Een strafrechtfilosofisch perspectief

  • -

Een strafrechtfilosofisch perspectief

Maaike Baan

Een strafrechtfilosofisch perspectief

Het wetsvoorstel TBO

Pieter steelt een paar dure schoenen uit de Bijenkorf. Voordat hij ‘veilig’ de winkel uit is, wordt hij in zijn kraag gegrepen door de beveiliging: op heterdaad betrapt. De politie wordt erbij gehaald en daar blijft het niet bij; enige tijd later moet Pieter voorkomen voor de politierechter. Tijdens de zitting vraagt de rechter naar eerder gepleegde kleine delicten en de persoonlijke omstandigheden. Een klein half uur later loopt Pieter ietwat verbouwereerd de zittingszaal uit. Hij moet van de rechter naar school.

Bovenstaande casus is een fictieve, maar wanneer het wetsvoorstel Terbeschikkingstelling aan het Onderwijs (hierna: TBO) tot wet wordt gemaakt, zou deze situatie zich in de praktijk kunnen voordoen. In maart 2014 stemde de ministerraad in met het wetsvoorstel TBO. Dit voorstel wil een bepaling aan het wetboek van Strafrecht toevoegen die het mogelijk maakt om jeugdige delinquenten te verplichten onderwijs te volgen. Het idee van de maatregel is dat het volgen van onderwijs de mogelijkheden voor jongeren vergroot om ‘aansluiting te vinden bij de samenleving en daarin een volwaardige en opbouwende rol te vervullen’.(1) Dit moet de kans op recidive verkleinen. Tegenover het niet naleven van de onderwijsverplichting staat een vervangende vrijheidsstraf die kan oplopen tot een jaar. De maatregel kan ook worden opgelegd voor relatief lichte delicten zoals winkeldiefstallen. De plannen van het kabinet hebben tot de nodige kritiek geleid. De Onderwijsraad (2) adviseerde staatssecretaris Dekker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) in juni om het wetsvoorstel te heroverwegen.(3) De raad geeft onder meer aan niet overtuigd te zijn van de noodzaak, effectiviteit en uitvoerbaarheid van de tbo-maatregel.

Doel artikel
In dit artikel wordt gekeken naar het doel en de strekking van de voorgestelde TBO-maatregel. Omdat het gaat om een strafrechtelijke regeling, is het in dit verband interessant om in te gaan op de eeuwenoude vraag: waarom straffen we eigenlijk? Het wetsvoorstel TBO wordt onder een strafrechtfilosofische loep gelegd om erachter te komen in hoeverre de gedachten achter het wetsvoorstel te verenigen zijn met de theorieën die aan ons Wetboek van Strafrecht ten grondslag liggen.

Elementen
De TBO-maatregel bestaat uit twee elementen: de onderwijsverplichting, die de  oorspronkelijke maatregel vormt als reactie op het gepleegde delict, en de vervangende vrijheidsstraf. Van beide elementen wordt onderzocht wat de achterliggende doelen zijn en in hoeverre zij zijn te rechtvaardigen als sancties. In het denken over strafrecht bestaan twee hoofdstromingen die het hebben over de zin en de rechtvaardiging van straffen: het retributivisme en het utilitarisme. Deze theorieën zullen kort worden uiteengezet om vervolgens in te gaan op de ratio achter het wetsvoorstel TBO.

Retributivisme
Volgens het retributivisme is een straf gerechtvaardigd wanneer die verdiend is. Vergelding staat in deze opvatting voorop. Vergelding heeft in deze context niet de betekenis van wraak, maar van vereffening. Het gepleegde delict moet op een bepaalde manier worden vereffend, de schade die de rechtsorde is toegebracht moet – voor zover dat mogelijk is – worden hersteld. De straf is dus gericht op het verleden, het is een reactie op het delict. De straf is op zichzelf goed en gerechtvaardigd en dient geen in de toekomst gelegen  doel. De straf is het doel, want het is juist om misdadigers leed toe te voegen. Dat een straf alleen gerechtvaardigd is wanneer zij verdiend is, veronderstelt dat de veroordeelde verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn daden. Het retributivisme hecht veel waarde aan de notie van de mens als redelijk wezen met de vrijheid om zelf te kiezen hoe hij handelt.

Utilitarisme
De tweede stroming is het utilitarisme. Het doel van straffen is volgens de theorieën van het utilitarisme gelegen in de toekomst: een straf dient ter voorkoming van toekomstige criminaliteit. De effectiviteit van de straf is daarom van groot belang: op welke manier kan het beoogde doel het beste worden bereikt? De straf is in deze visie instrumenteel: zij vindt haar rechtvaardiging in het toekomstige maatschappelijke nut.(4) Straf is geen gerechtvaardigd doel op zich, maar een middel.(5) Het utilitarisme ziet crimineel gedrag niet alleen als een keuze. Het kan ook het gevolg zijn van factoren die buiten de macht van de delinquent liggen, zoals omgevingsfactoren, opvoeding of neurologische afwijkingen.(6) Met het juiste inzicht in zulke factoren kan de meest effectieve straf worden gekozen, waardoor verder crimineel gedrag zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het Nederlandse strafrechtsysteem bevat zowel retributivistische als utilitaristische elementen. Een dergelijke combinatie noemt men een ‘verenigingstheorie’.

De onderwijsverplichting
Met de TBO-maatregel kan via het strafrecht een verplichting tot het volgen van onderwijs worden opgelegd. Met welk doel is voor een onderwijsverplichting onderwijsverplichting gekozen? ‘Het doel van de maatregel is niet gelegen in de bestraffing en de vergelding van het gedrag dat tot het opleggen van de maatregel heeft geleid’, aldus de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel.(7) De maatregel is geheel gericht op het ‘wegnemen van criminogene factoren’ en heeft daarmee een puur utilitaristisch karakter. De gedachte is dat bij de veroordeelde door het volgen van onderwijs een gedragsverandering optreedt die ervoor zorgt dat hij niet opnieuw in crimineel gedrag vervalt. Bij deze vorm van preventie zal ik verderop uitgebreider stilstaan. Het doel van het opleggen van de onderwijsverplichting is dus niet om het gedrag van de jeugdige delinquent te veroordelen. Eigenlijk wordt nauwelijks meer aandacht besteed aan het gepleegde delict; de ogen zijn slechts gericht op de toekomst. De focus ligt op de omstandigheden die er mogelijk voor zorgden dat de veroordeelde het delict pleegde. Het doel is om die omstandigheden te veranderen om verder crimineel gedrag te voorkomen. Een verplichting tot het volgen van onderwijs is niet aan elke winkeldief op te leggen; de maatregel heeft een specifieke doelgroep. ‘De TBO-maatregel richt zich op jeugdigen en jongvolwassenen die een problematisch onderwijsverleden hebben en die strafbare feiten hebben begaan.’(8) Het idee achter deze keuze is dat er een verband bestaat tussen recidive en ‘het niet waarnemen van onderwijskansen’. De maatregel wil dat verband verbreken. De oorzaak voor het criminele gedrag wordt dus niet zozeer gezocht in de persoon zelf, maar in de situatie waarin hij zich bevindt. Geprobeerd wordt om de veroordeelde uit die situatie te halen met de verwachting dat dit de kans op recidive verkleint. Verondersteld wordt dat het hebben van een problematisch onderwijsverleden crimineel gedrag in de hand werkt. Niet de persoon zelf, maar eerder de situatie waarin hij verkeert wordt gezien als ‘de schuldige’, de oorzaak van het criminele gedrag. Dit is een zuiver utilistische benadering: de reactie op het delict moet bestaan in het meest effectieve middel om het beoogde doel, het voorkomen van recidive, te bereiken. Deze benadering roept vragen op over de verantwoordelijkheid van de delinquent. Door de aandacht te vestigen op de situatie van de delinquent en niet op zijn persoon, wordt het lastig om hem ter verantwoording te roepen voor zijn gedrag. Zoals we hierboven hebben gezien is dat ook juist niet wat de TBOmaatregel beoogt te doen.

Vrijheidsstraf
Het niet naleven van de onderwijsverplichting heeft geen lichte consequenties. Een maand vervangende vrijheidsstraf kan worden opgelegd voor elke maand dat de onderwijsverplichting niet wordt nageleefd. De Memorie van Toelichting noemt de  vervangende vrijheidsstraf een ‘stok achter de deur’ en ‘de juiste motivatie’ voor het volgen van een vorm van onderwijs die geschikt is voor de veroordeelde en die ervoor zorgt dat hij  niet terugvalt in crimineel gedrag.(9) Waar de onderwijsverplichting zelf niet bedoeld is als straf, lijkt het erop dat niet-naleving daarvan wel degelijk bestraft wordt. Wat is het doel  van de vervangende vrijheidsbeneming? Het doel van de vervangende vrijheidsstraf is de veroordeelde ‘de juiste motivatie’ te geven voor het volgen van onderwijs, zo volgt uit de Memorie van Toelichting. Hoe moeten we dit doel precies begrijpen? De term ‘motivatie’ is in deze context een positieve verwoording van het begrip ‘afschrikking’. Afschrikking kan zowel een vorm van generale als speciale preventie zijn. Bij generale afschrikking weerhoudt de dreiging van de straf mensen ervan om delicten te plegen. Van Dijk zegt hierover: ‘Het effect wordt bereikt door de ogenschijnlijk op te leggen straf. Het daadwerkelijk opleggen van straf geschiedt slechts om de dreiging te onderstrepen’. (10) Speciale afschrikking werkt zo dat de onplezierige ervaring van de straf de veroordeelde afschrikt om nogmaals de fout in te gaan. Dit levert voor de gestrafte een extrinsieke  motivatie op om op het juiste pad te blijven.(11) Een andere vorm van speciale preventie is resocialisatie. Dit geeft de gestrafte een intrinsieke motivatie op om niet te recidiveren: hij voelt geen behoefte meer om het slechte pad op te gaan. Leeft de tot de TBO-maatregel veroordeelde zijn onderwijsverplichting na, dan zou hem dat een intrinsieke motivatie moeten geven om op het juiste pad te blijven. De Memorie van Toelichting zegt dat de onderwijsverplichting ervoor zorgt dat de jongere ‘zoveel mogelijk in de dagelijkse setting blijft van wonen en onderwijs volgen en dat hij terug kan vallen op het sociale netwerk dat daarbij hoort’. De behoefte tot recidive verdwijnt door het aanbrengen van een zekere  structuur.

Hoewel… vervangend?
De TBO-maatregel legt een verplichting tot het volgen van onderwijs op als reactie op het gepleegde delict. Wordt de onderwijsverlichting niet nageleefd, dan volgt een vrijheidsstraf. De vrijheidsbeneming vervangt de verplichting tot het volgen van onderwijs. Dat zou moeten betekenen dat de vrijheidsstraf een reactie is op het oorspronkelijke delict, een reactie die in de plaats treedt van de onderwijsverplichting die in eerste instantie werd opgelegd. De vervangende vrijheidsstraf is bedoeld als een ogenschijnlijk op te leggen straf die in de eerste plaats moet leiden tot het volgen van passend onderwijs. Het is een extrinsieke motivatie voor de veroordeelde om te voldoen aan zijn onderwijsverplichting. In het strafrecht worden soortgelijke extrinsieke motivaties vaker gebruikt, namelijk in de vorm van voorwaardelijke straffen. Het verschil is echter dat een voorwaardelijke straf ten uitvoer wordt gelegd wanneer de veroordeelde opom (gedeeltelijk) onbestraft verder te leven, maar zodra hij een gelijksoortig delict pleegt, treedt de voorwaardelijke straf alsnog  in werking. In het geval van de TBO-maatregel wordt de straf niet gekoppeld aan eventuele recidive, maar aan een middel dat bedacht is om recidive te voorkomen: de verplichting tot  het volgen van onderwijs. De onderwijsverplichting is het middel om het uiteindelijke doel – het voorkomen van recidive – te bereiken. Door de dreiging van de vervangende vrijheidsbeneming direct te koppelen aan de verplichting tot het volgen van onderwijs, wordt het onderwijs echter een doel op zichzelf. De vrijheidsstraf wordt niet opgelegd wanneer de veroordeelde recidiveert, maar wanneer hij niet naar school gaat. De onderwijsverplichting wordt op deze manier tot regel gemaakt, een regel die in geval van niet-naleving wordt bestraft. De straf vormt hier een reactie op die geïndividualiseerde regel en niet op het oorspronkelijke delict. Het is daarom feitelijk onjuist om te spreken van een vervangende vrijheidsstraf. De vrijheidsbeneming neemt niet de plaats in van de onderwijsverplichting als reactie op het gepleegde delict, maar vormt een zelfstandige sanctie voor het niet naleven van die onderwijsverplichting. Hoe het verdergaat met het wetsvoorstel TBO, zal nog moeten blijken. Het voorstel ligt nu voor advies bij de Raad van State.

Samenvattend
De vraag waarom wij straffen is eeuwenoud. Het blijft om verschillende redenen boeiend om over dit vraagstuk na te denken. Er bestaan verschillende opvattingen over de doelen en rechtvaardigingen van straf. Het retributivisme heeft als uitgangspunt dat straffen moeten vergelden, in het utilitarisme staan nut en effectiviteit voorop. Op het eerste  gezicht lijken de theorieën van deze twee stromingen lijnrecht tegenover elkaar te staan en  niet te verenigen. In de praktijk blijkt echter dat strafrechtsystemen een combinatie vormen van beide stromingen, zo ook het Nederlandse systeem. Een andere reden waarom de vraag naar de doelen en rechtvaardigingen van straffen interessant blijft is dat het strafrecht constant in beweging is; er worden regelmatig nieuwe straffen en  maatregelen bedacht. Het wetsvoorstel voor de TBO-maatregel geeft een bijzondere tweeledige constructie die erop gericht is om recidive bij jeugddelinquenten te voorkomen. De constructie bestaat uit een onderwijsverplichting als reactie op het gepleegde delict met een vervangende vrijheidsstraf als stok achter de deur om die verplichting daadwerkelijk na te leven. Het doel van de onderwijsverplichting is uitdrukkelijk niet om te vergelden en te bestraffen. Het is een voorbeeld van een zuiver utilitaristische visie op straf. De oorzaak voor het gepleegde delict wordt gezocht in het problematische onderwijsverleden van de delinquent. De straf is erop gericht om die problematische  onderwijssituatie te veranderen om recidive tegen te gaan. De straf is een middel om een  in de toekomst gelegen doel te bereiken. Met het gepleegde delict houdt de straf zich eigenlijk niet meer bezig. Het is niet de bedoeling het gedrag van de jeugdige delinquent te veroordelen. Het doel van de vervangende vrijheidsstraf is volgens de Memorie van Toelichting om de veroordeelde een stok achter de deur te bieden voor het naleven van zijn onderwijsverplichting. Het mechanisme van afschrikking wordt gebruikt, niet direct om recidive te voorkomen maar om af te dwingen dat het middel daartoe optimaal benut wordt. Door de manier waarop de vrijheidsstraf is gekoppeld aan de onderwijsverplichting is feitelijk gezien van een vervangende vrijheidsstraf geen sprake. De vrijheidsbeneming vormt immers geen reactie op het oorspronkelijke delict, maar op de opgelegde verplichting tot het volgen van onderwijs. Zou je willen betogen dat de vrijheidsstraf wél een echte vervangende reactie vormt op het oorspronkelijke delict, dan is evengoed sprake van een inconsistent gebruik van het strafrecht. De Memorie van Toelichting geeft uitdrukkelijk  aan dat het doel van de TBO- maatregel niet is gelegen in het bestraffen of vergelden van het gepleegde delict. De vrijheidsstraf als reactie op het delict is in deze context niet te rechtvaardigen. Een strafrechtfilosofische analyse van de TBO-maatregel illustreert hoe  belangrijk het is om te blijven stilstaan bij het waarom van het straffen en bij de aard van  het strafrecht. De handigste constructies kunnen worden bedacht om beoogde doelen te bereiken, maar wanneer die intern in strijd zijn met de grondgedachten van ons strafrechtelijk systeem, ontstaan scheve situaties.

Noten
1 Consultatieversie wetsvoorstel TBO-maatregel d.d. 15 september 2013, p. 8.
2 ‘De Onderwijsraad is een onafhankelijk adviescollege, opgericht in 1919. De raad adviseert de regering en de Kamer, gevraagd en ongevraagd, over hoofdlijnen van beleid en wetgeving op het gebied van het onderwijs’. Bron: Onderwijsraad.nl
3 Advies (concept)wetsvoorsel TBO-maatregel d.d. 19 juni 2014, Onderwijsraad.nl (zoek op: Advies TBO-maatregel).
4 G.P. Hoekendijk & M.M. Kommer, ‘Strafdoelen en tenuitvoerlegging: perspectief op een nieuwe verenigingstheorie?’ in: Sancties: Tijdschrift over straffen en maatregelen 2011, p. 212 e.v.
5 P. Westerman, Recht als raadsel: Een inleiding in de rechtsfilosofie, Zutphen: Uitgeverij Parijs 2013, p. 251.
6 Ibid, p. 263.
7 Consultatieversie wetsvoorstel TBO-maatregel d.d. 15 september 2013, p. 13.
8 Consultatieversie wetsvoorstel TBO-maatregel d.d. 15 september 2013, p. 9.
9 Consultatieversie wetsvoorstel TBO-maatregel d.d. 15 september 2013, p. 10 & 12.
10 A.A. Van Dijk, Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen, Apeldoorn: Maklu 2008, p. 90.
11 Ibid, p. 91.


  • -

Een dag in het leven van een strafrechtadvocaat M.R.M. Schaap

Maaike Baan en Madelon Zweep

Een dag in het leven van een strafrechtadvocaat M.R.M. Schaap

Het strafrecht is een geliefd vakgebied onder rechtenstudenten. Een baan in de strafrechtadvocatuur lijkt echter niet voor het grijpen te liggen. Voor deze editie van Terecht Gesteld nemen we een kijkje in een dag in het leven van strafrechtadvocaat Maartje Schaap om erachter te komen dat haar werk inderdaad vol zit met verrassingen en uitdagingen.

Over Maartje Schaap
Maartje Schaap is strafrechtadvocaat bij De Haan Advocaten & Notarissen te Groningen. In 1999 begon zij aan de rechtenstudie in Groningen waar ze de specialisaties privaat- en strafrecht succesvol afrondde. Vanwege het gebrek aan praktische onderdelen koos Maartje ervoor om de togamaster te volgen. Zij dacht feeling te hebben met het togaberoep en achteraf bleek dit een uitstekende keuze te zijn. Als onderdeel van de master liep Maartje onder andere een half jaar stage bij het Openbaar Ministerie (OM). Daar schreef ze uiteindelijk haar eindscriptie, waarna ze mocht blijven als junior parketsecretaris in Leeuwarden. In die functie deed zij het voorwerk voor de officier van justitie. Dezelfde functie heeft ze daarna nog enige tijd uitgeoefend in Groningen. Maartje miste in dit werk toch het contact met clienten en besloot te solliciteren voor een baan in de strafrechtadvocatuur. Ze kwam in eerste instantie terecht bij een civielrechtelijk kantoor, waar ze haar passie voor het strafrecht slechts gedeeltelijk kon waarmaken. Strafrecht was het rechtsgebied dat Maartje nog altijd erg aansprak en waar zij in verder wilde. Dit kwam onder andere tot uiting toen ze tijdens de beroepsopleiding advocatuur een grote  strafzaak deed. In 2010 kwam ze terecht op het strafrechtkantoor van De Haan, waar ze tot op heden werkzaam is.

De werkdag
Om 8.45 uur hebben we met Maartje afgesproken bij de rechtbank Noord-Nederland locatie Assen. Haar werkdag begint met een zitting in een grote payrollfraudezaak. De fraude speelde zich af in 2010 en is toen ook behandeld in een uitzending van TROS Opgelicht. Van Maartje begrepen wij dat payrollfraude als volgt in zijn werk gaat: een payrollbedrijf ontvangt een aanvraag van bedrijf X om de verloning van diens werknemers op zich te nemen. Er wordt een overeenkomst gesloten, waarna het payrollbedrijf steeds het afgesproken loon uitkeert aan de opgegeven werknemers. Bedrijf X blijft in gebreke met de betaling van de door het payrollbedrijf aan de werknemers voorgeschoten lonen. Dan blijkt dat Bedrijf X geen draaiende onderneming is en de ‘werknemers’slechts zijn ingezet om geld te kunnen witwassen. De client van Maartje is opgegeven als werknemer en verdachte in de eerste zaak die we vandaag gaan bijwonen. Bij de rechtbank aangekomen blijken we niet de enigen te zijn die vandaag een zitting komen bijwonen; er staat een hele schoolklas in de rij om door de beveiligingspoortjes te lopen. Eenmaal binnen nemen we plaats in de hal en al snel zien we een hoogzwangere Maartje binnenlopen. Ze haast zich naar de advocatenkamer en verschijnt al snel weer in de hal, nu in toga. Voor de zitting heeft Maartje nog even de tijd om ons bij te praten. Haar client is niet aanwezig omdat hij in voorlopige hechtenis zit in een andere zaak. De zaak wordt omgeroepen en wij nemen als publiek plaats in een aparte ruimte achter een glasplaat. Naast de client van Maartje zijn er nog drie verdachten in deze strafzaak, die wel zijn verschenen en worden bijgestaan door hun advocaten. De voorzitter neemt eerst met de aanwezige verdachten het tenlastegelegde door en stelt hen kritische vragen. De drie aanwezige verdachten vertellen ongeveer hetzelfde verhaal: zij kregen in 2010 een telefoontje van een onbekend persoon. Er werd hen verteld dat er een administratieve fout was gemaakt, waardoor zij geld van een payrollbedrijf op hun rekening zouden ontvangen. Verzocht werd om dit geld over te boeken naar een andere rekening. Dit hadden de drie aanwezige verdachten ook gedaan. De client van Maartje heeft echter het geld niet overgeboekt, maar zelf opgemaakt. Na een korte pauze worden de persoonlijke omstandigheden van de verdachten besproken. Maartje vertelt over de persoonlijke situatie van haar client en vraagt de rechtbank daarmee rekening te houden. Hierna krijgen alle advocaten de gelegenheid om te pleiten. Onderling hebben ze afgesproken dat Maartje als eerste het woord doet. Met krachtige stem en in heldere bewoordingen levert ze kritiek op de tenlastelegging van de officier van justitie. De andere advocaten sluiten zich in hun pleidooien bij haar standpunt aan. De zitting wordt gesloten en over twee weken wordt uitspraak gedaan.

Na deze zaak blijven we in Assen en vertelt Maartje ons over de politierechterzitting waar we straks naar toe gaan. Haar client is een jongeman die verdacht wordt van bedreiging van Geert  Wilders via de computer. We krijgen te horen dat een andere zitting blijkt uit te lopen: een voor Maartje veelvoorkomende ergernis. Rechters kunnen het vaak niet voor elkaar krijgen om zich aan de dagelijkse agenda te houden, wat begrijpelijk is gezien de vele zaken per dag. Er worden vaak meerdere zittingen op hetzelfde tijdstip gepland omdat verdachten vaak niet verschijnen of omdat ze verschijnen zonder advocaat. Toen Maartje zich meldde bij de bodebalie werd het uitlopen van de agenda haar niet gemeld. Door de uitloop missen we het hoger beroep in Leeuwarden dat dezelfde middag dient. Maartje geeft aan dat je je als advocaat altijd moet kunnen aanpassen, zo ook nu. Ze belt naar kantoor om een collega te vragen of hij naar Leeuwarden kan om de zaak van haar over te nemen. Als strafrechtadvocaat moet je je op dit vlak erg flexibel kunnen opstellen. Maartje vertelt dat dit in het begin niet altijd even leuk was, maar dat je na verloop van tijd leert om op zulke situaties te anticiperen.

De tweede zaak van de dag betreft dus een leerling tegen wie aangifte is gedaan door Geert Wilders vanwege bedreiging. In de tenlastelegging is opgenomen dat het ging om bedreiging gezamenlijk en in vereniging. Primair voert Maartje als verweer dat er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Het was onduidelijk wie wat had gedaan in het geheel. Bovendien voert Maartje aan dat het de vraag is of er wel gesproken kan worden van bedreiging. Hiervoor moet er een concrete aankondiging zijn met de daadwerkelijke verwachting de bedreiging zich kan verwezenlijken. Als de rechter

vervolgens uitspraak doet wordt er helaas niet ingegaan op de jurisprudentie die Maartje had aangevoerd. Maartje geeft aan dat dit vaker voorkomt bij de politierechter. Uiteindelijk spreekt de rechter de client van Maartje vrij omdat er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. De zittingsdag werd op deze manier toch nog goed afgesloten.

 De Turfsingel
De rest van de dag brengt Maartje door op kantoor. We rijden met haar mee naar een pandje aan de  Turfsingel, dat uitkijkt op de gracht en op een steenworp afstand ligt van de rechtbank. Dat laatste is erg handig, want een dag met meerdere zittingen is voor een strafrechtadvocaat geen uitzondering. Het kantoor aan de Turfsingel is een vestiging van De Haan die zich uitsluitend bezighoudt met strafrecht. Het pand ademt de sfeer uit van een woonhuis. Er is zelfs een tuintje dat gedeeld wordt met de pizzeria ernaast. Bij binnenkomst is er een balie waar clienten of andere mensen met vragen zich kunnen melden. Het gebeurt vaak dat mensen even langs komen om een vraag te stellen of papieren af te geven, wat zorgt voor een levendige sfeer op kantoor.

We gaan naar Maartje haar kamer op de tweede verdieping. Het is een lichte ruimte met een balkonnetje en opvallend veel schaapjes ter decoratie. Bij haar bureau ligt een artikel uit het Dagblad van het Noorden over een man uit Beilen die door de burgemeester uit zijn woning werd gezet nadat daar 42   hennepplantjes waren aangetroffen. Maartje vertelt dat zij werkt aan de zaak van het krantenartikel. Haar client werdin de strafzaak vrijgesproken, maar werd alsnog voor drie maanden zijn huis uitgezet door de burgemeester. Tegen die beslissing maakte Maartje namens haar client bezwaar. Maartje staat als strafrechtadvocaat vrij regelmatig voor de bestuursrechter. Zo doet ze geregeld zaken tegen het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), bijvoorbeeld inzake de oplegging van een alcoholslotprogramma. Ze vertelt over een zaak van een 23-jarige vrachtwagenchauffeur aan wie een alcoholslot werd opgelegd. Ook in dit geval werd haar client vrijgesproken in de strafzaak voor rijden onder invloed, omdat uit het proces-verbaal niet bleek dat een blaastest was afgenomen op de manier die het protocol voorschrijft. Daardoor was geen sprake van een geldig onderzoek en ontbrak een betrouwbare metingsuitslag waarop de rechter zijn uitspraak kon baseren. Om die reden heeft Maartje bij de bestuursrechter gevraagd om een herziening van het besluit van het CBR tot het opleggen van het alcoholslotprogramma. De bestuursrechter heeft in principe niets te maken met de uitspraak van de strafrechter. Dat maakt de uitspraak van de bestuursrechter lastig te voorspellen.

Ongeveer negentig procent van de zaken die Maartje doet is op basis van toevoegingen. Dat betekent dat de Raad voor de Rechtsbijstand voor de client een groot gedeelte van de kosten voor de advocaat betaalt (1). Afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de client wordt aan de hand van een puntensysteem een eigen bijdrage berekend. In haar werk heeft Maartje veel te maken met de politie, onder andere met betrekking tot het bezoeken en verhoren van clienten. Ook is er contact met reclassering, die informatie geeft over de achtergronden van clienten. Daarnaast zijn er behandelende en begeleidende instanties voor clienten waarmee je als strafrechtadvocaat in contact staat. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan verslavingszorg en begeleiding in werk en dienstverlening.

 Er zijn in Groningen weinig kantoren die alleen gespecialiseerd zijn in het strafrecht. De werkgelegenheid gespecificeerd tot het strafrecht is in het westen van het land een stuk groter dan in het noorden. Maartje benadrukt echter dat als je iets wilt, je ervoor moet gaan. Als je besluit om voor het strafrecht te kiezen dan moet je het niet als vervelend

ervaren om je flexibel te kunnen opstellen qua tijd en om zaken van collega’s over te nemen met een korte

voorbereidingstijd. Daarnaast moet je ook als persoon kunnen levelen met de clienten; je moet je kunnen inleven in degene die je als advocaat bijstaat. Er vallen in het strafrecht soms bijzondere figuren binnen met de vraag of ze kunnen worden bijgestaan. Hiermee moet je wel kunnen omgaan.

Op het strafrechtkantoor van De Haan zijn zes advocaten werkzaam. Het werk zelf is vrij individualistisch; ieder draait nu eenmaal zijn eigen agenda. Iedere week worden de agenda’s naast elkaar gelegd om met elkaar te communiceren en door te nemen hoe de week er uitziet. Het kantoor is strafrecht-minded en Maartje omschrijft de sfeer als relaxed. Kortom; het leven als strafrechtadvocaat is druk maar interessant met elke dag nieuwe uitdagingen en ontwikkelingen.

Noot

                                                                                                                                                  

1 Raadpleeg voor meer informatie de website van de Raad voor Rechtsbijstand, www.rvr.org.


  • -

Het adviesrecht: een hoofdrol voor het slachtoffer

Madelon Zweep

Het adviesrecht: een hoofdrol voor het slachtoffer

De invloed van het adviesrecht nader bekeken
Het zwaartepunt van het strafproces lijkt de afgelopen jaren te verschuiven naar het slachtoffer. Het nieuwe wetsvoorstel van staatssecretaris Fred Teeven doet hier een schepje bovenop. Het heeft betrekking op een aanvulling van het huidige spreekrecht voor slachtoffers; het adviesrecht. Op dit moment mogen slachtoffers en nabestaanden de rechter op de hoogte stellen van de gevolgen die het misdrijf voor hen persoonlijk heeft. Met de uitbreiding van het spreekrecht kunnen slachtoffers zich ook uitlaten over de beslissingen in strafzaken. Hierbij moet worden gedacht aan uitlatingen betreffende het bewijs, de schuld van de verdachte en de hoogte van de straf. Mocht dit wetsvoorstel groen licht krijgen dan zal dit van grote invloed zijn op de structuur van het strafproces. Er laait een interessante discussie op tussen politiek en juridisch Nederland; heeft het slachtoffer recht op meer bevoegdheden in de rechtszaal? Of krijgt hij hiermee een te grote rol binnen het strafproces?

Het spreekrecht
De eerste stap naar meer rechten voor het slachtoffer vormde de invoering van het spreekrecht in 2005. Slachtoffers en nabestaanden kunnen naar voren brengen welke persoonlijke gevolgen het delict voor hen teweeg heeft gebracht. Zij mogen dit als er sprake is van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van acht jaar of langer staat. Na 2005 is de kring van spreekgerechtigden gewijzigd, nu het slachtoffer niet altijd zelf in staat is om van het spreekrecht gebruik te maken.

Naast deze mogelijkheid is er de zogenaamde schriftelijke slachtofferverklaring. In deze verklaring worden de persoonlijke gevolgen voor het slachtoffer opgenomen waarna deze wordt toegevoegd aan het strafdossier. Slachtoffers kunnen zo zelf bepalen wat zij het prettigst vinden. Wanneer zij liever niet in de rechtszaal willen spreken kunnen zij terugvallen op een dergelijke verklaring.

Het spreekrecht is besproken in het evaluatierapport: ‘Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers?’. Hieruit volgt dat slachtoffers niet vaak gebruik maken van het spreekrecht. Zoals eerder genoemd ziet het huidige spreekrecht slechts op de uitlatingen over de persoonlijke gevolgen voor het slachtoffer. Veel slachtoffers zien graag dat dit wordt uitgebreid, zodat zij zich ook mogen uitlaten omtrent onder andere de strafmaat. Ook volgt uit dit rapport dat rechters het in de praktijk toelaten als een slachtoffer zich toch uitspreekt over een, volgens hem passende straf. Teeven komt de slachtoffers met het nieuwe wetsvoorstel tegemoet, door hen deze bevoegdheid uitdrukkelijk toe te kennen.

Het adviesrecht zal ervoor zorgen dat slachtoffers zich onder andere mogen uitspreken over het bewijs, de hoogte van de straf en de schuld van de verdachte. Daarnaast is een belangrijke verandering dat slachtoffers tevens ondervraagd mogen worden door de verdachte als zijnde getuige. Als het slachtoffer een belastende verklaring ten laste van de verdachte geeft, mag de verdachte deze betwisten. Onder het huidige spreekrecht kan het slachtoffer een verklaring zonder nadere ondervraging toelichten.

Het adviesrecht wordt bekritiseerd door degenen die met de juridische praktijk te maken hebben. Volgens rechtbankverslaggever Chris Klomp draait een rechtszaak om de verhouding tussen de verdachte en het openbaar ministerie. Hij stelt dat je niet in de beginfase van het strafproces kunt toelaten dat een slachtoffer spreekt over de op te leggen straf. Dit omdat deze beginfase juist het onderdeel vormt waarin je moet kijken naar het wel of niet schuldig zijn van de verdachte, een vaststelling die normaal wordt verricht door de rechter. Wel vindt Klomp dat er ruimte moet zijn voor slachtoffers om hun emoties naar voren te kunnen brengen. Volgens hem moeten we in het achterhoofd houden dat een rechtszaak draait om rechtvaardigheid.

Rechtbankverslaggever Rob Zijlstra deelt deze mening. Hij geeft aan dat het adviesrecht schuurt met het uitgangspunt dat de verdachte onschuldig is tot de rechter hem schuldig verklaart. Slachtoffers mogen zich uitspreken over de strafmaat en de schuld van de verdachte, terwijl de schuld nog niet door de rechter is vastgesteld.

Secundaire victimisatie
Met het adviesrecht kunnen verdachten de slachtoffers als getuigen ondervragen als er een belastende verklaring wordt afgelegd. Dit is anders dan in het huidige spreekrecht, waarin slachtoffers en nabestaanden hun verhaal zonder ondervraging kunnen doen. Deze verandering brengt mee dat er vrees bestaat voor secundaire victimisatie. Advocaten van de verdachten zullen zich, wanneer de belangen van zijn of haar cliënt in het spel zijn, niet inhouden tegen over het slachtoffer. Er kan immers worden aangenomen dat het gros van de slachtoffers geen juridische kennis heeft. Als zij geen relevante feiten naar voren brengen zullen advocaten van verdachten hier fel tegen in gaan. Het lijkt erop dat er dan een discussie tussen het slachtoffer en de verdachte plaats gaat vinden.

Aan de andere kant kunnen slachtoffers juist de behoefte hebben om te spreken. VVD lid Ard van der Steur stelt zich in het programma ‘Debat op Twee’ op het standpunt dat juist op dit moment het slachtoffer opnieuw slachtoffer wordt omdat hij weinig te zeggen heeft. Hij wordt in feite beperkt in zijn rechten. Hij geeft aan dat het voor het slachtoffer wellicht een volwaardig gevoel geeft om zich uit te mogen laten over de strafmaat, ongeacht of de rechter gehoor geeft aan de gedane uitspraken.

Niet vergeten moet worden dat slachtoffers een bevoegdheid krijgen toegekend. Zij hebben geen verplichting om van het spreekrecht of komende adviesrecht gebruik te maken. Slachtoffers zijn op deze manier zelf in staat te bepalen of zij de behoefte hebben om de verdachte toe te spreken. Zij kunnen hierin met hulp van Slachtofferhulp Nederland een weloverwogen keuze maken. Voordat slachtoffers van hun rechten gebruik maken worden zij op het proces voorbereid en vergaren daardoor al enige kennis omtrent het feit waar zij uitspraken over mogen doen. Veelal nemen slachtoffers ook zelf het initiatief door zich in te lezen in de relevante feiten van de zaak.

Vrees voor het meewegen van emotie
Een ander punt van kritiek op de uitbreiding van het spreekrecht is het in gevaar brengen van de objectieve blik van het OM. Het is niet verwonderlijk dat slachtoffers zich laten leiden door hun emoties als zij tegenover de verdachte staan. Onder andere strafrechter van der Schepop geeft haar visie over dit punt in het programma ‘Debat op Twee’. Zij geeft aan dat ze slachtoffers de ruimte geeft om in de rechtszaal te spreken. Ze vindt het belangrijk om te horen wat er omgaat in het slachtoffer. Tegelijkertijd zegt ook zij, in overeenstemming met Rob Zijlstra, dat we wel als uitgangspunt moeten nemen dat de dader nog niet direct dader is, maar slechts verdachte totdat deze door de rechter schuldig is verklaard.

De vraag of van der Schepop zich laat beïnvloeden door een slachtofferverklaring beantwoordt ze negatief. Wel meent ze dat door een verruiming van het spreekrecht het slachtoffer valse hoop wordt gegeven. Voor het slachtoffer wordt de verwachting geschapen dat de rechter gehoor zal geven aan de uitgesproken emoties. Van der Schepop noemt dit het vertalen van emotie in een straf. Mocht de straf die door de rechter wordt opgelegd lager uitvallen dan die naar mening van het slachtoffer had moeten zijn, dan kan dit uitvallen in een teleurstelling.

Als laatste maakt zij in de praktijk veel gevallen mee waarin slachtoffers zich ook nu uitlaten over de strafmaat en daarmee de grenzen van het spreekrecht overschrijden. Door rechters wordt hier over het algemeen vrij soepel mee omgegaan en wordt er dan ook ruimte voor gegeven. Soms ook wordt het slachtoffer wel op de vingers getikt. De ene rechter is natuurlijk de andere niet. Dit stemt overeen met de uitkomst van het eerder besproken evaluatierapport betreffende het spreekrecht.

Tweefasenproces
Het strafproces is op dit moment opgedeeld in een fase van informatievergaring en van informatiewaardering. Het slachtoffer spreekt zich uit over de persoonlijke gevolgen die het delict op hem of haar heeft gehad, terwijl de rechter de schuld der verdachte nog niet heeft vastgesteld.

Het tweefasenproces houdt zodoende in dat in de eerste fase de schuld van de verdachte aan de orde zal zijn. In de tweede fase wordt vervolgens de mogelijkheid aan het slachtoffer gegeven om gebruik te maken van het spreek- en adviesrecht. Het adviesrecht wordt zodoende ingepast na het requisitoir van de officier van justitie. Wordt hiertoe besloten dan zal de verdachte langer als onschuldige worden behandeld. Als men te maken heeft met een ontkennende verdachte is het niet gunstig dat het slachtoffer wel reeds spreekt over de persoonlijke gevolgen voor hem of haar. Dit argument pleit voor invoering van een tweefasenproces.

Echter is het onwaarschijnlijk om een tweefasen proces in te voeren als we kijken naar bijvoorbeeld de vervangbaarheid van rechters. Er wordt namelijk veel waarde gehecht aan de manier waarop het nu gaat. Dit is de omstandigheid dat het één en dezelfde rechter is die de straf op legt, zij die nu ook beslist over de bewijsvraag. Wanneer de rechters die de schuld van de verdachte hebben vastgesteld niet vervangbaar zijn, is het ook niet logisch om een dergelijke vernieuwing door te voeren.

Een oplossing is dat rechters zelf beslissen of zij van het tweefasenproces gebruik willen maken. Men bedenke hier dat het gevaar van rechtsonzekerheid op de loer ligt.

Slotsom

De voorgenomen uitbreiding van het spreekrecht blijkt aan vele bezwaren onderhevig. De angst voor het afbranden van het slachtoffer, het in geding zijn der onschuldpresumptie en een langere tijdsduur van het strafproces. Voor slachtoffers brengt de uitbreiding meer ruimte om de verdachte schuldig te verklaren, alvorens de rechter hierover een uitspraak heeft gedaan. Het is begrijpelijk dat slachtoffers ook hun zegje willen doen in de rechtszaal, maar een beperking is hier op zijn plaats. Slachtoffers hebben doorgaans nu eenmaal niet de kennis die de juridische praktijk vergt. De vraag is of je jezelf als slachtoffer zijnde zodanig in het juridisch getouwtrek wilt mengen. Advocaten van verdachten staan immers in voor de belangen van hun cliënt en zullen hier een grote waarde aan hechten. Dit is in het bijzonder het geval als er door het slachtoffer een belastende verklaring over de verdachte wordt afgelegd.

Natuurlijk bestaat er geen verplichting om van het spreekrecht gebruik te maken. Het slachtoffer kan zelf afwegen of het gebrek aan juridische kennis een bezwaar vormt om van het spreekrecht af te zien. Slachtoffers krijgen hulp van de officier van justitie en Slachtofferhulp Nederland, waardoor zij zich op betere wijze kunnen voorbereiden. Daarmee ligt een college strafrecht voor het slachtoffer in het verschiet.

Een opsplitsing in een tweefasenproces blijkt niet erg populair en is dan ook geen noodzakelijke voorwaarde voor invoering van het adviesrecht. Dit zal slechts leiden tot een onwenselijk gevolg, namelijk het overhoop gooien van de structuur van het strafproces.

Noten

1 MvT: Wetsvoorstel ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces, paragraaf 1.

2 Lens, K., Pemberton, A., Groenhuijsen, M. (2010), Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers?, Tilburg: intervict.

3 Debat op 2; het slachtoffer centraal <http://debatop2.incontxt.nl/seizoenen/3/afleveringen/27-02-2013>

4 Zijlstra, R. Slachtoffer wordt adviseur, de verdachte vogelvrij. Dagblad van het Noorden

5 MvT: Wetsvoorstel ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces, paragraaf 3.

6 Keulen, B.F., Dijk, A.A. van. (red.) (2013), Naar een tweefasenproces?, Groningen: Rijksuniversiteit Groningen- Faculteit der Rechtsgeleerdheid, p. 12.


  • 0

Acht Cola, Acht Bier

Acht Cola, Acht Bier
Een onderzoek naar de ontwikkelingen in de rechtspraak omtrent de afkorting “A.C.A.B.” als belediging van een politieambtenaar.  

Door: Eveline van der Slikke

Originaliteit kan lonen, ook in de rechtszaal. In ieder geval kan een onverwacht argument tot een discussie leiden waar je als verdachte bij bent gebaat. Zo voerde een verdachte in zijn zaak aan dat de door hem getoonde afkorting “A.C.A.B.” hem hielp bij een grote bestelling van “Acht Cola, Acht Bier”. De agent die echter een andere betekenis toeschreef aan de afkorting, namelijk “All Cops Are Bastards” voelde zich beledigd en maakte een proces-verbaal op. Deze situatie heeft geleid tot een interessante discussie omtrent het delict belediging. In dit artikel bespreek ik naast het delict eenvoudige belediging, de lijn die zich in de rechtspraak heeft ontwikkeld ten aanzien van belediging door middel van de afkorting A.C.A.B.

In een aantal strafzaken kwam het tot de discussie over de betekenis van de afkorting A.C.A.B. De uitkomst van de discussie was hierbij van belang voor de strafbaarheid van de uitlating als belediging. Echter, in een zaak die zich afspeelde voor de Rechtbank Utrecht waren zowel de politieagent als de verdachte op de hoogte van de werkelijke betekenis van de afkorting en beiden verklaarden dat die betekenis beledigend is.[1] De verdachte had de afkorting rond zijn navel laten tatoeëren. Ten overstaande van de agent trok hij zijn shirt omhoog en hij wees naar de tatoeage terwijl hij de agent recht aankeek. De verdachte had de tatoeage laten zetten om de betekenis van de afkorting. Of sprake is van belediging stond hier dus niet ter discussie, immers beide partijen waren van mening dat er sprake was van belediging. Tot een bewijsvraag heeft deze Utrechtse kwestie dus niet geleid. In de zaken die in dit artikel worden besproken, werd echter wel betwist wat de betekenis is van de afkorting A.C.A.B. en hierin speelt de bewijsvraag een significante rol.

Uitingsdelicten
Belediging is een uitingsdelict en opgenomen in titel 16 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In art. 266 Sr staat de eenvoudige belediging omschreven. Door de negatieve formulering is de bepaling enigszins vaag. Het enige dat concreet staat omschreven is dat een belediging niet het karakter van smaad of smaadschrift heeft. Van smaad is volgens art. 261 Sr sprake wanneer er een bepaald feit tegen het slachtoffer in het openbaar tegen het slachtoffer wordt gebruikt, oftewel het zwartmaken van iemand anders. Smaadschrift is hetzelfde, alleen is de uitingsvorm via het publiceren van tekst of afbeeldingen. Een ander uitingsdelict is laster (art. 262 Sr). Het verschil met de andere uitingsdelicten is dat het bij laster feiten betreft waarvan degene die ze openbaart, weet dat ze níet waar zijn.

Belediging
De term belediging op zich wordt in de wet niet nader uitgewerkt. De delictsomschrijving bevat wel een aantal bestanddelen, dat eisen stelt aan de belediging. Allereerst vereist belediging een vorm van openbaring. Dit kan direct tegen de persoon zijn; mondeling of door feitelijkheden. Bij feitelijkheden kun je denken aan het opsteken van een middelvinger. Een belediging kan ook in het openbaar plaatsvinden; mondeling, bij geschrift of door een afbeelding. Als laatste kan ook een toegezonden of aangeboden afbeelding of het geschrift een vorm van openbaring zijn. De term geschrift wordt daarbij zo uitgelegd dat ook een afkorting daar onder valt, het betreft immers lettertekens met een betekenis. In de A.C.A.B.-zaken die voor de rechter zijn gekomen, stond de afkorting bijvoorbeeld op een jas en als tatoeage rond de navel van verdachte.[2]Het feit dat de letters niet op papier zijn gezet doet daaraan niet af, de term geschrift moet ruim worden opgevat.[3]Op deze manier kan de afkorting A.C.A.B. als een openbaring van een belediging worden opgevat.

Belediging van een ambtenaar in functie
Het delict waar het om gaat in de A.C.A.B.-zaken, is specifiek geformuleerd in art. 267 lid 2 Sr. belediging van een ambtenaar in functie. Hieronder valt de politieagent in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, kortom de agent die dienst heeft. Het feit dat de belediging wordt gebezigd ten overstaande van een politieagent geldt als strafverzwarende omstandigheid en is geobjectiveerd. Om die reden hoeft de opzet op het beledigen van uitgerekend een politieambtenaar niet aangetoond te worden.

Opzet
Van belediging is pas sprake als opzet is aangetoond. Volgens de memorie van toelichting bij art. 266 Sr moet het opzet zien op de belediging zelf, maar ook op de openbaarheid van de belediging. Het opzetvereiste in de bepaling van art. 266 Sr. is lange tijd geleden door de Hoge Raad uitgelegd. Er is al sprake van opzet wanneer de verdachte zich voldoende bewust is van het beledigende karakter van de uitlating.[4]
Een verweer ten aanzien van het opzetvereiste heeft daarom niet snel kans van slagen. In de al eerder aangehaalde strafzaak die zich afspeelde voor de rechtbank Utrecht, is door verdachte betoogd dat de afkorting stond voor ‘Acht Cola, Acht Bier’.[5] Dit zou een legitiem argument kunnen zijn, ware het niet dat uit zijn verklaringen bleek dat hij wel degelijk op de hoogte was dat de afkorting ook voor ‘All Cops Are Bastards’ stond. Ontbreken van opzet werd dan ook niet aangenomen.

Beledigend karakter
Een zeer wezenlijk onderdeel van de eenvoudige belediging is het beledigend karakter van de uitlating. Dit lijkt een behoorlijk subjectief en onduidelijk vereiste; wanneer kan iets als beledigend worden aangemerkt? Het rechtsgoed van de bepaling van art. 266 Sr is de ‘uiterlijk waarneembare morele integriteit’. De rechtspraak heeft het ‘beledigend karakter’ een kader gegeven en naar aanleiding daarvan valt er onderscheid te maken tussen vier typen van uitlatingen met een beledigend karakter.[6]In de eerste plaats hebben scheldwoorden in beginsel een beledigend karakter, zeker wanneer er sprake is van een zekere minachting ten opzichte van de persoon waar de uitlating tot gericht is. Daarnaast bestaat er een type van belediging waarbij zonder daadwerkelijk gebezigd scheldwoord een beledigend karakter kan uitgaan van beweringen en uitlatingen die in een bepaalde context naar voren worden gebracht. Deze vorm van belediging zie je vaak terug wanneer het gaat om een feit als in art. 137c Sr, belediging van een groep mensen wegens hun ras, godsdienst, levensbeschouwing of seksuele gerichtheid. De derde categorie wordt gekenmerkt door het soort uitlatingen die niet in de sfeer van beschuldiging ligt, maar die een vermeende en als negatief beschouwde karaktertrek van de benadeelde benadrukt. Als laatste kan het type uitlating worden genoemd waarin de gedragingen of denkbeelden van de ander worden bekritiseerd. Dat wil niet zeggen dat elke negatieve beoordeling als belediging is aan te merken, dit zou ook teveel inbreuk maken op de vrijheid van meningsuiting. Meer algemeen kan worden gezegd dat van degene die de uitlating doet een minachting moet uitgaan richting het slachtoffer.
De rechter kan uiteindelijk aan de hand van twee methoden oordelen of er sprake is van een uitlating met een beledigend karakter. Zo blijkt in eerste instantie uit het ‘Kraai-arrest’ een abstracte toetsing waarbij de rechter beoordeelt of de uitlating los van de omstandigheden van het geval een beledigend karakter heeft.[7]De rechter weegt echter steeds vaker de gehele context mee waarin de uitlating is gedaan.[8] Bij deze toetsing is het ook van belang of de dader de kennelijke bedoeling had om te beledigen en of de bedoeling van de dader ook naar buiten kenbaar is.[9]
Of de afkorting A.C.A.B. een beledigend karakter heeft, is betwist door de raadsman van verdachte in de zaak HR 11 januari 2011, NJ 2011/116. De raadsman voert aan dat de betekenis van de afkorting niet vaststaat. Met name omdat het een afkorting van een uitdrukking in de Engelse taal is, is het maar de vraag of het in het Nederlands taalgebruik ook als beledigend kan worden aangemerkt. De zuivere vertaling van ‘bastard’ in het Nederlandse ‘bastaard’ is niet zodanig beledigend aangezien bastaard staat voor ‘onwettig kind’. De Engelse uitdrukking strekt er meer toe iemand uit te maken voor schelm, deugniet; geen ernstige aantijging en niet per definitie een belediging.

Belediging ten aanzien van een politieambtenaar; beroepsrisico?
Een politieagent staat beroepshalve vaker bloot aan agressiviteit en is hier ook voor opgeleid. Betekent dit dat er minder snel sprake kan zijn van belediging? Hier heeft de Hoge Raad zich ook over uitgelaten, naar aanleiding van een arrest van het Hof Leeuwarden. Het betrof een situatie waarin politieagenten door een dronken Groningse studente werden uitgemaakt voor “sukkels, losers, klootzakken en kankerlijers”, woorden die op zichzelf beledigend kunnen zijn. Het Hof oordeelde dat van politieambtenaren echter een zeker incasseringsvermogen mag worden verwacht. De woorden kunnen wel beledigend worden geacht, maar het Hof vond in deze situatie dat de uitlating niet strafbaar was omdat de politie tegen een stootje moet kunnen.[10] De Hoge Raad oordeelde inderdaad dat sprake was van een beledigend karakter, maar voorts: “De opvatting van het Hof dat van politieagenten een zeker incasseringsvermogen mag worden verwacht vindt echter geen steun in het recht”.[11] Een politieambtenaar mag derhalve niet zomaar voor rotte vis worden uitgemaakt.

Feit van algemene bekendheid
De meest interessante discussie in de A.C.A.B.-zaken gaat echter niet over de inhoud van het bewijs ten aanzien van het beledigend karakter. De nadruk ligt op de vraag of er überhaupt bewijs moet worden opgevoerd, of dat er sprake is van een feit van algemene bekendheid als bedoeld in art. 339 lid 2 Sv. Een dergelijk feit behoeft namelijk geen bewijs. Het Hof heeft geoordeeld dat de betekenis van de afkorting een feit van algemene bekendheid is.[12]Frappant aan dit oordeel is, dat het Hof in eerste instantie zelf niet op de hoogte was van de betekenis van de afkorting. Het Hof heeft de term ‘gegoogeld’ en aan de hand van het behoorlijke aantal hits, deed het Hof de term als algemeen bekend af en verdachte werd veroordeeld.

In een klein onderzoekje dat ik in mijn eigen omgeving heb uitgevoerd blijkt dat men lang niet altijd op de hoogte is van de originele betekenis van de afkorting A.C.A.B. Van de 31 mensen die gereageerd hadden op de vraag ‘Weet je wat er bedoeld wordt met “A.C.A.B.”?’ antwoordden 18 mensen met ‘Ja, dat is me wel bekend’; 12 mensen met ‘Nee, geen enkel idee’ en 1 persoon met ‘Het komt me wel bekend voor, maar wat het ook alweer betekent?’. Slechts een kleine meerderheid die op de hoogte is van de betekenis van de afkorting. Hierdoor wordt voorzichtig bevestigd dat de algemene bekendheid van de betekenis van A.C.A.B.valt te betwisten.

De ‘googelende’ rechter
De Hoge Raad keurt de motivering van het Hof af.[13] Doordat het googelen in de raadkamer had plaatsgevonden, heeft het Hof in strijd gehandeld met het principe dat al het relevante bewijs op de zitting moet worden besproken, en partijen moeten hierop kunnen reageren. Het Hof heeft dus niet zonder meer de algemene bekendheid van de betekenis van de afkorting ACAB mogen aannemen.

Daarnaast heeft de Hoge Raad ook commentaar op de inhoud van de motivering. Het Hof was bij het googelen uitgegaan van het aantal hits naar aanleiding van de combinatie van zoektermen ‘A.C.A.B.’ en ‘cops’. Deze zoekactie leverde circa 190.000 hits op, maar dit was het resultaat wereldwijd. Als de zoekopdracht was beperkt tot de pagina’s geschreven in het Nederlands, was het aantal hits significant lager. De Hoge Raad oordeelt hierover dat het in het geschil moet gaan om een feit dat in Nederland van algemene bekendheid is. Het aantal treffers bij andere, anderstalige websites is daarbij niet zonder meer redengevend, zeker niet zonder te verduidelijken op welke of wat voor soort internetsites die treffers betrekking hebben. Ook is van belang dat het gaat om algemene bekendheid ten tijde van het ten laste gelegde feit. Toevoegen van de datum van het delict aan de zoekopdracht leverde nog minder resultaten op. Op dit moment zou dat anders kunnen liggen, immers door alle media-aandacht voor de ACAB-zaken, is inmiddels breder bekend waar de afkorting werkelijk voor staat.

Nieuwe beoordeling
Het Hof moet opnieuw over de zaak oordelen met het commentaar van de Hoge Raad in het achterhoofd. Het Hof buigt zich over de vraag of het tonen van de lettercombinatie als belediging kan worden aangemerkt. In antwoord hierop stelt het Hof dat de lettercombinatie als zodanig geen beledigend karakter heeft aangezien het geen bestaand woord vormt.
Een lettercombinatie die een afkorting inhoudt, met name een afkorting van woorden die een belediging zijn, kan wel een beledigend karakter hebben. De politieagent die in deze zaak de aangever is, heeft zijn stelling dat hij beledigd is niet voldoende onderbouwd. De omstandigheid dat de betekenis van de afkorting een feit van algemene bekendheid is, is niet voldoende vast komen te staan. Het bewijs is om die reden niet rond en verdachte wordt vrijgesproken.[14]

A.C.A.B.: strafbaar of niet?
Uit de besproken jurisprudentie is gebleken dat de letters A.C.A.B. een beledigend karakter kan hebben, aangezien het een afkorting is van woorden die in hun verband wel een beledigend karakter kan hebben. Het is dus zeer waarschijnlijk dat een veroordeling voor belediging kan volgen, wanneer een persoon wordt vervolgd voor het tonen van deze afkorting, in welke vorm dan ook, aan een politieambtenaar. Wel moet het opzet op zowel de belediging als op de openbaring daarvan worden bewezen. De crux van de in dit artikel besproken rechtszaken zat echter in de bewijsoverweging en het aannemen van het feit van algemene bekendheid door het Hof. Doordat het Hof in raadkamer heeft gegoogeled heeft zij het vonnis niet voldoende kunnen motiveren.
Een goed argument kan leiden tot discussie in de rechtszaal, immers; A.C.A.B. staat toch voor ‘Always Carry A Bible’ of nog mooier: ‘All Cops Are Beautiful’?!


[1] Rb. Utrecht 22 augustus 2011, LJN BR5832

[2]Rb. Utrecht 22 augustus 2011, LJN BR5832, Hof ’s-Gravenhage 13 mei 2011, NJ 2011/299

[3]Dit mag blijken uit de memorie van toelichting bij art. 225; de valsheid in geschrifte.H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink, 1891 p. 261-22

[4] HR 16 juni 1953, NJ 1953/618

[5]Rb. Utrecht 22 augustus 2011

[6]A.L.J.M. Janssens, Strafbare belediging, diss. Rijksuniversiteit Groningen, Amsterdam: Thela Thesis, 1998 p. 192-210

[7] HR 21 april 1902, W. 7764: ‘Kraai’

[8]A.L.J.M. Janssens, Strafbare belediging, diss. Rijksuniversiteit Groningen, Amsterdam: Thela Thesis, 1998 p. 192-210

[9]HR 21 februari 1995, NJ 1995/452

[10]Hof Leeuwarden, 6 februari 2007, NBSTRAF 2007/307

[11] HR 22 september 2009, LJN: BI562307

[12] Hof ’s-Gravenhage 20 februari 2009, LJN BH3651

[13]HR 11 januari 2011, NJ 2011/116

[14] Hof ’s-Gravenhage, 13 mei 2011, NJ 2011/299


  • 0

Hulp bij zelfdoding: van barmhartigheid naar zelfbeschikking?

Tekst Nikki Wilmink & Pauline Lindeman

Het is niet iedereen gegeven om op 99-jarige leeftijd de voorpagina’s van nagenoeg alle kranten en de belangrijkste nieuws- en actualiteitenprogramma’s op de televisie te halen. Het lukte Moek Heringa in februari 2010. Niet omdat ze binnen afzienbare tijd de respectabele leeftijd van 100 jaar zou bereiken, maar juist omdat ze te kennen had gegeven die niet meer te willen halen. Haar wens was niet ingegeven door ziekte of ondraaglijk lijden, maar door het gevoel dat haar leven voltooid was. Haar zoon verschafte haar de middelen en zij overleed. In dit artikel wordt de strafbaarstelling van hulp bij zelfdoding besproken. Daarnaast aandacht voor de actualiteit en rechtspraak over dit onderwerp.  

Actualiteit

De laatste jaren is de roep om opheffing of aanpassing van het verbod op hulp bij zelfdoding toegenomen en wordt in verschillende media veel aandacht aan het onderwerp besteed. Zo ontstond in november 2009 ophef over het feit dat de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (hierna: NVVE) op haar website tips had geplaatst voor zelfdoding door middel van medicatie. In het programma Netwerk was in februari 2010 een indrukwekkende reportage te zien over de genoemde 99-jarige Moek Heringa.[1] Deze vrouw was voor haar leeftijd lichamelijk redelijk in orde, maar had het gevoel dat haar leven voltooid was en wenste niet meer verder te leven. Haar zoon besloot haar te helpen door haar een grote hoeveelheid pillen te verschaffen. Ook werd het burgerinitiatief ‘Voltooid Leven’ gestart. Dit is afkomstig van initiatiefgroep ‘Uit vrije wil’ die onder andere bestaat uit een aantal oud-politici, wetenschappers en juristen. Deze groep wil het mogelijk maken dat aan oude mensen, die hun leven voltooid achten en waardig willen sterven, hulp bij zelfdoding mag worden geboden. Het burgerinitiatief heeft inmiddels al meer dan 100.000 steunbetuigingen ontvangen. De initiatiefgroep heeft in februari van dit jaar een wetsvoorstel, genaamd ‘Wet toetsing stervenshulp aan ouderen’, aan de Tweede Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie aangeboden.[2] Het wachten is op agendering van het burgerinitiatief in de plenaire vergadering van de Tweede Kamer.

De roep om opheffing of aanpassing van het verbod op hulp bij zelfdoding is weliswaar de laatste jaren toegenomen, maar is geen verschijnsel van de laatste jaren. Al vanaf de jaren zeventig kennen we verschillende belangenorganisaties die zich richten op hulp bij zelfdoding. De NVVE, Stichting Vrijwillig Levenseinde (hierna: SVL) en Stichting de Einder zijn allen voorstander van het mogelijk maken van euthanasie en hulp bij zelfdoding voor mensen die ‘lijden aan het leven’.[3]

Hulp bij zelfdoding is strafbaar gesteld in artikel 294 lid 2 Sr. Artsen mogen op grond van deze wet onder bepaalde voorwaarden wel straffeloos hulp bij zelfdoding verlenen. De hierboven genoemde organisaties hebben gemeen dat zij met hun activiteiten de grenzen van het toelaatbare opzoeken onder artikel 294 lid 2 Sr.

Strafbaarstelling van hulp bij zelfdoding

De strafbaarstelling van hulp bij zelfdoding is in 1886 bij de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht ingevoerd. De zelfdoding op zich is nooit strafbaar geweest. De ontwikkeling van artikel 294 Sr blijkt nauw samen te hangen met de ontwikkeling die de strafbaarstelling van euthanasie heeft ondergaan. Er moet echter wel een strikt onderscheid worden gemaakt tussen euthanasie, strafbaar gesteld in artikel 293 Sr, en hulp bij zelfdoding, strafbaar gesteld in artikel 294 lid 2 Sr. Onder het begrip euthanasie wordt verstaan: het opzettelijk levensbeëindigend handelen door een ander dan degene die wenst te overlijden, op diens verzoek. Dit handelen kan ook uit nalaten bestaan. Hulp bij zelfdoding kan omschreven worden als opzettelijk hulp verlenen bij levensbeëindigend handelen door degene die wenst te overlijden zelf, op diens verzoek.[4] Deze hulp kan bijvoorbeeld bestaan uit het verschaffen van een dodelijke hoeveelheid medicatie.

Voor zover kan worden nagegaan heeft artikel 294 Sr tot de jaren zestig van de vorige eeuw nooit tot een behandeling voor de strafrechter geleid. Vanaf de jaren zestig veranderde de Nederlandse samenleving en ontwikkelde het denken over dood en sterven zich snel.[5] In de jaren zeventig en tachtig verschenen een aantal belangrijke rechterlijke uitspraken waarbij sterven op verzoek en hulp bij zelfdoding onder bepaalde voorwaarden door de rechterlijke macht werden aanvaard.[6] Deze voorwaarden hielden in dat de hulp alleen door een arts mag worden geboden, mits hij zich aan bepaalde zorgvuldigheidseisen houdt. Naar aanleiding van deze jurisprudentie werd in de jaren negentig gewerkt aan nieuwe wetgeving met betrekking tot euthanasie en hulp bij zelfdoding. Op 1 april 2002 trad uiteindelijk de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: WTL) in werking. Het huidige artikel 294 lid 2 Sr luidt:

‘Hij die opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam is of hem de middelen daartoe verschaft, wordt, indien de zelfdoding volgt, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie. Artikel 293, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.’

In de laatste zin wordt het tweede lid van artikel 293 Sr van toepassing verklaard. Artikel 293 Sr ziet op de strafbaarstelling van levensbeëindiging op verzoek, ofwel euthanasie. In het tweede lid van dit artikel is een kwalificatie-uitsluitingsgrond opgenomen voor de arts die levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast en daarbij voldoet aan bepaalde zorgvuldigheidseisen[7]:

‘Het in het eerste lid bedoelde feit is niet strafbaar, indien het is begaan door een arts die daarbij voldoet aan de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en hiervan mededeling doet aan de gemeentelijke lijkschouwer overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging.’

De belangrijkste eisen zijn dat er sprake moet zijn van een weloverwogen en vrijwillig verzoek en dat het moet gaan om ‘ondraaglijk en uitzichtloos lijden’. Daarnaast is een tweede oordeel van een onafhankelijke arts vereist.[8]

Bewijs, kwalificatie, strafbaarheid en straf

Zoals hierboven aangegeven, zijn verschillende organisaties op zoek naar de grenzen van het toelaatbare onder artikel 294 lid 2 Sr. In deze paragraaf bespreken we de rechtspraak over dit artikel aan de hand van de vier materiële vragen die door de rechter in een strafzaak beantwoord moeten worden.

Bewijs
De belangrijkste en waarschijnlijk ook lastigste vraag die door de rechter beantwoord moet worden, is wanneer sprake is van behulpzaamheid in de zin van artikel 294 lid 2 Sr. In de zaak Mulder, die in 1995 werd voorgelegd aan de Hoge Raad, ging het om een verdachte die als vertrouwensarts van de NVVE werd ingeschakeld bij een ernstig zieke en suïcidale patiënt.[9] De huisarts van de patiënt wilde ondanks herhaaldelijk verzoek niet meewerken aan euthanasie. Waarschijnlijk vanwege het feit dat de ziekte geen direct dodelijke bedreiging vormde. De patiënt besloot daarom zelf een einde aan zijn leven te maken. Verdachte had duidelijk gemaakt geen euthanasie te willen verlenen, maar was uiteindelijk wel betrokken bij de zelfdoding. De rechtszaak spitste zich toe op de vraag hoe het begrip ‘behulpzaamheid’ moet worden uitgelegd.

De feiten in de zaak waren als volgt. De patiënt heeft zelf medicijnen verzameld en deze met vla gemengd. Na het eten van deze vla, dronk hij zelf aangeschafte jenever. Vervolgens zei verdachte tegen de patiënt dat het tijd was om de, door patiënt zelf klaargelegde, plastic zak over zijn hoofd te doen. De patiënt heeft dit gedaan en overleed. De vraag was of de handeling van verdachte behulpzaamheid bij zelfdoding opleverde. Het Hof stelde voorop dat behulpzaamheid slechts dan strafbaar is, indien deze tijdens de zelfdoding plaatsvindt. Een aantal ten laste gelegde handelingen van de verdachte, voorafgaand aan de zelfdoding, leverde daarom volgens het Hof geen behulpzaamheid op. Vervolgens maakte het Hof onderscheid tussen het bieden van morele steun en het doen van louter informatieve mededelingen, die geen hulp in de zin van artikel 294 Sr opleveren, en het geven van een instructie. Dit laatste was volgens het Hof wel strafbaar. De enkele aanwezigheid van verdachte bij de zelfdoding moest worden opgevat als het bieden van morele steun. In deze zaak had de verdachte, volgens het Hof, echter ook een instructie gegeven door te zeggen dat het tijd was om de plastic zak over het hoofd te doen. Het Hof veroordeelde verdachte uiteindelijk tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand.
Uit het Mulder arrest van de Hoge Raad blijkt dat artikel 294 lid 2 Sr een eigensoortig karakter heeft, en dat er bij het begrip ‘behulpzaamheid’ aansluiting moet worden gezocht bij het algemeen spraakgebruik. Uit de rechtspraak en de parlementaire geschiedenis blijkt dat het bieden van morele steun en het doen van louter informatieve mededelingen geen strafbare hulp bij zelfdoding opleveren.

In de zaak Muns die in 2003 voor de Rechtbank Groningen diende, ging het om zelfmoordconsulent Muns van Stichting de Einder.[10] Betrokkene was een vrouw die zogenoemd ‘levensmoe’ was en bij wie geen sprake was van ondraaglijk en uitzichtloos lijden in de zin van de WTL. De verdachte heeft voor de betrokkene een lijst gemaakt met voor de zelfdoding benodigde zaken en materialen. Verdachte heeft water, biogarde, jam en een glas alcoholische drank klaar gezet. Deze waren bestemd voor het innemen van de voor de zelfdoding benodigde medicijnen. Ook gaf verdachte betrokkene te kennen dat de aanvankelijke hoeveelheid medicijnen niet voldoende was voor de door haar gewenste dood en dat een plastic zak om verstikking te bevorderen noodzakelijk was. Verdachte maakte voor de zelfdoding een elastiek en legde deze om de nek van de betrokkene. Daarnaast legde hij een plastic zak klaar. Verdachte heeft betrokkene vervolgens geholpen met het innemen van de alcoholische drank en hieromtrent een aanwijzing gegeven.

Volgens de rechtbank konden deze actieve, ondersteunende en voorbereidende handelingen voorafgaande aan de zelfdoding ook behulpzaamheid in de zin van artikel 294 lid 2 Sr opleveren. In hoger beroep en cassatie werd de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd. Het is, zo blijkt uit het Muns arrest van de Hoge Raad, niet van belang of de hulp tijdens of voor de zelfdoding plaatsvindt. Of er in een concreet geval sprake is van behulpzaamheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarvan de weging voorbehouden is aan de feitenrechter, aldus de Hoge Raad in de zaak Mulder.[11]

Uit voorgaande en verschillende andere uitspraken blijkt dat strafbare hulp wordt gezien als concrete, op de persoon gerichte aanwijzingen of instructies. Het moet gaan om situaties waarin de hulpverlener een regiefunctie vervult, het proces bewaakt of daarbij initiatieven neemt en in het algemeen actief en sturend optreedt.[12]

Kwalificatie
Bij de volgende vraag die de rechter moet beantwoorden komt de kwalificatie-uitsluitingsgrond uit artikel 294 lid 2 Sr aan de orde. Op grond van deze kwalificatie-uitsluitingsgrond zijn artsen niet strafbaar voor het verlenen van hulp bij zelfdoding als zij zich hebben gehouden aan de eisen uit de WTL. Zoals eerder aangegeven is een belangrijke eis dat sprake moet zijn van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. De Hoge Raad heeft in het Brongersma arrest beslist dat hiervan alleen sprake is als het lijden in overwegende mate voortvloeit uit een geclassificeerde somatische of psychische ziekte of aandoening. [13]  Dit leidt tot de conclusie dat artsen alleen aan personen met geclassificeerd leed straffeloos hulp bij zelfdoding kunnen verlenen en dat artikel 294 Sr niet ziet op enkel ‘lijden aan het leven’.  

Strafbaarheid
Voor niet-artsen geldt de kwalificatie-uitsluitingsgrond uit de WTL niet. Voor hen geldt het verbod op hulp bij zelfdoding dus zonder meer. Wanneer het gedrag van een niet-arts hulp bij zelfdoding oplevert, kan nog wel een beroep worden gedaan op de strafuitsluitingsgronden. De meeste verdachten van hulp bij zelfdoding beroepen zich op de strafuitsluitingsgrond overmacht-noodtoestand. Uit de rechtspraak blijkt echter dat een beroep op deze strafuitsluitingsgrond niet snel zal slagen.[14] Volgens de rechtbank Almelo is er voor de rechter namelijk weinig manoeuvreerruimte, omdat de wetgever de verschillende belangen al heeft afgewogen bij het formuleren van de wet en de kwalificatie-uitsluitingsgrond. Een beroep op overmacht-noodtoestand door een niet-arts kan slechts onder bijzondere omstandigheden succesvol zijn. Volgens de rechtbank moet je hierbij denken aan een situatie waarin door een ramp of oorlog geen arts beschikbaar is. Een arts die weigert euthanasie of hulp bij zelfdoding te verlenen, levert in elk geval geen noodtoestand op voor een niet-arts, hoe schrijnend de situatie ook is.[15]

Straf
De maximale gevangenisstraf die men voor hulp bij zelfdoding kan krijgen is drie jaar. Zelfmoordconsulenten krijgen doorgaans een gevangenisstraf van 10 tot 12 maanden, waarvan in de meeste gevallen acht maanden voorwaardelijk worden opgelegd. De straf in een zaak van hulp bij zelfdoding in de relationele sfeer lag beduidend lager.[16]

Zelfbeschikking

Zoals hierboven aangegeven zet een aantal belangenorganisaties zoals de NVVE, SVL en De Einder zich al jaren in voor een ruimere mogelijkheid tot hulp bij zelfdoding. Zij menen dat het zelfbeschikkingsrecht voorop moet staan en dat er geen ruimte meer is voor het huidige artikel 294 lid 2 Sr.[17]

Het is horizonverruimend om over grenzen te kijken en dat zullen de genoemde organisaties ook hebben gedaan. Ongetwijfeld namen zij kennis van de op het gebied van hulp bij zelfdoding zeer liberale wetgeving in Zwitserland. Artikel 115 van het Zwitserse Wetboek van Strafrecht stelt alleen de zelfzuchtige hulp bij zelfdoding strafbaar. Onzelfzuchtige hulp is niet strafbaar, omdat de zelfdoding op zich ook niet strafbaar is. Hieruit blijkt dat de Zwitserse wetgever veel waarde hecht aan het zelfbeschikkingsrecht.[18] In de Nederlandse wetgeving speelt het zelfbeschikkingsrecht alleen een rol met betrekking tot het essentiële vereiste dat er een verzoek aan de hulp bij zelfdoding vooraf moet gaan. Er bestaat dus een principieel verschil ten aanzien van de rechtvaardigende grond van de regelingen omtrent hulp bij zelfdoding. De Nederlandse rechtspraak is vooral gebaseerd op barmhartigheid en de rol van de arts. De plicht van de arts om het lijden van de patiënt te verzachten is af te leiden uit barmhartigheid en ook de eis van ondraaglijk en uitzichtloos lijden in de WTL vindt zijn grond in barmhartigheid en niet in zelfbeschikking. Vanuit deze achtergrond is in de Nederlandse regeling gekozen voor  een centrale rol voor de arts en is uitsluitend voor deze beroepsgroep een uitzondering gecreëerd om rechtmatig hulp bij zelfdoding te verlenen. Dat geeft aan dat het zelfbeschikkingsrecht niet de rechtvaardigende grond voor de WTL is, maar de barmhartigheid. Zwitserland kent geen voorbehoud met betrekking tot de mensen die de hulp straffeloos mogen verlenen, mits er geen sprake is van zelfzuchtige beweegredenen.

Het is evident dat de twee opvattingen wezenlijk verschillen. In het wetsvoorstel van initiatiefgroep ‘De vrije wil’ (let wel dat het ‘stervenshulp aan ouderen’ van >70 jaar betreft) speelt zelfbeschikking een belangrijke rol. In de memorie van toelichting staat dan ook: ‘Aan de vrije mens komt de ruimte toe zelf te beslissen over zijn leven én zijn sterven. Zelfbeschikking is immers een wezenlijk beginsel van onze beschaving.’[19] Daarnaast gaat het wetsvoorstel uit van een ander perspectief dan het strikt medische, waarmee ook anderen dan artsen (onder voorwaarden) in de gelegenheid worden gesteld deze hulp te verlenen.[20]

Ten slotte

De discussie over hulp bij zelfdoding duurt voort. Uit het voorgaande blijkt dat de Nederlandse wetgeving, zoals vastgelegd in de WTL, gekenmerkt kan worden als een medisch model waarin barmhartigheid en de rol van de arts belangrijke grondslagen zijn. Verschillende belangenorganisaties zetten zich echter in voor wetgeving waarbij de nadruk ligt op het zelfbeschikkingsrecht en waarbij de hulp niet uitsluitend door een arts mag worden geboden. Het wetsvoorstel dat dit jaar door initiatiefgroep ‘De Vrije Wil’ aan de Tweede Kamer is aangeboden, is dan ook eigenlijk niets minder dan een breuk met de grondslagen van de huidige wetgeving. Het is de vraag of de Nederlandse wetgever hier klaar voor is.


[1] Netwerk 8 februari 2010.

[2] www.nvve.nl.

[3] www.svleven.nl; www.deeinder.nl.

[4] H.J.J. Leenen, ‘Euthanasie en hulp bij zelfdoding’, NJB 1982-4, p. 103-106.

[5] D. van Tol, Hulp bij zelfdoding. Medische en juridische problemen, Amsterdam: Elsevier 1985, p. 52-53.

[6] Rb. Leeuwarden 21 februari 1973, NJ 1973, 183; Rb. Rotterdam 1 december 1981, NJ 1982, 63; HR 27 november 1984, NJ 1985, 106; HR 21 juni 1994, NJ 1994, 656.

[7] Kamerstukken II 1998/99, 26 691, nr. 3, p. 1 (MvT).

[8] Kamerstukken II 1998/99, 26 691, nr. 3, p. 1 (MvT).

[9] HR 5 december 1995, NJ 1996, 322 (Mulder; m.nt. ’t Hart).

[10] Rb. Groningen 10 april 2003, LJN AF7260 (Muns).  

[11] HR 5 december 1995, NJ 1996, 322 (Mulder; m.nt. ’t Hart).

[12] HR 5 december 1995, NJ 1996, 322 (Mulder; m.nt. ’t Hart); Rb. Groningen 10 april 2003, LJN AF7260 (Muns); Rb. ’s Hertogenbosch 10 juni 2003, LJN AF9725; Rb. Alkmaar 7 december 2005, LJN AU7519; HR 18 maart 2008, NJ 2006, 264; Rb. Amsterdam 22 januari 2007, LJN AZ6713; Rb. Almelo 29 mei 2009, LJN BI5890.

[13] HR 24 december 2002, NJ 2003, 167.

[14] Rb. Almelo 29 mei 2009, LJN BI5890; Rb. Alkmaar 7 december 2005, LJN AU7519; HR 9 november 2004, NJ 2005, 217.

[15] Rb. Almelo 29 mei 2009, LJN BI5890.

[16] Rb. Leeuwarden 20 juni 2006, LJN AX8950.

[17] www.svleven.nl; www.nvve.nl; www.deeinder.nl.

[18] C. Schwarzenegger, ‘Selbstsüchtige Beweggründe bei der Verleitung und Beihilfe zum Selbstmord (Art. 115 StGB)’, p. 97 <www.zora.uzh.ch>.

[19] www.uitvrijewil.nu.

[20] www.uitvrijewil.nu.


  • 0

Andere tijden, andere zeden: de golfbeweging in de wetgeving omtrent gemeenschap met kinderen

Tekst Ingrid Hekman

Nederland is voor de tweede keer in drie jaar tijd opgeschrikt door een grote kinderpornozaak. Robert M. misbruikte kinderen bij ouders thuis en op kinderdagverblijven. Zijn foto prijkte in kranten, bladen en op televisie. Verschillende ‘forumgangers’ op het internet zouden het door ons gelegitimeerde slachtoffer het liefst lynchen. De aandacht voor seks met kinderen is nog nooit zo groot geweest als nu en nieuws over grootschalige kinderpornozaken bepalen soms wekenlang het nieuws. Wie kijkt naar de massale verontwaardiging over dit onderwerp zal niet kunnen geloven hoe anders de situatie zo’n dertig jaar geleden was. In 1978 sprak PvdA-senator Edward Brongersma op de televisie over waarom het goed was dat kinderen relaties met volwassenen konden hebben. Destijds verhuurden seksshops nog kinderporno en had De Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH) vijftien werkgroepen voor pedofielen waarin werd gesproken over seks met kinderen.[1] Dit roept de vraag op of het verschil in denken over pedofilie ook veranderingen teweeg heeft gebracht in de wetgeving, hoe dit zit met betrekking tot kinderpornografie en wat we in de toekomst kunnen verwachten.

Pedofilie en pedoseksualiteit

In de volksmond wordt iedereen die ontucht pleegt met kinderen een pedofiel genoemd. Er is echter een verschil tussen pedofielen en pedoseksuelen. Pedofielen koesteren warme, al dan niet seksuele gevoelens voor kinderen, maar kunnen deze gevoelens wel onderdrukken. Pedoseksuelen hebben daadwerkelijk seks met kinderen.[2] De vraag is waarin de fascinatie voor kinderen moet worden gezocht. In de psychiatrie wordt pedofilie als een seksuele stoornis aangemerkt. Het valt onder de parafilie, dat is seksuele gerichtheid op niet-menselijke objecten, het lijden of vernederen van zichzelf, anderen of kinderen en anderen tegen hun wil.[3] Volgens DSM-IV (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders; een classificatiesysteem dat criteria aangeeft waaraan probleemgedragingen moeten voldoen, willen ze als stoornis geclassificeerd worden) is er sprake van pedofilie wanneer er onder andere over een periode van minimaal zes maanden herhaalde, intense en seksueel opwindende fantasieën, aandrang of handelingen aanwezig zijn gericht op seksualiteit met een of meer kinderen in de prepuberteit.[4] Er wordt hierbij wel onderscheid gemaakt tussen de aantrekkingskracht die binnen het gezinsverband geuit wordt, en de aantrekkingskracht die zich buiten het gezinsverband richt. We spreken namelijk van incest wanneer seksuele contacten binnen het gezin plaatsvinden.[5] Zo valt de zaak uit Groningen, waarbij een meisje van twaalf beviel van een kind waarvan haar vader de vader bleek te zijn, te classificeren als incest.

Er wordt wel geprotesteerd tegen het opnemen van pedofilie in de DSM-IV. De tegenstanders willen dat pedofilie uit de lijst van stoornissen wordt gehaald, net zoals homofilie ooit uit deze lijst is gehaald. Zij zien pedofilie als een normale variant van seksualiteit en stellen dat pedofilie een normale geaardheid is. Neurobioloog Dick Swaab zet in zijn studie ‘Wij zijn ons brein’ uiteen dat de fascinatie van de pedofiel voor kinderen moet worden gezocht in de hersenontwikkeling in de baarmoeder en de vroege ontwikkeling na de geboorte. Onze genetische achtergrond en de zich ontwikkelende hersenen voor de geboorte bepalen volgens hem onze seksuele oriëntatie.[6] Pedofilie valt dus op verschillende manieren te zien, maar over wat het nou precies is, is weinig bekend. Door onderzoekers wordt het onderwerp pedofilie vaak niet aangesneden en  pedofielen durven op hun beurt vaak niet voor hun ‘voorkeur’ uit te komen.[7] Feit blijft dat het tegenwoordig maatschappelijk niet aanvaard is om (seksuele) gevoelens voor kinderen te koesteren.

Wetgeving                                                                                                                            

Voor 1811 was alleen de geslachtsgemeenschap tussen man en vrouw in het huwelijk, met als doel de voortplanting, toegestaan in het christelijke Nederland. Andere vormen van seksualiteit werden afgewezen door de naaste omgeving, maar van vervolging van verboden seks was nauwelijks sprake. Nadat in 1811 de Franse strafwet was ingevoerd, kende Nederland een aantal artikelen met betrekking tot de zeden. Onder deze artikelen bevond zich een artikel dat aanzetten tot ontucht van personen onder de 21 jaar verbood. Toch was dit artikel niet van toepassing op pedoseksualiteit, gezien de jurisprudentie, die enkel gaat over het prostitueren van jongeren onder de 21 jaar. Wel was het gebruikelijk om seksuele handelingen met kinderen onder de 12 jaar gelijk te stellen met verkrachting. Dit was om kinderen onder de 12 jaar te beschermen ondanks het ontbreken van een wetsartikel over een leeftijdsgrens voor seksuele contacten.[8]

In 1886 kwam er een nieuw Nederlands wetboek van Strafrecht. Hierin werd seks met kinderen onder de zestien jaar strafbaar gesteld. Het hoorde rond de twintigste eeuw bij de perversiteiten: alles wat afweek van de heteroseksuele norm.[9] De eeuwwisseling betekende tevens een wisseling van de politieke leiding in ons land. De liberale politiek werd vervangen door voornamelijk christelijke partijen. Dit leidde in 1911 tot de Wet tot Bestrijding van de Zedenloosheid, waarin de kerkelijke normen met betrekking tot de zedelijkheid werden vastgelegd. De staat kreeg de taak om alle vormen van zedenbederf te bestrijden.[10] De nieuwe wet kende onder andere bepalingen tegen prostitutie en de beschermde leeftijdsgrens voor homoseksuele contacten en seksuele contacten in afhankelijkheidsrelaties werd op 21 jaar vastgesteld. De nieuwe wetten leidden tot de groei van controle-instanties en het aantal vervolgingen van zedendelicten. Toch was er in die tijd nog niet veel aandacht voor het plegen van ontucht met kinderen. Pas in de tweede helft van de twintigste eeuw, ten tijde van de ‘seksuele revolutie’, werd er veel over het onderwerp gesproken. Seks werd bespreekbaar, de pil kwam beschikbaar en voorechtelijke seks nam een hoge vlucht.[11] Verschillende commissies bogen zich over de wetgeving en een aantal wetten met betrekking tot de zeden werden geschrapt of gewijzigd. In de jaren ‘80 en ‘90 kwamen hierdoor verdere veranderingen, zoals de acceptatie van homoseksualiteit. Er was ruimte voor discussie over allerlei soorten seksuele voorkeuren die afweken van de heteroseksuele norm. Edward Brongersma, destijds eerste Kamerlid van de PvdA, pleitte voor verlaging van de leeftijdsgrenzen voor seksuele contacten tussen ouderen en jongeren; hij had een openlijke liefde voor jongere jongens. Verschillende bekende Nederlanders verklaarden destijds in interviews dat zij graag naakt rond liepen, dat zij met hun kinderen douchten of zelfs vrijden. Het kon allemaal.[12] De pedofielen hoopten de homo-emancipatie te volgen, maar (onder meer) de vrouwenbeweging in de jaren ‘80 stak hier een stokje voor. Deze feministische groepering had zich eerst ingezet voor een wet met betrekking tot abortus. Na de aanname van de Wet afbreking Zwangerschap in 1981 vestigde de feministische stroming haar aandacht op onder andere seksueel geweld. Ontucht met kinderen werd in verband gebracht met seksueel misbruik binnen het gezin. Door het door hen geschapen beeld van vaders die het met hun dochters deden, maar ook door een reeks van schandalen waaronder de zaak Oude Pekela in 1987 en Dutroux in 1996, werd de visie op ‘pedofilie’ steeds slechter. De seksuele vrijheid werd weer ingeperkt en de wetgeving ging hierdoor op de schop. Tussen 1991 en 2002  was het nog feitelijk gedoogd om seksuele omgang te hebben met kinderen tussen de 12 en 16 jaar. Strafrechtelijke vervolging kon alleen plaatsvinden als het kind zelf of de wettelijke vertegenwoordiger een klacht indiende bij justitie. In 2002 werd dit klachtvereiste afgeschaft waardoor de beschermde leeftijdsgrens naar 16 jaar werd verhoogd en in sommige artikelen werd de beschermde leeftijd 18 jaar.[13]  Tegenwoordig kan bijna ieder seksueel contact tussen een volwassene en een kind  worden vervolgd. In artikel 244 Sr is gemeenschap met een persoon beneden de 12 jaar strafbaar gesteld en in artikel 245 Sr zijn ontuchtige handelingen met een persoon beneden de 16 jaar strafbaar gesteld. Hierbij moet in acht genomen worden dat de leeftijd is geobjectiveerd. Dat betekent dat de dader niet hoefde te weten of vermoeden dat de jongere de leeftijd van 12 respectievelijk 16 jaar nog niet heeft bereikt. Het gaat bij deze artikelen om de bescherming van (zeer) jeugdigen tegen ernstige seksuele handelingen. Het maakt daarom ook niet uit van wie het initiatief is uitgegaan. Overigens moet er wel bedacht worden dat sommige gevallen geen ‘ontuchtige handelingen’ opleveren. Zo zou het ontuchtige karakter kunnen ontbreken in het geval een 28-jarige seksueel binnendringt bij een 15-jarige waarbij zij een relatie hebben, van plan zijn te gaan trouwen en de 15-jarige hiervoor al de nodige dispensatie heeft ontvangen. Ook kan het ontuchtig karakter ontbreken indien die handelingen plaatsvinden tussen personen die in geringe mate in leeftijd verschillen.

Kinderporno                                                                                                                           

Kinderpornografie is strafbaar gesteld in artikel 240b Sr. Om kinderporno te kunnen maken, worden er kinderen misbruikt. Het beleid in Nederland is op de vorige trieste conclusie gericht: het bekijken van kinderporno wordt aangepakt zodat de makers van de kinderporno indirect ook worden aangepakt.[14]

Hoe anders was dit vroeger. De seksuele revolutie vanaf de jaren ’60 wees seks tussen kinderen en ouderen niet zonder meer af en de vraag naar pornografisch materiaal werd in deze tijd groter. Er werden kinderpornotijdschriften geproduceerd en om kinderporno te bemachtigen kon men dit per post bestellen of naar seksshops gaan. Kinderporno was zelfs bijna helemaal vrijgegeven. In 1979 stond in een wetsvoorstel ondermeer: ‘Afschaffing van het verbod op het vervaardigen, het verspreiden, en het in voorraad hebben met de bedoeling van verspreiding van alle soorten pornografische teksten, afbeeldingen en voorwerpen’.[15] In 1984 besliste de Tweede Kamer echter anders. Vanaf de jaren ’80 vond namelijk een mentaliteitsverandering plaats. Deze verandering kwam door verschillende factoren. In de media werden pedofielen afgebeeld als mensen die jacht maken op de kinderen van burgers. De vrouwenbeweging, politie en justitie wezen destijds op de schadelijke effecten van kinderporno op het kind en de Verenigde Staten oefenden politieke druk uit op Nederland om ons een actiever beleid tegen kinderpornografie te laten voeren. Ook de zaak van Thea Pumbroek speelde waarschijnlijk een belangrijke rol bij de verandering van mentaliteit. Op 27 augustus 1984 overleed Thea Pumbroek op 6-jarige leeftijd tijdens een ‘fotografische sessie’ aan een overdosis cocaïne. Het grootste deel van haar 6-jarig bestaan werd zij misbruikt voor de productie van kinderporno.[16] Dit alles leidde in 1985 tot de aanname van een nieuw wetsvoorstel. De nieuwe wet (artikel 240b Sr) die kinderporno verbood, trad in 1986 in werking. Degene die een afbeelding of een informatiedrager met een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij iemand de leeftijd van zestien jaar nog niet bereikt heeft, verspreidde, openlijk tentoonstelde, vervaardigde om te verspreiden of tentoon te stellen, invoerde, doorvoerde, uitvoerde of in voorraad had, kon destijds worden gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden of een geldboete van de derde categorie. Toch bood dit wetsartikel een onvoldoende basis voor de opsporing en vervolging van kinderporno. In 1994 werd dit wetsartikel flink aangescherpt door het wetsvoorstel van de toenmalige Minister van Justitie Hirsch Ballin. De strafmaximum van artikel 240b Sr werd verhoogd naar vier jaar en er kon een straf van zes jaar gevangenisstraf worden opgelegd bij gewoonte van de strafbare gedraging van artikel 240b Sr. Er wordt van een gewoonte gesproken wanneer de verdachte gedurende langere tijd afbeeldingen voorhanden heeft waarop minderjarigen staan die betrokken zijn bij een seksuele gedraging.[17] Door de strafverzwaring werd de ernst van het feit tot uiting gebracht en het bracht tevens de mogelijkheid om financieel onderzoek te kunnen doen. In de jaren ’90 veranderde het ‘in voorraad hebben’ in artikel 240b Sr in ‘in bezit hebben’ en door het maatschappelijk debat en de maatschappelijke woede over kinderporno is het artikel de afgelopen decennia nog verder aangescherpt. In 2002 werd het bezit van kinderporno expliciet strafbaar gesteld, de leeftijdsgrens van zestien jaar werd verhoogd naar 18 jaar en door de implementatie van het Cybercrime Verdrag werd artikel 240b Sr uitgebreid met de toevoeging van de zinsnede ‘of schijnbaar betrokken’. Hiermee werd ook virtuele kinderporno (animaties of tekeningen) strafbaar gesteld omdat hier een wervende werking van uit kan gaan. In 2009 werd ten slotte opnieuw de strafmaat verhoogd en vanaf 2010 is ook de toegang verschaffen tot kinderporno strafbaar gesteld in artikel 240b Sr. Naar kinderporno kijken zonder sporen achter te laten op de harde schijf is daardoor ook strafbaar. Vereist is wel dat er een actieve handeling moet zijn verricht om de toegang tot deze porno te verkrijgen.[18]

Toekomst

In 2009 weigerde de gemeente Eindhoven een veroordeelde pedoseksueel terug te laten keren naar zijn woonplaats. In datzelfde jaar werden op de (Amerikaanse) website van stichting Stop Kindersex foto’s en adressen van Nederlandse veroordeelde pedoseksuelen geplaatst.[19] Beide zijn wellicht te zien als een vorm van eigenrichting jegens pedoseksuelen.

Nederland heeft een wet die strenge eisen stelt aan het publiceren van persoonsgegevens: de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Om persoonsgegevens openbaar te maken moet er toestemming zijn gegeven door de desbetreffende persoon of moet er een belangenafweging hebben plaatsgevonden tussen het publiek belang en het geschade belang van de persoon in kwestie.[20] De veiligheid neemt wellicht toe met het publiceren van de persoonsgegevens van een pedoseksueel, maar aan zijn of haar privacy wordt ernstige schade toegebracht. In Amerika is het toegestaan om persoonsgegevens online te zetten. Er bestaat zelfs een non-profit burgerorganisatie die zich inzet tegen pedoseksuelen. Deze organisatie maakt letterlijk jacht op hen; zij struinen databases en buurten af om mensen te waarschuwen voor pedoseksuelen. Ook zoeken zij gezochte pedoseksuelen op om deze uit te leveren aan de politie.[21] In Nederland werd na publicatie van zijn gegevens de ramen van het huis van een pedoseksueel ingegooid. Blijkbaar voldoet voor velen het strafrechtelijk systeem niet bij het bestraffen van deze mensen en bestaat de neiging tot eigenrichting. We lijken op weg te zijn naar hoe men in de VS omgaat met veroordeelde pedoseksuelen.

De roep om strengere wetten wordt dan ook steeds groter; op internet is een oproep gedaan om ontucht met baby’s, peuters, kleuters en kinderen tot 12 jaar voortaan altijd als verkrachting in plaats van ontucht aan te merken. Deze oproep vindt massaal weerklank; inmiddels hebben bijna 150.000 mensen een petitie met betrekking tot dit onderwerp ondertekend. Bovendien vinden de ondertekenaars dat de maximale straf van 12 jaar voor verkrachting van een kind moet worden vervangen door TBS met dwangverpleging.[22] De vraag is of dit alles opnieuw een wetswijziging zal opleveren.

Ten slotte

De wijze waarop naar zedendelicten is gekeken, is vanaf de totstandkoming van het wetboek van Strafrecht aan een golfbeweging onderhevig geweest. De wetten met betrekking tot het plegen van ontucht met kinderen en met betrekking tot kinderpornografie illustreren dit goed. Van kerkelijke normen aan het begin van de negentiende eeuw, naar ruimte voor discussie over pedofilie tijdens de ‘seksuele revolutie’, tot uiteindelijk de maatschappelijke verontwaardiging en afschuw over dit onderwerp. Het is waarschijnlijk een kwestie van tijd dat de volgende verandering in deze zedenwetgeving plaatsvindt.


[1] A. Boer, ‘Het grote kwaad van kinderporno’, de Stentor Spectrum 26 maart 2011, p. 12.

[2] ‘Pedofilie en pedoseksualiteit’, Parool 27 januari 2009, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.parool.nl/parool/nl/1044/Nationale-Scriptieprijs/article/detail/137762/2009/01/27/Pedofilie-en-pedoseksualiteit.dhtml>.

[3] H.J.C. Ras e.a.,  Wegwijs in de psychiatrie, Amsterdam: Boom 2008, p. 241.

[4] B.C.M. Raes & F.A.M. Bakker,  De psychiatrie in het Nederlandse recht, Deventer: Kluwer 2007, p. 249.

[5] J. Janssen, ‘Pedofilie en bestialiteit in vergelijk. Ook ontucht met dieren strafbaar gesteld’,  Crimelink. Over misdaad en veiligheid, januari 2011 jaargang 4 nr. 1, p. 32-34.

[6] H. Visser, ‘Pedofilie is geen ziekte maar een geaardheid’, Trouw 2011, geraadpleegd op 9 mei 2011via <http://www.trouw.nl/tr/nl/4324/Nieuws/article/detail/1839533/2011/02/19/Pedofilie-is-geen-ziekte-maar-een-geaardheid.dhtml>.

[7] H. Koelmans, ‘Zijn pedofielen oud, vies en seksverslaafd?’, Tijdschrift voor sociale vraagstukken 2009, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.zilverenkracht.nl/eCache/DEF/1/25/531.html>.

[8] G. Hekma, ‘Seks en de wet’, Blind. Interdisciplinair tijdschrift 2007, geraadpleegd op 9 mei 2011 via  <http://www.ziedaar.nl/article.php?id=286>.

[9] H. Berghuis, ‘Visie op pedofilie in 20e eeuw veranderd’, Plaats-Delict 2011, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.plaats-delict.net/2011/01/visie-op-pedofilie-in-20e-eeuw-veranderd/>.

[10] G. Leistra, ‘Moraal: nieuwe zedenmeesters’, Elsevier 2007, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.elsevier.nl/web/Artikel/177728/Moraal-Nieuwe-zedenmeesters.htm>.

[11] R. Veenhoven, ‘Wat bracht de seksuele revolutie?’, Erasmus Universiteit Rotterdam 2005, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www2.eur.nl/fsw/research/veenhoven/Pub2000s/2005i-fulln.pdf>.

[12] R. Bouwman, ‘Hoe bevrijdend was de seksuele revolutie?’, Tegenwicht  2005, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.tegenwicht.org/40_kleine_seksuologie/seksrev.htm>.

[13] G. Hekma, ‘Seks en de wet’, Blind. Interdisciplinair tijdschrift 2007, geraadpleegd op 9 mei 2011 via  <http://www.ziedaar.nl/article.php?id=286>.

[14] A. Boer, ‘Het grote kwaad van kinderporno’, de Stentor Spectrum 26 maart 2011, p. 12.

[15] ‘Ruimte voor de pedofiel. Wetsvoorstel’, Andere tijden 2010-2011, geraardpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.geschiedenis24.nl/andere-tijden/afleveringen/2010-2011/Ruimte-voor-de-pedofiel/Wetsvoorstel.html>.

[16] J.J. Oerlemans, ‘Kinderpornografie op internet. Dweilen met de kraan open’, Defence for Childeren 2010, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.defenceforchildren.nl/images/13/1089.pdf>.

[17] J.J. Oerlemans, ‘Kinderpornografie op internet. Dweilen met de kraan open’, Defence for Childeren 2010, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.defenceforchildren.nl/images/13/1089.pdf>.

[18] J.J. Oerlemans, ‘Kinderpornografie op internet. Dweilen met de kraan open’, Defence for Childeren 2010, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.defenceforchildren.nl/images/13/1089.pdf>.

[19]‘Eindhoven moet pedofiel toelaten’, RTL Nieuws jaartal onbekend, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.rtl.nl/(/actueel/rtlnieuws/binnenland/)/components/actueel/rtlnieuws/2009/10_oktober/27/binnenland/eindhoven-moet-pedofiel-toelaten.xml>.

[20] S. Arends, ‘Amerikaanse wet maakt antipedofielensite mogelijk’, Verspers  2009, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.verspers.nl/?categorie=5&soort=artikel&id=193>.

[21] P. Boon, ‘Lauren verslaat 12 april de jacht op pedofielen in de VS’,  Piet Boon’s Blog  2011, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://pietboon.wordpress.com/2011/04/11/lauren-verslaat-12-april-de-jacht-op-pedofielen-in-de-vs/>.

[22] A. Karimi, ‘Ontucht is verkrachting’,  Spits  2011, geraadpleegd op 9 mei 2011 via <http://www.spitsnieuws.nl/archives/binnenland/2011/04/ontucht_is_verkrachting.html>.


  • 0

Het verhaal van Henk H: onschuldig gevangen of koelbloedige moordenaar?

Door Stephanie Delauw

In het voorjaar van 2002 wordt het lichaam van Pim Overzier (verder te noemen: Pim) gevonden in een bos bij Dronten. Zijn lichaam ligt in een 95 centimeter diep graf. Henk H. (verder te noemen: Henk) wordt op 12 februari 2003 veroordeeld voor de moord op Pim en krijgt een straf van 20 jaar cel opgelegd. Dit oordeel wordt in hoger beroep bevestigd. De Hoge Raad verwerpt het cassatieverzoek, waardoor de veroordeling onherroepelijk wordt. Of de veroordeling terecht is, wordt betwijfeld.[1] Rechtsfilosoof en oud-hoogleraar Ton Derksen heeft de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) gevraagd de zaak te onderzoeken. De CEAS deelt zijn bevindingen in zijn rapport dat is geopenbaard op 26 januari 2011.

Het Openbaar Ministerie (OM) komt de laatste jaren niet erg positief in beeld door herzieningen waaruit blijkt dat de veroordeelde onschuldig is. Voorbeelden hiervan zijn de Puttense moordzaak, de Schiedammer parkmoord en de meer recente zaak van Lucia de Berk. De vraag die nu speelt is of Henk ook aan dit rijtje toegevoegd kan worden. Volgens de CEAS is dat niet nodig, zij vinden dat er geen manco’s zijn in de opsporing.[2] Aan de andere kant staat de visie van onder andere Derksen, die in zijn boek het ene manco na het andere aandraagt.[3] In dit artikel zal eerst de argumentatie van het OM en de verklaring van Henk kort uiteen worden gezet. Vervolgens zullen de punten die de CEAS in zijn rapport onderzoekt, worden besproken. Hierbij zal ook de visie van de verdediging worden weergeven. Tot slot zal worden besproken hoe het nu, na dit rapport van de CEAS, verder zal gaan met deze zaak.

De argumentatie van het OM

Het OM denkt dat de zaak als volgt in elkaar steekt: de vermoorde man, Pim, had een oogje op Henks vriendin, Rianne. In november 2001 stuurt hij haar een brief of een kaartje met een verzoek om elkaar te ontmoeten. Vervolgens leest Henk dit kaartje en houdt deze verborgen voor Rianne. Vervolgens belt Henk, gedreven door jaloezie naar Pim, waarbij hij zich voordoet als datingservice. Pim wordt door hem uitgenodigd voor een blind date met een vrouw. In deze vrouw meent Pim Rianne te herkennen. Op de bewuste avond haalt Henk Pim op met zijn auto en brengt hem om het leven. Vervolgens begraaft Henk het lijk in het Reve-Abbertbos te Flevoland.[4]

De verklaring van Henk

Henk ontkent de aantijgingen door het OM. Hij geeft de volgende verklaring: Pim zou met een 16-jarige jongen contact hebben gehad. De moeder van deze jongen, Ruth, wil dit contact stoppen en neemt contact op met de politie, maar dit mag niet baten. Daarop neemt ze een privédetective in de arm om op die manier een einde te maken aan het contact tussen Pim en de jongen. Deze detective ontdekt dat Pim regelmatig te vinden is in de buurt van het huis van Rianne. Daarom neemt Ruth contact op met Henk. Om Pim onopgemerkt te kunnen volgen, leent de detective de auto van Henk. Die avond gaat er van alles mis. Pim overlijdt aan een acute hartdood op een homo-ontmoetingsplaats. Er breekt paniek uit onder de aanwezige mannen, omdat zij bang zijn dat hun identiteit bekend wordt, wanneer zij naar de autoriteiten zouden stappen. Om dit te voorkomen brengen zij de overleden Pim naar een andere homo-ontmoetingsplek, waar zij hem begraven. Tijdens het proces wijzigt Henk zijn verhaal meerdere malen.[5]

Het CEAS-rapport

De CEAS is ingesteld naar aanleiding van het onderzoeksrapport van de Commissie Posthumus inzake de Schiedammer parkmoord. In deze strafzaak bleek achteraf dat de veroordeelde, ondanks alle beroepsprocedures doorlopen te hebben, toch onterecht veroordeeld was, zodat er sprake was van een justitiële dwaling. De CEAS is ingesteld door het College van procureurs-generaal en bestaat uit verschillende advocaten-generaal, strafrechtswetenschappers, voormalig politiefunctionarissen en (oud) advocaten. Uit deze groep wordt door het College voor elk toegewezen voorstel een driemanschap geformeerd dat het onderzoek uitvoert. De CEAS heeft tot doel om na te gaan of zich in de opsporing van strafbare feiten of in de behandeling van de daaruit voortgekomen strafzaken, ernstige tekortkomingen hebben voorgedaan, die een evenwichtige beoordeling van de feiten door de rechter in de weg hebben gestaan.[6]

De conclusies uit het CEAS rapport

Het College van procureurs-generaal benoemen het driemanschap, bestaande uit W.P.A. Korver, Th. A. de Roos en J. Wilzing (verder: het driemanschap) en geven hen een aantal onderzoeksopdrachten mee.[7] Deze zullen ieder afzonderlijk worden behandeld, waarbij ook de visie van de verdediging zal worden weergegeven.

Het proces-verbaal

Ongeveer vijf weken na de vermissing van Pim, op 9 januari 2002, vinden twee spelende jongens een jas in het Reve-Abbertbos. In de zakken van de jas vinden zij een mobiele telefoon, een sleutelbos en een flesje met parfum. De vondst van deze jas zou later in het onderzoek naar de vermissing van Pim van cruciaal belang blijken te zijn. Pim wordt namelijk pas een maand later gevonden. Het is dan door het lange tijdsverloop niet meer mogelijk de doodsoorzaak eenduidig vast te stellen. In het proces-verbaal staat dat er in januari al naspeuringen zijn verricht door de politie, maar Jurjan R., de vinder van de jas, heeft verklaard dat de politie pas in maart met hem de vindplaats heeft bezocht. Als dit waar is, dan zou de datum in het proces-verbaal niet kloppen.[8] Dit vermoedelijk meinedig handelen wordt voor het eerst opgeworpen door de particuliere rechercheurs J.H. Paalman en C.E.A. de Roy van Zuydewijn. Dit wordt vervolgens ook geopperd door dhr. Vis en prof. dr. van Koppen.[9]

In januari 2008 worden Jurjan R. en zijn moeder in één sessie en in elkaars aanwezigheid geïnterviewd door prof. dr. van Koppen, advocaat mr. Acda en dhr. Vis. Volgens het driemanschap is deze manier van interviewen niet correct geweest. Op grond hiervan en enkele andere onderzoekshandelingen, komt het driemanschap tot de conclusie dat het door de agent opgemaakt proces-verbaal geen valselijk opgemaakt proces-verbaal is.[10] Volgens het driemanschap heeft de agent enkel een vergissing gemaakt in het proces-verbaal, hij heeft namelijk een foute datum ingevoerd.[11]

De anonieme brieven

In deze zaak zijn er in totaal tien anonieme brieven ontvangen door verschillende instanties en personen. Deze brieven bevestigen het verhaal van Henk. Door Derksen worden deze brieven betrouwbaar geacht, onder meer omdat de bronnen onafhankelijk zijn, Henk als bron is uitgesloten en de gedeelde informatie geen publieke informatie bevat.[12] Hoewel de inhoud van sommige brieven interessant is, is het driemanschap van mening dat er weinig waarde aan de brieven kan worden gehecht, onder meer omdat de briefschrijvers nooit in de openbaarheid zijn getreden. De betrouwbaarheid van de bronnen kan dus niet worden vastgesteld.[13]

De uitnodiging van Pim

Op 30 november 2001 vindt Henk in de brievenbus van Rianne een kaartje van Pim. Pim nodigt in dit kaartje Rianne uit om een keer af te spreken. Henk zou vervolgens, verblind door jaloezie, vanuit een telefooncel Pim hebben gebeld en zich hebben voorgedaan als medewerker van een relatiebureau. Er wordt afgesproken dat Pim op 4 december een blind date heeft. Na deze datum is Pim spoorloos. Het wel of niet versturen en de datum en het tijdstip waarop de kaart door Pim is verstuurd, zijn dus belangrijke vragen voor het onderzoek. Als het kaartje namelijk niet is verstuurd of als Henk dit kaartje niet heeft gelezen, komt het aangedragen motief op losse schroeven te staan. Een getuige heeft volgens dhr. Vis verklaard dat Pim de kaart niet op 29 november 2001 heeft verstuurd. Deze getuige is bij Pim geweest op de dag dat de kaart verstuurd zou zijn. Volgens Vis zou deze verklaring echter niet in het proces zijn betrokken. Vis schrijft over deze getuige in zijn boek onder andere het volgende:

“(…) die waarheid stelt de aanleiding voor de moord op losse schroeven en pleit de vermeende moordenaar van zijn vriend dus vrij. Hoewel V. twee keer is verhoord – beide keren met dezelfde vragen en antwoorden – liet aanklager Wemes zijn verklaring buiten de rechtszaal. Geen wonder, want als V. voor de rechters zou herhalen wat hij de politie had verteld zou justitie ernstig in verlegenheid zijn gebracht.”[14]

Tegenover het driemanschap verklaart de getuige dat er die avond helemaal niet specifiek is gesproken over het tijdstip van het versturen van de kaart. De getuige zou enkel het gevoel hebben gehad dat Pim het kaartje de avond van 29 november 2001 nog niet had verstuurd. Volgens het driemanschap kunnen politie en justitie, op grond van andere verklaringen, dus tot de conclusie komen dat Pim het kaartje wel op 29 november 2001 naar Rianne heeft verstuurd.[15]

Ook de beschuldiging van Vis tegen de officier van justitie is niet correct. In zijn requisitoir besteedt de officier van justitie namelijk uitdrukkelijk aandacht aan de getuigenverklaring van V.:

“Er is slechts één getuige die verklaart dat Pim het kaartje op voornoemde donderdag 29 november 2001 niet op de post zou hebben gedaan”.[16]

De herkenning van Henk door een getuige

Op 27 maart 2002 meldt getuige S. zich bij de politie. Zij zou op de avond van de moord, vlakbij de plek waar Pim is gevonden, een man met een donkerblauwe Volvo hebben gezien. De auto stond vast in de modder. De bestuurder stond midden op de weg om haar te laten stoppen. Zij heeft deze man geholpen door zijn auto uit de modder te trekken. Toen de man de auto’s aan elkaar vastmaakte met een touw, heeft zij een goed beeld van hem kunnen krijgen. Op bevel van de rechter-commissaris heeft er een fotoconfrontatie plaatsgevonden.

Vis, Van Koppen en Derksen hebben kritiek op de fotoconfrontatie. De personen die voorkomen in de fotoconfrontatie zijn naar hun mening ten onrechte gebaseerd op het uiterlijk van Henk. De personen hadden geselecteerd moeten worden op basis van de omschrijving zoals die gegeven is door getuige S. Verder had de verbalisant, nadat getuige S. foto 4 aanwees, niet de vraag mogen stellen of getuige S. nog iets anders wilde verklaren dat van belang kon zijn.[17] Zij wees naar aanleiding van deze vraag foto 5, Henk, aan. Zij verklaart daarbij dat ze deze foto van Henk vindt lijken op de foto die ze in eerste instantie aanwees. Het driemanschap komt tot de conclusie dat het uiterlijk van Henk niet zoveel afwijkt van het door getuige S. opgegeven signalement als door de verdediging wordt beweerd. Getuige S. geeft namelijk alleen een ander signalement met betrekking tot het haar en de leeftijd. Bovendien wordt de foto van Henk terecht als uitgangspunt genomen, omdat men bij een bewijsconfrontatie uitgaat van het uiterlijk van de verdachte.[18] Wat betreft de vraag van de verbalisant aan de getuige of zij nog iets anders wil verklaren dat van belang kan zijn, komt het driemanschap tot de conclusie dat dit past in een verhoor na de confrontatie.[19]

De bats in Henks tuin

Er is een bats in de tuin van Henk gevonden waarop diatomeeën zijn aangetroffen van een soort die een zeer sterke overeenkomst vertoont met de soort diatomeeën die zijn gevonden in de diepere lagen van het graf.[20] Dit heeft zowel de rechtbank als het hof als bewijsmiddel gebruikt.[21] Henk stelt dat de bats niet van hem is en dat iemand anders de bats in zijn tuin heeft neergezet om hem te belasten.[22]

Het driemanschap komt tot de conclusie dat niet kan worden uitgesloten dat een derde de bats in de tuin van Henk heeft geplaatst, maar acht dit hoogst onwaarschijnlijk.[23] Dit baseert zij onder meer op het feit dat de bats twee maanden voordat het lichaam van Pim werd gevonden, in Henks tuin werd aangetroffen. Degene die de bats daar heeft geplaatst moet dan hebben geweten dat het graf van Pim zou worden gevonden, Henk als verdachte van de moord op Pim zou worden aangehouden en de diatomeeën, of in elk geval de soort grond op de bats, bij de bewijsvoering een rol zouden gaan spelen.

Het driemanschap heeft buiten de opdrachten van het College van procureurs-generaal om, nog enkele belangrijke punten onderzocht, namelijk de doodsoorzaak en de reconstructies.

De doodsoorzaak

Naar het oordeel van Derksen hoeft er geen sprake te zijn van een onnatuurlijke dood. Pim hoeft dus niet om het leven te zijn gebracht. Derksen wijst erop dat een acute hartdood ook een mogelijkheid is die binnen de onderzoeksbevindingen past.[24] Dr. Visser heeft aangegeven dat hij geen doodsoorzaak kon vinden. Verstikking past volgens hem binnen de onderzoeksbevindingen, hartfalen echter ook. Hij kan dus niet met honderd procent zekerheid vaststellen dat Pim door verstikking om het leven is gekomen. Het is dan ook niet alleen op grond van deze verklaring dat de rechtbank en het hof tot de conclusie komen dat Pim een onnatuurlijke dood is gestorven. Zij komen tot dit oordeel door de overige feiten en omstandigheden erbij te betrekken, zoals het feit dat Pim kilometers verwijderd is gevonden van zijn huis, op een afgelegen plek en in een diep graf.[25]

De reconstructies

Door de verdediging zijn in januari 2008 en februari 2009 reconstructies gemaakt waarbij werd onderzocht of Henk in staat was Pim te overmeesteren en het bos in te slepen of te dragen. Volgens de verdediging kunnen deze reconstructies maar tot één conclusie leiden: Henk is niet in staat geweest Pim te overmeesteren, het bos in te dragen en te begraven. Henk zou dus ten onrechte veroordeeld zijn. Volgens het driemanschap zijn de uitgangspunten van de reconstructies gebaseerd op onjuiste gegevens met betrekking tot de lengte en het gewicht van Pim.[26] Bovendien zijn de bevindingen tot stand gekomen met medewerking van Henk. Zijn aandeel hierin is niet controleerbaar. Verder is er geen controle geweest door een onafhankelijke rechterlijke autoriteit en tot slot zijn alternatieve scenario’s niet bij de reconstructie betrokken.[27] 

Hoe nu verder?

Duidelijk is dat over deze zaak het laatste woord nog niet is gesproken. Zoals gebleken uit het voorgaande staat de visie van het driemanschap lijnrecht tegenover de visie van de verdediging en sommige wetenschappers. Hoe dit afloopt kan alleen de toekomst uitwijzen. In een interview zegt mr. Knoops, de advocaat van Henk: “Jammer dat de CEAS tot dit advies komt, maar aan de andere kant is het niet meer dan een advies. Dat wil zeggen, dat wij als verdediging nog steeds naar de Hoge Raad kunnen gaan. En dat zullen we ook zeker doen”.[28]


[1] Merel Thie, ‘Is Henk H. dan toch onschuldig?’, NRC 25 januari 2011, p. 5.

[2] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 434.

[3] T. Derksen is hoogleraar wetenschapsfilosofie. Hij heeft meerdere boeken gepubliceerd waaronder Lucia de B. Reconstructie van een gerechtelijke dwaling en Het O.M. in de fout.

[4] T. Derksen, Het O.M. in de fout, Diemen: Veen magazines 2009, p. 102 en 103.

[5] T. Derksen, Het O.M. in de fout, Diemen: Veen magazines 2009, p. 101.

[6] www.om.nl/onderwerpen/commissie_evaluatie.

[7] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 30.

[8] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 64 t/m 66.

[9] J. Vis is de auteur van  Het Rijk van de Bok. Prof. van Koppen is als hoogleraar verbonden aan de faculteit der rechtsgeleerdheid van de Vrije Universiteit en de auteur van  De slapende rechter.

[10] Voor het complete onderzoek door de CEAS zie: Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 64 t/m 149.

[11] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 144 t/m 149.

[12] T. Derksen, Het O.M. in de fout, Diemen: Veen magazines 2009, p. 124, 127 t/m 133.

[13] Zie verder: Rapport zaak CEAS 2007/0031, blz. 201 t/m 288.

[14]  J. Vis, Het Rijk van de Bok, Arnhem: Ellessey 2007, p. 142.

[15] Zie verder: Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 150 t/m 159.

[16] Requisitoir officier van justitie, 19 december 2002.

[17] T. Derksen, Het O.M. in de fout, Diemen: Veen magazines 2009, p. 113 t/m 115 en J. Vis, Het Rijk van de Bok, Arnhem: Ellessey 2007, p. 162 en 163.

[18] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 183.

[19] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 179.

[20] Bats: grote schop met opstaande randen. Diatomeeën: verzamelnaam voor kiezelalgen of kiezeldieren, gekenmerkt door gepaarde schalen, eencellige wieren.

[21] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 185.

[22] T. Derksen, Het O.M. in de fout, Diemen: Veen magazines 2009, p. 121 en 122.

[23] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 190 t/m 192.

[24] T. Derksen, Het O.M. in de fout, Diemen: Veen magazines 2009, p. 117 t/m 119.

[25] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 363.

[26] Zie: J. Vis, Het Rijk van de Bok, Arnhem: Ellessey 2007, p. 194

[27] Rapport zaak CEAS 2007/0031, p. 396.

[28] ‘EenVandaag’, TROS en AVRO Nederland 1, 26 januari 2011.


  • 0

Volwassen straffen voor jeugdige daders? Het jeugdstrafrecht nader toegelicht

Door Ingrid Hekman & Nikki Koops

De 16-jarige Kenneth C. pleegt in februari 2008 een gruwelijke moord op de Amsterdamse garagehouder Rick Haster. Hij wordt veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf volgens het volwassenenstrafrecht. De 16-jarige Jaap van der H., hoofdverdachte in de zaak Dirk Post, is onlangs veroordeeld tot een jaar jeugddetentie en jeugd-tbs voor maximaal zes jaar. Dit zijn slechts enkele voorbeelden van zaken waarin Nederland werd opgeschikt door misdrijven waarbij jeugdige daders betrokken zijn. Naar aanleiding van ernstige misdrijven gepleegd door jongeren, rijst steeds vaker de vraag of deze jongeren wel berecht moeten worden volgens het jeugdstrafrecht. Voor wie en in welke situaties geldt het jeugdstrafrecht eigenlijk? Waarom werd Kenneth C. veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf en Jaap van der H. ‘maar’ tot één jaar? En is het jeugdstrafrecht niet volledig uit de tijd?

Uitgangspunten van het jeugdstrafrecht

We staan eerst stil bij de uitgangspunten en kenmerken van het Nederlandse jeugdstrafrecht. Dat jongeren een speciale positie innemen binnen het strafrecht blijkt al uit titel 8a van het wetboek van Strafrecht (Sr). Daarin staan bijzondere bepalingen voor jeugdige personen. Verder kan krachtens artikel 486 van het wetboek van Strafvordering (Sv) niemand strafrechtelijk worden vervolgd wegens een feit, begaan voordat hij de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt. Een belangrijk uitgangspunt is dus dat jongeren onder de 12 jaar niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd. Aan deze groep jongeren kunnen wel enkele dwangmiddelen worden opgelegd, wanneer uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat een strafbaar feit is gepleegd (art. 487 Sv.).

Kinderen jonger dan 12 jaar kunnen zoals gezegd niet strafrechtelijk worden vervolgd wanneer ze iets gedaan hebben dat strafbaar is, maar bijvoorbeeld wel door de politie worden gefouilleerd en meegenomen worden naar het bureau voor verhoor. Op dit moment wordt er een nieuwe aanpak voor delictplegende kinderen jonger dan 12 jaar en hun ouders voorbereid door de politie en Bureau Jeugdzorg. Wanneer deze jongeren in aanraking komen met de politie, spreekt deze de ouders aan en stuurt ze naar Bureau Jeugdzorg. Bureau Jeugdzorg verwijst ze door naar een persoonsgericht aanbod, met als uitgangspunt lichte interventies waar dat volstaat en intensieve interventies waar nodig. Deze nieuwe aanpak is nog in ontwikkeling en wordt stapsgewijs ingevoerd. Deze invoering zal aan het einde van 2010 zijn voltooid.[1]

Wanneer de situatie van een kind beneden de 12 jaar dermate uit de hand loopt dat ingrijpen noodzakelijk is, kan de rechter geen straf opleggen. Het is dan wel mogelijk om na onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming een maatregel op te leggen, bijvoorbeeld een ondertoezichtstelling, waarbij een gezinsvoogd wordt aangewezen. Voor jongeren van 12 tot 18 jaar geldt het jeugdstrafrecht, voor zover zij ten tijde van het plegen van het delict tussen de 12 en 18 jaar waren. Als jongeren worden aangehouden op verdenking van een licht vergrijp, kunnen zij één keer een officiële waarschuwing krijgen. Bij het volgende contact met de politie kan de jongere kiezen: of naar justitie, of naar de organisatie Het Alternatief (Halt). Via een zogenaamde ‘Halt-afdoening’[2] kunnen jongeren rechtzetten wat zij fout hebben gedaan zonder dat zij in aanraking komen met het Openbaar Ministerie. Dit heeft als voordeel dat de jongere geen strafblad krijgt. Een Halt-afdoening kan maximaal twee keer worden aangeboden, waarbij als aanvullende voorwaarde geldt dat er minimaal een jaar tussen de vergrijpen moet zitten. Als een Halt-afdoening niet mogelijk is, of gekozen wordt voor de weg naar justitie, wordt de jongere voorgeleid aan de officier van justitie. De officier van justitie bepaalt of de dader voor de rechter moet komen en hij beslist of er een boete, schadevergoeding, straf of maatregel moet worden gevraagd. De kinderrechter bepaalt uiteindelijk de straf. In beginsel komt elke jongere voor de kinderrechter, ook al is hij inmiddels 18 jaar geworden. Jongeren tot 16 jaar mogen een celstraf van maximaal één jaar krijgen, voor jongeren tot 18 jaar is dit maximaal twee jaar. Verder is er de mogelijkheid tot kinderdetentie, maar dit komt alleen voor wanneer sprake is van een ernstig strafbaar feit waarbij de kans op recidive groot is.

Voor de toepassing van het jeugdstrafrecht is ook een aantal internationale verdragen van groot belang, met name het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en in mindere mate het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Krachtens artikel 40 IVRK hebben jongeren ten eerste recht op een eerlijk proces met dezelfde waarborgen die ook gelden ten aanzien van volwassenen, zoals het legaliteitsbeginsel. Ten tweede staat er met zoveel woorden dat jongeren recht hebben op een andere behandeling dan volwassenen. Er moet een aparte, speciale behandeling zijn voor jongeren in het strafrecht, met het uiteindelijk doel de jongeren te re-integreren in de maatschappij. Het recht op een eerlijk proces is tevens te vinden in artikel 6 EVRM. Er wordt in deze bepaling niet met zoveel woorden verwezen naar jeugdige verdachten, maar volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) valt dat hieruit wel af te leiden.  Het standpunt van het EHRM houdt in dat krachtens artikel 6 EVRM nationale autoriteiten ervoor moeten zorgen dat jongeren hun strafproces begrijpen en dat zij daarin ook actief kunnen meedingen.[3] Ook moeten zij een algemeen begrip hebben van de aard van het proces en de consequenties met betrekking tot de sanctie.[4]

Het jeugdstrafrecht ligt de laatste jaren erg onder vuur. Er heerst in de samenleving een bepaald gevoel van ontevredenheid; men kan zich niet verenigen met het idee dat een 15-jarige moordenaar ‘maar’ één jaar in de gevangenis doorbrengt. Ook de nieuwe regering buigt zich over het huidige jeugdstrafrecht. Het kabinet zal een voorstel voorbereiden voor een adolescentenstrafrecht voor de groep van 15 tot 23 jaar[5] en de PVV heeft plannen voor het verruimen van de mogelijkheden om het volwassenenstrafrecht toe te passen op jeugdigen.[6] De huidige tekst van artikel 77b Sr is kennelijk niet toereikend meer. Dit artikel zal hieronder nader worden uitgelegd, mede aan de hand van de aangehaalde strafzaken.

Volwassenenstrafrecht toegepast op 16- en 17-jarigen

Art. 77b Sr biedt de rechter de mogelijkheid verdachten, die ten tijde van het delict 16 of 17 jaar oud waren, te berechten volgens het gewone strafrecht. Om tot een veroordeling te komen moet, naast de gewone vereisten voor een veroordeling, worden voldaan aan drie voorwaarden. Ten eerste moet de dader een ernstig strafbaar feit hebben gepleegd, ten tweede moeten de omstandigheden waaronder het strafbare feit is begaan daartoe aanleiding geven en ten derde moet de persoonlijkheid van de dader vervolging volgens volwassenenstrafrecht toelaatbaar maken.

Het criterium dat het meest wordt gebruikt in de jurisprudentie is ‘de ernst van het feit’. Hierbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld moord en doodslag. Dit criterium wordt nooit gebruikt als enige criterium, maar is meer een basisvoorwaarde voor de toepassing van het artikel.[7] Het tweede criterium, ‘de omstandigheden waaronder het feit is begaan’, kan op geheel verschillende manieren worden uitgelegd. Het kan betrekking hebben op de rolverdelingen tussen de verdachten, maar ook op omstandigheden die het feit verzwaren.[8] Het laatst genoemde criterium, ‘de persoonlijkheid van de verdachte’, is het enige inhoudelijke criterium. Aan dit criterium is voldaan wanneer een jeugdige kan worden aangezien als volwassen. Hierbij kan worden gedacht aan aspecten  zoals het ontwikkelingsstadium van de jongere, evenals leefwijze en de mate van zelfstandigheid.[9] Dit criterium heeft dus, als enige van de drie criteria, een duidelijke inhoud gekregen. Maar waarom werd nu Kenneth C. berecht volgens het volwassenenstrafrecht en Jaap van der H. volgens het jeugdstrafrecht?

Op 22 februari 2008 werd de garagehouder Rick Haster op gruwelijke wijze vermoord en teruggevonden in zijn eigen garage. Hij was vastgebonden aan een motorblok en twintig keer met een mes gestoken. De verdachten, de 22-jarige Martin M. en de 16-jarige Kenneth C., ontkenden in eerste instantie dat zij de moord hadden gepleegd, maar werden uiteindelijk toch veroordeel op grond van het gevonden bewijsmateriaal. Zo zijn handpalm- en vingerafdrukken gevonden in het bloed in de garage en daarnaast werd bij M. thuis een bivakmuts met de sporen van Haster aangestroffen. Martin M. vertelde uiteindelijk dat er ruzie was ontstaan over een verkochte auto. De Rechtbank Amsterdam heeft beide jongens tot 20 jaar gevangenisstraf veroordeeld. Tegen een minderjarige was nog nooit eerder in Nederland een zo hoge straf uitgesproken. In hoger beroep is Kenneth C. veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf.[10]

In deze zaak is door de officier van justitie TBS met dwangverpleging en 6 jaar gevangenisstraf geëist tegen Kenneth C. Toch is de jongen door de rechtbank veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf. Bij deze veroordeling was van doorslaggevende betekenis dat Kenneth C. op geen enkele wijze blijk gaf van inzicht in zijn problemen en er geen aanwijzingen waren dat hij zelf iets aan deze problemen wilde doen. De drie criteria voor toepassing van art. 77b Sr. werden in deze zaak duidelijk ingevuld. De ernst van het feit werd gevonden in het feit dat het slachtoffer op een gruwelijke wijze werd vermoord. De omstandigheden van het feit lagen besloten in de omstandigheid dat er sprake was van een gelijkwaardige rolverdeling tussen de twee verdachten. Tot slot was ook de persoonlijkheid van de verdachte een aanleiding voor de veroordeling van de rechtbank, omdat de rechtbank hem ziet als een persoon die zijn kansen berekent en daarnaar handelt, een eigenschap die blijk geeft van een volwassen houding.

Eind 2009 werd Nederland opgeschrikt door de moord op Dirk Post uit Urk. De reden van de moord was niet ruzie om een meisje zoals eerder werd gedacht, maar dat de 16-jarige Jaap van der H., hoofdverdachte in de zaak, ooit aan Dirk had verteld dat hij door middel van ‘glaasje draaien’ een geest op had geroepen en dacht dat hij sindsdien vervloekt was. Dirk zou dit hebben doorverteld, hetgeen voor Jaap reden was hem te vermoorden. Van der H. stak Dirk met 47 messteken dood. Tijdens het steken heeft hij tijd gehad om over zijn handelen na te denken, maar desondanks is hij doorgegaan, aldus de rechter. Van der H. lijdt aan een ernstige ontwikkelingsstoornis en ook werden kort na zijn aanhouding psychotische verschijnselen vastgesteld, zo stelden de psychiaters. De rechtbank wilde deze omstandigheden echter niet in een mildere straf tot uiting brengen, aangezien verdachte voor zijn ernstige daad al volgens het mildere jeugdrecht werd berecht. Maar het is wel van groot belang dat Van der H. blijvend hulp krijgt in de vorm van een behandeling, zo stelde de rechtbank. De rechtbank in Lelystad heeft Jaap van der H. veroordeeld tot twaalf maanden jeugddetentie, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast werd Van der H. veroordeeld tot gedwongen behandeling in een inrichting voor jeugdigen.[11]        

In de zaak Dirk Post is de toepassing van het volwassenenstrafrecht niet mogelijk. Toen het misdrijf gepleegd werd, was Jaap van der H. vijftien jaar oud. Daarom is de maximale straf één jaar jeugddetentie. De rechter achtte overtuigend bewezen dat hij Dirk opzettelijk en met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht. Deze zaak zorgt voor veel verdeeldheid in de samenleving: men worstelt met de vraag of volwassen misdrijven (gepleegd door jeugdigen) niet volwassen gestraft moeten worden. In de twee genoemde zaken bepaalde een leeftijdsverschil van één jaar het verschil tussen 20 jaar gevangenisstraf en 12 maanden jeugddetentie. Is dit een wenselijke uitkomst of is het jeugdstrafrecht toe aan een verandering?

Grondslagen van het jeugdstrafrecht

De heer Teeven, lid van de tweede kamer namens de VVD, betoogde op 24 november 2008 bij Pauw en Witteman dat kinderen vanaf 15 jaar voortaan in een openbare terechtzitting terecht moeten staan. Hij vindt dat kinderen die volwassen delicten plegen, ook als volwassen moeten worden behandeld.[12] Hoewel de uitspraak van de heer Teeven enkel gaat over het uitgangspunt dat er in het jeugdstrafrecht geen publiek wordt toegelaten, wordt de vraag of het jeugdstrafrecht in het algemeen niet strenger moet worden, steeds vaker gesteld (dit naar aanleiding van ernstige geweldsmisdrijven waarbij jonge daders betrokken waren).

Het Nederlandse jeugdstrafrecht bestaat sinds 1905. Rond deze tijd groeide de overtuiging dat de overheid actief moest opkomen voor de zwakkeren in de samenleving, waaronder de jeugd. De wetgever wilde een pedagogisch element opnemen naast het pure straffen. Bovendien werd verondersteld dat jeugdigen minder te verwijten is/aan te rekenen is dan volwassenen. Het verschil tussen het jeugdstrafrecht en het volwassenenstrafrecht was destijds erg groot. Het volwassenenstrafrecht had een nadrukkelijk straffend karakter, terwijl het jeugdstrafrecht sterk gericht was op pedagogische interventie. In 1995 vond een herziening van het jeugdstrafrecht plaats waardoor het verschil met het volwassenenstrafrecht minder groot werd. Het jeugdstrafrecht kent nu een meer bestraffend element en in het volwassenenstrafrecht is een opvoedkundig element geslopen.[13] Straffen die voor 1995 al werden uitgevoerd kregen een wettelijke basis, maar ook werden er enkele verzwaringen ingevoerd. Een van deze verzwaringen was de mogelijkheid tot het toepassen van het volwassenenstrafrecht op 16- en 17-jarigen.

Het opvoedende element is nog altijd de insteek van het jeugdstrafrecht gebleven. Daarnaast wordt verondersteld dat jongeren tussen de 12 en 17 jaar oud minder te verwijten valt dan volwassenen en staat de toekomst van de jongere meer centraal in het jeugdstrafrecht dan bij het volwassenenstrafrecht.[14] Er wordt rekening gehouden met het feit dat 16- en 17-jarigen zich nog niet volkomen ontwikkeld hebben en daardoor sneller tot strafbare feiten overgaan. Ook wordt er rekening gehouden met het feit dat jongeren nog vatbaar voor verandering zijn op deze leeftijd. Veel  16- en 17-jarigen maken zich schuldig aan crimineel gedrag, omdat ze grenzen opzoeken en experimenteren, maar met veel begeleiding zou dit gedrag voorkomen kunnen worden.[15]

De ondergrens van 12 jaar voor strafvervolging bestaat sinds 1965. Kinderen onder de 12 jaar worden niet vervolgd voor strafbare feiten volgens art. 486 en 487 Sv. In de toelichting werd dit nader gemotiveerd met ‘het vermoeden van niet-toerekeningsvatbaarheid’ (de leeftijd zou een schulduitsluitingsgrond zijn). Tevens werd ‘het rechtsbewustzijn’ genoemd.[16]Het volwassenenstrafrecht wordt hij hoge uitzondering op minderjarigen toegepast.[17] Hoewel steeds meer minderjarigen een straf krijgen opgelegd door de kinderrechter, zijn we in Nederland terughoudend met het toepassen van vrijheidsbenemende sancties bij jongeren.[18] De kinderrechter houdt bij zijn beslissing altijd rekening met de ernst van het strafbare feit, het motief van het kind, de omstandigheid of hij al eerder in aanraking is geweest met politie en zijn toekomstperspectief.[19] Jongeren worden in beginsel dus niet ten volle verantwoordelijk gehouden voor hun daden omdat zij nog niet volledig ‘uitgegroeid’ zijn. Daarom ligt het accent meer op bescherming van de jongere.[20] Het verzwaren van het jeugdstrafrecht zou voorbij gaan aan het uiteindelijk doel van het systeem, namelijk het reïntegreren van de jongere in de samenleving. Strengere straffen zullen hier zeker niet aan bijdragen. Het systeem van volwassenenstrafrecht is niet toegespitst op jongeren; door hen als volwassenen te berechten zou hen de kans worden ontnomen op een succesvolle terugkeer in de maatschappij.

Tot slot

Concluderend kunnen we stellen dat ook jongeren ernstige misdrijven plegen en in aanraking komen met justitie. Op deze jongeren is een ander systeem van strafrecht van toepassing dan op volwassenen. Dit jeugdstrafrecht bestaat sinds 1905 en is gebaseerd op het idee dat straffen vooral een pedagogisch element moeten bevatten en dat jongeren minder te verwijten valt dan volwassenen. Het toepassen van het volwassenenstrafrecht op jongeren is wel mogelijk, krachtens art. 77b Sr., maar van deze mogelijkheid wordt weinig gebruik gemaakt. Het gebeurt alleen als er een zeer ernstig feit is gepleegd en de persoonlijkheid van de dader en de omstandigheden hiertoe aanleiding geven. De hoofdgedachte van het jeugdstrafrecht is dat jongeren zich nog moeten ontwikkelen en nog gevormd kunnen worden. Men moet voor ogen houden dat jongeren geen volwassenen zijn en daarom ook recht hebben op een andere behandeling. Het strenger straffen van jongeren zou voorbij gaan aan het primaire doel van het jeugdstrafrecht en daarmee geen positieve gevolgen hebben voor de samenleving.


[1]    http://www.halt.nl.

[2]    http://www.halt.nl.

[3]    EHRM 16 december 1999, Appl. 24724/94 (T./Verenigd Koninkrijk) par. 84.

[4]    EHRM 15 juni 2004, Appl. 60958/00 (S.C./Verenigd Koninkrijk) par. 29.

[5]    http://www.rijksoverheid.nl/regering/het-kabinet/regeerakkoord/veiligheid.

[6]    Kamerstukken ΙΙ 2008/09, 31938, nrs. 1-3.

[7]    J. uit Beijerse, De toepassing van een volwassensanctie op 16- of 17-jarigen: pro’s, contra’s, en alternatieven, DD 2009, 75.

[8]    J. uit Beijerse, De toepassing van een volwassensanctie op 16- of 17-jarigen: pro’s, contra’s, en alternatieven, DD 2009, 75.

[9]    J. uit Beijerse, De toepassing van een volwassensanctie op 16- of 17-jarigen: pro’s, contra’s, en alternatieven, DD 2009, 75.

[10]  Rb. Amsterdam 2 april 2010, LJN BL9992.

[11]  Rb. Zwolle-Lelystad 19 oktober 2010, LJN BO0861.

[12]  Veronica Smits, Dat doet de deur dicht < http://weblogs.hollanddoc.nl/mensjesrechten >

[13]  P.A.M. Mevis, Capita Strafecht: een thematische inleiding, Ars Aequi Libri. 2009, p. 648.

[14]  J. De Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2009, p. 111.

[15]  J. uit Beijerse, De toepassing van een volwassensanctie op 16- of 17-jarigen: pro’s, contra’s, en alternatieven, DD 2009, 75.

[16]    J. De Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2009, p. 111.

[17]  G. De Jonge & A.P. van der Linden, Jeugd en strafrecht, Deventer: Kluwer 2007, p.86.

[18]  http://ecpat.sitespirit.nl/images/30/755.pdf.

[19]  http://www.strafrechtzaak.nl/uwkindwordtverdacht#dezittingbijdekinderrechter.

[20]  G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2007, p. 822.


  • 0

Minimumstraffen: politiek opportunisme of verrijking van het strafrecht?

Door Pauline Lindeman

Met de komst van het nieuwe kabinet van VVD en CDA is de kans groot dat minimumstraffen in Nederland in het volwassenenstrafrecht worden ingevoerd. Op voorhand ziet het er namelijk naar uit dat een voorstel tot invoering op een meerderheid in de Tweede Kamer kan rekenen. Nederland kent, als een van de weinige landen in Europa, nog geen stelsel van minimumstraffen. In dit artikel wordt een beeld geschetst van de stand van zaken. Naast aandacht voor de actualiteit van dit thema in Nederland, wordt gekeken naar de situatie in landen waar al wel gewerkt wordt met minimumstraffen. Dit artikel bevat tevens een overzicht van de polemiek tussen voor- en tegenstanders (juristen, politici en andere betrokkenen) die op dit moment in de verschillende media over dit gevoelige onderwerp wordt gevoerd.

Actualiteit en aanleiding

Op 30 september van dit jaar hebben de fractievoorzitters van VVD, CDA en PVV het regeerakkoord en het gedoogakkoord gepresenteerd. Een belangrijk onderwerp in deze akkoorden is veiligheid. Niet voor niets heet het voormalige ministerie van Justitie sinds de komst van dit kabinet het ministerie van Veiligheid en Justitie. In het kader van de veiligheid zal de regering komen met voorstellen voor het invoeren van een bijzonder stelsel van minimumstraffen. Deze straffen moeten worden opgelegd wanneer iemand binnen 10 jaar opnieuw wordt veroordeeld voor een misdrijf waarop wettelijk een maximumstraf van twaalf jaar of meer is gesteld. In geval van individuele, zeer specifieke omstandigheden kan de rechter gemotiveerd afwijken van de minimumstraf. Deze omstandigheden en de hoogtes van de minimumstraffen zullen worden uitgewerkt in een wetsvoorstel. In het regeerakkoord wordt vermeld dat bij recidive tenminste de helft van het wettelijk gestelde maximum van de gevangenisstraf als minimumstraf wordt opgelegd.[1]  

Vorig jaar april diende Tweede Kamerlid De Roon namens de PVV een wetsvoorstel in betreffende de invoering van minimumstraffen, waardoor dit onderwerp ook in 2009 al veel besproken werd.[2] Het plan van de regering om de minimumstraf in Nederland in te voeren leidt ook nu tot veel discussie onder juristen, politici en burgers. Minimumstraffen zijn voor Nederland dus een nieuw fenomeen. In een groot aantal Europese landen worden ze echter al lang toegepast. Het idee van minimumstraffen stamt uit de Code Pénal van 1810 (Franse wetboek van Strafrecht).[3] Zonder ons in details te verliezen (zie daarvoor de genoemde literatuur) lijkt een rondje langs de Europese velden verstandig en leerzaam.

Leren van West-Europa

Voorstanders van een stelsel van minimumstraffen wijzen op het feit dat veel West-Europese landen minimumstraffen reeds hebben ingevoerd en dat aansluiting bij deze landen gewenst is. Je kunt je afvragen of de toepassing van een stelsel van minimumstraffen in veel andere landen voldoende reden is om dit ook in ons land in te voeren. Belangrijker lijkt een antwoord op de vraag of een stelsel van minimumstraffen in andere Europese landen ook daadwerkelijk de positieve effecten teweeg brengt die voorstanders in Nederland van een dergelijk stelsel verwachten.

Naar aanleiding van het wetsvoorstel van De Roon uit 2009, heeft P.J.P. Tak, emeritus hoogleraar van de Radboud Universiteit, een rechtsvergelijkend onderzoek gedaan naar onder meer de effecten van de stelsels van minimumstraffen op veroordelingen, straftoemeting en de publieke opinie.[4] Uit zijn onderzoek blijkt dat het overgrote deel van de West-Europese landen een stelsel van minimumstraffen heeft ingevoerd. Zo bestaan onder andere in de Scandinavische landen, Duitsland, Engeland, Wales, Frankrijk, België, Italië en Spanje verschillende stelsels van minimumstraffen. Wat daarbij opvalt, is dat geen stelsel hetzelfde is. Dit betekent dat het moeilijk is een antwoord te geven op de vraag naar de effecten van minimumstraffen in het algemeen. Zo zijn er in Duitsland meer dan tweehonderd minimumstrafbepalingen, terwijl Denemarken slechts voor enkele delicten een minimumstraf heeft ingevoerd. [5] Ook Zweden, Engeland en Wales kennen minimumstraffen voor een aantal specifieke delicten. In Engeland en Wales staan bijvoorbeeld minimumstraffen op moord en gelden zij bij recidive in geval van drugsdelicten en bij inbraak. Zweden kent aanzienlijk meer minimumstraffen. Zo worden onder meer de misdrijven tegen het leven en de gezondheid, zedendelicten, delicten tegen de veiligheid van personen en goederen, delicten tegen de veiligheid van de staat bedreigd met een minimumstraf. In de meeste andere West-Europese landen gelden minimumstraffen voor een beduidend groter aantal delicten. Dit verschil in aantal is echter niet het enige verschil tussen de stelsels van minimumstraffen in deze landen. In tegenstelling tot het merendeel van de landen in West-Europa geldt in enkele landen, waaronder Frankrijk, de minimumstraf uitsluitend in geval van recidive. Ook bestaan verschillen in de hoogte van de minimumstraf en in de mate van vrijheid die de rechter heeft om af te wijken van strafminima. Deze verschillen variëren aanzienlijk. Er zijn landen waar de rechter geen enkele vrijheid heeft om af te wijken van welke minimumstraf dan ook. Het andere uiterste is een beperking van de discretionaire straftoemetingsbevoegdheid ten aanzien van hooguit een enkel strafbaar feit waarvoor een minimumstraf geldt. Wel is het zo dat de rechter in nagenoeg alle systemen een lagere straf dan de minimumstraf kan opleggen in geval van strafverlichtende omstandigheden.[6] De regelingen hierover verschillen echter ook weer van land tot land.

Tak geeft aan dat vanwege de verschillen tussen de systemen ‘iedere poging om een beknopte (rechtsvergelijkende) beschrijving te geven van het karakter van het stelsel van minimumstraffen in termen van de reikwijdte en de aard van de misdrijven waarvoor minimumstraffen gelden in de EU-landen, bij voorbaat tot mislukken gedoemd is.’[7]

Het feit dat zoveel West-Europese landen een stelsel van minimumstraffen hebben ingevoerd, wordt door voor- en tegenstanders als argument gebruikt in hun betoog over de plannen van de nieuwe regering. Voorstanders menen dat Nederland niet kan achterblijven bij de rest van West-Europa en tegenstanders betogen dat de beoogde effecten van deze stelsels nooit zijn aangetoond. De indienster van de Franse wet betreffende de minimumstraf stelde dat de wet al na een jaar had geleid tot een daling van de criminaliteit. Het causale verband tussen de daling van de criminaliteit en de invoering van de minimumstraffen is echter nooit aangetoond. Tak schrijft in zijn onderzoek over de effecten van het stelsel in Frankrijk dat, vanwege een gebrek aan betrouwbare gegevens, nauwelijks een goede conclusie te trekken is over de effecten van het systeem van minimumstraffen op veiligheid of een verlaging van recidive. Uit zijn conclusie blijkt dat dit ook geldt voor de andere landen waar een stelsel van minimumstraffen is ingevoerd. Tak schrijft dat, vanwege een gebrek aan specifiek onderzoek in deze landen, niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat de minimumstraf daadwerkelijk heeft geleid tot een vermindering van criminaliteit of recidive.[8]  De enorme stijging van het aantal gevangenen is één van de neveneffecten van de minimumstraf in Engeland waarvan men wel vrij zeker is. Deze stijging heeft geleid tot een crisis in het Engelse gevangeniswezen, waardoor de Engelse regeling betreffende de minimumstraf en de vrijheid van de rechter enigszins is aangepast.[9]  De kans is dus aanwezig dat organisatie- en kostenaspecten van een dergelijk stelsel in Nederland op termijn ook zouden kunnen leiden tot problemen in het gevangeniswezen.

Er zijn voorstanders die menen dat de onvrede van burgers over de straftoemeting kan worden verminderd door invoering van de minimumstraf. Tak concludeert dat ook op de vraag of burgers na het invoeren van een systeem van minimumstraffen in hun land inmiddels meer tevreden zijn over de opgelegde straffen, geen betrouwbaar antwoord is te geven.[10]

Pro en contra

Uit een peiling van Maurice de Hond van 19 september 2010 blijkt dat een grote meerderheid van de Nederlanders voor de invoering van minimumstraffen is.[11] Het voorstel van het nieuwe kabinet wordt echter niet door iedereen positief ontvangen. Veel vooraanstaande juristen spreken zich uit tegen de invoering van de minimumstraf. Het kabinetsvoorstel betreft vooralsnog het invoeren van minimumstraffen in geval van recidive bij bepaalde delicten. De discussie gaat echter vooral over de vraag of het Nederlands strafrechtssysteem überhaupt zo ingrijpend veranderd moet worden.

De Roos, hoogleraar strafrecht aan de Universiteit van Tilburg zegt geschokt te zijn door het plan van de regering. De Roos vindt dat de vrijheid van rechters om alle omstandigheden mee te wegen in een zaak niet begrensd mag worden.[12] Het beperken van de vrijheid van de rechter is voor veel juristen het principiële bezwaar tegen invoering van de minimumstraf. Corstens, president van de Hoge Raad, gaf in het programma Buitenhof aan dat rechters in sommige gevallen gedwongen zouden kunnen worden tot het opleggen van onrechtvaardige straffen. Hij merkte hierbij op dat de rechter in concrete gevallen met alle omstandigheden van het geval rekening moet kunnen houden bij het opleggen van een straf. Zoals in een zaak waarin een man door zijn vrouw wordt gedood nadat hij haar jarenlang heeft mishandeld. In zo’n geval is het mogelijk dat een rechter de minimumstraf als onrechtvaardig beschouwt. Het is, aldus Corstens, hopen op een goede ontsnappingsclausule.[13]

Volgens Nijboer, criminoloog aan de Rijksuniversiteit Groningen, kunnen rechters door invoering van minimumstraffen in ernstige gewetensnood worden gebracht. ‘De rechter, die de relevante feiten en omstandigheden kent, kan vinden dat die straf niet in verhouding staat tot de mate van schuld van de dader’, aldus Nijboer.[14] Hij geeft als voorbeeld de levensbeëindiging op verzoek, verricht door een arts die de procedure niet helemaal goed gevolgd heeft. Nijboer betoogt dat rechters het opleggen van de minimumstraf zullen proberen te vermijden.[15]

Uit het onderzoek van Tak blijkt ook dat rechters op zoek gaan naar uitwegen, indien zij nauwelijks mogelijkheden hebben om in bepaalde gevallen een lagere straf dan de minimumstraf op te leggen. Al meteen na de invoering van de minimumstraf in Frankrijk in 1810 vond er een ontwikkeling plaats die de ‘correctionalisering’ werd genoemd. Dit hield in dat het Openbaar Ministerie een bestanddeel van het misdrijf (crime) niet ten laste legde, waardoor alleen de lichtere variant (délit) van het strafbare feit bewezen kon worden. Hierop stond uiteraard een lichtere minimumstraf.[16] Tegenwoordig worden door rechters vrijspraken opgelegd of wordt ‘oneigenlijk’ geseponeerd om onder de onrechtvaardige straf uit te komen.[17] De Roon stelt in zijn wetsvoorstel dat Nederland hier van kan leren. Volgens hem behoort verlichting of vermindering van de minimumstraf absoluut onmogelijk te zijn. ‘De invoering van een minimumstraf betekent juist per definitie dat die straf het minimum is’, aldus De Roon.[18]

Toch heeft de PVV bij de onderhandelingen tijdens de kabinetsformatie ingestemd met een voorstel waarbij in bepaalde gevallen kan worden afgeweken van de minimumstraf. Oud-CDA minister van Justitie, Ernst Hirsch Ballin betoogde begin dit jaar tijdens een campagne voor de raadsverkiezingen dat minimumstraffen passen bij een steeds hardere aanpak van criminaliteit, maar dat deze er niet door vermindert.[19] Toch is ook het CDA tijdens de onderhandelingen akkoord gegaan met de in het regeerakkoord voorgestelde invoering van de minimumstraf.  

Joost Eerdmans, voorzitter van het Burgercomité tegen Onrecht en voorstander van de minimumstraf, ziet het plan van de regering als een tegemoetkoming aan de roep om zwaardere straffen voor ernstige misdrijven.[20] De onvrede onder veel burgers over de straftoemeting in Nederland zorgt, aldus Eerdmans, voor een gebrek aan vertrouwen in de Nederlandse rechtstaat. Hij betoogt dat een begrenzing van de rechterlijke vrijheid de oplossing is voor dit probleem. De Doelder, hoogleraar Strafrecht aan de Erasmus Universiteit, is het niet eens met Eerdmans. Volgens hem blijkt uit cijfers van het CBS dat de criminaliteitscijfers al jaren redelijk gelijk zijn gebleven en dat de straffen in Nederland verhoudingsgewijs erg hoog zijn. ‘Door het poneren van de onware stelling creëren politici zelf het probleem om vervolgens als een reddende engel met een oplossing te kunnen komen, volksverlakkerij dus.’[21] Ook Nijboer vindt de stelling van Eerdmans dat rechters in Nederland niet streng genoeg straffen onjuist. Mede uit het gestegen aantal opgelegde levenslange gevangenisstraffen blijkt dat rechters in de loop der jaren strenger zijn gaan straffen, aldus Nijboer.[22]                                                                                                                                             Met het invoeren van de minimumstraf wordt de rechterlijke vrijheid begrensd. Dit zorgt volgens Eerdmans voor meer rechtsgelijkheid en rechtszekerheid. ‘Een moordenaar in Friesland zal net als een moordenaar in Limburg minimaal 15 jaar cel tegemoet kunnen zien voor zijn daad. Zowel de pleger van de moord als de nabestaanden van het slachtoffer kunnen erop rekenen dat de dader gegarandeerd voor 15 jaar achter de tralies verdwijnt en niet korter.’[23] Nijboer merkt hierover op dat de vrijheid van de rechters om de strafmaat te bepalen al begrensd wordt door landelijke richtlijnen en dat eveneens gelet wordt op de consistentie van de rechtspraak.[24]

In het regeerakkoord wordt voorgesteld de minimumstraf in te voeren voor personen die binnen tien jaar opnieuw veroordeeld worden voor een misdrijf waarop een maximale gevangenisstraf van twaalf jaar of meer staat. De plannen van het kabinet zijn volgens Ybo Buruma, hoogleraar Strafrecht, onnodig en niet effectief. De kleine groep mensen die dergelijke misdrijven pleegt, wordt tegenwoordig al streng gestraft. Ondanks zijn kritiek op het voorstel denkt Buruma dat rechters wel kunnen werken met het voorstel van het kabinet, omdat het weinig schade zal aanrichten.[25]  Ook Nijboer geeft aan dat we, wat betreft de discussie over het kabinetsvoorstel, kunnen spreken van een ‘non-discussie’.[26] Volgens hem is dit voorstel namelijk alleen van toepassing op uitzonderlijke situaties. Hij stelt dat recidive niet veel voorkomt bij het soort delicten waarvoor het kabinet de minimumstraf wil invoeren. Is dit wel het geval, dan zal de rechter volgens Nijboer niet snel een lichte straf opleggen.     In het programma Nieuwsuur gaf Van Riessen, oud-hoofdcommissaris van de Amsterdamse politie, zijn mening over de invoering van de minimumstraf. Op zich is hij geen tegenstander van de minimumstraf. Wel meent hij dat met het door het kabinet voorgestelde systeem van minimumstraffen de recidive niet zal verminderen. Daar zijn andere maatregelen voor nodig, aldus Van Riessen.[27] Kortom, de discussie wordt intensief en volop gevoerd.

Opportunisme of verrijking?                                                                                                 

De naamsverandering van het ministerie van Justitie in het ministerie van Veiligheid en Justitie is een politiek besluit. De vraag blijft of minimumstraffen de veiligheid vergroten of dat er toch naar alternatieven gezocht moet worden. In de media zijn het vooral de leden van de juridische beroepsgroepen die van zich laten horen met grotendeels principiële bezwaren tegen de minimumstraf. Voorstanders refereren vooral aan de onvrede bij burgers over de straftoemeting in Nederland en willen dat Nederland zich aansluit bij andere Europese landen, hoewel over de effecten van minimumstraffen in die landen nauwelijks iets bekend is. Het voorgaande lijkt erop te wijzen dat op voorhand nauwelijks aannemelijk te maken is dat met invoering van de minimumstraf daadwerkelijk bereikt wordt wat wordt beoogd. Dat is toch wel het minste wat verwacht mag worden van een nogal ingrijpende verandering van het rechtssysteem. Mogelijk is hiermee de ondertitel van dit artikel beantwoord.


[1] <http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2010/09/30/regeerakkoord-vvd-cda.html>.

[2] Wetsvoorstel minimumstraffen, Kamerstukken II 2008/09, 31 938.

[3] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010, p. 5.

[4] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010.

[5] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010, p. 20.

[6] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010, p. 16.

[7] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010, p. 20.

[8] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010, p. 44.

[9] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010, p. 37.

[10] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010, p. 34.

[11] J. Caris, ‘Minimumstraf populair, maar werkt het?’, Trouw 19 september 2010.

[12] M. van Dongen, ‘Minimumstraffen op komst voor zware delicten’, Volkskrant 18 september 10.

[13] ‘ Buitenhof’, VPRO Nederland 1, 24 oktober 2010.

[14] J.A. Nijboer, ‘Instellen minimumstraffen overbodige maatregel’, Rug Opinie 6 oktober 2010, <http://www.rug.nl/corporate/nieuws/opinie/2010/opinie34_2010>.

[15] Idem.

[16] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010, p. 7.

[17] P.J.P. Tak, De minimumstraf opnieuw bezien. Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking, Den Haag: SDU uitgevers BV 2010, p. 44.

[18] Wetsvoorstel minimumstraffen, Kamerstukken II 2008/09, 31 938 (MvT).

[19] P. de Leeuw, ‘Geweldscriminaliteit is afgenomen’, BN De Stem 24 februari 2010.

[20] J. Eerdmans, ‘Zwaar misdrijf verdient een zware straf’, Trouw 28 september 2010.

[21] H. de Doelder, ‘Minimumstraffen zijn volksverlakkerij’, Trouw 6 oktober 2010.

[22] J.A. Nijboer, ‘Instellen minimumstraffen overbodige maatregel’, Rug Opinie 6 oktober 2010,                                    <http://www.rug.nl/corporate/nieuws/opinie/2010/opinie34_2010>.

[23] J. Eerdmans, ‘Zwaar misdrijf verdient een zware straf’, Trouw 28 september 2010.

[24] J.A. Nijboer, ‘Instellen minimumstraffen overbodige maatregel’, Rug Opinie 6 oktober 2010,                                    <http://www.rug.nl/corporate/nieuws/opinie/2010/opinie34_2010>.

[25] ‘Minimumstraf onnodig en niet effectief’, De Telegraaf 30 september 2010.

[26]J.A. Nijboer, ‘Instellen minimumstraffen overbodige maatregel’, Rug Opinie 6 oktober 2010,                                    <http://www.rug.nl/corporate/nieuws/opinie/2010/opinie34_2010>.

[27] ‘Nieuwsuur’, NOS/NTR Nederland 2, 17 september 2010.


  • 0

De levenslange gevangenisstraf: hoezo tot de dood erop volgt?

Door Nari Elisabeth Berloth

Wanneer de Nederlandse strafrechter een gevangenisstraf wil opleggen, heeft hij de mogelijkheid tussen een tijdelijke gevangenisstraf en de levenslange gevangenisstraf. De levenslange gevangenisstraf is aan het einde van de 19e eeuw ingevoerd ter vervanging van de doodstraf. Tijdens een toespraak op 16 oktober jongstleden noemde de huidige minister van Justitie, E.M.H. Hirsch Ballin, de actuele cijfers: op dit moment zijn 28 personen onherroepelijk en 7 personen nog niet onherroepelijk veroordeeld tot de levenslange straf.1 Vandaag de dag roept de politiek dat de levenslange gevangenisstraf duurt tot de dood erop volgt. De toenmalige minister Donner riep het in 2004, en onze huidige minister roept het ook. Is het echter wel zo dat levenslang in Nederland levenslang is?

De wettelijke inbedding

In de wet zijn er maar een paar artikelen die iets regelen met betrekking tot de levenslange gevangenisstraf. Het belangrijkste artikel staat in het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr). Lid 1 van artikel 10 Sr luidt: “De gevangenisstraf is levenslang of tijdelijk”. Als je deze zin puur taalkundig bekijkt, dan kun je concluderen een levenslanggestrafte daadwerkelijk vast zal zitten tot de dood erop volgt. Een rechter legt niet de levenslange straf op met de bedoeling dat de veroordeelde over een aantal jaren weer op vrije voeten komt. Dan zou hij wel een tijdelijke gevangenisstraf opleggen, want die mag tegenwoordig maarliefst 30 jaar duren.2 Oplegging van de levenslange gevangenisstraf is kennelijk een weloverwogen keuze van de rechter. Daarnaast lijkt artikel 31 lid 1 sub 1 Sr ook te zien op situaties dat de verdachte voorgoed achter tralies zit, want als de rechter ontzetting van rechten uitspreekt bij een levenlanggestrafte dan moet hij dit voor het leven doen. Verder bepaalt artikel 59 Sr nog dat er bij oplegging van de levenslange gevangenisstraf, op uitzonderingen na, geen andere straffen opgelegd mogen worden. Als je er vanuit gaat dat de veroordeelde nooit meer vrij komt dan heeft het natuurlijk geen zin om een straf op te leggen, omdat de straf niet ten uitvoer gelegd kan worden.

Tegenover deze artikelen staat artikel 2 lid 2 Penitentiaire Beginselenwet, waarin het resocialisatiebeginsel is verwoord: “Met handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel wordt de tenuitvoerlegging hiervan zoveel mogelijk dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer van de betrokkene in de maatschappij.” Dit artikel is ongeclausuleerd opgenomen; er staat niet dat het artikel niet van toepassing is op levenslanggestraften. Ook zij zouden dus zo veel mogelijk voorbereid moeten worden op terugkeer in de samenleving. Daarnaast bepaalt artikel 2 onder b Gratiewet nog dat gratie kan worden verleend “indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.” Door het feit dat aan een levenslanggestrafte gratie kan worden verleend indien de straf geen redelijk doel meer heeft, lijkt de levenslange gevangenisstraf toch wat minder definitief.

Een 100-jarig gratiebeleid

Beëindiging van een levenslange gevangenisstraf gebeurt meestal door middel van gratie. Om te beoordelen of levenslang in de praktijk wel levenslang is, is het relevant te kijken naar het beleid zoals dat gevoerd werd in de loop der tijd. Het cijfermateriaal van de afgelopen vijftig jaar is schaars. Bekend is dat in de jaren ’50 en ’60 twee personen tot levenslang zijn veroordeeld en dat zij beiden zijn gegratieerd.3 Verder zijn er nog een aantal personen die in de jaren ’80 levenslang hebben gekregen; zij zitten momenteel nog vast en hebben geen idee of ze ooit nog in vrijheid gesteld zullen worden. Het beleid, dat tot voor kort gevoerd werd, ontwikkelde zich eind 19e eeuw. Tussen 1889 en 1963 waren er 47 personen veroordeeld tot de levenslange gevangenisstraf. Aan 32 van hen werd gratie verleend en één van hen wist te ontsnappen. Zeven van hen overleden in detentie: vijf binnen zeven jaar in detentie, één na 12 jaar in detentie en één na 37 jaar in een krankzinnigengesticht. De overige zeven zaten in 1963 nog in detentie. In 1969 zaten nog maar twee personen de levenslange gevangenisstraf uit; aan de rest van de 14 levenslanggestraften van na de oorlog was inmiddels gratie verleend.4 Het beleid van de minister in 1950 was dat bij levenslanggestraften gewoonlijk na 15 jaar werd overwogen of zij voor gratie in aanmerking kwamen. Hij maakte dat duidelijk tijdens de behandeling van het wetsontwerp “Nadere voorzieningen betreffende de voorwaardelijke veroordeling en de voorwaardelijke invrijheidstelling”.5 Dat beleid werd reeds vóór de oorlog gevoerd en had tot gevolg dat de levenslange gevangenisstraf nog nooit echt uitgezeten was.6 In de jaren ’607 en ’708 herhaalden de verschillende ministers van Justitie het beleidsuitgangspunt dat levenslang geen levenslang is.

In 1986 is na 17 jaar detentie gratie verleend aan Hans van Z., wat geheel paste in het bestaande beleid. Pas in de jaren ’80 werden weer nieuwe levenslange straffen opgelegd. Door gebrek aan langdurig levenslanggestraften was gratie lange tijd niet aan de orde. Het beleid, dat tot 1986 werd voorgezet en inmiddels al een eeuw oud was, verdween daardoor uit het zicht.9

De nieuwe koers

Vanaf 2000 groeide het aantal veroordelingen tot levenslang echter snel, dus kwam ook het beleid ten aanzien van levenslanggestraften weer in beeld.10 Maar wat was dit beleid precies? In 2004 werd Lucia de B. door het Hof in Den Haag veroordeeld tot levenslang èn tbs. In tegenstelling tot levenslang is tbs wèl gericht op terugkeer in de samenleving, dus stelde VVD-kamerlid Griffith vragen over deze merkwaardige combinatie van straffen aan de toenmalige minister van Justitie, J.P.H. Donner. Deze antwoordde dat levenslang gewoon voor de rest van het leven is, totaal haaks op het beleid dat tot voor kort gevoerd werd.11

Hirsch Ballin, die de opvolger van Donner is, ondersteunt kennelijk het standpunt van zijn voorganger. Op 16 oktober jl. heeft hij samen met staatssecretaris van Justitie, N. Albayrak, een brief geschreven aan de Tweede Kamer waarin hij informatie verschaft over de gratieprocedure voor levenslanggestraften. Met andere woorden: ze geven aan welk beleid vanaf heden gevoerd gaat worden. Er zijn een aantal redenen waarom de minister overgegaan is tot het schrijven van de brief. Die zullen nu eerst genoemd worden, waarna de inhoud van de brief aan bod zal komen. De eerste reden is de groei van het aantal veroordelingen tot de levenslange straf. De tweede reden zijn de kritische uitlatingen van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (verder: RSJ) en het Forum “Humane tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf” (verder: forum) over het beleid ten aanzien van levenslanggestraften. Eerst zal even stil worden gestaan bij de RSJ en het forum en het kritiek dat zij hebben op het beleid. De derde reden zal daarna genoemd worden.

De RSJ heeft onder andere de taak de minister van Justitie te voorzien van gevraagd of ongevraagd advies over de uitvoering van beleid. Met betrekking tot de levenslange gevangenisstraf heeft de RSJ op 1 december 2006 een ongevraagd advies geschreven aan de minister. De huidige situatie, waarin er voor een tot levenslang veroordeelde geen regelingen bestaan op grond waarvan nut en noodzaak van voortzetting van detentie na verloop van tijd worden getoetst, achtte de instantie ongewenst. Daarnaast zou deze praktijk volgens de RSJ op gespannen voet staan met zowel internationale verdragen als de Europese strafrechtpraktijk. Er zijn dan ook een aantal concrete aanbevelingen gedaan met betrekking tot dit punt. Op 29 april 2008 is er nog een aanvulling op dit advies naar de minister gestuurd. Daarin heeft de RSJ aangegeven dat zijn aanbevelingen breed worden ondersteund en dat de reactie van de staatssecretaris van Justitie minder enthousiast is, maar dat er echt wat moet gaan veranderen aan de huidige situatie.12

Het forum bestaat uit vooraanstaande vertegenwoordigers uit de wetenschap, psychiatrie en rechtspraak die zich hebben verenigd in 2008. Zij maken zich zorgen over het levenslang opsluiten van mensen zonder enig perspectief op vrijlating. In eerste instantie probeert het forum het draagvlak voor een humanere tenuitvoerlegging te vergroten, maar het uiteindelijke doel is een wetswijziging. Als het aan het forum lag, zouden levenslanggestraften periodiek beoordeeld worden om te kijken of ze in aanmerking komen voor strafvermindering of vervroegde vrijlating. Daarbij denkt het forum zelf aan een eerste beoordeling na vijftien jaar.13

De derde reden voor het schrijven van de brief is het arrest van de Hoge Raad op 16 juni jl. In dit arrest is de Hoge Raad ingegaan op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (verder: EHRM) met betrekking tot de levenslange straf. De vraag of deze straf in een bepaald land in strijd is met het verbod op foltering (art. 3 EVRM) is al vaak aan het EHRM voorgelegd. Het volgende kan geconcludeerd worden: de levenslange straf als zodanig is niet in strijd met het artikel, tenzij het daarbij gaat om een ‘irreducable lifesentence’. De levenslange straf moet volgens het EHRM ‘de facto’ en ‘de iure’ reduceerbaar zijn.14 De iure betekent dat de wet moet voorzien in een mogelijkheid tot strafreductie en de facto wil zeggen dat in de praktijk ook daadwerkelijk strafverkorting plaatsvindt. In de zaak van 16 juni jl. heeft de verdediging aangevoerd dat zolang de wet niet voorziet in een periodieke rechterlijke toetsing van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf, het opleggen van de levenslange gevangenisstraf in strijd is met art. 3 EVRM. Daarop heeft de Hoge Raad geantwoord dat aan de jurisprudentie van het EHRM niet te ontlenen valt dat een voorziening ter verkorting van de levenslange gevangenisstraf dient te bestaan uit een wettelijk voorgeschreven periodieke herbeoordeling van de straf door een rechter. Het zou slechts een manier kunnen zijn om gestalte te geven aan de waarborg in de verdragsbepaling. Met de betrekking tot de iure reduceerbaarheid stelt de Hoge Raad het volgende vast: “Aan de veroordeelde kan, ook na oplegging van een levenslange gevangenisstraf, gratie worden verleend, terwijl deze voorts het oordeel van de burgerlijke rechter kan inroepen omtrent de rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van die straf.” De iure is er dus een mogelijkheid tot strafverkorting, maar verdediging voert aan dat de straf de facto niet reduceerbaar is, omdat in Nederland de levenslange gevangenisstraf nimmer wordt verkort. Daarop antwoordt de Hoge Raad met deze woorden: “Dat is een stelling van feitelijke aard die zich niet leent voor onderzoek door de Hoge Raad.” Verderop vervolgt hij: “Indien evenwel zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf in feite nimmer wordt verkort, kan dat van betekenis zijn bij de beantwoording van de vraag of oplegging van een levenslange gevangenisstraf dan wel verdere voortzetting van een dergelijke straf zich verdraagt met de uit art. 3 EVRM voortvloeiende eisen, zoals die door het EHRM in het arrest Kafaris vs. Cyprus nader zijn omlijnd.”15 In de vorige eeuw is vrijwel altijd gratie verleend, maar als we de minister moeten geloven zal dat in de toekomst niet meer gebeuren. Of de Nederlandse levenslange gevangenisstraf wel of niet in strijd is met art. 3 EVRM zal dus afhangen van hoe vaak in de toekomst gratie zal worden verleend.

Dan nu de inhoud van de brief. De minister schrijft dat hij voornemens is om een procedure in het leven te roepen, waarbij minimaal één keer in de vijf jaar aan een levenslanggestrafte de gelegenheid wordt geboden om onderzoek te laten doen gericht op diagnostiek en risicotaxatie. “Dit advies richt zich onder andere op de verdere tenuitvoerlegging van de straf. De levenslanggestrafte kan het psychologisch rapport tevens gebruiken voor het indienen van een gratieverzoek”, aldus de minister. Verder beschouwt hij de uitspraak van de Hoge Raad van 16 juni jl. als ondersteuning van het ingezette beleid. “Levenslang is in beginsel levenslang”, houdt Hirsch Ballin vol. Daarna haakt hij in op het feit dat in 2005 het maximum van de tijdelijke gevangenisstraf is verhoogd naar 30 jaar. Gevolg is dat het verschil met levenslang minder groot is geworden waardoor de rechter meer dan voorheen een weloverwogen keuze maakt voor levenslang. “De mogelijkheid van gratie biedt een veroordeelde een perspectief op vrijlating”, vervolgt de minister. Dit vanuit de wetenschap dat ook bij levenslanggestraften personen en omstandigheden in de loop der tijd kunnen veranderen. Hirsch Ballin meent dat het gevaar dat een levenslanggestrafte vormt voor de samenleving een wezenlijk punt van afweging is voor de beslissing om al dan niet gratie te verlenen. Gratie kan leiden tot het omzetten van levenslang in een tijdelijke gevangenisstraf, waarna alsnog voorwaardelijke invrijheidstelling kan plaatsvinden of het beëindigen van levenslang (eventueel onder voorwaarden). Op het voorstel van onder andere het forum en de RSJ om de levenslange gevangenisstraf periodiek te toetsen, antwoordt de minister dat er in zijn ogen voldoende toetsingsmogelijkheden zijn. Mede gelet op de uitspraak van de Hoge Raad ziet hij er geen noodzaak in om de levenslange gevangenisstraf tussentijds te toetsen, bijvoorbeeld na vijftien jaar. “Op basis van de individuele omstandigheden van de levenslanggestrafte wordt over het gratieverzoek van een levenslanggestrafte beslist. Hierbij spelen naast de vergeldingscomponent en de ernst van het delict ook andere aspecten, zoals de leeftijd van een levenslanggestrafte, medische- en psychiatrische toestand en het recidiverisico.” Volgens Hirsch Ballin doet herziening of voorwaardelijke invrijheidstelling op een vast moment geen recht doet aan het individuele geval van de levenslanggestrafte. De minister sluit de brief af met de volgende woorden: “Het is van belang dat elk gratieverzoek van een levenslanggestrafte per individueel geval wordt bekeken. Hiervoor kan dan ook geen standaard beleid worden voorgeschreven.”16

Conclusie

Tot het eind van de vorige eeuw was het beleid nog luid en duidelijk; levenslang is geen levenslang. Nadat de levenslanggestrafte zo’n 15 jaar had gezeten werd al gekeken naar de mogelijkheid om gratie te verlenen. Veroordeelden tot levenslang wisten waar ze aan toe waren, totdat minister Donner in 2004 riep dat de levenslange straf zou duren totdat de dood erop zou volgen. Dat onze huidige minister Hirsch Ballin dit pad zal volgen heeft hij duidelijk gemaakt in een brief die hij op 16 oktober jl. gestuurd heeft aan de Tweede Kamer. In die brief benadrukt hij dat levenslang in beginsel levenslang is, maar dat een levenslanggestrafte de mogelijkheid heeft een gratieverzoek in te dienen. Een periodieke herbeoordeling ziet hij niet zitten, maar hij is wel voornemens om een procedure in het leven te roepen, waarbij minimaal één keer in de vijf jaar aan een levenslanggestrafte de gelegenheid wordt geboden om onderzoek te laten doen gericht op diagnostiek en risicotaxatie. De inhoud van de brief is door kranten op verschillende manieren geïnterpreteerd, maar mijn conclusie is dat de minister zo veel mogelijk levenslanggestraften achter slot en grendel wil houden. Hij kan echter niet om de rechtspraak van het EHRM heen, waarin bepaald is dat een strafverkorting van de levenslange gevangenisstraf niet alleen mogelijk moet zijn gemaakt in de wet, maar in de praktijk ook toegepast moet worden. In de toekomst zullen er dus een aantal levenslanggestraften in vrijheid gesteld moeten worden. Daarnaast zal hij waarschijnlijk de hete adem van de RSJ en het forum in zijn nek blijven voelen. Het beleid dat de minister wil voeren is duidelijk, maar de praktijk zal ons moeten leren of levenslanggestraften vanaf nu ook daadwerkelijk vast zullen zitten totdat de dood erop volgt.

Graag wil ik mw. mr. W.F. van Hattum bedanken voor het verschaffen van de informatie op basis waarvan ik dit artikel heb kunnen schrijven.


Archief

Zoeken

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.