Ziet het huidige levenslangbeleid zijn laatste levenslicht?

Jaargang 50 - Nummer 1

Door: Willem Beerda

Inleiding

In de Nederlandse samenleving hoor je vaak dat de bevolking gevangenisstraffen over het algemeen aan de lage kant vindt en dat veroordeelden veel te snel weer op vrije voeten staan. Intussen zitten er in Nederland ruim dertig mensen levenslang achter de tralies. Deze straf kan worden opgelegd ingevolge artikel 10 lid 1 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).[1] De feiten waarvoor er levenslange gevangenisstraf kan worden gegeven zijn onder andere: moord, het leiding geven aan een terroristische organisatie, het plegen van terroristische aanslagen of aanslag(en) op de regering of de koning(in).[2] Is de levenslange gevangenisstraf ook echt levenslang? Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord. Wanneer je een onherroepelijke levenslange gevangenisstraf hebt gekregen en er dus geen beroep kan worden gedaan bij de rechter, kun je tot de dood in de gevangenis zitten. Nederland is het enige land in Europa waar in beginsel levenslang ook echt levenslang is.[3] Is er dan geen mogelijkheid om aan een levenslange gevangenisstraf te ontkomen? Er is een wettelijk geregelde procedure van gratie waardoor de straf kan worden verkort. Voldoet de geldende regelgeving van de gratieprocedure nog wel aan de huidige Europese normen? In dit artikel zal dit worden besproken aan de hand van enkele belangrijke uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM). Op basis van deze Europese rechtspraak en de reactie van de Hoge Raad, zal in dit artikel worden besproken of de situatie in Nederland hier aan voldoet, ook na de aanpassingen die Staatssecretaris Dijkhoff wil toepassen.

 

De levenslange gevangenisstraf

De rechter heeft de keuze om verschillende sancties op te leggen wanneer iemand schuldig wordt bevonden aan een strafbaar feit. Het commune strafrecht kent twee vrijheidsbenemende maatregelen: de gevangenisstraf en de hechtenis. Vrijheidsbeneming wordt in ons land in de regel ervaren als de meest zware vorm van sanctionering.[4] Ingevolge artikel 10 lid 1 Sr kan de gevangenisstraf levenslang of tijdelijk zijn, met een maximale duur van dertig jaar op grond van artikel 10 lid 4 Sr. Ons wetboek kent, anders dan de sanctiestelsels van verschillende andere Europese landen, geen verplichte oplegging van een levenslange gevangenisstraf bij bepaalde delicten.[5] In de gevallen dat er een levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd, kan de rechter in plaats daarvan kiezen voor een gevangenisstraf van ten hoogste dertig jaar. Deze tijdelijke gevangenisstraf had eerst een maximumduur van twintig jaar maar deze is in 2006 verhoogd naar dertig jaar, omdat er anders een zogenaamd ‘strafgat’ bestond tussen het maximum van de tijdelijke gevangenisstraf van twintig jaar en levenslang.[6] Rechters zouden dan eerder grijpen naar levenslang, wanneer een straf van twintig jaar te kort zou worden gevonden. In Nederland is het dus mogelijk om een veroordeelde daadwerkelijk levenslang op te sluiten. Deze straf geldt na het afschaffen van de doodstraf in 1870 als de ultieme sanctie.

 

De oplegging van een levenslange gevangenisstraf betekent in verreweg de meeste rechtsstelsels dat de detentie niet daadwerkelijk levenslang duurt. De meeste staten kennen de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidsstelling, gratie, dan wel een andere manier van het beëindigen van de straf.[7] Ingevolge artikel 15 Sr is de regeling van de voorlopige invrijheidstelling in Nederland niet van toepassing op de levenslange gevangenisstraf.

 

In 2004 heeft toenmalig minister Donner het beleid aangekondigd dat levenslang ook daadwerkelijk levenslang is.[8] De ratio hierachter is dat de rechter niet voor niets levenslang oplegt en dat straffen ten uitvoer moeten worden gelegd. Dit is in 2009 in een brief van de bewindslieden van justitie nogmaals benadrukt; levenslang is in beginsel ook echt levenslang.[9] De levenslange gevangenisstraf zoals die in Nederland ten uitvoer wordt gelegd, staat de laatste jaren ter discussie. In de meeste Europese landen kijkt een rechter na een bepaalde periode of de levenslange gevangenisstraf nog noodzakelijk en legitiem is. In Nederland bestaat deze mogelijkheid niet. Het Nederlandse strafstelsel is dan ook een vreemde eend in de bijt.

 

Gratie

Er is in Nederland wel een mogelijkheid om de opgelegde gevangenisstraf te bekorten door middel van de gratieprocedure, vormgegeven in de Gratiewet. Gratie kan omschreven worden als het ten behoeve van een veroordeelde opheffen of verlichten van de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk door de strafrechter opgelegde sanctie, al dan niet onder voorwaarden, waarbij de beslissing zelf overigens in stand blijft.[10] De wet spreekt over ‘vermindering, verandering of kwijtschelding’ van sancties, die voortkomen uit een strafrechtelijke beslissing, waaruit duidelijk naar voren komt dat het gaat om een verandering ten gunste van de veroordeelde.[11] De gratie vindt zijn grondslag in artikel 122 lid 1 van de Grondwet en wordt door de Kroon verleend, na advies van een rechtelijke instantie. [12]

 

De levenslanggestrafte of de minister kunnen een gratieverzoek indienen. Naar aanleiding van een dergelijk verzoek, brengt de rechter die destijds de straf heeft opgelegd een advies uit aan de koning.

 

De twee in de wet opgesomde limitatieve gronden om gratie te verzoeken zijn te vinden in artikel 2 van de Gratiewet. De eerste mogelijkheid is dat er zich een omstandigheid heeft voorgedaan waar de rechter tijdens het nemen van zijn beslissing geen rekening mee heeft gehouden of heeft kunnen houden. Deze omstandigheid moet bovendien van dien aard zijn dat de rechter, als de omstandigheid ten tijde van de beslissing wel bekend was geweest, een andere uitspraak had gedaan.[13] Een voorbeeld hiervan is nieuw bewijs. De tweede grond om gratie te verlenen is wanneer met de voortzetting van de straf geen doel meer wordt gediend.[14] Deze grond heeft primair betrekking op veroordeelden tot een levenslange gevangenisstraf. Beslissend is of de verdere tenuitvoerlegging inhoudelijk nog wel zin heeft. Het enkele feit dat het uit een oogpunt van normhandhaving aangewezen is rechterlijke beslissingen ten uitvoer te leggen, staat aan toekenning van gratie op deze grond niet in de weg.[15] De doelen die hier worden bedoeld en die ook terug zijn te vinden in artikel 2 lid 2 van de Penitentiaire Beginselen Wet zijn de vergelding, de bescherming van de samenleving en de resocialisatie. Er komt een moment dat de dader voldoende geboet heeft, het vergeldende aspect is dan niet meer voldoende om de levenslange straf te legitimeren. Dan komt het beschermingsaspect om de hoek kijken, waar moet worden bezien of de veroordeelde nog een gevaar is voor de maatschappij en of er nog een gevaar voor recidive heerst. Deze gedachtegang zie je terug in een brief uit 1975 aan de media gericht, waarin de toenmalige staatssecretaris uitlegde waarom hij gratie had verleend aan de Berkelse arts John Opdam, ook wel bekend als de gifmoordenaar Dokter O.[16] Hierin wordt duidelijk gemaakt dat een levenslange gevangenisstraf niet tot het einde ten uitvoer wordt gelegd. Er dient uitzicht te worden gehouden op een terugkeer in de samenleving indien dit veilig genoeg is. Er zal een moment komen waarop een zodanige ontwikkeling heeft voor gedaan, dat aan de hand van een behandelingsplan een terugkeer moet worden voorbereid. Als deze voorbereiding is voltooid moet de beslissing worden genomen.

 

Het is dus theoretisch mogelijk dat de Koning gratie verleent aan een veroordeelde met een levenslange gevangenisstraf, maar dit gebeurt in de huidige praktijk zelden tot nooit.[17] De laatste persoon die in 1986 gratie kreeg was Hans van Z, omdat hij terminaal ziek was. Dit was niet met het oog op perspectief, maar voor een humane stervensbegeleiding thuis. De mogelijkheid op gratie was in het verleden in elk geval wel als reëel te beschouwen. Degenen die voor 1980 tot een levenslange gevangenisstraf werden veroordeeld, kwamen in de regel eerder vrij doordat de levenslange straf door middel van gratie werd omgezet in een tijdelijke gevangenisstraf.[18] Voor degenen die daarna zijn veroordeeld is dat (nog) niet het geval. Er zou geconcludeerd kunnen worden dat de gratieprocedure geen effectief middel is om een veroordeelde perspectief te bieden. Dit komt doordat de gratieprocedure bloot ligt aan politieke druk. Het beslissingsbevoegde orgaan (de minister van Veiligheid en Justitie), wil tegemoet komen aan de wensen die in de samenleving heersen en is bang voor het verliezen van electoraat. Het advies van de rechter wordt zelden opgevolgd en zodoende staat de gratieprocedure ook zwaar onder druk door de rechtspraak van het Europese Hof en volgt de Hoge Raad deze lijn onverbiddelijk.

 

De Europese rechtspraak

Is het in Nederland gevoerde beleid met betrekking tot de levenslange gevangenisstraf niet in strijdt met de Europese wetgeving? Is er wel voldoende perspectief op vrijlating? Het gaat bij deze vragen om de artikelen 3 en 5 lid 4 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). In artikel 3 staat dat niemand mag worden onderworpen aan foltering of aan onmenselijke en vernederende bestraffing en behandeling. Uit artikel 5 volgt dat iedereen wiens vrijheid is ontnomen het recht heeft om bij de rechter een verzoek in te dienen om de rechtmatigheid van de detentie te onderzoeken.

 

Het Europese Hof heeft de laatste jaren meerdere malen de levenslange gevangenisstraf getoetst aan de waarborgen van het EVRM. Te beginnen bij de zaak Kafkaris tegen Cyprus. De vraag of enig perspectief op vrijlating bestaat, kan worden beantwoord vanuit een juridische en vanuit een feitelijke invalshoek.[19] Allereerst valt te bezien of een wettelijke regeling een voorziening biedt ter beoordeling van de vraag of invrijheidstelling op enig moment kan plaatsvinden (juridisch perspectief).[20] Vervolgens is de vraag aan de orde of die voorziening ook daadwerkelijk kan leiden tot invrijheidstelling (feitelijk perspectief). Als er wel een juridische mogelijkheid is, die in de praktijk echter nooit wordt gebruikt, ontbreekt er de facto enig perspectief op vrijlating.[21] Volgens het EHRM mag een veroordeelde niet elk perspectief op vrijlating worden onthouden. De duur van de straf dient de iure en de facto te eniger tijd te kunnen worden verkort. Perspectief voor de veroordeelde is noodzakelijk omdat de straf anders beneden de norm van artikel 3 EVRM dreigt te komen. Dat perspectief kan geboden worden door de mogelijkheid van enige voorziening tot invrijheidstelling.[22]

 

De Hoge Raad heeft zich in 2009 in dit kader als eens uitgelaten over de vraag of de oplegging van de levenslange gevangenisstraf in Nederland in overeenstemming is met de artikelen 3 en 5 vierde lid van het EVRM.[23] Volgens de Hoge Raad valt aan de rechtspraak van het EHRM niet te ontlenen dat een voorziening ter verkorting van de levenslange gevangenisstraf dient te bestaan uit een wettelijk voorgeschreven periodieke herbeoordeling van de straf door een rechter.[24] Dat neemt, aldus nog steeds de Hoge Raad, niet weg dat een periodieke toetsing wel geëigend kan zijn om de in artikel 3 EVRM vervatte waarborg gestalte te geven.[25] De Hoge Raad wijst er vervolgens op dat aan de veroordeelde, ook na oplegging van een levenslange gevangenisstraf, gratie kan worden verleend en dus het juridische perspectief is gegeven. Over het feitelijke perspectief zegt de Hoge Raad het volgende: ‘Indien zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf in feite nimmer wordt verkort, kan dat van betekenis zijn bij de beantwoording van de vraag of oplegging of verdere voortzetting van een levenslange gevangenisstraf zich verdraagt met de uit artikel 3 EVRM voortvloeiende eisen, zoals die door het EHRM in het arrest Kafkaris tegen Cyprus nader zijn omlijnd.’[26] In Nederland biedt de gratie de facto na 1980 geen uitzicht meer op invrijheidstelling zoals in het vorige hoofdstuk al is aangegeven.[27] Hiermee voldoet Nederland op dit punt dus niet aan de Europese regelgeving.

 

In een later arrest uit 2013 van het Europese Hof in de zaak Vinter is bepaald dat er vanaf de oplegging van de levenslange gevangenisstraf een mechanisme aanwezig moet zijn dat uitzicht biedt op in vrijheid stelling en waarin dus de gronden voor oplegging van de straf op zekere tijd opnieuw tegen elkaar worden afgewogen. De redenen hiervoor zijn dat de gronden van oplegging na verloop van tijd kunnen veranderen van belang. Daarnaast is de proportionaliteit van belang; de straf wordt zwaarder naarmate die langer duurt. En als laatste is de menselijke waardigheid een belangrijke factor. Het Hof vindt dat er tenminste binnen 25 jaar een beoordeling van de noodzaak om de straf voor te zetten moet plaats vinden. Op die manier wordt de gedetineerde niet ontmoedigd om aan zijn verbetering te werken. [28]

 

Hier is dit jaar nog een vervolg op gekomen in het arrest van Murray tegen Nederland. Hier heeft het Hof bepaald dat lidstaten de plicht hebben om gedetineerden de mogelijkheid te bieden om te rehabiliteren en dat gedetineerden met een psychische stoornis een noodzakelijke behandeling moet worden aangeboden. Daarnaast maakt het Hof nogmaals duidelijk dat er voor alle gedetineerden met een levenslange straf een mechanisme moet bestaan dat de straf kan verkorten als de oorspronkelijke strafdoelen zijn verschoven. Als het zo is dat het recidivegevaar is uitgesloten, zal dit zwaarder moeten wegen dan de vergelding. Het Hof vindt dat de mentale ontwikkeling van de levenslanggestraften moet worden gevolgd vanaf het begin van de straf en dat er na 25 jaar een tussentoets met voldoende procedurele waarborgen, onder controle van de rechter, moet plaatsvinden op grond van objectieve criteria. [29]

 

Gezien de Europese rechtspraak is het huidige levenslangbeleid in Nederland niet conform de eisen die het Hof aan de lidstaten stelt. Het huidige gratiebeleid zal moeten worden aangepast en er moet aan levenslanggestraften de mogelijkheid worden geboden op resocialisatie, om zodoende terug te kunnen keren in de maatschappij.

 

Veranderen huidige beleid

Dat het huidige beleid niet voldoet aan de eisen die Europa stelt, benadrukt de Hoge Raad in zijn arrest van 5 juli 2016. [30]Hierin wordt duidelijk gemaakt dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf in strijd is met artikel 3 EVRM, het verbod van inhumane dan wel vernederende bestraffing. De huidige praktijk zal dus moeten veranderen om de schending van het verdrag weg te nemen. Er zal een voor de veroordeelde reële mogelijkheid moeten komen voor herbeoordeling, welke kan leiden tot een verkorting van de straf dan wel een (voorwaardelijke) invrijheidstelling. De Hoge Raad heeft de politiek een termijn gegeven tot 5 september 2017 om de levenslange gevangenisstraf in overeenstemming te brengen met het EVRM, en zal daarna opnieuw beoordelen of de levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd. Tot die tijd is het dus niet mogelijk voor de rechter om een levenslange gevangenisstraf op te leggen.[31]

 

Het afgelopen jaar zijn er een aantal voorstellen gedaan om de praktijk te veranderen. Onder meer door Frits Bolkenstein, de voormalig leider van de VVD. Hij heeft in de Volkskrant voorgesteld om een Gratieraad in te stellen. Deze zal moeten onderzoeken of de vergeldingsbehoefte bij een levenslanggestrafte na 25 jaar is verbleekt. Of een Gratieraad voldoet aan de eisen van het Europese Hof is nog maar de vraag. De kritiek die hier op is geuit ziet onder meer op het feit dat het een beleidsmatige toets is, terwijl juist een individuele toets noodzakelijk is. Ook wordt er gezegd dat de strafrechter zelf in staat is om deze ‘review’ uit te voeren en er dus geen aparte Gratieraad hoeft te worden gecreëerd.

 

Staatssecretaris Dijkhoff heeft een heel ander beleid aangekondigd in zijn brief van 2 juni 2016 aangevuld door brieven op 2 september en 25 oktober.[32] Hij wil voor de levenslanggestraften een ambtshalve periodieke toetsing invoeren en daarvoor een adviescollege instellen. Dit adviescollege krijgt een plaats binnen de huidige gratieprocedure. Voordat de minister advies vraagt aan het Openbaar Ministerie en de rechter die straf destijds heeft opgelegd, zoals het in de huidige praktijk gebruikelijk is, brengt in het plan van Dijkhoff het adviescollege eerst zijn advies uit. Zodoende beoogt Dijkhoff duidelijkheid te bieden omtrent de invulling van de detentie en de mogelijkheden van activiteiten gericht op de re- integratie van de veroordeelde. Het is in dit beleid niet meer noodzakelijk om levenslanggestraften deze activiteiten in individuele procedures af te dwingen. Zijn plan is om de eerste periodieke toetsing te laten plaatsvinden 25 jaar na de aanvang van de detentie. In deze eerste 25 jaar detentie zullen er dus geen activiteiten worden aangeboden die gericht zijn op re-integratie in de samenleving. Het adviescollege krijgt ook de bevoegdheid om over verlof te adviseren. De criteria waarop zal worden getoetst zijn onder andere de impact van de slachtoffers en nabestaanden. Ook zal hetgeen wat bewezen is verklaard opnieuw moeten worden beoordeeld.[33] Deze plannen zijn inmiddels vastgelegd in het Besluit Adviescollege Levenslanggestraften welke op 1 maart 2017 in werking zal treden.

 

Dit plan van de staatssecretaris kan op de nodige kritiek rekenen van onder andere de Hoge Raad, de politiek, Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming en het Forum Levenslang. Een belangrijk punt van kritiek is dat de procedure nog steeds politiek beïnvloedbaar is en er geen rechterlijke herbeoordelingmogelijkheid wordt gecreëerd die het Europese Hof eist. Tevens is het eerste toetsmoment voor een terugkeer in de samenleving pas na 25 jaar en wordt er dus geen begin gemaakt met re-integratie binnen die 25 jaar, terwijl het Europese Hof dit wel eist.[34] Daarmee voldoet het ook niet aan het voornemen van de Hoge Raad dat de beslissing over invrijheidstelling uiterlijk na 25 jaar moet worden genomen.[35] Niet alle criteria om te beoordelen of er gratie kan plaatsvinden zijn objectief. Zo wordt er getoetst aan de impact van de slachtoffers en nabestaanden, wat een duidelijke subjectieve toets is. Een ander hachelijk punt is dat er geen termijnen worden gesteld binnen de nieuwe fase van advies van het adviescollege en de daarop volgende beslissing van de Staatssecretaris. Hierdoor voldoet het nieuwe beleid niet aan de eis dat er procedurele waarborgen moeten worden vastgesteld.[36]

 

Conclusie

Nederland is tot nu toe nog het enige Europese land waar levenslang ook echt levenslang is. De meeste Europese landen kennen wel een procedure die na een bepaalde periode kijkt of de levenslange gevangenisstraf nog noodzakelijk en legitiem is. Ons land kent de gratieprocedure, en op grond van artikel 2 van de Gratiewet kan worden gekeken of het voortzetten van de straf nog wel enig doel dient. Op zich is dit juridisch gezien een geschikte manier, omdat er dus wel een wettelijke regeling is. De procedure heeft zich tot 1980 ook prima bewezen en werden veel levenslange straffen omgezet in tijdelijke gevangenisstraffen. Na 1980 is dit niet meer het geval en wordt er nooit meer een gratieverzoek gehonoreerd, waardoor het feitelijk dus geen goed mechanisme is. Het moge duidelijk zijn dat het huidige beleid in het kader van de levenslange gevangenisstraf onhoudbaar is. Gezien de Europese rechtspraak en de conclusie die de Hoge Raad hier aan heeft verbonden, moeten de regels worden aangepast. Tot die tijd zal de rechter zich moeten onthouden aan het opleggen van de levenslange gevangenisstraf. De huidige gang van zaken in het Nederlandse systeem is inhumaan, omdat de veroordeelden geen perspectief wordt geboden. Hoe hier verder vorm aan moet worden gegeven is nu punt van discussie. Staatssecretaris Dijkhoff heeft het plan om een adviescollege in te stellen, echter stuit dit op de nodige kritiek en voldoet het niet aan de eisen van het Europese Hof. Hoe het beleid in overeenstemming wordt gebracht met de Europese rechtspraak is dus nog afwachten. Eén ding is wel meer dan duidelijk: het huidige beleid in het kader van de levenslange gevangenisstraf heeft zijn laatste levenslicht gezien.

[1] F.W. Bleichrodt, Een leven lang, Deventer: Kluwer 2006 (verder te noemen: Bleichrodt 2006).

[2] J. de Hulle, I.M. Koopmans en TH.A. de Roos, Het wettelijke strafmaximum, Deventer: Gouda Quint 1999.

[3] F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 98-99 (verder te noemen Bleichrodt e.a. 2013).

[4] Bleichrodt 2006.

[5] Bleichrodt e.a. 2013, p. 96.

[6] C. Kelk, ‘Tussen tijdelijk en levenslang: alleen een ‘strafgat’?’, DD 2004, p. 457-467.

[7] Bleichrodt e.a. 2013, p. 97.

[8] Kamerstukken II 2003/04, 28 484, 34, p. 30-31.

[9] Kamerstukken II 2009/10, 24 587, nr. 377.

[10] J. de Hulle, Over rechtsmiddelen in strafzaken, Gouda Quint, 1989, p. 295 (verder te noemen: de Hulle 1989).

[11] De Hulle 1989, p. 295.

[12] De Hulle 1989, p. 295.

[13] Art. 2 sub a Gratiewet.

[14] Art. 2 sub b Gratiewet.

[15] Bleichrodt e.a. 2013, p. 353-354.

[16] P. Smolders, De dertig meest geruchtmakende misdaden van de lage landen, Baarn: Tirion 1999.

[17] W.F. van Hattum, ‘In de daad een mens. De gratieprocedure levenslang gestraften: departementaal beleid en magistratelijk toezicht, vroeger en nu’, DD 2009, p. 325-352 (verder te noemen: van Hattum 2009).

[18] Van Hattum 2009, p. 325-352.

[19] Bleichrodt 2013, p. 98.

[20] Bleichrodt 2013, p. 98.

[21] Bleichrodt 2013, p.98.

[22] EHRM 12 februari 2008, appl. nr. 21906/04, EHRC 2008, 52 (Kafkaris tegen Cyprus).

[23] HR 16 juni 2009, LJN BF3741, NJ 2009, 602.

[24] Bleichrodt 2013, p. 99.

[25] Bleichrodt 2013, p. 99.

[26] HR 16 juni 2009, LJN BF3741, NJ 2009, 602.

[27] Van Hattum 2009, p. 325-352.

[28] EHRM 9 juli 2013, appl. nrs. 66069/09, 130/10 en 3896/10, par. 118 – 119 (Vinter tegen Verenigd Koninkrijk).

[29] EHRM 26 april 2016, appl. nr. 10511/10 par. 99, 100, 103, 104, 105, 107, 108, 112 (Murray tegen Nederland).

[30] HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1325.

[31] HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1325, r.o. 3.4.

[32] Kamerstukken II 2015/16, 29279, 325.

[33] W.F. van Hattum, ‘De beleidswijziging levenslange gevangenisstraf’, NJB 2016/1233, p. 1769 (verder te noemen: van Hattum 2016).

[34] Van Hattum 2016, p. 1769-1770.

[35] HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1325.

[36]Van Hattum 2016, p. 1769-1770.