erfgenaam deze niet kende en evenmin behoorde te kennen zijn legitieme vorderingen op een vooroverleden (stief) ouder en een te laat gevorderde eigen bijdrage AWBZ. Daarnaast kan gedacht worden aan vorderingen uit onrechtmatige daad (16). Hoe de aansprakelijkheid van erfgenamen voor door de door overledene onterecht ontvangen toeslagen is geregeld is nog niet duidelijk. Erfgenamen kunnen niet zien of de overledene toeslagen (zoals huur- en zorgtoeslag) wellicht onterecht heeft ontvangen. Zij kunnen dan later geconfronteerd worden met een hoge nota van de Belastingdienst voor onterecht ontvangen toeslagen (17).

4. Tot slot
De staatssecretaris komt met het wetsvoorstel de erfgenaam die de nalatenschap zuiver heeft aanvaard te hulp. In geval van onverwachte schulden van de erflater wordt de erfgenaam beschermd. Dit wetsvoorstel sluit naar verwachting goed aan bij de bestaande wetgeving en jurisprudentie op dit gebied. De reacties van (de meeste) beroepsverenigingen en andere partijen zijn op moment van schrijven nog onbekend: de door de minister geopende internetconsultatie sluit op 6 mei 2014. Maar nu al is duidelijk dat het nieuwe wetsvoorstel ook vragen oproept.

Noten
                                                                                                                                                

1 Titel ontleend aan het rapport ‘Erven zonder financiële zorgen?!’ Een verkenning naar meer bescherming van erfgenamendoor een kleine ingreep in het erfrecht, Centrum voor Notarieel Recht van de Radboud Universiteit Nijmegen en Netwerk Notarissen, oktober 2012. Netwerk Notarissen is een landelijke samenwerkingsverband van ongeveer 150 notariskantoren.

2 ‘Ruim 12 miljard euro aan nalatenschappen’, www.cbs.nl, 16 mei 2011.

3 Voluit: Wijziging van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek om in uitzonderlijke situaties erfgenamen de mogelijkheid te geven, ontheffing te vragen van de verplichting om onverwachte schulden met privévermogen te moeten voldoen.

4 MvT. bij de Wet bescherming erfgenamen tegen onverwachte schulden, p. 4.

5 Voor het schrijven van deze paragraaf zijn verscheiden handboeken geraadpleegd: G. van der Burght en E.W.J. Ebben, Het Nederlands burgerlijk recht deel 5 (Pitlo), Erfrecht, Deventer: Kluwer 2004, p.

390-395; L.C.A. Verstappen, ‘Aanvaarding en verwerping’, in: M.J.A. van Mourik (red.) e.a., Handboek Erfrecht,

Deventer: Kluwer 2011, p. 450-456; Mr. C. Asser’s Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 4*. Erfrecht en schenking, Deventer: Kluwer 2009, p. 560 e.v.

6 Zie voor een helder overzicht het rapport‘Erven zonder financiële zorgen?!’ Een verkenning naar meer bescherming van erfgenamen door een kleine ingreep in het erfrecht, Centrum voor Notarieel Recht van de Radboud Universiteit Nijmegen en Netwerk Notarissen, oktober 2012, p. 30.

7 MvA II, Parl. Gesch. Boek 4, p. 933-934.

8 Kamerstukken II 1964/65, 3 771, nr. 8, p. 38 (Verslag mondeling overleg).

9 Rapport ‘Erven zonder financiële zorgen?!’ Een verkenning naar meer bescherming van erfgenamen door een kleine ingreep in het erfrecht, Centrum voor Notarieel Recht van de Radboud Universiteit Nijmegen en Netwerk Notarissen, oktober 2012, p. 42 e.v.

10 Het rapport verwijst naar NOS journaal 28 april 2012 (‘Erven van een woning die na een jaar nog niet verkocht was’) en Telegraaf 22 augustus 2012 (‘Erven door een student van een belastingschuld van haar overleden moeder’).

11 ‘Beantwoording Kamervragen over problemen bij het zuiver aanvaarden van een nalatenschap’ d.d. 26 september 2012 (vragen van de Kamerleden Omtzigt en Van Toorenburg (beiden CDA) aan de

staatssecretaris van Financiën en de minister van Veiligheid en Justitie), nr. 306401, via

www.rijksoverheid.nl.

12 Rapport Erven zonder financiële zorgen?! Een verkenning naar meer bescherming van erfgenamen door een kleine ingreepin het erfrecht, Centrum voor Notarieel Recht van de Radboud Universiteit Nijmegen en Netwerk Notarissen, oktober2012.

13 MvT bij de Wet bescherming erfgenamen tegen onverwachte schulden, p. 2-3.

14 Ktr. Roermond 1 februari 2013, LJN: BZ0690. Ook wordt verwezen naar Ktr. Assen 19 oktober 2010, nr. 295357/EK VERZ 10-10180.

15 Rb. Roermond 24 november 2011 LJN: BU6290.

16 MvT bij de Wet bescherming erfgenamen tegen onverwachte schulden, p. 4-5.

17 Aldus L. van der Geld, juridisch directeur van Netwerk Notarissen in het artikel ‘Staatssecretaris Teeven maakt wet n.a.v. rapport Netwerk Notarissen en Radboud Universiteit. Betere bescherming tegen schulderfenissen’, te raadplegen via www.netwerknotarissen.nl


  • -

Column Marjelle van ’t Ende: Een eenvoudig proces

Column Marjelle van ’t Ende

Een eenvoudig proces

Bij veel mensen bestaat het beeld dat rechtszaken eindeloos duren en nodeloos ingewikkeld worden gemaakt. De Rechtspraak zou een logge, bureaucratische organisatie zijn die niet in staat is om maatwerk te leveren. Voor de burger is het voeren van een proces onoverzichtelijk en ntoegankelijk. Deze kritiek is niet nieuw.

Montesquieu klaagde al dat zijn collega-rechters zich teveel bezighielden met procesrechtelijke details. Charles Dickens beschreef in het aangrijpende Bleak House hoe de advocaten van procespartijen jarenlang een onoverzichtelijk proces voerden over een nalatenschap zodat de hele erfenis uiteindelijk opgaat aan proceskosten. En dan is er de klassieker Der Prozess van Franz Kafka, waarin een man vast komt te zitten in een bureaucratisch proces, waarbij de aanklacht nooit duidelijk wordt.

Hoewel deze wantoestanden ver af staan van het hedendaags Nederlands procesrecht is kritiek op de processuele gang van zaken logisch en begrijpelijk. Het is van het grootste belang dat het procesrecht overzichtelijk en helder is. Dit wordt ook in de politiek erkend. Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie heeft een wetsvoorstel gedaan om het procesrecht te  vereenvoudigen, waar de ministerraad op 17 april 2014 mee heeft ingestemd.

Het is de bedoeling dat het civiele proces eenvoudiger wordt door de invoering van een basisprocedure waarbij de mondelinge behandeling al snel na de start van het proces plaatsvindt. De rechter heeft dan al vroeg contact met partijen en kan hen dan om toelichting vragen, derden horen en ook onderzoeken of de partijen tot een schikking kunnen komen. Bij complexere zaken kunnen er extra schriftelijke en mondelinge rondes volgen. Partijen krijgen duidelijkheid over termijnen om verweer te voeren waardoor de procedure vlotter zal verlopen. In de meeste gevallen volgt dan binnen zes weken na de mondelinge behandeling een uitspraak.

 Een tweede grote verandering is de digitalisering van het procesrecht. Partijen kunnen hun zaak dan online starten en volgen. Vanaf 2015 zal deze digitalisering van start gaan maar eerst moet het advies van de Raad van State over dit wetsvoorstel nog worden afgewacht. Deze voorgestelde vernieuwing lijkt mij een goede zaak.

Voor juristen is procederen een voor de hand liggende oplossing maar voor iemand die niet bekend is met De Rechtspraak, juridisch jargon en de formalistische procedures ligt dat anders. De digitalisering zal bijdragen aan de toegankelijkheid van De Rechtspraak. Belangrijk is dat burgers niet afzien van een procedure vanwege de complexiteit ervan. Wie ergens recht op heeft, moet dat ook kunnen krijgen.


  • -

In hoeverre mag de staat ingrijpen in eigendomsverhoudingen bij een financiële instelling?

Marjelle van ‘t Ende

In hoeverre mag de staat ingrijpen in eigendomsverhoudingen bij een financiële instelling? – SNS REAAL NV en SNS Bank NV –

Op 1 februari 2013 heeft de Minister van Financiën besloten tot onteigening van effecten en vermogensbestanddelen van SNS REAAL NV en SNS Bank NV omdat deze instellingen in grote financiële problemen waren gekomen. De minister heeft deze bevoegdheid op basis van de onlangs ingevoerde Interventiewet. De gedupeerde beleggers hebben dit onteigeningsbesluit aangevochten bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Ze zijn ontevreden over de aangeboden schadeloosstelling die €0 bedraagt en over de korte beroepstermijn van tien dagen. De Vereniging van Effectenbezitters (VEB) heeft bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een klacht ingediend tegen de Nederlandse Staat. Zowel het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM) als het recht op eigendom (art. 1 Eerste Protocol EVRM) zouden geschonden zijn. Duidelijk is dat de Interventiewet nieuwe, ingrijpende, bevoegdheden heeft gecreëerd. Maar hoe groot zijn de mogelijkheden voor overheidsingrijpen in de eigendomsverhoudingen bij financiële instellingen?

1. Interventiewet
De Interventiewet (Wet bijzondere maatregelen financiële ondernemingen) is op 13 juni 2012 met terugwerkende kracht in werking getreden vanaf 20 januari 2012. De bepalingen van de Interventiewet zijn vooral neergelegd in de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Faillissementswet. De wet is een reactie op de in de kredietcrisis van 2008-2010 gebleken tekortkomingen in het instrumentarium van de toezichthouders. Deze wet creëert ingrijpende bevoegdheden aangaande toezicht op het Nederlandse financiële stelsel die gericht zijn op een meer gecontroleerde afwikkeling van een financiële onderneming in problemen. Dit zou ook moeten leiden tot lagere maatschappelijke kosten dan in geval van een faillissement. De Interventiewet geeft aan De Nederlandsche Bank (DNB) de mogelijkheid om vermogensbestanddelen van een probleeminstelling door een overdrachtsplan aan een andere onderneming over te dragen. De Minister van Financiën heeft de mogelijkheid verworven om onmiddellijke voorzieningen te treffen. Daarnaast heeft hij nu ook verstrekkende bevoegdheid om tot onteigening van vermogensbestanddelen en effecten van de probleeminstelling over te gaan indien hij van oordeel is dat de stabiliteit van het financiële stelsel ernstig en onmiddellijk in gevaar komt. Deze onteigening is een ultimum remedium voor het geval dat alle andere opties geen oplossing bieden. Op de hier bedoelde onteigeningen is de Onteigeningswet niet van toepassing, aldus het zevende lid van art. 6:2 Wft. De onteigening die volgt uit de Interventiewet wijkt dan ook op enkele punten sterk af van een ‘reguliere’ onteigening.

1.2 Vergelijking met de Onteigeningswet
Een opvallend verschil is dat er onder de Insolventiewet minder rechterlijke betrokkenheid is bij de onteigening dan onder de Onteigeningswet. Volgens art. 6:2 lid 3 Wft leidt het besluit van de minister tot onteigening, in tegenstelling tot de Onteigeningswet die een rechterlijk vonnis vereist. Als gevolg hiervan is onder de Interventiewet alleen ruimte voor de rechter als partijen beroep aantekenen, binnen de in art. 6:6 Wft gestelde termijn van tien dagen. De behandeling van dit beroep vindt direct plaats bij de Afdeling die al binnen veertien dagen na ontvangst van het laatste beroepschrift tot een uitspraak dient te komen. De rechtsgang verloopt snel, maar bij de rechtsbescherming zijn kanttekeningen te plaatsen. Gedupeerden hebben maar weinig tijd voor het schrijven van een beroepschrift en het voorbereiden van de zitting. De teruggedrongen rol van de rechter blijkt ook bij de vaststelling van de hoogte van de schadeloosstelling. In het onteigeningsrecht moet de rechter die schadeloosstelling ambtshalve vaststellen waarbij hij door deskundigen wordt geadviseerd. De Interventiewet kiest voor een systeem waarin de Minister van Financiën een aanbod doet dat in beginsel door de Ondernemingskamer van het Hof Amsterdam wordt bekrachtigd. Pas op het moment dat de rechter het niet aannemelijk acht dat de geboden vergoeding de volledige schadeloosstelling omvat dient hij zelf tot een vaststelling van de schade te komen conform art. 6:10 en 6:11 Wft.

1.3 Duaal toetsingsstelsel
Het is goed voor te stellen dat aandeelhouders die door het onteigeningsbesluit gedupeerd worden dit besluit aan een rechtmatigheidstoetsing willen onderwerpen en een schadevergoeding willen eisen die hoger is dan het aanbod van de minister. De Interventiewet voorziet hierin en presenteert een duaal toetsingsstelsel in deel 6 van de Wft. Dit resulteert erin dat de beoordeling van de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit is opgedragen aan de Afdeling en de beoordeling van de schadeloosstelling is voorbehouden aan de Ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam. De keuze voor dit stelsel komt voor vanuit de behoefte aan een snelle rechterlijke toetsing. Dat betekent dat de toetsing van de Afdeling bestuursrechtspraak zich zal beperken tot de vraag of de Minister van Financiën in redelijkheid tot gebruikmaking van zijn in artikel 6:1 of 6:2 bepaalde bevoegdheid heeft kunnen komen. Met deze procedure moet voorkomen worden dat de behoefte aan een snelle rechterlijke toetsing van het hoofdbesluit in de weg staat aan een zorgvuldige bepaling van de hoogte van de schadeloosstelling. En ook andersom vertraagt de schadeloosstellingsprocedure op deze manier de toetsing van het hoofdbesluit niet, zo stelt de minister.

2. Verhouding SNS REAAL NV en SNS Bank NV
De eerste keer dat de rechter zich over Interventiewet boog was op 25 februari 2013, toen de Afdeling de onteigening van SNS REAAL N.V (hierna: SNS REAAL) behandelde. De SNS REAAL-groep bestaat uit (onder meer) verzekeraar REAAL en SNS Bank N.V. (hierna: SNS Bank). SNS Reaal is als holdingvennootschap aandeelhouder van SNS Bank. SNS Bank is enig aandeelhouder van onder meer Regio Bank N.V., ASN Bank N.V., en SNS Property Finance B.V. Reaal bestaat onder meer uit de levensverzekeringentak SRLEV N.V. en de schadeverzekeringentak REAAL Schadeverzekeringen N.V. SNS Reaal heeft zich hoofdelijk aansprakelijk verklaard voor de schulden van SNS Bank.

2.1 Financiële problemen en de rol van Property Finance
Al vanaf het intreden van de financiële crisis in 2008 zijn de negatieve gevolgen daarvan merkbaar bij SNS Reaal. In november 2008 heeft zij dan ook al € 750 miljoen staatssteun ontvangen. Sinds 2009 is SNS REAAL steeds meer in moeilijkheden gekomen (onder andere) vanwege de verslechterde markt voor commercieel vastgoed. De problemen van SNS Reaal waren voor een groot deel toe te schrijven aan afwaarderingen binnen vastgoedpoot SNS Property Finance. In 2008 had deze tak nog een waarde van € 14 miljard wat midden 2012 was gedaald tot een waarde tussen de € 4,9 en 5,6 miljard. Daarbij komt dat de SNS Bank voor haar funding afhankelijk was geworden van spaargelden en dat in de tweede helft van januari 2013 al netto € 2,5 miljard aan spaargeld was uitgestroomd. Daardoor kwamen zowel de kapitaalratio van SNS Bank verder onder druk te staan als de kaspositie van SNS Bank. Volgens de minister was er als gevolg daarvan een acute dreiging van een bankrun, aldus het onteigeningsbesluit.

2.2 Onderlinge verwevenheid
Hoewel de verliezen in de eerste plaats bij Property Finance waren geconcentreerd, zouden SNS Bank en SNS REAAL ook grote verliezen lijden. SNS Reaal heeft zich hoofdelijk aansprakelijk verklaard voor de schulden van SNS Bank, onder meer via de voor de schulden van die vennootschap afgegeven 403-verklaringen. Daarbij komt dat SNS Bank de nodige bedragen had uitgeleend aan SNS Property Finance. De te verwachten verliezen van vastgoedpoot SNS Property Finance zijn zo groot dat SNS Reaal niet in staat zou zijn deze op te vangen. Het faillissement van SNS Property Finance zou zo tot het faillissement van zowel SNS Bank als dat van SNS REAAL leiden.

2.3 Gevolgen eventueel faillissement
De SNS REAAL groep is van grote betekenis voor het Nederlandse financiële stelsel. SNS Bank is qua formaat de vierde bank van Nederland en heeft een groot marktaandeel in met name de particuliere markt voor spaarders, consumentenleningen en hypothecair krediet. De SNS Bank is door de Minister van Financiën en DNB in de Najaarsnota 2011 dan ook als systeemrelevant betiteld. Systeemrelevante banken zijn banken waarvoor staatssteun
gewenst zou kunnen zijn omdat het omvallen ervan grote schade in het Nederlandse financiële stelsel zou kunnen veroorzaken. Volgens de Minister en de DNB zou een faillissement van SNS Bank te risicovol zijn uit een oogpunt van financiële stabiliteit. In een faillissement van de SNS Bank zouden de bankdochters ASN Bank en Regiobank worden meegetrokken vanwege de financiële en operationele verbondenheid tussen die vennootschappen en SNS Bank en SNS REAAL. Bij de drie genoemde banken werden 1,6 miljoen spaarrekeningen en 1 miljoen betaalrekeningen aangehouden. Bij een faillissement zou DNB 35 miljard moeten uitkeren onder het depositogarantiestelsel aan de gedupeerde spaarders. Aangezien dit stelsel uiteindelijk wordt gefinancierd door de Nederlandse banken, zou het in werking treden daarvan leiden tot aanzienlijke jaarlijkse lasten voor de overige Nederlandse banken.

2.4 Ingrijpen DNB en Minister van Financiën
Zonder ingrijpen zou de stabiliteit van het financiële stelsel ernstig en onmiddellijk in gevaar komen. In 2011 verzocht DNB SNS Bank om exit-plannen op te stellen met betrekking tot de vastgoedgerelateerde kredietportefeuille en om een plan van aanpak te maken om de kapitaalspositie van SNS Bank te versterken. Het vinden van middelen op de kapitaalmarkt bleek niet mogelijk. De plannen die SNS Bank hiervoor aanleverde werden door DNB in de loop van 2011 steeds als onvoldoende beoordeeld. Op 18 januari 2013 stelde DNB SNS Bank (en SNS Reaal) op de hoogte van haar voornemen SNS Bank een ultimatum te stellen tot 31 januari 2013 om haar kapitaalbasis te versterken met € 1,9 miljard en dat zij anders zou oordelen dat zij het niet langer verantwoord achtte dat SNS Bank het bankbedrijf zou uitoefenen. Hiervan stelde DNB ook de minister op de hoogte, vergezeld van het advies om voorbereidingen te treffen voor onteigening. Op 27 januari 2013 heeft DNB dit voornemen tot het besluit geëffectueerd. Op 1 februari 2013 constateerde DNB dat SNS Bank niet aan het ultimatum had voldaan. De minister maakte nog diezelfde dag gebruik van zijn bevoegdheid uit art. 6:2 Wft en hij onteigende alle aandelen en achtergestelde obligaties van SNS Bank. Ter onderbouwing van zijn oordeel dat de precaire financiële situatie van SNS Bank een ernstig en onmiddellijk gevaar vormt voor de stabiliteit van het financiële stelsel stelde de minister in het onteigeningsbesluit dan SNS Bank een systeemrelevante instelling is. In dit onteigeningsbesluit heeft de minister een schadeloosstelling van €0 geboden voor de onteigende aandelen.

3. Strijd met Europees recht
Naar aanleiding van het arrest dat door de Afdeling op 25 februari 2013 werd gewezen zijn er kritische vragen gerezen over de onteigening. De appellanten in deze zaken betwijfelen ernstig of deze onteigeningen op basis van de Interventiewet met voldoende eisen van rechtszekerheid en zorgvuldigheid zijn omgeven. De termijnen voor de appellanten zijn kort en mogelijk in strijd met art. 6 EVRM terwijl de onteigening strijd met art. 1 Eerste Protocol zou kunnen opleveren. De Vereniging van Effectenbezitters (VEB) heeft als gevolg hiervan een klacht ingediend bij het EHRM.

3.1 Termijnen in strijd met art. 6 EVRM?
De beroepstermijn uit de Interventiewet bedraagt tien dagen en is daarmee beduidend korter dan de gebruikelijke beroepstermijn van zes weken zoals neergelegd in art. 6:7 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook de Afdeling heeft beperkt de tijd: zij dient uiterlijk na twee weken uitspraak te doen over de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit. Veel appellanten voerden aan dat de beroepstermijn in strijd is met het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in art. 6 EVRM. Appellanten voerden aan dat zij door de zeer korte termijnen niet in staat waren om zich in de procedure bij de Afdeling voldoende te verdedigen. Zo kwamen twee rapporten die een belangrijke rol speelden in de besluitvorming (waarin het vastgoed van SNS werd gewaardeerd) laat beschikbaar. Daarbij is ook het ruim honderd pagina’s tellende verweerschrift van de minister pas in de middag op de dag voor de zitting aan appellanten verstuurd. Het EHRM zal zich moeten uitspreken over de vraag of appellanten door de gang van zaken zodanig zijn belemmerd in het kunnen voeren van een adequaat beroep, dat aan de minimumeisen die gelden voor een eerlijk proces ex. art. 6 EVRM niet is voldaan. Of het EHRM een belemmering aan zal nemen is nog maar zeer de vraag. Er wordt aan de lidstaten ‘a wide margin of interpretation’ gelaten bij het stellen van regels die beperkingen inhouden op het recht op toegang tot de rechter mits het recht niet in zijn kern wordt aangetast, en de gestelde beperkingen een rechtmatig doel dienen en evenredig zijn. De Afdeling stelde dat de termijnen in deze procedure korter waren dan gebruikelijk, maar oordeelde toch dat het recht op een eerlijk proces, en meer specifiek het recht op toegang tot de rechter, door die korte termijnen niet in de kern werd aangetast. Zij verwees daarbij naar het doel dat hierdoor gediend wordt. De stabiliteit van het Nederlandse financiële stelsel heeft er baat bij om zo spoedig mogelijk definitief uitsluitsel te krijgen over de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit. Hiertegenover staat dat ook als korte termijnen formeel gerechtvaardigd zouden kunnen worden, dit onverlet laat dat ook de praktische gang van zaken zodanig dient te zijn dat sprake is van een eerlijk proces.

3.2 Verhouding onteigening met art. 1 Eerste Protocol
Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM vereist art. 1 van het Eerste Protocol dat elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom bij de wet voorzien en in overeenstemming met het nationale recht is. Dit nationale recht moet voldoende toegankelijk en nauwkeurig zijn en de toepassing daarvan moet voldoende voorzienbaar zijn. De inbreuk moet daarbij een legitiem in het algemeen belang gelegen doel dienen. Ten slotte is een inbreuk op het ongestoord genot van eigendom slechts toegestaan als de gebruikte middelen evenredig zijn aan het daarmee nagestreefde doel. Dit vereist een evenwicht tussen het nagestreefde doel en de bescherming van individuele rechten. Bij de beoordeling van wat het algemeen belang vergt en de keuze van de middelen om dit te bereiken komt de nationale wetgever ‘a wide margin of appreciation’ toe. De Afdeling meende dat het onteigeningsbesluit aan al deze vereisten voldeed, en verwierp het betoog van appellanten dat het onteigeningsbesluit een ongeoorloofde inmenging vormde op het eigendomsrecht.

4 Conclusie
De mogelijkheden tot overheidsingrijpen bij de eigendomsverhoudingen binnen financiële instellingen zijn ruim en vergaand onder de Interventiewet. Als de Minister van Financiën van mening is dat het financiële stelsel ernstig en onmiddellijk in gevaar komt kan hij gebruik maken van de zijn bevoegdheden uit deel 6 van de Wft en systeemrelevante financiële instellingen nationaliseren. De rechterlijke inmenging is beperkt: die vindt pas plaats als gedupeerde beleggers een proces aanspannen tegen de rechtmatigheid van het besluit of de hoogte van de aangeboden schadeloosstelling. Het duale toetsingsstelsel waarbij twee verschillende rechterlijke instanties oordelen over respectievelijk de rechtmatigheid van de onteigening en de hoogte van de schadeloosstelling levert vooralsnog geen strijd op met Europese regelgeving. Ook lijkt het mij niet waarschijnlijk dat de tot tien dagen teruggebrachte bezwaarstermijn strijd op zal leveren met art. 6 EVRM. Herhaaldelijk heeft het ERHM bepaald dat de lidstaten een ruime beoordelingsvrijheid hebben als het gaat om het stellen van regels die de toegang tot de rechter beperken. In deze zaak dienen deze termen ook een rechtmatig doel, namelijk snelle zekerheid over de onteigening waarmee het grotere belang van een stabiel financieel stelsel wordt gediend. Art. 1 EP biedt de appellanten in Straatsburg ook geen soelaas. Op grond van dit artikel dient elke inbreuk voorzienbaar te zijn, het algemeen belang te dienen en proportioneel te zijn. Dat is met de Interventiewet het geval. De minister heeft met het inwerkingtreden van deze wet ingrijpende en uiteenlopende bevoegdheden verworven om in de eigendomsverhoudingen in te kunnen grijpen.

Noten
                                                                                                                                                   1 Stb. 2012, 241.
2 Kamerstukken II 2011/12, 33 059, nr. 3, p. 1.
3 J.A.M.A. Sluysmans en M.J.W. Timmer, ‘De Interventiewet en de SNS-onteigening’, MvV 2013/0708.
4 J. van IJperenburg, ‘De Interventiewet toegepast op SNS; aandachtspunten voor de Financieringspraktijk’, FIP 2013/7.
5 Kamerstukken II 2011/12, 33 059, nr. 3, p. 33.
6 Kamerstukken II 2011/12, 33 059, nr. 3, p. 76.
7 Volgens rapport van Cushman & Wakefield. Zie 1 februari 2013, Besluit tot onteigening van effecten en vermogensbestanddelen SNS, p. 5.
8 1 februari 2013, Besluit tot onteigening van effecten en vermogensbestanddelen SNS. Zie Strct. 2013, 3018.
9 ABRvS 25 februari 2013, LJN BZ2265, JOR 2013/140 m.nt BPM van Ravels en EPM Joosen, noot nummer 2.
10 M.J. van Pomeren, ‘Rechtsbescherming tegen de onteigening van SNS — een juridische striptease’, Bb 2013/24.
11 R.M. Wibier, ‘De ondergang van SNS REAAL’, TvI 2013/42.
12 M.J. van Pomeren, ‘Rechtsbescherming tegen de onteigening van SNS — een juridische striptease’, Bb 2013/24.
13 M.A.R.T. Dorresteijn, ‘Ondernemingskamer benoemt deskundigen om de waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen SNS Reaal N.V. en SNS Bank N.V. te bepalen’, Bb 2013/54.
14 http://www.veb.net/content/HoofdMenu/Beurs/Kieseenbeursfonds/Artikelen/sns/SNSeuropeesHof.aspx
15 Vgl. EHRM 28 mei 1985, nr. 8225/78 (Ashingdane/Verenigd Koninkrijk), par. 52.
16 ABRvS 25 februari 2013, LJN BZ2265, ro 7.2.
17 Vgl. arresten van 25 juni 1996, nr. 19776/92 (Amuur tegen Frankrijk), par. 50 en 9 november 1999, nr. 26449/95 (Špacek tegen Tsjechië), par. 54.
18 ABRvS 25 februari 2013, LJN BZ2265, r.o. 13.3.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.