Jaargang 44 - Nummer 2

Volwassen straffen voor jeugdige daders? Het jeugdstrafrecht nader toegelicht

Door Ingrid Hekman & Nikki Koops

De 16-jarige Kenneth C. pleegt in februari 2008 een gruwelijke moord op de Amsterdamse garagehouder Rick Haster. Hij wordt veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf volgens het volwassenenstrafrecht. De 16-jarige Jaap van der H., hoofdverdachte in de zaak Dirk Post, is onlangs veroordeeld tot een jaar jeugddetentie en jeugd-tbs voor maximaal zes jaar. Dit zijn slechts enkele voorbeelden van zaken waarin Nederland werd opgeschikt door misdrijven waarbij jeugdige daders betrokken zijn. Naar aanleiding van ernstige misdrijven gepleegd door jongeren, rijst steeds vaker de vraag of deze jongeren wel berecht moeten worden volgens het jeugdstrafrecht. Voor wie en in welke situaties geldt het jeugdstrafrecht eigenlijk? Waarom werd Kenneth C. veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf en Jaap van der H. ‘maar’ tot één jaar? En is het jeugdstrafrecht niet volledig uit de tijd?

Uitgangspunten van het jeugdstrafrecht

We staan eerst stil bij de uitgangspunten en kenmerken van het Nederlandse jeugdstrafrecht. Dat jongeren een speciale positie innemen binnen het strafrecht blijkt al uit titel 8a van het wetboek van Strafrecht (Sr). Daarin staan bijzondere bepalingen voor jeugdige personen. Verder kan krachtens artikel 486 van het wetboek van Strafvordering (Sv) niemand strafrechtelijk worden vervolgd wegens een feit, begaan voordat hij de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt. Een belangrijk uitgangspunt is dus dat jongeren onder de 12 jaar niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd. Aan deze groep jongeren kunnen wel enkele dwangmiddelen worden opgelegd, wanneer uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat een strafbaar feit is gepleegd (art. 487 Sv.).

Kinderen jonger dan 12 jaar kunnen zoals gezegd niet strafrechtelijk worden vervolgd wanneer ze iets gedaan hebben dat strafbaar is, maar bijvoorbeeld wel door de politie worden gefouilleerd en meegenomen worden naar het bureau voor verhoor. Op dit moment wordt er een nieuwe aanpak voor delictplegende kinderen jonger dan 12 jaar en hun ouders voorbereid door de politie en Bureau Jeugdzorg. Wanneer deze jongeren in aanraking komen met de politie, spreekt deze de ouders aan en stuurt ze naar Bureau Jeugdzorg. Bureau Jeugdzorg verwijst ze door naar een persoonsgericht aanbod, met als uitgangspunt lichte interventies waar dat volstaat en intensieve interventies waar nodig. Deze nieuwe aanpak is nog in ontwikkeling en wordt stapsgewijs ingevoerd. Deze invoering zal aan het einde van 2010 zijn voltooid.[1]

Wanneer de situatie van een kind beneden de 12 jaar dermate uit de hand loopt dat ingrijpen noodzakelijk is, kan de rechter geen straf opleggen. Het is dan wel mogelijk om na onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming een maatregel op te leggen, bijvoorbeeld een ondertoezichtstelling, waarbij een gezinsvoogd wordt aangewezen. Voor jongeren van 12 tot 18 jaar geldt het jeugdstrafrecht, voor zover zij ten tijde van het plegen van het delict tussen de 12 en 18 jaar waren. Als jongeren worden aangehouden op verdenking van een licht vergrijp, kunnen zij één keer een officiële waarschuwing krijgen. Bij het volgende contact met de politie kan de jongere kiezen: of naar justitie, of naar de organisatie Het Alternatief (Halt). Via een zogenaamde ‘Halt-afdoening’[2] kunnen jongeren rechtzetten wat zij fout hebben gedaan zonder dat zij in aanraking komen met het Openbaar Ministerie. Dit heeft als voordeel dat de jongere geen strafblad krijgt. Een Halt-afdoening kan maximaal twee keer worden aangeboden, waarbij als aanvullende voorwaarde geldt dat er minimaal een jaar tussen de vergrijpen moet zitten. Als een Halt-afdoening niet mogelijk is, of gekozen wordt voor de weg naar justitie, wordt de jongere voorgeleid aan de officier van justitie. De officier van justitie bepaalt of de dader voor de rechter moet komen en hij beslist of er een boete, schadevergoeding, straf of maatregel moet worden gevraagd. De kinderrechter bepaalt uiteindelijk de straf. In beginsel komt elke jongere voor de kinderrechter, ook al is hij inmiddels 18 jaar geworden. Jongeren tot 16 jaar mogen een celstraf van maximaal één jaar krijgen, voor jongeren tot 18 jaar is dit maximaal twee jaar. Verder is er de mogelijkheid tot kinderdetentie, maar dit komt alleen voor wanneer sprake is van een ernstig strafbaar feit waarbij de kans op recidive groot is.

Voor de toepassing van het jeugdstrafrecht is ook een aantal internationale verdragen van groot belang, met name het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en in mindere mate het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Krachtens artikel 40 IVRK hebben jongeren ten eerste recht op een eerlijk proces met dezelfde waarborgen die ook gelden ten aanzien van volwassenen, zoals het legaliteitsbeginsel. Ten tweede staat er met zoveel woorden dat jongeren recht hebben op een andere behandeling dan volwassenen. Er moet een aparte, speciale behandeling zijn voor jongeren in het strafrecht, met het uiteindelijk doel de jongeren te re-integreren in de maatschappij. Het recht op een eerlijk proces is tevens te vinden in artikel 6 EVRM. Er wordt in deze bepaling niet met zoveel woorden verwezen naar jeugdige verdachten, maar volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) valt dat hieruit wel af te leiden.  Het standpunt van het EHRM houdt in dat krachtens artikel 6 EVRM nationale autoriteiten ervoor moeten zorgen dat jongeren hun strafproces begrijpen en dat zij daarin ook actief kunnen meedingen.[3] Ook moeten zij een algemeen begrip hebben van de aard van het proces en de consequenties met betrekking tot de sanctie.[4]

Het jeugdstrafrecht ligt de laatste jaren erg onder vuur. Er heerst in de samenleving een bepaald gevoel van ontevredenheid; men kan zich niet verenigen met het idee dat een 15-jarige moordenaar ‘maar’ één jaar in de gevangenis doorbrengt. Ook de nieuwe regering buigt zich over het huidige jeugdstrafrecht. Het kabinet zal een voorstel voorbereiden voor een adolescentenstrafrecht voor de groep van 15 tot 23 jaar[5] en de PVV heeft plannen voor het verruimen van de mogelijkheden om het volwassenenstrafrecht toe te passen op jeugdigen.[6] De huidige tekst van artikel 77b Sr is kennelijk niet toereikend meer. Dit artikel zal hieronder nader worden uitgelegd, mede aan de hand van de aangehaalde strafzaken.

Volwassenenstrafrecht toegepast op 16- en 17-jarigen

Art. 77b Sr biedt de rechter de mogelijkheid verdachten, die ten tijde van het delict 16 of 17 jaar oud waren, te berechten volgens het gewone strafrecht. Om tot een veroordeling te komen moet, naast de gewone vereisten voor een veroordeling, worden voldaan aan drie voorwaarden. Ten eerste moet de dader een ernstig strafbaar feit hebben gepleegd, ten tweede moeten de omstandigheden waaronder het strafbare feit is begaan daartoe aanleiding geven en ten derde moet de persoonlijkheid van de dader vervolging volgens volwassenenstrafrecht toelaatbaar maken.

Het criterium dat het meest wordt gebruikt in de jurisprudentie is ‘de ernst van het feit’. Hierbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld moord en doodslag. Dit criterium wordt nooit gebruikt als enige criterium, maar is meer een basisvoorwaarde voor de toepassing van het artikel.[7] Het tweede criterium, ‘de omstandigheden waaronder het feit is begaan’, kan op geheel verschillende manieren worden uitgelegd. Het kan betrekking hebben op de rolverdelingen tussen de verdachten, maar ook op omstandigheden die het feit verzwaren.[8] Het laatst genoemde criterium, ‘de persoonlijkheid van de verdachte’, is het enige inhoudelijke criterium. Aan dit criterium is voldaan wanneer een jeugdige kan worden aangezien als volwassen. Hierbij kan worden gedacht aan aspecten  zoals het ontwikkelingsstadium van de jongere, evenals leefwijze en de mate van zelfstandigheid.[9] Dit criterium heeft dus, als enige van de drie criteria, een duidelijke inhoud gekregen. Maar waarom werd nu Kenneth C. berecht volgens het volwassenenstrafrecht en Jaap van der H. volgens het jeugdstrafrecht?

Op 22 februari 2008 werd de garagehouder Rick Haster op gruwelijke wijze vermoord en teruggevonden in zijn eigen garage. Hij was vastgebonden aan een motorblok en twintig keer met een mes gestoken. De verdachten, de 22-jarige Martin M. en de 16-jarige Kenneth C., ontkenden in eerste instantie dat zij de moord hadden gepleegd, maar werden uiteindelijk toch veroordeel op grond van het gevonden bewijsmateriaal. Zo zijn handpalm- en vingerafdrukken gevonden in het bloed in de garage en daarnaast werd bij M. thuis een bivakmuts met de sporen van Haster aangestroffen. Martin M. vertelde uiteindelijk dat er ruzie was ontstaan over een verkochte auto. De Rechtbank Amsterdam heeft beide jongens tot 20 jaar gevangenisstraf veroordeeld. Tegen een minderjarige was nog nooit eerder in Nederland een zo hoge straf uitgesproken. In hoger beroep is Kenneth C. veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf.[10]

In deze zaak is door de officier van justitie TBS met dwangverpleging en 6 jaar gevangenisstraf geëist tegen Kenneth C. Toch is de jongen door de rechtbank veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf. Bij deze veroordeling was van doorslaggevende betekenis dat Kenneth C. op geen enkele wijze blijk gaf van inzicht in zijn problemen en er geen aanwijzingen waren dat hij zelf iets aan deze problemen wilde doen. De drie criteria voor toepassing van art. 77b Sr. werden in deze zaak duidelijk ingevuld. De ernst van het feit werd gevonden in het feit dat het slachtoffer op een gruwelijke wijze werd vermoord. De omstandigheden van het feit lagen besloten in de omstandigheid dat er sprake was van een gelijkwaardige rolverdeling tussen de twee verdachten. Tot slot was ook de persoonlijkheid van de verdachte een aanleiding voor de veroordeling van de rechtbank, omdat de rechtbank hem ziet als een persoon die zijn kansen berekent en daarnaar handelt, een eigenschap die blijk geeft van een volwassen houding.

Eind 2009 werd Nederland opgeschrikt door de moord op Dirk Post uit Urk. De reden van de moord was niet ruzie om een meisje zoals eerder werd gedacht, maar dat de 16-jarige Jaap van der H., hoofdverdachte in de zaak, ooit aan Dirk had verteld dat hij door middel van ‘glaasje draaien’ een geest op had geroepen en dacht dat hij sindsdien vervloekt was. Dirk zou dit hebben doorverteld, hetgeen voor Jaap reden was hem te vermoorden. Van der H. stak Dirk met 47 messteken dood. Tijdens het steken heeft hij tijd gehad om over zijn handelen na te denken, maar desondanks is hij doorgegaan, aldus de rechter. Van der H. lijdt aan een ernstige ontwikkelingsstoornis en ook werden kort na zijn aanhouding psychotische verschijnselen vastgesteld, zo stelden de psychiaters. De rechtbank wilde deze omstandigheden echter niet in een mildere straf tot uiting brengen, aangezien verdachte voor zijn ernstige daad al volgens het mildere jeugdrecht werd berecht. Maar het is wel van groot belang dat Van der H. blijvend hulp krijgt in de vorm van een behandeling, zo stelde de rechtbank. De rechtbank in Lelystad heeft Jaap van der H. veroordeeld tot twaalf maanden jeugddetentie, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast werd Van der H. veroordeeld tot gedwongen behandeling in een inrichting voor jeugdigen.[11]        

In de zaak Dirk Post is de toepassing van het volwassenenstrafrecht niet mogelijk. Toen het misdrijf gepleegd werd, was Jaap van der H. vijftien jaar oud. Daarom is de maximale straf één jaar jeugddetentie. De rechter achtte overtuigend bewezen dat hij Dirk opzettelijk en met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht. Deze zaak zorgt voor veel verdeeldheid in de samenleving: men worstelt met de vraag of volwassen misdrijven (gepleegd door jeugdigen) niet volwassen gestraft moeten worden. In de twee genoemde zaken bepaalde een leeftijdsverschil van één jaar het verschil tussen 20 jaar gevangenisstraf en 12 maanden jeugddetentie. Is dit een wenselijke uitkomst of is het jeugdstrafrecht toe aan een verandering?

Grondslagen van het jeugdstrafrecht

De heer Teeven, lid van de tweede kamer namens de VVD, betoogde op 24 november 2008 bij Pauw en Witteman dat kinderen vanaf 15 jaar voortaan in een openbare terechtzitting terecht moeten staan. Hij vindt dat kinderen die volwassen delicten plegen, ook als volwassen moeten worden behandeld.[12] Hoewel de uitspraak van de heer Teeven enkel gaat over het uitgangspunt dat er in het jeugdstrafrecht geen publiek wordt toegelaten, wordt de vraag of het jeugdstrafrecht in het algemeen niet strenger moet worden, steeds vaker gesteld (dit naar aanleiding van ernstige geweldsmisdrijven waarbij jonge daders betrokken waren).

Het Nederlandse jeugdstrafrecht bestaat sinds 1905. Rond deze tijd groeide de overtuiging dat de overheid actief moest opkomen voor de zwakkeren in de samenleving, waaronder de jeugd. De wetgever wilde een pedagogisch element opnemen naast het pure straffen. Bovendien werd verondersteld dat jeugdigen minder te verwijten is/aan te rekenen is dan volwassenen. Het verschil tussen het jeugdstrafrecht en het volwassenenstrafrecht was destijds erg groot. Het volwassenenstrafrecht had een nadrukkelijk straffend karakter, terwijl het jeugdstrafrecht sterk gericht was op pedagogische interventie. In 1995 vond een herziening van het jeugdstrafrecht plaats waardoor het verschil met het volwassenenstrafrecht minder groot werd. Het jeugdstrafrecht kent nu een meer bestraffend element en in het volwassenenstrafrecht is een opvoedkundig element geslopen.[13] Straffen die voor 1995 al werden uitgevoerd kregen een wettelijke basis, maar ook werden er enkele verzwaringen ingevoerd. Een van deze verzwaringen was de mogelijkheid tot het toepassen van het volwassenenstrafrecht op 16- en 17-jarigen.

Het opvoedende element is nog altijd de insteek van het jeugdstrafrecht gebleven. Daarnaast wordt verondersteld dat jongeren tussen de 12 en 17 jaar oud minder te verwijten valt dan volwassenen en staat de toekomst van de jongere meer centraal in het jeugdstrafrecht dan bij het volwassenenstrafrecht.[14] Er wordt rekening gehouden met het feit dat 16- en 17-jarigen zich nog niet volkomen ontwikkeld hebben en daardoor sneller tot strafbare feiten overgaan. Ook wordt er rekening gehouden met het feit dat jongeren nog vatbaar voor verandering zijn op deze leeftijd. Veel  16- en 17-jarigen maken zich schuldig aan crimineel gedrag, omdat ze grenzen opzoeken en experimenteren, maar met veel begeleiding zou dit gedrag voorkomen kunnen worden.[15]

De ondergrens van 12 jaar voor strafvervolging bestaat sinds 1965. Kinderen onder de 12 jaar worden niet vervolgd voor strafbare feiten volgens art. 486 en 487 Sv. In de toelichting werd dit nader gemotiveerd met ‘het vermoeden van niet-toerekeningsvatbaarheid’ (de leeftijd zou een schulduitsluitingsgrond zijn). Tevens werd ‘het rechtsbewustzijn’ genoemd.[16]Het volwassenenstrafrecht wordt hij hoge uitzondering op minderjarigen toegepast.[17] Hoewel steeds meer minderjarigen een straf krijgen opgelegd door de kinderrechter, zijn we in Nederland terughoudend met het toepassen van vrijheidsbenemende sancties bij jongeren.[18] De kinderrechter houdt bij zijn beslissing altijd rekening met de ernst van het strafbare feit, het motief van het kind, de omstandigheid of hij al eerder in aanraking is geweest met politie en zijn toekomstperspectief.[19] Jongeren worden in beginsel dus niet ten volle verantwoordelijk gehouden voor hun daden omdat zij nog niet volledig ‘uitgegroeid’ zijn. Daarom ligt het accent meer op bescherming van de jongere.[20] Het verzwaren van het jeugdstrafrecht zou voorbij gaan aan het uiteindelijk doel van het systeem, namelijk het reïntegreren van de jongere in de samenleving. Strengere straffen zullen hier zeker niet aan bijdragen. Het systeem van volwassenenstrafrecht is niet toegespitst op jongeren; door hen als volwassenen te berechten zou hen de kans worden ontnomen op een succesvolle terugkeer in de maatschappij.

Tot slot

Concluderend kunnen we stellen dat ook jongeren ernstige misdrijven plegen en in aanraking komen met justitie. Op deze jongeren is een ander systeem van strafrecht van toepassing dan op volwassenen. Dit jeugdstrafrecht bestaat sinds 1905 en is gebaseerd op het idee dat straffen vooral een pedagogisch element moeten bevatten en dat jongeren minder te verwijten valt dan volwassenen. Het toepassen van het volwassenenstrafrecht op jongeren is wel mogelijk, krachtens art. 77b Sr., maar van deze mogelijkheid wordt weinig gebruik gemaakt. Het gebeurt alleen als er een zeer ernstig feit is gepleegd en de persoonlijkheid van de dader en de omstandigheden hiertoe aanleiding geven. De hoofdgedachte van het jeugdstrafrecht is dat jongeren zich nog moeten ontwikkelen en nog gevormd kunnen worden. Men moet voor ogen houden dat jongeren geen volwassenen zijn en daarom ook recht hebben op een andere behandeling. Het strenger straffen van jongeren zou voorbij gaan aan het primaire doel van het jeugdstrafrecht en daarmee geen positieve gevolgen hebben voor de samenleving.


[1]    http://www.halt.nl.

[2]    http://www.halt.nl.

[3]    EHRM 16 december 1999, Appl. 24724/94 (T./Verenigd Koninkrijk) par. 84.

[4]    EHRM 15 juni 2004, Appl. 60958/00 (S.C./Verenigd Koninkrijk) par. 29.

[5]    http://www.rijksoverheid.nl/regering/het-kabinet/regeerakkoord/veiligheid.

[6]    Kamerstukken ΙΙ 2008/09, 31938, nrs. 1-3.

[7]    J. uit Beijerse, De toepassing van een volwassensanctie op 16- of 17-jarigen: pro’s, contra’s, en alternatieven, DD 2009, 75.

[8]    J. uit Beijerse, De toepassing van een volwassensanctie op 16- of 17-jarigen: pro’s, contra’s, en alternatieven, DD 2009, 75.

[9]    J. uit Beijerse, De toepassing van een volwassensanctie op 16- of 17-jarigen: pro’s, contra’s, en alternatieven, DD 2009, 75.

[10]  Rb. Amsterdam 2 april 2010, LJN BL9992.

[11]  Rb. Zwolle-Lelystad 19 oktober 2010, LJN BO0861.

[12]  Veronica Smits, Dat doet de deur dicht < http://weblogs.hollanddoc.nl/mensjesrechten >

[13]  P.A.M. Mevis, Capita Strafecht: een thematische inleiding, Ars Aequi Libri. 2009, p. 648.

[14]  J. De Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2009, p. 111.

[15]  J. uit Beijerse, De toepassing van een volwassensanctie op 16- of 17-jarigen: pro’s, contra’s, en alternatieven, DD 2009, 75.

[16]    J. De Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2009, p. 111.

[17]  G. De Jonge & A.P. van der Linden, Jeugd en strafrecht, Deventer: Kluwer 2007, p.86.

[18]  http://ecpat.sitespirit.nl/images/30/755.pdf.

[19]  http://www.strafrechtzaak.nl/uwkindwordtverdacht#dezittingbijdekinderrechter.

[20]  G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2007, p. 822.

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.